Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW4290

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
27-04-2012
Zaaknummer
AWB 12-792 WABOA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing voorlopige voorziening hangende beroep. Verlenen van Wabo-vergunning voor het oprichten van 88 appartementen en het verlenen van ontheffing voor een tekort aan zeven parkeerplekken. De voorzieningenrechter acht de Crisis- en Herstelwet van toepassing. Het bouwplan is in strijd met het uitwerkingsplan, maar niet met het globale bestemmingsplan. De Wabo-vergunning is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat het beroep geen grote kans van slagen heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/792 WABOA

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2],

wonende te [woonplaats],

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen,

verweerder,

gemachtigde mr. R.R. Bisoen.

Tevens heeft aan het geding deelgenomen:

de besloten vennootschap Phanos Westwijk B.V.,

vergunninghouder,

gemachtigde: L. van Wakeren

Procesverloop

Verzoekers hebben een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoeker ingediende beroep tegen het besluit van verweerder van 16 december 2011 (het bestreden besluit I), dat is gepubliceerd op 4 januari 2012.

Bij besluit van 8 maart 2012 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het besluit van 16 december 2011 aangevuld.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 maart 2012.

[verzoeker 1] is verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door [persoon 1], bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Namens vergunninghouder is verschenen [persoon 2], bijgestaan door voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Vergunninghouder heeft op 28 december 2010 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het oprichten van 88 appartementen op Westhove in Westwijk Zuid West te Amstelveen. Deze appartementen zullen worden gerealiseerd als extra bouwlaag op een appartementencomplex.

1.2. Verweerder heeft op 29 september 2011 een ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Verzoekers hebben hiertegen een zienswijze ingediend.

1.3. Bij het bestreden besluit I heeft verweerder de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen, handelen in strijd met de ruimtelijke ordening en het realiseren van een uitweg. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingediend en tevens verzocht om een voorlopige voorziening.

1.4. Bij het bestreden besluit II heeft verweerder op grond van artikel 6:18 Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bestreden besluit I aangevuld. Verweerder heeft bij het bestreden besluit II een ontheffing verleend voor een tekort aan zeven parkeerplekken op het terrein dat bij het appartementencomplex hoort.

1.5. De voorzieningenrechter acht het beroep van verzoekers en het verzoek om een voorlopige voorziening, mede gelet op het bepaalde in artikel 6:18 en 6:19 van de Awb, mede gericht tegen het bestreden besluit II.

2. Wettelijk kader

2.1. Op grond van artikel 8:81 van de Awb gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

2.2. De omgevingsvergunning is afgegeven in december 2010. Dat is na de inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) op 31 maart 2010.

2.3. Op grond van artikel 1.1, aanhef en onder a, van de Chw, is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten.

In onderdeel 3.2 van bijlage I bij de Chw worden projecten als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, van de Chw aangemerkt als categorie ruimtelijke en infrastructurele projecten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Chw.

In artikel 2.9, eerste lid aanhef en onder a, is deze afdeling van toepassing op de uitvoering van projecten die geheel of hoofdzakelijk voorzien in de bouw van ten minste 12 en ten hoogste

1. in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling: 2000 nieuwe woningen, dan wel

2. in geval van één ontsluitingsweg: 1500 nieuwe woningen.

2.4. Het plan maakt de bouw van meer dan 12 woningen mogelijk zodat de voorzieningenrechter er voorlopig vanuit gaat dat op grond van artikel 1.1, aanhef en onder a, van de Chw afdeling 2 van hoofdstuk 1 op het bestreden besluit van toepassing is.

2.5. Op grond van artikel 2.1, eerste lid aanhef, en onder b en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a het bouwen van een bouwwerk,

b het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,

c het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet, (…)

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

Op grond van het tweede lid van het voornoemde artikel worden in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1. onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningsverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef, sub a, onder 3, van de Wabo kan voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met het een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

3. Beoordeling

3.1. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het bestreden besluit I voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. De ruimtelijke onderbouwing is gevoegd bij het ontwerp van de omgevingsvergunning en daarin is ingegaan op de ruimtelijke en functionele aspecten van het project alsmede de inpasbaarheid in gemeentelijk en provinciaal beleid. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat met het bouwplan weliswaar wordt afgeweken van het uitwerkingsplan, maar het globale bestemmingsplan voorziet in een bouwhoogte van 21 meter en in ieder geval een bouwhoogte tot zes bouwlagen. Het bouwplan gaat de 21 meter en de zes bouwlagen niet te boven.

3.2. Het bouwplan is op 15 juni 2011 voorzien van een positief welstandsadvies. In dit advies staat dat de welstandscommissie geen bezwaar heeft. Hieruit valt op te maken dat de commissie vindt dat het bouwwerk goed in de omgeving past. Verzoekers hebben weliswaar architectonische bezwaren tegen het bouwplan maar onderbouwen dat verder niet met een deskundig tegenadvies. Vooralsnog is de voorzieningenrechter dan ook niet gebleken dat verweerder zich niet op het welstandsadvies mocht baseren.

3.3. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat het bouwplan een aantasting van hun privacy is en het uitzicht van hun huis verslechtert, dat daarom de vergunning alsnog geweigerd moet worden. Naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bestaat er echter geen recht op blijvend uitzicht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juni 2011, LJN BQ6844), zodat naar het oordeel van de voorzieningenrechter verzoekers geen zwaarwegend belang hierbij hebben. De voorzieningenrechter is met verweerder verder van oordeel dat gezien de afstand van 45 meter van verzoekers woning tot het appartementencomplex, vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat de aantasting van de privacy zodanig zal zijn dat dit bij de belangenafweging doorslaggevend had moeten zijn.

3.4. Verzoekers stellen tevens dat de parkeerdruk in de directe omgeving zal toenemen en dat er een toename zal zijn van het aantal verkeersbewegingen in de buurt. De voorzieningenrechter volgt de stelling van vergunninghouder niet dat verzoekers geen relatief belang hebben bij de parkeeroverlast. Hoewel de kans niet groot is dat de bewoners van Westhove, en/of hun bezoekers, bij de woning van verzoekers parkeren, is het niet ondenkbaar dat dit gebeurd.

De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat verweerder voldoende heeft aangetoond dat het gebied voldoende ruimte biedt om het tekort aan zeven parkeerplekken op het terrein dat bij het appartementencomplex hoort en waarvoor ontheffing is verleend, te compenseren. De voorzieningenrechter ziet verder geen aanleiding verweerders stelling, dat het aantal verkeersbewegingen ruim onder het maximum ligt en de straat het verkeer dat de extra woningen met zich meebrengt daarom makkelijk kan opvangen, voor onjuist te houden.

3.5. Ter zitting hebben partijen aangegeven dat, naast het beroep van verzoekers, andere belanghebbenden een beroep tegen het bestreden besluit I hebben ingediend bij deze rechtbank. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter geen toepassing geven aan de mogelijkheid zoals bedoeld in artikel 8:86 van de Awb om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

3.6. Het geheel overziende is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat het beroep van verzoekers geen grote kans van slagen heeft. Het verzoek tot het treffen van een voorziening zal daarom ook worden afgewezen.

3.7. Voor een terugbetaling van het griffierecht bestaat dan ook geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.C.W. van der Voort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2012.

de griffier de voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB