Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW4035

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
1296347 CV EXPL 11-36985
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

EU-recht. Vo 261/2004. Luchtvaartzaak: compensatie bij vertraging. Sturgeon-arrest moet als geldend recht worden beschouwd. Geen aanleiding voor het stellen van prejudiciele vragen of aanhouding. Korte vertraging waardoor aansluitende vlucht wordt gemist. Begrip "eindbestemming". Beroep op buitengewone omstandigheden wrodt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/436

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

Rolnummer: 1296347 CV EXPL 11-36985

Vonnis van: 5 april 2012

F.no.: 113

Vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiseres]

[eiser]

beiden wonende te Alkmaar

eisers

verweerders in het incident

nader gezamenlijk te noemen: de passagiers

gemachtigde: mr. F. Niemöller (EU-Claim)

t e g e n

de vennootschap naar buitenlands recht BRITISH AIRWAYS LIMITED COMPANY

gevestigd te Amsterdam

gedaagde

eiseres in het incident

nader te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mrs. M.J. Sturm en R.A. Witvliet

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

- de dagvaarding van 19 augustus 2011 inhoudende de vordering van de passagiers, met producties;

- de conclusie van antwoord van de vervoerder, met producties, tevens inhoudende een incidentele vordering tot aanhouding van de procedure.

Daarna is bij tussenvonnis van 16 februari 2012 een verschijning van partijen ter terechtzitting bevolen. Deze zitting heeft op 19 maart 2012 plaatsgevonden. Namens de passagiers is verschenen hun gemachtigde en de heer T. Noorderhaven. De vervoerder is verschenen bij de heren [naam] en [naam] en zijn gemachtigde mr. Sturm.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten en omstandigheden

1. De feiten

Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat vast:

1.1. De passagiers hebben bij de vervoerder een vlucht geboekt van Amsterdam naar Londen Heathrow, uit te voeren op 21 augustus 2009 met vertrektijd 14.55 uur en vluchtnummer BA 435, hierna: de vlucht.

1.2. De vlucht heeft een vertraging van omstreeks 74 minuten opgelopen. Dientengevolge hebben de passagiers hun aansluitende vlucht naar Boston, USA gemist. Deze vlucht had als vertrekdatum en – tijd 21 augustus 2009 om 16.25 uur en vluchtnummer BA 215. De passagiers zijn omgeboekt naar vlucht BA 239 naar Boston, waar zij met een vertraging van 3 uur en 38 minuten arriveerden.

1.3. De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertragingen ten bedrage van in totaal € 600,00.

1.4. De vervoerder heeft geweigerd dit bedrag te betalen.

1.5. De Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW) heeft de klacht d.d. 30 juni 2010 van de passagiers afgewezen bij besluit van 25 maart 2011. Het door de passagiers ingestelde bezwaar is door IVW afgewezen bij besluit van 28 december 2011.

Vordering en verweer

2. De passagiers vorderen dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:

a. € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 april 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

b. € 178,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente;

c. de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3. De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening). De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vluchten gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 300,00 per vlucht per passagier. Zij wijzen daarbij op de beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) in het arrest van 19 november 2009 in de gevoegde zaken van Sturgeon-Condor en Bock-Air France met nummers C-402/07 en C-432/07 (hierna: het Sturgeon-arrest).

4. De vervoerder stelt zich – kort samengevat – primair op het standpunt dat de vordering dient te worden afgewezen omdat de passagiers de art. 21 en 111 lid 3 Rv hebben geschonden door niet te vermelden dat hun klacht bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat is afgewezen. Subsidiair voert de vervoerder aan dat de situatie niet onder de werkingssfeer van de verordening valt. Meer subsidiair is er geen sprake van vertraging en daarmee geen aanspraak op de betreffende compensatie. Voorts voert de vervoerder nog aan dat er sprake is van een uitzonderingssituatie in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening, waardoor hij geen compensatie verschuldigd is. Tenslotte is de vervoerder van mening dat prejudiciële vragen dienen te worden gesteld aan het HvJ EU. In het incident vordert hij dat de beslissing wordt aangehouden in afwachting van de beantwoording door het HvJ EU van door andere rechterlijke instanties gestelde prejudiciële vragen.

Beoordeling in het incident en in de hoofdzaak

5. Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

6. De vervoerder heeft terecht aangevoerd dat de passagiers hebben nagelaten om melding te maken van de procedures bij IVW en van het standpunt van de vervoerder. Gelet op het uitvoerige verweer van de vervoerder is deze echter niet in zijn verweer geschaad en bestaat er geen grond om de vordering dientengevolge af te wijzen.

