Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW4146

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
26-04-2012
Zaaknummer
AWB 11/5547 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ter zitting heeft verweerder verklaard zich niet langer op het standpunt te stellen dat eiser zijn inlichtingenverplichting op grond van artikel 17 WWB heeft geschonden. Dat staat volgens verweerder niet in de weg staat dat eisers recht op bijstand uit anderen hoofde wordt herzien en de teveel ontvangen bijstand wordt teruggevorderd. De rechtbank is op grond van verschillende feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd van oordeel dat eiser niet redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat hij in de periode in geding te veel bijstand had ontvangen. Daarbij wijst de rechtbank in het bijzonder op de omstandigheid dat eiser in de periode in geding het beheer van zijn financiën uit handen had gegeven aan het FIBU en dat hij dus op zijn financiële situatie geen dan wel beperkt zicht had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/5547 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. G.M. Haring,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. D. Ahmed.

Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder over de periode van 15 november 2010 tot en met 31 juli 2011 eisers recht op uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) herzien en de teveel ontvangen bijstand teruggevorderd voor een bedrag van in totaal € 2.915,37.

Bij besluit van 3 november 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 28 februari 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is door onvoorziene omstandigheden niet verschenen. De rechtbank zag hierin reden het onderzoek ter zitting te schorsen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting hervat op 9 maart 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiser ontvangt (laatstelijk) per 10 juni 2010 een uitkering op grond van de WWB naar de norm van alleenstaande.

1.2. Eiser is door verweerder aangemerkt als behorend tot een bijzondere doelgroep. Eisers financiële zaken, waaronder inbegrepen zijn bijstandsuitkering, worden beheerd door Financiële dienstverlening en budgetbeheer (hierna: FIBU).

1.3. Op 25 juli 2011 heeft eiser aan verweerder gemeld dat hij woonde in een instelling en zich zou gaan inschrijven op het adres Domselaerstraat 126, het adres van het Woon Trainings Centrum (WTC) van JellinekMentrum. Uit door eiser overgelegde documenten bleek dat hij reeds per 15 november 2010 op het voornoemde adres woonde. Op 25 juli 2011 heeft eiser zich bij het bevolkingsregister laten inschrijven op het voornoemde adres.

1.4. Bij het primaire besluit heeft verweerder vervolgens het recht van bijstand over de periode van over de periode van 15 november 2010 tot en met 31 juli 2011 herzien en de teveel ontvangen bijstand teruggevorderd, nu hij recht had op bijstand naar de norm van elders verzorgden in plaats van naar de norm van alleenstaande. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

2. Wettelijk kader

2.1. In artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB is bepaald dat verweerder een besluit tot toekenning van bijstand kan herzien of intrekken indien anders dan ten gevolge van een schending van de inlichtingenplicht de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

2.2. Op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, kan verweerder de kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

2.3. In artikel 4.2, derde lid, van de Beleidsregels inkomensvoorzieningen WWB, IOAW, IOAZ en WWIK (hierna: de Beleidsregels) wordt, voor zover hier van belang, bepaald dat een besluit tot toekenning van uitkering wordt ingetrokken of herzien, indien anderszins ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is verleend, terwijl een belanghebbende dit redelijkerwijs kon begrijpen.

3. Inhoudelijke beoordeling

3.1. Ter zitting heeft verweerder verklaard zich niet langer op het standpunt te stellen dat eiser zijn inlichtingenverplichting op grond van artikel 17, van de WWB heeft geschonden. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank de wettelijke grondslag aan het bestreden besluit komen te ontvallen.

3.2. Het beroep is reeds hierom gegrond. Het bestreden besluit komt daarom in aanmerking voor vernietiging.

3.3. De rechtbank stelt vast dat verweerder het bestreden besluit op een andere wettelijke grondslag baseert, omdat volgens verweerder de omstandigheid dat eiser zijn inlichtingenplicht niet heeft geschonden, niet in de weg staat dat eisers recht op bijstand uit anderen hoofde wordt herzien en de teveel ontvangen bijstand wordt teruggevorderd. Verweerder wijst daarbij op het bepaalde in (het onder 2.1. aangehaalde) artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB.

3.4. In het kader van finale geschilbeslechting zal de rechtbank bezien of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

3.5. Onder verwijzing naar artikel 4.2, derde lid, van verweerders Beleidsregels ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of eiser redelijkerwijs kon begrijpen dat de aan hem in de periode in geding uitbetaalde uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag was verleend. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en heeft daartoe het volgende overwogen.

3.6. Eiser heeft in het verleden te kampen gehad met drank- en drugsproblemen en is daarom aangemerkt en bij verweerder bekend als behorend tot een bijzondere doelgroep. Ter zitting heeft eiser onbetwist verklaard dat hij uit dien hoofde veel te maken heeft gehad met zijn klantmanager bij DWI. Omdat hij veelal een zwervend bestaan leidde, moest hij vaak “10-dagenformulieren” invullen, formulieren waarop hij bijhield waar hij van dag tot dag verbleef. Als hij daarop had aangegeven dat hij tijdelijk bij een vriend verbleef, stonden soms de handhavingsmedewerkers van DWI meteen bij die vriend voor de deur. Eiser heeft ter zitting ook verklaard dat hij geen “10-dagenformulieren” meer heeft hoeven invullen sinds hij in de WTC instelling van JellinekMentrum verbleef. In de periode in geding had eiser het beheer van zijn financiën uit handen gegeven aan het FIBU zodat hij op zijn financiële situatie geen dan wel beperkt zicht had. Eiser krijgt immers van het FIBU een vast bedrag per maand om te besteden. Ook acht de rechtbank relevant dat eisers plaatsing in het WTC door JellinekMentrum is verzorgd en dat het WTC van JellinekMentrum voor wat betreft de bijzondere doelgroepen contacten onderhoudt met verweerder. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat uit hoofde van die samenwerking op één locatie (op de Sarphatistraat in Amsterdam) zowel een loket van verweerders Dienst Werk en Inkomen (DWI) als een loket van Jellinek gevestigd is. In de bezwaarfase heeft eiser een verklaring overgelegd van [casemanager], casemanager Jellinek Outreachend Team, gedateerd 25 oktober 2011. Uit deze verklaring blijkt dat het vaste praktijk is dat medewerkers van het WTC bij opname betrokkenen ondersteunen bij het doorgeven aan verweerder van hun veranderde woontoestand. Redelijkerwijs kan niet gezegd worden dat eiser in zijn geval van een andere praktijk uit moest gaan. Dat eiser er daarom vanuit ging dat zijn opname in het WTC aan verweerder (al dan niet schriftelijk) kenbaar gemaakt zou worden, vindt naar het oordeel van de rechtbank steun in de verklaring van [casemanager]. In dit verband wijst de rechtbank nogmaals op de samenwerking tussen JellinekMentrum en verweerder. Ook wijst de rechtbank op eisers persoonlijke toestand in de periode in geding als gevolg van zijn drank- en drugsproblematiek. De rechtbank is op grond van deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd van oordeel dat eiser redelijkerwijs niet had kunnen begrijpen dat hij door zijn opname in de WTC instelling van JellinekMentrum in de periode in geding te veel bijstand heeft ontvangen.

3.7. Het vorenoverwogene leidt tot het oordeel dat verweerder niet op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB in samenhang met artikel 4.2, derde lid, van de Beleidsregels, over kon gaan tot herziening van eisers uitkering. Dit betekent dat verweerder evenmin op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB over kon gaan tot het terugvorderen van de teveel verleende bijstand.

3.8. De rechtbank ziet gezien hetgeen hiervoor is overwogen geen aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten. Nu het primaire besluit gegrond is op dezelfde gebrekkige wettelijke grondslag als het bestreden besluit, zal de rechtbank het primaire besluit herroepen.

3.9. Aangezien het bestreden besluit vernietigd zal worden, zal de rechtbank verweerder opdragen het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

3.10. De rechtbank ziet tevens aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten voor rechtsbijstand die eiser voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht op € 1.092,50 (één punt voor het beroepschrift, één punt voor het verschijnen ter zitting van 28 februari 2012, een halve punt voor het verschijnen ter zitting van 9 maart 2012, € 437, - per punt, wegingsfactor 1). Omdat eiser procedeert op basis van een toevoeging, dienen de proceskosten te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 3 november 2011;

- herroept het primaire besluit van 19 augustus 2011;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 41, - (zegge: eenenveertig euro) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van de procedure tot een bedrag van € 1.092,50 (zegge: duizend tweeënnegentig euro en vijftig eurocent), te betalen aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. Rombouts, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Looij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2012.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB