Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW3800

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
24-04-2012
Zaaknummer
511118 / KG ZA 12-246 HJ/TF
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Een weigering van een echtgenoot tot medewerking aan de totstandkoming van een rabbinale echtscheiding kan - zoals door eiseres is aangevoerd - jegens de andere echtgenoot onrechtmatig zijn, immers deze weigering kan in strijd zijn met de zorgvuldigheid die een echtgenoot in het maatschappelijk verkeer ten aanzien van de persoon van zijn gescheiden echtgenoot in acht behoort te nemen. Onder de in de onderhavige zaak genoemde omstandigheden handelt gedaagde onrechtmatig door zijn medewerking aan de rabbinale echtscheiding te weigeren.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 69
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 127a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2012/111

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 511118 / KG ZA 12-246 HJ/TF

Vonnis in kort geding van 10 april 2012

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres bij dagvaarding van 2 maart 2012,

advocaat mr. H. Loonstein te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats] (Frankrijk),

gedaagde,

advocaat mr. H.J. de Raadt te Bussum.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 29 maart 2012 heeft [eiseres] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. [gedaagde] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren zowel [eiseres] met mr. Loonstein als [gedaagde] met mr. De Raadt aanwezig.

2. De feiten

2.1. Op 27 december 2005 zijn partijen met elkaar gehuwd. Bij vonnis van

5 april 2011 heeft de Franse rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Het joods kerkelijk huwelijk tussen partijen is nog niet ontbonden. Voor de ontbinding van het joods kerkelijk huwelijk dient [gedaagde] zijn medewerking te verlenen aan een rabbinale echtscheiding door aan een rabbinaal schrijver de opdracht te geven een scheidingsbrief (get) op te maken en deze te (doen) overhandigen aan [eiseres].

2.2. Uit het huwelijk tussen partijen is op 30 juli 2007 een zoon, genaamd [zoon], geboren. [zoon] woont bij [eiseres] in Nederland. [zoon] heeft gezondheidsproblemen.

2.3. [eiseres] heeft zich gewend tot het rabbinaat van de Nederlands Israëlitische Hoofdsynagoge te Amsterdam omdat zij een rabbinale echtscheiding wil.

2.4. Uit een e-mailwisseling tussen Rabbijn [rabbijn] en [gedaagde] volgt dat Rabbijn [rabbijn] heeft getracht een afspraak te maken met [gedaagde] om over de get te spreken. Tot nu heeft dit gesprek nog niet plaatsgevonden.

2.5. De verdeling van de boedel van partijen dient nog plaats te vinden. Hierover loopt een procedure bij de Franse rechter.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat - [gedaagde] op straffe van een dwangsom te bevelen om te verschijnen voor het rabbinaat van de Nederlands Israëlitische Hoofdsynagoge te Amsterdam, teneinde aldaar in het kader van het tot stand komen van een rabbinale scheiding, een get aan [eiseres] af te geven en al hetgeen te doen dat naar het oordeel van voornoemd rabbinaat nodig is om tot een rabbinale echtscheiding tussen partijen te komen.

3.2. [eiseres] stelt daartoe het volgende.

Door te weigeren mee te werken aan de rabbinale echtscheiding tussen partijen handelt [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiseres]. [eiseres] is volgens de Joodse godsdienst nog steeds gehuwd en kan geen nieuw joods kerkelijk huwelijk sluiten terwijl zij daartoe wel het voornemen heeft. Zij heeft een spoedeisend belang bij haar vordering.

Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad kan een weigering tot medewerking aan de rabbinale echtscheiding onrechtmatig zijn, omdat omdat dit in strijd is met de zorgvuldigheid die iemand in het maatschappelijk verkeer jegens zijn ex-echtgenoot in acht behoort te nemen.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Hierop wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 Rv - waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. Een weigering van de man tot medewerking aan de totstandkoming van een rabbinale echtscheiding kan - zoals door [eiseres] is aangevoerd - jegens de andere echtgenoot onrechtmatig zijn, immers deze weigering kan in strijd zijn met de zorgvuldigheid die hij in het maatschappelijk verkeer ten aanzien van de persoon van zijn gescheiden echtgenote in acht behoort te nemen. In dat geval zal de burgerlijke rechter hem ook kunnen veroordelen om zijn medewerking alsnog te verlenen. Of er van onrechtmatigheid sprake is, zal afhangen van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate waarin de vrouw bij uitblijven van een rabbinale echtscheiding na ontbinding van het burgerlijk huwelijk in haar verdere levensmogelijkheden wordt beperkt, de aard en het gewicht van de bezwaren die bij de man tegen deze medewerking bestaan en de kosten die aan die medewerking zijn verbonden (HR 22 januari 1982, NJ 1982,489).

4.3. [eiseres] stelt dat zij voornemens is een tweede joods kerkelijk huwelijk aan te gaan. Ter zitting heeft [gedaagde] naar voren gebracht dat het onjuist is dat hij weigert mee te werken aan de rabbinale echtscheiding. Hij wil alleen wachten met het verlenen van medewerking totdat de boedelverdeling tussen partijen heeft plaatsgevonden. [gedaagde] acht zich - kort gezegd - niet gehouden mee te werken aan de rabbinale echtscheiding nu [eiseres] zelf geen vaart zet achter de boedelverdeling tussen partijen. Hij vreest zelfs dat als de get er eenmaal is [eiseres] zich niet meer zal inspannen voor de boedelverdeling. Daarnaast spelen er nog andere irritaties bij [gedaagde] een rol zoals de hoge proceskosten die er inmiddels zijn gemaakt en de omstandigheid dat [eiseres] [gedaagde] te weinig betrekt bij de opvoeding van hun kind.

4.4. Vooralsnog moet de wens van [eiseres] om zo spoedig mogelijk tot ontbinding van het joods kerkelijk huwelijk te komen los worden gezien van de andere kwesties die nog spelen als uitvloeisel van de civiele echtscheiding tussen partijen en de zorgen van partijen voor hun kind. De verplichting mee te werken aan de boedelverdeling is een andere verplichting dan de verplichting mee te werken aan een rabbinale echtscheiding. Het kan nog geruime tijd duren voordat de boedelverdeling tot stand is gekomen en van [eiseres] kan niet worden gevergd dat tot die tijd in haar levensmogelijkheden wordt beperkt. Onder deze omstandigheden handelt [gedaagde] dan ook onrechtmatig door zijn medewerking aan de rabbinale echtscheiding te weigeren. Ter zitting heeft [eiseres] nog aangeboden dat zij de kosten voor de rabbinale echtscheiding wil voldoen. Hoewel [gedaagde] daar niet mee instemt - hij wil de helft van de kosten dragen - speelt het kostenaspect derhalve geen rol in deze zaak. Nu [eiseres] heeft aangevoerd over een niet al te lange tijd een nieuw joods huwelijk aan te willen gaan, is haar spoedeisend belang bij de vordering voldoende gebleken. De vordering zal op grond van het voorgaande worden toegewezen als na te melden.

4.5. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.

4.6. Nu partijen ex-partners zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. beveelt [gedaagde] binnen vier weken na betekening van dit vonnis te verschijnen voor het rabbinaat van de Nederlandse Israëlitische Hoofdsynagoge te Amsterdam, teneinde mee te werken aan afgifte van een get aan [eiseres] en verder alles te doen dat naar het oordeel van dat rabbinaat nodig is om tot een rabbinale echtscheiding tussen partijen te komen,

5.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan het in 5.1 uitgesproken bevel voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. G.H. Felix op 10 april 2012.?