7. Hetgeen de vervoerder verder aan zijn verweer ten grondslag heeft gelegd als hiervoor aangeduid onder r.o. 4, komt overeen met het verweer dat de betreffende vervoerder heeft gevoerd in de zaken waarin door de kantonrechter te Amsterdam is geoordeeld in de vonnissen d.d. 11 augustus 2011 (o.m. LJN BR6267). Door partijen zijn geen althans onvoldoende bijzondere omstandigheden gesteld die in het onderhavige geval een afwijking van de in die vonnissen gegeven oordelen rechtvaardigen, zodat in de onderhavige zaak gelijkluidend wordt geoordeeld (zie in zelfde zin ook het arrest van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 6 december 2011, LJN BU6840). Dit leidt ook in de onderhavige zaak tot de conclusie dat het Sturgeon-arrest als geldend recht dient te worden beschouwd, dat ook bij vertraging aanspraak op compensatie kan bestaan en dat er geen aanleiding is tot het stellen van prejudiciële vragen of tot aanhouding. De incidentele vordering wordt daarom afgewezen. Er bestaat geen grond voor een kostenveroordeling, nu de passagiers in het incident niet hebben geconcludeerd.

8. De omstandigheid dat het BGH prejudiciële vragen heeft gesteld over een met de onderhavige zaak vergelijkbare casus, maakt dat niet anders. In het Sturgeon-arrest heeft het HvJ EU, met verwijzing naar artikel 5, lid 1, sub c-iii, van de Verordening, vastgesteld dat passagiers die als gevolg van een annulering drie of meer uren tijd verliezen ten opzichte van de oorspronkelijke planning, recht hebben op de forfaitaire compensatie van artikel 7 van de Verordening (rov. 57). Vervolgens heeft het HvJ EU, kort gezegd, overwogen dat op grond van het beginsel van gelijke behandeling passagiers die als gevolg van vertraging een vergelijkbaar tijdverlies van drie uur of meer lijden, eveneens aanspraak kunnen maken op de forfaitaire compensatie van artikel 7 van de Verordening (rov. 58 t/m 60).

9. Rov. 61 van het Sturgeon-arrest luidt als volgt:

“In deze omstandigheden dient te worden vastgesteld dat de passagiers van vertraagde vluchten aanspraak kunnen maken op de in artikel 7 van de verordening nr. 261/2004 bedoelde compensatie wanneer zij door dergelijke vluchten drie of meer uren tijd verliezen, dat wil zeggen wanneer zij hun eindbestemming (onderstreping kantonrechter) drie of meer uren na de door de luchtvaartmaatschappij oorspronkelijk geplande aankomsttijd bereiken.”

10. Het begrip “eindbestemming” is in artikel 2, sub h, van de Verordening, voor zover relevant, als volgt gedefinieerd:

“de bestemming die vermeld staat op het bij de incheckbalie aangeboden ticket of, in geval van rechtstreeks aansluitende vluchten, de bestemming van de laatste vlucht. (…)”

11. Anders dan IVW is de kantonrechter van oordeel dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een (op financiële compensatie rechtgevende) vertraging van drie uur of meer, in het geval van een boeking die betrekking heeft op aansluitende vluchten, moet worden gekeken naar de bestemming van de laatste vlucht. In rov. 61 van het Sturgeon-arrest wordt expliciet verwezen naar de eindbestemming, in samenhang met de definitie van dat begrip zoals gegeven in de Verordening. Dat betekent in het onderhavige geval dat het verschil tussen de geplande aankomsttijd in Boston en de daadwerkelijk aankomsttijd relevant is. Nu dit verschil meer dan drie uur bedraagt, kunnen de passagiers in beginsel aanspraak maken op de forfaitaire compensatie als bedoeld in artikel 7 van de Verordening.

12. In het kader van het bovenstaande zijn nog de rov. 27-29 van het arrest van het HvJEU d.d. 12 mei 2011 (Air Baltic C-294/10) van belang, waarin is overwogen dat de vervoerder op grond van art. 5 lid 3 VO verplicht is om alle redelijke maatregelen te treffen om buitengewone omstandigheden te kunnen opvangen. In rov. 28 is expliciet overwogen dat de vervoerder over een bepaalde buffer of reservetijd dient te beschikken. Indien hij die niet heeft aangehouden, kan niet worden aangenomen dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen. De vervoerder heeft de passagiers een vlucht aangeboden met een korte overstaptijd. Uit de bovenstaande overwegingen en het meermalen in vergelijkbare zaken neergelegde beginsel van consumentenbescherming vloeit voort dat de passagiers mogen aannemen dat de overstap haalbaar is. Indien zich omstandigheden voordoen die de geplande overstap verhinderen, moet dat in beginsel voor rekening van de vervoerder komen, tenzij hem een beroep op buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening toekomt.

13. Ten aanzien van dat beroep van de vervoerder wordt het volgende overwogen. Artikel 5 lid 3 van de Verordening bepaalt dat een luchtvaartmaatschappij niet verplicht is compensatie te betalen indien hij kan aantonen dat de annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste jurisprudentie van het HvJEU (Wallentin-Hermann C-549/07 en Air Baltic C-294/10), die ook ten aanzien van dit verweer relevant is, moet de vervoerder aantonen dat de omstandigheden hoe dan ook niet voorkomen hadden kunnen worden door het treffen van aan de situatie aangepaste maatregelen. De vervoerder moet aantonen dat hij zelfs met inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen – behoudens indien hij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van zijn onderneming had gebracht – kennelijk niet had kunnen vermijden dat de buitengewone omstandigheden waarmee hij werd geconfronteerd tot annulering dan wel vertraging van de vlucht leidden. Bij de beoordeling van de vraag of er in deze zaak sprake is van buitengewone omstandigheden, dient derhalve voorop te worden gesteld dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van deze omstandigheden bij de vervoerder ligt.

14. De vervoerder heeft ter onderbouwing van zijn beroep op buitengewone omstandigheden het volgende aangevoerd. De vertraging van vlucht BA 435 werd in hoofdzaak veroorzaakt door een vertraging van 66 minuten in de voorafgaande vlucht BA 434 van Heathrow naar Schiphol. Die vertraging trad op door weersomstandigheden (onweer met hagel), die het normale gebruik van de start- en landingsbanen beperkten. Een en ander leidde tot start-up delays, die voortvloeiden uit aanwijzingen van de luchtverkeersleiding. De uitvoering van vlucht BA 435 duurde 10 minuten langer dan gepland tengevolge van congesties op Schiphol, voortkomend uit instructies van de luchtverkeersleiding aldaar.

15. De passagiers hebben een en ander betwist.

16. De kantonrechter is van oordeel dat het beroep van de vervoerder op buitengewone omstandigheden niet slaagt. Uitgangspunt is dat de omstandigheden die tot vertraging leiden alleen ‘uitzonderlijk’ zijn in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening wanneer zij verband houden met een gebeurtenis die niet inherent is aan de normale uitoefening van de activiteit van de betrokken luchtvaartmaatschappij, en laatstgenoemde hierop geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen wegens de aard of de oorsprong van die gebeurtenis.

17. Het enkele feit dat de luchtverkeersleidingen van Heathrow en Schiphol aanwijzingen hebben gegeven die aan de vertragingen hebben bijgedragen, is van onvoldoende gewicht. De considerans van art. 15 van de Verordening geeft als voorbeeld dat “een besluit van het luchtvaartbeheer voor een specifiek vliegtuig op een specifieke dag een langdurige vertraging veroorzaakt”. Dat was niet aan de orde. In de eerste plaats was er, ook op Heathrow, geen sprake van een langdurige vertraging. In de tweede plaats trof de verkeersleiding op Heathrow een algemene maatregel, die een in de genoemde omstandigheden en op dat tijdstip niet ongebruikelijke en geringe congestie met zich meebracht.

18. Dat er sprake was van weersomstandigheden die als buitengewone omstandigheden kwalificeren, kan evenmin worden aangenomen. In de eerste plaats worden weersomstandigheden in onderdeel 15 van de considerans van de Verordening in het kader geplaatst van bijzondere incidenten als stakingen, politieke instabiliteit en onverwachte vliegveiligheidsproblemen. Daaruit en uit het uitgangspunt van consumentenbescherming kan worden opgemaakt dat de Verordening op dit punt betrekking heeft op uitzonderlijke weersomstandigheden. In de tweede plaats maakt onderdeel 14 van de considerans melding van “weeromstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen”. Ook die expliciete formulering duidt erop dat het niet om niet ongebruikelijke weersomstandigheden met betrekkelijk geringe vertragingen gaat.

19. Nu de oorzaken van de vertraging niet als een buitengewone omstandigheid worden aangemerkt, moet worden geoordeeld dat het missen van de aansluiting voor risico van de vervoerder komt. De passagiers kunnen daarom aanspraak maken op de gevorderde vergoeding.

20. Gelet op het bovenstaande zal de vordering van de passagiers ten aanzien van de hoofdsom worden toegewezen.

21. De wettelijke rente over de hoofdsom is toewijsbaar vanaf de datum van dagvaarding, nu de passagiers geen ingebrekestelling in het geding hebben gebracht. De wettelijke rente over de proceskosten wordt afgewezen, nu die rente aan te merken valt als nakosten.

22. Nu niet is gebleken dat de passagiers buitengerechtelijke werkzaamheden hebben verricht die het kader van art. 241 Rv. te buiten gaan, worden de gevorderde buitengerechtelijke kosten afgewezen.

23. De vervoerder zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

in het incident:

I. wijst de vordering af;

in de hoofdzaak

I. veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van:

- € 600,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2011 tot aan de voldoening;

II. veroordeelt de vervoerder in de proceskosten, aan de zijde van de passagiers tot op heden begroot op:

-griffierecht: € 202,00

-kosten dagvaarding: € 90,81

-salaris gemachtigde: € 200,00

--------------

Totaal: € 492,81

inclusief eventueel verschuldigde BTW;

III. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

IV. wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. F. van der Hoek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 april 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter