Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW3724

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-04-2012
Datum publicatie
24-04-2012
Zaaknummer
13/430370-08 (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt voor zes gevallen van oplichting, twee diefstallen, bedreiging, vernieling en wapenbezit veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaar, waarvan zes maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/430370-08 (PROMIS)

Datum uitspraak: 19 april 2012

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1958],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op

het adres [adres] [woonplaats].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 31 augustus 2010, 4 april 2012 en 5 april 2012.

Het Openbaar Ministerie werd vertegenwoordigd door mr. M. Boheur. Verdachte liet zich bijstaan door mr. N. Hendriksen, advocaat te Amsterdam.

Alle hierna te bespreken verweren zijn zakelijk en samengevat weergegeven.

1. Tenlastelegging

Na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 4 april 2012 wordt verdachte, kort samengevat en zakelijk weergegeven, verweten dat hij een aantal personen heeft opgelicht, geldbedragen heeft gestolen of verduisterd, een persoon heeft bedreigd, wapens voorhanden heeft gehad en autobanden heeft vernield. De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

2.1 Geldigheid van de dagvaarding

2.1 Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich namens verdachte op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van de feiten 3, 5, 6 en 8 innerlijk tegenstrijdig is en daarmee onbegrijpelijk, omdat het primair en het subsidiair ten laste gelegde elkaar uitsluiten.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat wat via de wijziging aan subsidiaire feiten is toegevoegd, onvoldoende feitelijk is omschreven, en meer subsidiair dat bij feit 5 subsidiair de kwalificatie ontbreekt. Elk van de genoemde verweren moet leiden tot (partiële) nietigheid van de dagvaarding, aldus de raadsman.

2.2 Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft in reactie op het verweer van de raadsman aangevoerd dat het Openbaar Ministerie (hierna: OM) vrij is aan een ten laste gelegde een feit één of meer subsidiaire varianten toe te voegen. Voorts heeft zij gesteld dat geen sprake is van innerlijke tegenstrijdigheid. Daarbij heeft zij verwezen naar het arrest NJ 2004, 688, waarin de Hoge Raad heeft beslist dat oplichting en verduistering qua strekking niet wezenlijk uiteenlopen.

2.3 Oordeel van de rechtbank

Het criterium voor de geldigheid van de dagvaarding is of het de verdediging redelijkerwijs duidelijk moet zijn waarvan de verdachte wordt beschuldigd. De beoordeling of hiervan sprake is, vindt plaats in het licht van het achterliggend dossier, de toelichting van de officier van justitie en het onderzoek ter terechtzitting.

De feiten, waarin aan verdachte primair het plegen van oplichting en subsidiair het plegen van verduistering wordt verweten, betreffen telkens verschillende juridische interpretaties en kwalificaties van hetzelfde feitencomplex. Van de door de raadsman geschetste situatie, dat beide varianten onderling op feitelijkheden verschillen, is dan ook geen sprake. De officier van justitie komt de vrijheid toe op deze wijze alternatieven in de tenlastelegging op te nemen. Dat de verschillende juridische kwalificaties mogelijk niet met elkaar verenigbaar zijn, levert geen innerlijke tegenstrijdigheid van de tenlastelegging op. De verdediging heeft in dat geval immers de gelegenheid zich voor te bereiden op de verdediging tegen die afzonderlijke kwalificaties.

Voorts komt aan de bewoordingen van elk van de via de wijziging toegevoegde subsidiaire feiten voldoende feitelijke betekenis toe. Deze feiten zijn daarmee voldoende feitelijk omschreven. Dat bij feit 5 subsidiair, anders dan gebruikelijk, geen wettelijke bepaling is opgenomen, vormt op zichzelf geen grond de dagvaarding voor dit deel van de tenlastelegging nietig te verklaren. Voor elk van de feiten geldt dat het de verdediging redelijkerwijs duidelijk moest zijn waarvan verdachte wordt beschuldigd. Tijdens de behandeling ter terechtzitting is gebleken dat het verdachte ook daadwerkelijk duidelijk was. Het verweer wordt daarom in al zijn onderdelen verworpen. De dagvaarding is - ook overigens - geldig.

Voorts is deze rechtbank bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en is de officier van justitie ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

3.1 Bewijsuitsluiting verklaringen

3.1.1 Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat alle verklaringen die de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] tegenover de politie hebben afgelegd, van het bewijs moeten worden uitgesloten. Zij voert daartoe aan dat verbalisant [verbalisant 1] deze twee personen in ieder geval eenmaal samen als getuigen heeft gehoord. Bovendien heeft hij hiervan in het proces-verbaal geen melding gemaakt.

3.1.2 Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich in reactie op het verweer van de raadsman op het standpunt gesteld dat, zo de rechtbank al van oordeel is dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, met de enkele vaststelling van dat verzuim kan worden volstaan.

3.1.3 Oordeel van de rechtbank

Het dossier bevat processen-verbaal van verhoor van 23 juli 2007 van zowel [getuige 1] (pagina 03001 en vlgg.) als [getuige 2] (pagina 03033 en vlgg.). Daarbij staat vermeld dat het verhoor van [getuige 1] om 13.50 uur is aangevangen en dat van [getuige 2] om 15.31 uur. Beiden hebben bij de rechter-commissaris verklaard dat de politie hen ten minste één keer gezamenlijk heeft gehoord. Mede gelet op de opvallende overeenkomsten wat inhoud, volgorde en formulering betreft moet het hierbij om de hiervoor genoemde verklaringen gaan. De rechtbank gaat dan ook ervan uit dat [getuige 1] en [getuige 2], anders dan uit het proces-verbaal blijkt, bij het afleggen van die verklaringen tegelijkertijd en in elkaars aanwezigheid zijn gehoord.

Alleen al de omstandigheid dat dit is gebeurd, levert een verzuim op. De waarheidsvinding wordt door een dergelijke handelwijze immers belemmerd. De omstandigheid dat de politie het proces-verbaal zodanig heeft ingericht dat het lijkt alsof het om twee afzonderlijke verklaringen gaat, is zorgwekkend en maakt het verzuim zo ernstig dat daaraan gevolgen moeten worden verbonden. Alle verklaringen die [getuige 1] en [getuige 2] bij de politie hebben afgelegd, zullen dan ook van het bewijs worden uitgesloten.

3.2 Beoordeling per feit

Algemene feiten

In deze rubriek en de navolgende rubrieken met de titel "de feiten" worden telkens de feiten en omstandigheden weergegeven waarover tussen het OM en de verdediging geen verschil van inzicht bestaat en waarvan de rechtbank uitgaati.

Nirwana

Verdachte is aan het begin van de ten laste gelegde periode, 29 november 2001, samen met [getuige 1] (hierna: [getuige 1]) en [getuige 2] (hierna: [getuige 2])ii. eigenaar van het assurantiekantoor Nirwana Assurantiën BV (hierna: Nirwana) en daar als adviseur werkzaam. Dit blijft zo tot de overdracht van de aandelen aan [persoon 1] eind 2005.iii Nirwana houdt kantoor en is gevestigd te Amsterdam.

IFP

Op 1 januari 2006iv treedt verdachte als adviseur en buitendienstmedewerker in dienst van het assurantiekantoor Index Financial Planning (hierna: IFP), eveneens gevestigd te Amsterdamv. Op 3 juli 2007 wordt hij door IFP op staande voet ontslagenvi. Gedeelde eigenaren van IFP zijn [mede-eigenaar 1] (hierna: [mede-eigenaar 1]) en tot 1 juli 2007 [mede-eigenaar 2] (hierna: [mede-eigenaar 2])vii.

De gehele ten laste gelegde periode woont verdachte in [plaats 1]viii.

3.2.1 Standpunt van het Openbaar Ministerie ten aanzien van alle feiten

Ten behoeve van de leesbaarheid wordt het standpunt van het OM niet per feit, maar integraal weergegeven.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte van de oplichting van [slachtoffer 3] (feit 6 primair) en de verduistering van een bedrag van IFP (feit 3 primair) wordt vrijgesproken. De volgende feiten kunnen bewezen worden verklaard:

- verduistering van een bedrag van f 80.000 van [slachtoffer 3] (feit 6 subsidiair);

- oplichting van [slachtoffer 1] (feit 1), [slachtoffer 2] (feit 5 primair), [slachtoffer 4]/[slachtoffer 5] (feit 7 primair), [slachtoffer 6] (feit 8 primair) en de Postbank (feit 9);

- diefstal door middel van een valse sleutel van een tweetal bedragen van [mede-eigenaar 1] (feit 2) en diefstal door middel van een valse order van een bedrag van IFP (feit 3 subsidiair);

- bedreiging van [getuige 2] (feit 4);

- het voorhanden hebben van een wapen van categorie II (feit 10) en een wapen van categorie I (feit 11);

- vernieling (feit 12).

3.2.2 Standpunt van de verdediging ten aanzien van de 'Nirwana-feiten' (1, 5, 6, 7, 8)

Ten aanzien van de oplichtingsfeiten 1, 5, 6, 7 en 8 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet verdachte, maar Nirwana het geld onder zich heeft gekregen. Daarom kan niet worden bewezen dat verdachte zich heeft bevoordeeld. Voorts is telkens ten hoogste sprake van een enkele leugen. Dat is onvoldoende voor het aannemen van een samenweefsel van verdichtsels. Dit dient tot vrijspraak te leiden.

Ten aanzien van feit 6 ([slachtoffer 3])

De feiten

Overboeking door [slachtoffer 3]

[slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3]) wordt op 1 december 2000 ontslagen door zijn werkgever Unidek Gemert BV (hierna: Unidek), gevestigd te Gemert. In de ontslagprocedure krijgt [slachtoffer 3] bij vonnis van de kantonrechter te Sneek een bedrag van f 124.554,75 toegewezenix. Omdat verdachte de verzekeringsadviseur van [slachtoffer 3] is, vraagt [slachtoffer 3] verdachte in verband met het geldbedrag om advies. Verdachte adviseert het bedrag direct naar Nirwana over te (laten) maken ten behoeve van een pensioenvoorziening voor [slachtoffer 3]. Deze directe overboeking is voor [slachtoffer 3] ook fiscaal aantrekkelijk. De overboeking vindt nog in hetzelfde jaar, 2000, plaatsx.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beoordeling acht de rechtbank het volgende aangaande de financiële situatie van verdachte van belang.

Relevante feiten en omstandigheden financiële situatie verdachte

In het dossier bevinden zich drie (in het najaar van 1999) gedateerde en door verdachte ondertekende schuldbekentenissen aan Nirwana. Deze schuldbekentenissen zien op bedragen van respectievelijk f 10.000,- f 12.000, en f 25.000,-xi.

Verdachte heeft in 1997 een boot voor f 425.000,- en in 1999 een woning voor f 995.000,- gekocht. In verband daarmee is hij telkens, samen met zijn partner, hypothecaire leningen aangegaanxii - in het geval van de woningxiii ter waarde van f 1.500.000,- vanwege onder meer bijkomende verbouwingskosten. De partner van verdachte ontvangt sinds begin jaren tachtig een WAO-uitkeringxiv. Verdachte verdiende bij het aangaan van de hypotheken f 200.000,- per jaarxv. Verdachte erkent bij verhoor dat de hypotheeklast niet in verhouding staat tot de inkomstenxvi.

Verdachte ging tot en met 2006 wekelijks naar het casino om te gokken en hij is met dat doel in 2001 in Las Vegas geweestxvii.

[getuige 1] heeft verklaard dat hij al vrij snel na zijn intrede als vennoot van Nirwana in 2000 merkte dat verdachte ongeoorloofd beperkte bedragen uit Nirwana opnam voor privédoeleindenxviii. [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte altijd heel veel geld nodig had en dat verdachte bij de Garanti Bank, die eind 2000 uit Nirwana stapte, door privéopnames ontstane schulden heeft moeten omzetten in een persoonlijke leningxix.

Op basis van het voorgaande is de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij ten tijde van de overboeking door Unidek normaal aan zijn financiële verplichtingen kon voldoen, onaannemelijk.

Voorts zijn de volgende bewijsmiddelen van belang.

Relevante bewijsmiddelen

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat onderdeel van de afspraak met verdachte was dat het bedrag na ontvangst door Nirwana in het kader van een direct ingaande lijfrente bij een pensioenverzekeraar zou worden ondergebrachtxx.

[getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard dat het vaker voorkwam dat verdachte over stortingen die op de rekening van Nirwana binnenkwamen, achteraf meldde dat het ging om door hem geleend geldxxi. Voorts bevindt zich in het dossier een schuldbekentenis van verdachte gedateerd 21 augustus 2001. Daarin verklaart verdachte dat hij een bedrag van f 80.000,-, dat eigendom is van [slachtoffer 3] en dat [slachtoffer 3] volgens afspraak tussen verdachte en [slachtoffer 3] op de rekening van Nirwana heeft gestort, van die rekening heeft opgenomen. De schuldbekentenis is door verdachte, [getuige 1] en [getuige 2] ondertekendxxii.

Het door Unidek overgeboekte bedrag is, zo heeft ook verdachte ter terechtzitting bevestigd, nimmer doorgestort naar een pensioenverzekeraar.

Conclusie rechtbank

Voorop staat dat het advies van verdachte een bedrag, zeker een bedrag van deze omvang, van een klant op een gewone rekening, dat wil zeggen niet een separate zogenaamde derdengeldenrekening, van zijn bedrijf te laten storten zonder meer opmerkelijk te noemen is.

Bij een dergelijke toch bijzondere storting door een klant lag het op de weg van verdachte zijn medevennoten van de aard, herkomst en bestemming van de overboeking op de hoogte te stellen, teneinde te voorkomen dat Nirwana het geld zou gebruiken. Van een dergelijke mededeling blijkt echter uit de verklaringen van verdachte noch uit die van [getuige 1] en [getuige 2].

Uit die omstandigheid en de overige genoemde bewijsmiddelen, gezamenlijk en in onderlinge samenhang bezien, valt af te leiden dat verdachte, op het moment dat hij [slachtoffer 3] het advies gaf, het oogmerk had zelf over dit geld te beschikken en het te gebruiken - wat hij ook heeft gedaan. Zijn toezegging dat hij het bedrag ten behoeve van een pensioenvoorziening naar een pensioenverzekeraar zou doorstorten, was dus een leugen. [slachtoffer 3] werd echter niet, zoals de raadsman heeft betoogd, door die enkele leugen bewogen tot overboeking, maar ook door de omstandigheid dat verdachte de verzekeringsadviseur van [slachtoffer 3] was en dat al een periode naar tevredenheid was geweest. Dat was verdachte ook in werkelijkheid - er was dus geen sprake van een valse hoedanigheid -, maar juist doordat verdachte de leugenachtige toezegging onder die vertrouwenwekkende omstandigheid deed, werd [slachtoffer 3] bewogen tot afgifte van het geldbedrag. Daardoor is sprake is van een constructie die zich juridisch laat duiden als een samenweefsel van verdichtsels.

Het verweer van de raadsman dat Nirwana en niet verdachte is bevoordeeld, verwerpt de rechtbank, omdat verdachte, zoals uit het voorgaande blijkt, wel voordeel heeft genoten. Afgezien daarvan geldt dat bevoordeling van verdachte zelf, geen vereiste is voor bewezenverklaring van oplichting. Aan bespreking van de verweren van de raadsman die zien op de subsidiair ten laste gelegde verduistering komt de rechtbank niet toe, nu zij het primair ten laste gelegde bewezen acht.

Ten aanzien van feit 1 ([slachtoffer 1])

De feiten

[slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]), woonachtig te [plaats 4], wijzigt in 2005 op advies van verdachte, die dan al jarenlang de belastingaangiften voor [slachtoffer 1] verzorgt, zijn hypotheeksituatie. Onderdeel van de wijziging vormt de vestiging van een extra hypotheek voor een lening van € 50.000,- ter dichting van zijn pensioengat. Zij spreken af dat dit bedrag zal worden aangewend voor een levensverzekering met lijfrenteclausule. Het bedrag zal daartoe bij de verzekeringsmaatschappij Stad Rotterdam Verzekeringen in depot worden geplaatst. Uit het depot kunnen dan de premies worden betaald.

[slachtoffer 1] spreekt met verdachte af dat genoemd bedrag via [notarissen] Notarissen zal worden overgemaakt op een rekeningnummer ten name van Nirwana/ASR. Dit gebeurt op 9 juni 2005. Ook spreken zij af dat verdachte het geldbedrag zal doorstorten naar Stad Rotterdam Verzekeringen ten behoeve van voornoemd depot voor de jaarlijkse premiebetaling van € 4.500,-. Het bedrag is nimmer naar de rekening van Stad Rotterdam Verzekeringen doorgestortxxiii.

Verdachte heeft verklaard dat het zijn intentie was het bedrag tijdelijk te gebruiken en het later zoals de bedoeling was, door te stortenxxiv.

Oordeel van de rechtbank

Op basis van de voorgaande feiten en omstandigheden is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van [slachtoffer 1]. Uit de verklaring van verdachte blijkt immers dat hij op het moment dat hij [slachtoffer 1] adviseerde, de bedoeling had het geld - zij het tijdelijk - te gebruiken en het later alsnog door te storten. Uit niets blijkt echter dat verdachte [slachtoffer 1] over het voornemen van dit eigen gebruik heeft geïnformeerd. De toezegging van verdachte dat hij het geldbedrag zou doorstorten, was door het verzwijgen van dat eigen gebruik dus een leugen. Noodzakelijk gevolg van het - zonder zekerheidstelling - gebruik maken van geld is het aanmerkelijke risico dat dat geld in hoeveelheid afneemt en derhalve na dat gebruik niet meer (volledig) beschikbaar is voor de afgesproken doelstelling. Dit risico heeft zich in dit geval ook daadwerkelijk verwezenlijkt.

Aangezien verdachte zijn leugenachtige toezegging heeft gedaan onder de vertrouwenwekkende omstandigheid dat hij verzekeringsadviseur was en het slachtoffer mede daardoor tot de afgifte is bewogen, is sprake van een samenweefsel van verdichtsels.

Aan het verweer van de raadsman dat niet [slachtoffer 1] is bewogen tot afgifte, maar de notaris, gaat de rechtbank voorbij, nu het geld aan [slachtoffer 1] toebehoorde en hij aan de notaris opdracht heeft gegeven de overboeking uit te voeren. Gelet daarop kan hij in juridische zin worden aangemerkt als degene die het geldbedrag heeft afgegeven.

Ten aanzien van feit 5 ([slachtoffer 2])

De feiten

In 2004 adviseert verdachte aan [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]), voor wie hij dan al elf jaar financiële en fiscale zaken verzorgt, een bedrag van € 50.000 aan Nirwana te lenen. Hiertoe wordt een schriftelijke leenovereenkomst opgemaakt. Daarin is onder meer opgenomen dat [slachtoffer 2] het bedrag aan Nirwana leent tegen een rente van 0,66% per maand en dat deze lening in drie opgesomde gevallen te allen tijde, zowel geheel als gedeeltelijk, zonder nadere verzuimstelling, ineens opeisbaar isxxv. Op 15 april 2004 neemt [slachtoffer 2] in Zaandam het bedrag in contanten van haar rekening van de ING Bank op en geeft zij het aan verdachtexxvi. Beiden ondertekenen dan en daar de schriftelijke overeenkomst, die is gedateerd 13 april 2004. Het maandelijkse rentepercentage moet [slachtoffer 2], volgens de afspraken tussen haar en verdachte, op jaarbasis 8% rente opleverenxxvii. Tevens komen zij mondeling overeen dat Nirwana de door [slachtoffer 2] maandelijks te ontvangen rente als maandelijkse premiebetaling van € 350,-- ten behoeve van een levensverzekering en/of pensioenverzekering op de rekening van Stad Rotterdam Verzekeringen zal stortenxxviii.

Oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft verklaard dat hij met het van [slachtoffer 2] ontvangen contante bedrag naar Nirwana is gegaan, het bedrag daar op tafel heeft gelegd en heeft gezegd dat er weer rekeningen betaald konden worden.

De rechtbank betrekt in haar oordeel de volgende bewijsmiddelen.

[getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard dat verdachte nooit met een groot contant geldbedrag bij Nirwana is gekomenxxix. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij eerst aan verdachte heeft gevraagd of het overgemaakt diende te worden. Verdachte heeft haar geantwoord dat "contant makkelijker was"xxx. Voorts heeft [getuige 1] verklaard dat verdachte, toen hij hem ermee confronteerde dat de lening op briefpapier van Nirwana was gesteld, verklaarde dat de lening aan hem in privé wasxxxi. In het dossier bevindt zich een door verdachte ondertekende schuldbekentenis gedateerd 19 april 2005, waarin verdachte heeft verklaard dat hij het bedrag privé van [slachtoffer 2] heeft geleend en heeft gebruikt voor privédoeleindenxxxii.

Conclusie rechtbank

Gelet op het voorgaande is de verklaring van verdachte ongeloofwaardig en kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat hij bij het aangaan van de lening met [slachtoffer 2] het oogmerk had het geld voor zichzelf te gebruiken. Door [slachtoffer 2] valselijk voor te houden dat hij, als adviseur en vennoot van Nirwana, de lening namens Nirwana sloot en het bedrag aan Nirwana zou overdragen en door [slachtoffer 2] daartoe een valse overeenkomst te laten tekenen - dat laatste levert een listige kunstgreep op -, heeft hij [slachtoffer 2] bewogen tot afgifte van het bedrag en is sprake van oplichting. Door [slachtoffer 2] voor te houden dat contante betaling makkelijker was, kon verdachte de lening buiten het zicht van zijn medevennoten houden.

Ook voor dit feit geldt dat de rechtbank aan bespreking van de verweren van de raadsman die zien op de subsidiair ten laste gelegde verduistering niet toekomt, nu zij het primair ten laste gelegde bewezen acht.

Ten aanzien van feit 7 ([slachtoffer 4]/[slachtoffer 5])

De feiten

Eind 2005 doet verdachte aan de in [plaats 3] woonachtige [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4]) en haar partner [slachtoffer 5], voor wie hij al sinds 1998 financiële zaken regelt, het voorstel een bedrag van € 31.285,- in een depot te storten ter aflossing van een tweetal levensverzekeringen die verdachte namens hen bij verzekeringsmaatschappij Stad Rotterdam Verzekeringen had afgeslotenxxxiii. Op 28 december 2005 vindt de overboeking plaats, naar rekeningnummer [rekeningnummer 1], dat op naam van [ex-partner verdachte] en/of verdachte staatxxxiv. Het bedrag wordt later ten behoeve van een hypothecaire lening van verdachte en zijn partner aan Fortis doorgestortxxxv.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht bij de beoordeling van het feit de volgende bewijsmiddelen relevant.

[slachtoffer 4] heeft verklaard dat verdachte haar het rekeningnummer had gegeven waarop zij het bedrag moest overmaken, en dat zij daarbij ervan was uitgegaan dat het rekeningnummer van Stad Rotterdam Verzekeringen wasxxxvi. Verdachte had haar niet gezegd dat het om zijn eigen rekening gingxxxvii.

Verdachte heeft verklaard dat hij toen "financieel knijp" zat. Fortis dreigde zijn woning te veilen. Om die reden heeft verdachte een deel van het bedrag gebruikt om zijn eigen hypotheekachterstand te verkleinenxxxviii.

Conclusie rechtbank

Voorop staat dat het advies van verdachte een bedrag van een klant op zijn privérekening te laten storten, op zichzelf beschouwd, zich niet laat verklaren door enige zakelijke overweging. Wat daar ook van zij, uit de weergegeven verklaring van verdachte blijkt dat hij het oogmerk had het bedrag voor zichzelf te kunnen gebruiken. Dat heeft hij ook gedaan. Door niet te vermelden dat het om zijn eigen rekeningnummer ging, heeft hij [slachtoffer 4] in de veronderstelling gebracht dat het om het rekeningnummer van Stad Rotterdam Verzekeringen ging. Ook voor dit feit geldt dat het slachtoffer mede tot de afgifte is bewogen door de vertrouwenwekkende omstandigheid dat verdachte verzekeringsadviseur bij Nirwana was.

Ten aanzien van feit 8 ([slachtoffer 6])

De feiten

[slachtoffer 6] (hierna: [slachtoffer 6]), woonachtig te [plaats 2], besluit in 2006, in overleg met verdachte, die in 2002 al financiële zaken voor haar heeft gedaan, de door verdachte voor haar geregelde levensverzekering vol te stortenxxxix. Op 12 april 2006 maakt zij een bedrag van € 41.500,-- over op het door verdachte per faxberichtxl opgegeven rekeningnummer [rekeningnummer 1], dat op naam van [ex-partner verdachte] en/of verdachte staatxli.

Oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat het een vergissing was dat het bedrag van [slachtoffer 6] op zijn eigen rekening werd gestort. Omdat hij zich dit niet tijdig heeft gerealiseerd, is het bedrag besteed aan het betalen van rekeningenxlii.

De rechtbank betrekt bij haar oordeel het volgende.

Uit de verklaring van [slachtoffer 6] blijkt dat verdachte haar enkele dagen na de overboeking belde met de mededeling dat het bedrag op zijn eigen rekening was gestort en dat hij het zou doorstorten naar Fortisxliii.

Dat verdachte zich de overboeking niet zou hebben gerealiseerd, is ongeloofwaardig, gelet op de gelijkenis met de gebeurtenissen die zich, zoals besproken bij feit 7, enkele maanden later hebben voorgedaan. Ook ten aanzien van dit feit is bewezen dat verdachte bij het advies het oogmerk had het bedrag voor zichzelf te kunnen gebruiken, wat hij vervolgens heeft gedaan. En ook voor dit feit geldt dat het slachtoffer mede tot de afgifte is bewogen door de vertrouwenwekkende omstandigheid dat verdachte verzekeringsadviseur was, toentertijd bij IFP.

De rechtbank komt aan de bespreking van de verweren van de raadsman die zien op de subsidiair ten laste gelegde verduistering, niet toe, nu zij het primair ten laste gelegde bewezen acht.

Aanvullende overweging ten aanzien van feiten 1, 5, 7 en 8

In haar weergegeven oordelen dat verdachte het oogmerk van bevoordeling had, wordt de rechtbank gesterkt door het zichtbare gedragspatroon, waarin verdachte telken male onder valse voorwendselen bedragen leent of op rekeningen laat storten en deze geldbedragen vervolgens ten eigen nutte aanwendt.

Ten aanzien van feit 9 (Postbank)

De feiten

Hypotheekverstrekking aan [slachtoffer 7]

[slachtoffer 7] (hierna: [slachtoffer 7]) woont in 2007 in de woning aan [adres] te [plaats 5]. In het voorjaar van 2007 komt hij in contact met verdachte, die hem vertelt dat verdachte een hypotheek voor hem kan regelen om het huis te kopenxliv. De voor de hypotheek vereiste stukken stuurt verdachte aan [mede-eigenaar 2]xlv, die deze vervolgens doorstuurt naar de Postbankxlvi. De Postbank ontvangt de aanvraag voor de hypothecaire lening op 26 november 2007xlvii. Op 12 december 2007 verstuurt de Postbank de hypotheekofferte bestemd voor [slachtoffer 7]. De offerte ziet op een bedrag van € 455.000,- waarvan € 80.000,- in bouwdepot. Op 13 december 2007 ondertekent [slachtoffer 7] de offerte. Op 20 december 2007 ondertekenen [slachtoffer 7] en een gevolmachtigde van de Postbank bij de notaris te Stede Broec de hypotheekakte.

Valse stukken in hypotheekdossier [slachtoffer 7] van Postbank

In het dossier van de Postbank bevinden zich onder meer drie stukken ten name van [slachtoffer 7]: een werkgeversverklaring van GTF Telecommunicatie d.d. 6 december 2007xlviii, een salarisstrook d.d. 28 november 2007xlix en een afschrift van de rekening met nummer [rekeningnummer 2] d.d. 19 juni 2007l. Op het rekeningafschrift staat vermeld dat een contante salarisstorting door gtf telecommunicatie is gedaanli.

Deze stukken zijn vals of vervalst, omdat [slachtoffer 7] niet bij GTF Telecommunicatie werkte en evenmin een andere werkgever had en of anderszins inkomsten uit arbeid ontvinglii.

Aantreffen vals rekeningafschrift in woning verdachte

In de woning van verdachte is een groene map met het opschrift "[opschrift]" met daarin een groot aantal papieren aangetroffen. Onder deze papieren bevindt zich een rekeningafschrift van de genoemde rekening van [slachtoffer 7]liii, waarbij evident een post, te weten een storting van de uitkering aan [slachtoffer 7], is vervangen door een kasstorting door gtf telecommunicatie bv inzake salaris. Dit exemplaar bevindt zich ook in het hypotheekdossier van de Postbankliv.

In het hypotheekdossier van de Postbank bevinden zich voorts twee taxatierapporten, waaronder een rapport van 4 juli 2007lv.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken, nu verdachte heeft verklaard niet betrokken te zijn geweest bij de onder de gedachtestreepjes aangegeven malversaties. [slachtoffer 7] zou de gewraakte documenten hebben gemanipuleerd. Subsidiair, indien de rechtbank de lezing van cliënt niet volgt, verzoekt de raadsman de verkoper van de woning, de heer [verkoper woning], als getuige te horen, omdat die de lezing van verdachte, zo begrijpt de rechtbank, zou kunnen bevestigen.

Oordeel van de rechtbank

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij niet wist dat [slachtoffer 7] geen betaalde baan had. De valse stukken, in het bijzonder het bij verdachte thuis aangetroffen rekeningafschrift moet [slachtoffer 7] per ongeluk aan verdachte hebben gegeven. [slachtoffer 7] moet ze hebben geproduceerd. Verdachte heeft voorts verklaard twee keer bij [slachtoffer 7] op bezoek te zijn geweest, waarbij hij heeft gezien dat [slachtoffer 7] aan het werk was. Eén keer heeft verdachte zijn dossier bij [slachtoffer 7] laten liggen. Later is hij teruggegaan om het dossier op te halen.

De verklaring van verdachte dat [slachtoffer 7] de valse stukken heeft gemaakt en vervolgens deze valse stukken aan verdachte zou hebben verstrekt, is onaannemelijk. Iemand die op valselijke wijze een hypotheek wil aanvragen, zal immers, met het oog op het welslagen van dat plan, met zorg willen voorkomen dat de door hem gefabriceerde valse stukken waaruit evident van zijn intenties zou kunnen blijken, onder ogen komen van anderen, die niet van die plannen op de hoogte zijn. Voorts heeft verdachte eerst ter terechtzitting verklaard dat hij het hypotheekdossier bij [slachtoffer 7] had laten liggen. Ook daarom komt aan de verklaring van verdachte minder betrouwbaarheid toe.

Voorts acht de rechtbank de volgende bewijsmiddelen van belang.

Relevante bewijsmiddelen

[slachtoffer 7] heeft verklaard dat verdachte voor hem de aanvraag voor de hypotheek heeft ingediend en hem diverse offertes, waaronder die van de Postbank, heeft laten tekenen, in een tijd waarin hij zelf depressief was en niet goed kon nadenken. Ook heeft hij verklaard dat hij zelf geen opdracht heeft gegeven voor een taxatie van de woninglvi. Voorts heeft [slachtoffer 7] verklaard dat twee keer een geldbedrag op zijn rekening is gestort en dat hij die in opdracht van verdachte weer moest opnemen en aan hem, verdachte, moest teruggevenlvii. In het taxatierapport van 4 juli 2007 staat vermeld: "volgens opgave opdrachtgever en financieel adviseur [verdachte]"lviii.

Gelet op deze bewijsmiddelen, gezamenlijk en in onderlinge samenhang bezien, komt de rechtbank tot de conclusie dat niet [slachtoffer 7], maar verdachte de valse stukken die zich in het dossier van de Postbank bevinden, heeft opgemaakt. Daarbij komt dat verdachte uit hoofde van zijn functie en ervaring op de hoogte was van de vereisten voor de aanvraag van een hypothecaire lening en dan ook tot het opstellen van de vereiste stukken in staat moet worden geacht, anders dan [slachtoffer 7], die bovendien psychisch niet in optimale staat verkeerde. Verder valt uit het taxatierapport af te leiden dat verdachte, anders dan hij ter terechtzitting heeft verklaard, nauw bij de totstandkoming van dat rapport betrokken is geweest. Voorts heeft verdachte een aanzienlijke factuur bij [slachtoffer 7] ingediend. Dat wijst erop dat hij bij de verstrekking van de hypotheek een aanzienlijk belang had.

Conclusie rechtbank

Op basis van het voorgaande is bewezen dat verdachte wist dat [slachtoffer 7] een WAO-uitkering, maar geen inkomsten uit arbeid ontving en daarmee niet in aanmerking kwam voor een hypothecaire lening van deze omvang bij een geldverstrekker. Om desondanks mogelijk te maken dat de Postbank aan [slachtoffer 7] een hypothecaire lening zou verstrekken, maakte verdachte een reeks aan valse documenten op en liet hij een taxatierapport opstellen. Door deze stukken aan de Postbank te doen toekomen, werd de Postbank bewogen tot verstrekking van de gelden en is sprake van oplichting.

Afwijzing subsidiair getuigenverzoek

De verdediging heeft subsidiair verzocht [verkoper woning] als getuige te horen, omdat hij, zo begrijpt de rechtbank, zou kunnen verklaren over de gang van zaken bij de totstandkoming van de hypothecaire lening en met name de daarbij behorende documenten. De rechtbank wijst dit verzoek af en overweegt daartoe het volgende. Op de terechtzitting van 31 augustus 2010 heeft de rechtbank bij de afwijzing van het verzoek tot het horen van [verkoper woning] opgemerkt dat, indien bij de verhoren van [mede-eigenaar 2] en [slachtoffer 7] bij de rechter-commissaris mocht blijken van een geheel van afspraken waarbij ook [verkoper woning] was betrokken, aanleiding zou kunnen bestaan ook [verkoper woning] te horen. Van een dergelijk geheel van afspraken of van andere aanwijzingen voor betrokkenheid van [verkoper woning] is niet gebleken, ook niet ter terechtzitting. Verdachte wordt met de afwijzing van het verzoek niet in zijn verdediging geschaad.

Ten aanzien van feit 2 ([mede-eigenaar 1])

De feiten

In 2006 vraagt verdachte aan [mede-eigenaar 1] om de creditcardgegevens van [mede-eigenaar 1] om even wat te boeken via internetlix. [mede-eigenaar 1] verstrekt daarop aan hem de gegevens van zijn VISA creditcard met nummer [creditcardnummer 1]. In februari 2007 vraagt verdachte opnieuw om een dergelijke gunst voor een eenmalige betaling. Hierop verstrekt [mede-eigenaar 1] telefonisch de gegevens van zijn Mastercard ING met nummer [creditcardnummer 2]lx.

Met behulp van deze creditcards betaalt verdachte op de website Pokerstars bedragen van respectievelijk € 2.956,06 (in de periode van 12 augustus 2006 tot en met 20 december 2006) en € 1959,13 (in de periode van 27 februari 2007 tot en met 16 april 2007) om te pokerenlxi.

Standpunt van de verdediging

Het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening en het bewijs dat verdachte het geld heeft weggenomen, ontbreken. Voorts had verdachte de creditcards rechtmatig verkregen, waardoor geen sprake meer kan zijn van diefstal. Verdachte dient te worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft verklaard dat hij het gebruik van de kaarten, na het eerste gebruik, niet in de gaten heeft gehad. Dat laat zich verklaren, aldus verdachte, door de omstandigheid dat na het intoetsen van een creditcardnummer bij de website Pokerstars dat nummer wordt bewaard en automatisch wordt gebruikt bij elke volgende keer dat op de site wordt ingelogd.

Naar aanleiding van deze verklaring is aanvullend onderzoek verricht. Twee medewerkers van de Belastingdienst, deskundig op het gebied van kansspelen, [medewerker Belastingdienst 1] en [medewerker Belastingdienst 2], hebben verklaard dat op de website van Pokerstars de gegevens van de te belasten creditcard dienen te worden ingevoerd en daarnaast afzonderlijk aangevinkt dient te worden of het nummer aan de spelersaccount kan worden gekoppeld voor hernieuwde inlog op de site, de zogenaamde bewaaroptielxii.

Conclusie rechtbank

Gelet op deze bewijsmiddelen heeft verdachte bewust voor het hergebruik van de creditcards gekozen door de bewaaroptie aan te vinken en daarmee het oogmerk op dat gebruik heeft gehad. Daardoor heeft hij zich de met dat hergebruik gemoeide geldbedragen, die toebehoorden aan [mede-eigenaar 1], wederrechtelijk toegeëigend en is sprake van diefstal.

Ten aanzien van feit 3 (IFP)

De feiten

In de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 oktober 2006 geeft verdachte meermalen telefonisch de opdracht aan Fortis/ASR voor overboekingen van geldbedragen vanuit de rekening-courant van IFP naar Fortis/ASRlxiii. Het gaat hierbij telkens om premiebetalingen voor verschillende klanten, die normaal gesproken niet in de rekening-courant worden verwerkt. Bij hoge uitzondering zouden betalingen vanuit de rekening-courant kunnen worden gedaan, maar daarvoor is toestemming vereist van de vennoten van IFP. Verdachte heeft geen financiële bevoegdheden binnen IFPlxiv.

Standpunt van de verdediging

Niet duidelijk is of verdachte al dan niet gerechtigd was tot de rekening. Daardoor ontbreekt het bewijs voor zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde. Voorts heeft het er de schijn van dat verdachte toestemming van [mede-eigenaar 2] had om de handeling te verrichten. Verdachte dient te worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij voor de overboekingen toestemming van [mede-eigenaar 2] had. Bij de politie heeft verdachte ter onderbouwing van zijn stelling een akte tot rectificatie d.d. 7 februari 2008 overgelegd (pag. 040055), waaruit zou moeten blijken dat [mede-eigenaar 1] wist dat [mede-eigenaar 2] toestemming aan verdachte had gegeven. Ter terechtzitting heeft verdachte daaraan nog toegevoegd dat overboekingen zonder toestemming feitelijk niet mogelijk waren omdat Fortis/ASR bij dit soort betalingen "altijd terugbelde" naar IFP om toestemming te vragen aan een ander dan de opdrachtgever.

De rechtbank overweegt als volgt.

Geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend aan de genoemde akte tot rectificatie in de civiele procedure, die met name lijkt te zijn opgemaakt ter rectificatie van het moment van ontdekking van de overboekingen door [mede-eigenaar 1]. [mede-eigenaar 1] en [mede-eigenaar 2] hebben immers beiden zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris verklaard dat zij verdachte geen toestemming hebben gegeven voor overboekingen vanuit de rekening-courantlxv.

Conclusie van de rechtbank

De verklaring van verdachte dat wel toestemming zou zijn gegeven, wordt dan ook terzijde geschoven. Hiervoor bestaat temeer aanleiding, nu [mede-eigenaar 1] heeft verklaard dat hij later van klanten van IFP heeft begrepen dat verdachte zich zou hebben voorgedaan als mede-eigenaar van IFPlxvi. Voorts onderhield verdachte in zijn jarenlange beroepsuitoefening bij Nirwana, toen wel als vennoot, nauwe zakelijke contacten met Stad Rotterdam Verzekeringen, dat later in Fortis/ASR is opgegaan. Dat is mede een verklaring voor het feit dat de overboekingen zonder toestemming van een van de vennoten tot stand konden komen.

Verdachte heeft dus overboekingen gedaan van een rekening die niet aan hem - maar aan IFP - toebehoorde. Daarmee had verdachte de overgeboekte gelden niet rechtmatig onder zich en laat dit feit zich kwalificeren als diefstal, meer specifiek als diefstal door middel van een valse order.

Ten aanzien van feit 4 ([getuige 2])

De feiten

Op 24 juni 2007 wordt [getuige 2] 's avonds laat in haar woning te [plaats 6] op haar mobiele telefoon gebeld. Direct nadat zij heeft opgenomen, roept een man op agressieve en gebiedende wijze door de telefoon: "Voor 1 juli betalen, anders gaat je kop eraf!"lxvii. [getuige 2] schrikt en drukt in een reflex haar gsm dicht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat voor dit feit onvoldoende bewijs aanwezig is, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

Redengevende bewijsmiddelen

[getuige 2] heeft bij de politie verklaard de stem van de man gemeend te hebben herkend als de stem van verdachte. Bij de rechter-commissaris heeft zij verklaard dat zij in de stem van de man de stem van verdachte herkende. Uit de historische printgegevens van de telefoon van [getuige 2] blijkt dat de bij verdachte in gebruik zijnde telefoon op 24 juni 2007 om 23:10 uur gedurende zes seconden in verbinding is geweest met de telefoon van mevrouw [ex-partner verdachte], de toenmalige partner van verdachte. Om 23:23 uur is een volgende verbinding tussen dezelfde telefoons gevolgd, nu voor de duur van 43 secondenlxviii. Verdachte heeft verklaard dat hij [getuige 2] op die avond met de op naam van [ex-partner verdachte], maar bij hem in gebruik zijnde telefoon heeft gebeld en misschien wel iets vervelends heeft gezegdlxix.

Conclusie rechtbank

Genoemde bewijsmiddelen, gezamenlijk en in onderlinge samenhang bezien, zijn voldoende voor bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Daarbij komt dat het telefoongesprek waarin de ten laste gelegde uitlating is gedaan, van korte duur moet zijn geweest, wat overeenkomt met de printgegevens. Voorts had verdachte een motief voor het plegen van het feit. Uit het dossier blijkt immers nadrukkelijk dat verdachte van mening was (en is) dat de medevennoten van Nirwana, onder wie [getuige 2], medeaansprakelijk waren (en zijn) voor schulden en hen reeds schriftelijk had gesommeerd tot betaling.

Ten aanzien van feiten 10 en 11 (wapens)

De feiten

Op 5 maart 2008 wordt bij een doorzoeking in de woning van verdachte te [plaats 1] een geweer met een geluiddemper aangetroffenlxx.

Standpunt van de verdediging

Niet kan worden vastgesteld dat het wapen dat is onderzocht, ook het wapen betreft dat onder verdachte in beslag is genomen. Gelet daarop dient vrijspraak te volgen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beoordeling van het verweer slaat de rechtbank acht op het volgende.

In het proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming is gerelateerd dat het geweer in de woning van verdachte in beslag is genomen en dat dit geweer is geregistreerd onder het itemnummer 3300503lxxi. Ditzelfde itemnummer wordt vermeld in het proces-verbaal van ballistisch onderzoeklxxii. Op basis daarvan komt de rechtbank tot de conclusie dat het onderzochte geweer en het in beslag genomen geweer één en hetzelfde zijn. De rechtbank verwerpt het verweer.

