Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW4285

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
27-04-2012
Zaaknummer
492277 - HA ZA 11-1856
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht met deurwaarder. Executoriaal derdenbeslag op gelden. De executie van de rechterlijke uitspraak door deurwaarder houdt niet op bij het verzoek van de deurwaarder aan de derde om tot afdracht conform de derdenverklaring over te gaan. Deurwaarder is voorts verplicht de gelden in ontvangst te nemen en deze volgens de normale regels te executeren. Die verplichting gaat niet zo ver dat deurwaarder verantwoordelijk is voor de afdracht van de gelden door de derde. Executant kan op grond van art. 477 lid 4 Rv afdracht van de derde vorderen indien die derde niet vrijwillig afdraagt. De wet geeft geen termijn voor de derde om af te dragen. Deurwaarder had derde daarom termijn voor afdracht moeten geven om vast te kunnen stellen of derde niet vrijwillig heeft afgedragen. Causaal verband tussen schade en handelingen deurwaarder niet vast komen te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 492277 / HA ZA 11-1856

Vonnis van 7 maart 2012

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

advocaat mr. P.C. van den Berg te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GERECHTSDEURWAARDERSKANTOOR [GEDAAGDE] B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. S. Colsen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 31 augustus 2011;

- het proces-verbaal van comparitie van 13 december 2011 en de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Het huwelijk van [eiseres] met de heer [A] (hierna: ‘[A]’) is per 31 december 2003 ontbonden. [eiseres] en [A] zijn daarop in diverse alimentatieprocedures verwikkeld geraakt, waarbij [A] veroordeeld is tot het betalen van alimentatie aan [eiseres]. [A] voldeed niet aan zijn verplichting tot betaling van alimentatie.

2.2. [eiseres] heeft, via haar toenmalige advocaat mr. [X], begin juni 2009 [gedaagde] verzocht om ten laste van [A] voor een bedrag van EUR 12.973,98 executoriaal derdenbeslag te leggen onder de werkgever van de toenmalige echtgenote van [A], mevrouw [B] (hierna: ‘[B]’). [gedaagde] heeft dit derdenbeslag onder ING Personeel VOF (hierna: ‘ING’) op 4 juni 2009 gelegd.

2.3. ING heeft overeenkomstig artikel 476a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een derdenverklaring d.d. 8 juni 2009 aan [gedaagde] gezonden. Uit de derdenverklaring bleek dat het salaris van [B] onder het beslag viel. Voorts vermelde de derdenverklaring onder ‘bijzonderheden’:

“Betrokkene gaat per 1-8-2009 met ontslag”.

2.4. Bij brief van 9 juni 2009 heeft [gedaagde] aan ING bericht akkoord te zijn met de derdenverklaring en heeft [gedaagde] aangegeven dat het door het beslag getroffen bedrag conform die verklaring overgemaakt kan worden. In de laatste alinea van de brief staat:

“Wellicht ten overvloede wijzen wij U erop dat vakantiegelden, bonussen, tantièmes, extra uitbetalingen zoals b.v. 13e maand of ontslagvergoeding ALTIJD voor 100% onder het beslag vallen. Voorts wijzen wij u erop dat de inhoudingen pas gestaakt mogen worden NA bericht onzerzijds.”

2.5. Bij fax van 12 augustus 2009 berichtte ING aan [gedaagde]:

“(…)

Naar aanleiding van uw brief van 9 juni jl. aan mijn collega’s van SC Human Resources Support inzake bovengemeld beslag bericht ik u als volgt.

Mevrouw [B] heeft ons per mailbericht van 7 augustus 2009 meegedeeld dat zij en haar echtgenoot uit elkaar zijn. (Overigens ben ik zo vrij u op pagina 6 van de [krant] van vandaag te wijzen, waarin mevrouw [B] aangeeft een bowlingbaan met haar echtgenoot te starten….)

Zij verzoekt ING daarom de vergoeding niet over te maken naar de eerder door haar opgerichte stamrecht-BV, maar naar een nieuw door haar op te richten stamrecht-BV.

Mijn vraag aan u is of dit uw instructies ter zake van het beslag wijzigt?

(…)”

2.6. Bij brief van 16 september 2009 berichtte mr. [X] aan [gedaagde]:

“(…)

Tevens hebben wij besproken dat ik heb verzocht om beslag te leggen op de auto welke in privé toebehoord aan mevrouw [B]. Hierbij heb ik er tevens op gewezen dat het huwelijk van de heer [A] en mevrouw [B] op zeer korte termijn ontbonden zal worden nu de echtscheidingsbeschikking is afgegeven op 9 september jl. Gaarne verneem ik of hiertoe actie is ondernomen na overleg met cliënte.

(…)”

2.7. Bij fax van 21 september 2009 berichtte [gedaagde] aan ING:

“(…)

Naar aanleiding van uw fax d.d. 12 augustus 2009 kan ik u als volgt berichten.

De verklaring van mevrouw [B] is ons bekend, doch is er voor zover na te gaan is nog geen echtscheiding bekend. Hiermee kan ik niet anders dan concluderen dat de ontslagvergoeding thans onder het beslag valt.

Wij verzoeken u de ontslagvergoeding aan ons af te dragen.

(…)”

2.8. In de beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 november 2009, gewezen in een procedure tussen [A] en [eiseres], staat onder meer:

“vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover daarbij het verzoek van de man de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw op nihil te stellen, is afgewezen en, opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de man met ingang van 1 oktober 2008 aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud op nihil, met dien verstande dat, voorzover de man over de periode vanaf 1 oktober 2008 tot heden meer heeft betaald en/of op hem is verhaald, de uitkering tot heden wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald;”

2.9. Bij verzoekschrift d.d. 3 februari 2010 heeft [eiseres] cassatie ingesteld tegen voornoemde uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam.

2.10. Bij brief/fax van 9 november 2009 berichtte [gedaagde] aan ING:

“(…)

Met betrekking tot het door ons onder u gelegde executoriale beslag ten laste van mevrouw [B] te [plaats] d.d. 4 juni 2009 delen wij u het volgende mede.

Om moverende redenen beperkt executante het beslag hierbij tot een bedrag ad € 15.000,00. Op het meerdere zal derhalve geen aanspraak meer op worden gemaakt en zo u wenst, kunt u dit afdragen aan Mw. [B].

Voor de goede orde merken wij nog op dat vooralsnog het beslag NIET als opgeheven kan worden beschouwd.

Onder voorbehoud van alle rechten u later aansprakelijk te stellen vanwege het niet voldoen aan het bepaalde in artikel 477 lid 1 RV (immers u had allang moeten afdragen!) aan ons, verblijven wij,

(…)”

2.11. Op 23 november 2009 heeft ING een bedrag van € 11.822.62 afgedragen aan [gedaagde]. [gedaagde] heeft dit bedrag aan [A] c.q. [B] terugbetaald.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 11.822,62 aan misgelopen netto ontslagvergoeding van [B], vermeerderd met rente en kosten. [eiseres] stelt daartoe, dat ING de ontslagvergoeding tijdig overgemaakt zou hebben als [gedaagde] zich als goed opdrachtnemer had gedragen. Nu [gedaagde] niet adequaat en grondig te werk is gegaan bij het incasseren van de ontslagvergoeding moest deze, gezien de beschikking van het Gerechtshof d.d. 3 november 2009, aan [A] c.q. [B] worden terugbetaald.

3.2. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] heeft voldoende gedaan ten aanzien van het incasseren van de ontslagvergoeding. Het executoriale beslag is daadwerkelijk gelegd, de uitbetaling is verzocht en ING had reeds diverse malen telefonisch toegezegd het ingehouden bedrag over te zullen maken. Van een grote bank als ING mag worden verwacht dat zij hun toezeggingen nakomen. Daarom valt niet in te zien waarom ING bij een andere handelswijze van [gedaagde] wel tot tijdige betaling zou zijn overgegaan.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat de overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] een overeenkomst van opdracht is. Op grond van artikel 7:401 van het Burgerlijk Wetboek diende [gedaagde], bij de werkzaamheden die zij voor [eiseres] verrichtte, de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen. De vraag daarbij is of [gedaagde] als deurwaarder heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend collega-deurwaarder te werk zou zijn gegaan. Vervolgens is van belang of de door [eiseres] gestelde schade het gevolg is van het handelen van [gedaagde].

4.2. De rechtbank begrijpt [eiseres] aldus, dat zij [gedaagde] verwijt dat er te veel tijd was verstreken voordat [gedaagde] op de brief van ING van 12 augustus 2009 reageerde. Voorts wist [gedaagde] van de (naderende) beschikking van het gerechtshof te Amsterdam d.d. 3 november 2009 en daarmee van het belang van tijdige betaling van het geldbedrag. Bovendien had [gedaagde] niet tot 9 november 2009 moeten wachten met het versturen van een schriftelijke sommatie aan ING.

4.3. De rechtbank oordeelt als volgt. Tussen het verzenden van de brief van ING d.d. 12 augustus 2009 aan [gedaagde] en de reactie daarop van [gedaagde] d.d. 21 september 2009 zijn ruim 5 weken verstreken. Hoewel die termijn niet van een voortvarende behandeling zijdens [gedaagde] getuigt, oordeelt de rechtbank die termijn in dit geval niet als een onacceptabele. De rechtbank betrekt in dit oordeel dat [gedaagde] stelt dat zij in de periode van 12 augustus 2009 tot en met 21 september 2009 meermaals telefonisch contact met ING heeft gehad, waarbij ING heeft toegezegd het geldbedrag te zullen betalen. Deze stelling is door [eiseres] niet, althans niet gemotiveerd, betwist. [gedaagde] heeft op die toezeggingen van ING vertrouwd en mocht dat ook gedurende een aantal weken doen. Toen ING haar toezeggingen niet nakwam, heeft [gedaagde] ING alsnog op 21 september 2009 schriftelijk op de brief van ING gereageerd.

4.4. Anders dan [eiseres] stelt, is niet vast komen te staan dat [gedaagde] op de hoogte was van de (naderende) beschikking van het gerechtshof te Amsterdam d.d. 3 november 2009 dan wel het mogelijke belang van die beschikking voor het gelegde beslag. Uit niets is gebleken dat [gedaagde] van de naderende beschikking op de hoogte was en [gedaagde] heeft betwist dat zij van het naderen van die beschikking op de hoogte was. Uit de brief van mr. [X] aan [gedaagde] d.d. 16 september 2009 kan volgens de rechtbank evenmin worden afgeleid dat [gedaagde] van de beschikking op de hoogte was. Dat het huwelijk tussen [A] en [B] mogelijk zou worden ontbonden, was op dat moment voor partijen niet nieuw meer. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet met zich mee, dat [gedaagde] daarmee tevens op de hoogte was van het bestaan van een procedure tussen [A] en [eiseres] bij het gerechtshof te Amsterdam en dat in die procedure op korte termijn een voor [eiseres] mogelijk nadelige beschikking zou volgen. Nu de bekendheid van [gedaagde] met de beschikking van het gerechtshof niet is vast komen te staan, is evenmin vast komen te staan dat [gedaagde] vanwege die beschikking wist dat een spoedige betaling door ING van de gelden noodzakelijk was.

4.5. [gedaagde] heeft ING bij brief van 9 november 2009 (herhaald) verzocht om tot betaling van het geldbedrag over te gaan. [gedaagde] heeft ING daarbij, onder voorbehoud van rechten, gewezen op het feit dat de afgifte reeds plaats had moeten vinden. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij daartoe echter niet verplicht was, omdat dat niet tot haar taken zou behoren. De rechtbank oordeelt anders. De executie van de rechterlijke uitspraak, waarbij [A] veroordeeld is tot het betalen van alimentatie aan [eiseres], houdt niet op bij het verzoek van [gedaagde] aan ING tot afgifte van de gelden conform de door ING afgegeven derdenverklaring. [gedaagde] is immers voorts verplicht om de gelden van ING in ontvangst te nemen en deze, aldus artikel 477 lid 5 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, te executeren volgens de ‘normale regels’. Die verplichting gaat echter niet zo ver dat de verantwoordelijkheid voor de afgifte van de gelden bij [gedaagde] ligt. Het is op grond van artikel 477a lid 4 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de taak van [eiseres] om de afgifte van de gelden van ING te vorderen indien ING die niet vrijwillig heeft afgedragen. Het moet dan echter wel vaststaan dat ING niet vrijwillig is nagekomen. Om vast te stellen of ING niet vrijwillig is nagekomen is, nu de wet geen termijn voor de afdracht geeft, van belang of [gedaagde] aan ING een termijn voor de afdracht heeft gegeven. In de brief van 21 september 2009 heeft [gedaagde] ING geen termijn voor afdracht gegeven en ook overigens is daarvan niet gebleken. Het had derhalve op de weg van [gedaagde] gelegen om ING, toen zij niet vrijwillig tot afgifte overging, alsnog een termijn voor afdracht te geven. In de brief van 9 november 2009 wijst [gedaagde] ING vooreerst, overigens zonder het geven van een termijn voor afdracht, op de gevolgen van het niet betalen en geeft zij aan dat ING reeds had moeten betalen. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] hier niet tot 9 november 2009 mee had mogen wachten. Dit temeer nu ING eerdere telefonische toezeggingen aan [gedaagde] niet was nagekomen.

4.6. Alhoewel [eiseres] [gedaagde] terecht verwijt dat zij te lang heeft gewacht met het sturen van een sommatie aan ING, leidt dat evenwel niet tot toewijzing van de vordering. De verwijten van [eiseres] impliceren dat ING tijdig zou hebben betaald als [gedaagde] anders had gehandeld. [gedaagde] heeft daartegen gemotiveerd aangevoerd dat niet valt in te zien waarom ING vóór 23 november 2009 zou hebben betaald als [gedaagde] anders zou hebben gehandeld. De rechtbank is met [gedaagde] van oordeel dat niet vast is komen te staan dat ING vóór 3 november 2009 aan haar betalingsverplichting zou hebben voldaan indien [gedaagde] anders zou hebben gehandeld, bijvoorbeeld door het eerder versturen van een sommatie. Daartoe heeft [eiseres], in het licht van het gemotiveerde verweer van [gedaagde], onvoldoende gesteld. Kortom, dat de schade is ontstaan als het gevolg van het handelen c.q. nalaten van [gedaagde] is niet vast komen te staan. De vordering zal daarom worden afgewezen.

4.7. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 1.181,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 2.085,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.085,00,

5.3. veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Voetelink en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2012.?