Uit het wapenonderzoeklxxiii volgt het volgende.

Het geweer betreft een wapen van categorie II, te weten een kogelgeweer, merk Fabrique Nationale D'Armes De Guerre-Herstal Belgique, kaliber .22, zijnde een vuurwapen dat zodanig is vervaardigd dat het dragen minder zichtbaar is, doordat aan het begin van de loop een schroefconstructie is aangebracht, waardoor het deel van het geweer met de loop snel van de rest van het geweer kan worden losgeschroefd.

De geluiddemper betreft een wapen van categorie I, merk Hermes Unique Hendaye B.P. France, bestemd of geschikt om bevestigd te worden op een geweer, zijnde een vuurwapen.

De rechtbank acht op basis van het voorgaande de feiten 10 en 11 bewezen.

Ten aanzien van feit 12 (vernieling autobanden [mede-eigenaar 1])

De feiten

Op 11 oktober 2008 worden 's nachts in [plaats 3] de vier banden van een personenauto, merk Peugeot, type 407, kenteken [kenteken], in gebruik bij [mede-eigenaar 1] en eigendom van IFP, lek gestokenlxxiv. Bewakingscamera's leggen vast dat een persoon met in zijn handen een voorwerp een rondje om de auto loopt en bij elke band stopt, knielt en een stekende beweging in de richting van de band maakt.

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft ontkend het feit te hebben gepleegd. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, maar daarbij opgemerkt dat dat oordeel zou moeten worden gebaseerd op de eigen waarneming van de rechtbank van de camerabeelden en niet op herkenningen van vooringenomen betrokkenen.

Oordeel van de rechtbank

Redengevende bewijsmiddelen

Aangever [mede-eigenaar 1]lxxv en verbalisant [verbalisant 1]lxxvi hebben de persoon op de beelden herkend als verdachte. De rechtbank heeft ter terechtzitting waargenomen dat de op de fotolxxvii en de beelden afgebeelde persoon qua postuur, haardracht, houding, profiel en stand van de benen een sterke gelijkenis met verdachte vertoont.

Conclusie rechtbank

Op basis van deze bewijsmiddelen is bewezen dat verdachte de persoon op de beelden is geweest en zich schuldig heeft gemaakt aan de vernieling. In dat oordeel wordt de rechtbank gesterkt, doordat verdachte een motief had. [mede-eigenaar 1] had immers aangiftes tegen verdachte gedaan.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 3.2 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 januari 2005 tot en met 9 juni 2005 te [plaats 4] en/of Amsterdam en/of [plaats 1] met het oogmerk zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van € 50.000, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- in zijn functie als vennoot en adviseur van assurantiekantoor Nirwana Assurantiën BV voornoemde [slachtoffer 1] geadviseerd een extra hypotheekdeel van € 50.000 te sluiten ter dichting van zijn pensioengat en voornoemd bedrag aan te wenden voor een levensverzekering met lijfrenteclausule en een pensioenverzekering, en

- vervolgens met voornoemde [slachtoffer 1] afgesproken dat voornoemd geldbedrag zou worden overgemaakt naar Stad Rotterdam Verzekeringen ten behoeve van een depot ten behoeve van de jaarlijkse premiebetaling van € 4.500, en

- vervolgens met voornoemde [slachtoffer 1] afgesproken dat genoemd geldbedrag via [notarissen] Notarissen over zou worden gemaakt op een rekeningnummer ten name van Nirwana/ASR, en dat door hem, verdachte, of Nirwana/ASR vervolgens voornoemd geldbedrag zou worden doorgestort naar Stad Rotterdam Verzekeringen ten behoeve van voornoemd depot,

waardoor voornoemde [slachtoffer 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

in de periode van 12 augustus 2006 tot en met 16 april 2007 te [plaats 1] en/of Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen € 2.956,06 en € 1959,13, toebehorende aan [mede-eigenaar 1], waarbij verdachte de weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door na de gegevens van beide kaarten reeds één maal te hebben gebruikt nogmaals meermalen gebruik te maken van de gegevens van een VISA creditcard, nummer [creditcardnummer 1], en een Mastercard ING, nummer [creditcardnummer 2], op naam van voornoemde [mede-eigenaar 1], welke gegevens hem, verdachte, eerder door voornoemde [mede-eigenaar 1] zijn verstrekt ten behoeve van eenmalig gebruik;

3 subsidiair:

in de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 oktober 2006 te Amsterdam en/of [plaats 1], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geldbedragen toebehorende aan assurantiekantoor Index Financial Planning, waarbij verdachte de weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door meermalen zonder toestemming hiertoe van Index Financial Planning opdracht te geven aan Fortis/ASR om een geldbedrag over te maken vanuit de rekening-courant van Index Financial Planning naar een rekening, niet zijnde een rekening toebehorende aan Index Financial planning;

4.

op 24 juni 2007 te [plaats 6] en/of [plaats 1], [getuige 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte middels de telefoon opzettelijk voornoemde [getuige 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Voor 1 juli betalen, anders gaat je kop eraf!";

5.

in de periode van 1 april 2004 tot en met 31 mei 2004 te Zaandam en/of Amsterdam en/of [plaats 1], met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van € 50.000 euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- in zijn functie als vennoot en adviseur van assurantiekantoor Nirwana Assurantiën BV voornoemde [slachtoffer 2] geadviseerd voornoemd bedrag aan Nirwana Assurantiën BV te lenen, en

- met voornoemde [slachtoffer 2] de schriftelijke overeenkomst gesloten dat voornoemde [slachtoffer 2] voornoemd bedrag aan Nirwana Assurantiën BV zou lenen tegen een rente van 0,66% per maand en dat deze lening te allen tijde door voornoemde [slachtoffer 2] (geheel of gedeeltelijk) zonder nadere verzuimstelling ineens opeisbaar zou zijn, en

- voornoemde [slachtoffer 2] meegedeeld dat voornoemde investering haar 8% rente op jaarbasis zou opleveren, en

- de overeenkomst op papier gezet en/of ondertekend en/of door voornoemde [slachtoffer 2] laten ondertekenen, en

- met voornoemde [slachtoffer 2] de mondelinge overeenkomst gesloten dat de door voornoemde [slachtoffer 2] te ontvangen rente van 0,66% per maand door f Nirwana Assurantiën BV zou worden gestort bij Stad Rotterdam Verzekeringen ten behoeve van een maandelijkse premiebetaling van € 350 ten behoeve van een levensverzekering en/of pensioenverzekering,

- [slachtoffer 2] € 50.000 contant laten overdragen aan hem verdachte, omdat volgens verdachte "contant makkelijker was",

waardoor voornoemde [slachtoffer 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

6.

in de periode van 29 november 2000 tot en met 31 december 2000 te Gemert en/of Amsterdam en/of [plaats 1], met het oogmerk zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van 124.554,75 gulden, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- in zijn functie als vennoot en adviseur van assurantiekantoor Nirwana Assurantiën BV voornoemde [slachtoffer 3] geadviseerd voornoemd bedrag aan te wenden voor een pensioenvoorziening, en

- vervolgens met voornoemde [slachtoffer 3] afgesproken dat voornoemd geldbedrag door Unidek Gemert BV zou worden overgemaakt naar Nirwana Asssurantiën BV en dat genoemd bedrag vervolgens door hem, verdachte, en/of Nirwana Assurantiën BV zou worden doorgestort naar een pensioenverzekeraar ten behoeve van een pensioenvoorziening,

waardoor voornoemde [slachtoffer 3] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

7.

in de periode van 1 november 2005 tot en met 28 december 2005 te [plaats 3] en/of Amsterdam en/of [plaats 1], met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen, door een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft bewogen tot de afgifte van € 31.285, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- als tussenpersoon, in zijn functie als vennoot en adviseur van assurantiekantoor Nirwana Assurantiën BV ten name van voornoemde [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] een tweetal levensverzekeringen afgesloten bij verzekeringsmaatschappij Stad Rotterdam Verzekeringen, en

- voornoemde [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] meegedeeld voornoemd bedrag ter aflossing van voornoemde levensverzekeringen over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer 1], zijnde een rekeningnummer ten name van [ex-partner verdachte] en/of [verdachte], waarbij [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] in de veronderstelling zijn gebracht dat voornoemd rekeningnummer dat van Stad Rotterdam was,

waardoor voornoemde [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

8.

in de periode van 1 juli 2005 tot en met 12 april 2006 te [plaats 2] en/of Amsterdam en/of [plaats 1], met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen, door een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 6] heeft bewogen tot de afgifte van € 41.500, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- als adviseur en buitendienstmedewerker van assurantiekantoor Index Financial voornoemde [slachtoffer 6] geadviseerd bij het afsluiten van een levensverzekering bij Fortis ASR, en

- voornoemde [slachtoffer 6] geadviseerd voornoemde levensverzekering vol te storten, en

- voornoemde [slachtoffer 6] per faxbericht meegedeeld voornoemd bedrag ter volstorting van voornoemde levensverzekering over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer 1], zijnde een rekeningnummer ten name van [ex-partner verdachte] en/of [verdachte], waarbij [slachtoffer 6] in de veronderstelling is gebracht dat voornoemd rekeningnummer dat van Fortis ASR was,

waardoor voornoemde [slachtoffer 6] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

9.

in de periode van 1 januari 2007 tot en met 20 december 2007 te [plaats 2] en/of [plaats 5] en/of Amsterdam en/of [plaats 1], met het oogmerk zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen de Postbank heeft bewogen tot de afgifte van € 455.000, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk en/of bedrieglijk,

- als tussenpersoon in zijn functie als adviseur en als buitendienstmedewerker van assurantiekantoor Index Financial Planning meegedeeld aan [slachtoffer 7] dat hij, verdachte, een hypotheek voor die [slachtoffer 7] kon regelen, terwijl hij, verdachte, wist dat voornoemde [slachtoffer 7] geen inkomsten uit arbeid ontving en/of een WAO-uitkering ontving en/of niet in aanmerking kwam voor een hypothecaire lening en/of bijbehorende levensverzekering bij de hypotheekverstrekker de Postbank, en/of

- ter ondersteuning van de hypotheekaanvraag en de bijbehorende levensverzekering ten name van voornoemde [slachtoffer 7] een valse of vervalste werkgeversverklaring en salarisstrook met betrekking tot voornoemde [slachtoffer 7] aan de Postbank doen toekomen, terwijl hij, verdachte, wist dat voornoemde [slachtoffer 7] geen inkomsten uit arbeid ontving en dat voornoemde [slachtoffer 7] derhalve ook geen werkgever had en geen salarisstroken ontving, en

- ter ondersteuning van de hypotheekaanvraag en de bijbehorende levensverzekering ten name van voornoemde [slachtoffer 7] twee contante gefingeerde salarisstortingen gedaan op rekeningnummer [rekeningnummer 2] ten name van voornoemde [slachtoffer 7] en voornoemde [slachtoffer 7] meegedeeld en verzocht genoemde stortingen vervolgens weer contant aan hem, verdachte, af te dragen en de op de rekeningafschriften vermelde stortingen van de uitkering aan voornoemde [slachtoffer 7] verwijderd en vervolgens de rekeningafschriften behorende bij de contante gefingeerde salarisstortingen ten name van voornoemde [slachtoffer 7] aan de Postbank doen toekomen, terwijl hij, verdachte, wist dat voornoemde [slachtoffer 7] geen inkomsten uit arbeid ontving, en

- ter ondersteuning van de hypotheekaanvraag en de bijbehorende levensverzekering ten name van voornoemde [slachtoffer 7] opdracht gegeven tot het opstellen van een taxatierapport en voornoemd taxatierapport aan de Postbank doen toekomen,

waardoor de Postbank werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

10.

op 5 maart 2008 te [plaats 1] een wapen van categorie II, te weten een kogelgeweer, merk Fabrique Nationale D'Armes De Guerre-Herstal Belgique, kaliber .22, zijnde een vuurwapen dat zodanig is vervaardigd dat het dragen minder zichtbaar is, doordat aan het begin van de loop een schroefconstructie is aangebracht, waardoor het deel van het geweer met de loop snel van de rest van het geweer kan worden losgeschroefd, voorhanden heeft gehad;

11.

op 5 maart 2008 te [plaats 1] een wapen van categorie I, te weten een geluiddemper, merk Hermes Unique Hendaye B.P. France, bestemd of geschikt om bevestigd te worden op een geweer, zijnde een vuurwapen, voorhanden heeft gehad;

12.

op 11 oktober 2008 te [plaats 3] opzettelijk en wederrechtelijk banden van een personenauto , merk Peugeot, type 407, kenteken [kenteken], toebehorende aan [mede-eigenaar 1] en/of assurantiekantoor Index Financial Planning, heeft vernield door met een scherp voorwerp vier banden van voornoemde personenauto lek te steken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

7.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor de (in rubriek 3.2.1 genoemde) door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk. Hierbij heeft zij opgemerkt dat zij voor feiten 10 en 11 geen straf heeft gevorderd en dat zij een korting in verband met de overschrijding van de redelijke termijn heeft toegepast. Zonder die overschrijding zou zij een gevangenisstraf van 30 maanden passend hebben geacht. Voorts heeft zij gevorderd dat de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 46.183,-, de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3] integraal, de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] integraal en de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 6] tot een bedrag van € 11.000,- kunnen worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dienen de benadeelde partijen in hun vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Daarnaast heeft de officier van justitie in haar requisitoir aangekondigd in verband met deze strafzaak een ontnemingsvordering tegen verdachte in te zullen stellen.

7.2. Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd. Wel heeft hij zich, voor het geval de rechtbank tot een of meer bewezenverklaringen zou komen, op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in haar vordering dient te worden verklaard, nu de civiele rechter haar vordering reeds heeft toegewezen. De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 6] kan maximaal tot een bedrag van € 11.500,- worden toegewezen. De vorderingen van benadeelde partij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] zijn te complex voor behandeling in het strafgeding. Daarom dienen beide benadeelde partijen in hun vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze voor de straf en bij de vaststelling van de hoogte daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft jaren achtereen het beroep van financieel adviseur op het gebied van hypothecaire geldleningen en (levens)verzekeringen uitgeoefend. Hij was gedurende deze periode (mede)eigenaar van Nirwana en nadien in dienstbetrekking bij Index Financial Planning en als zodanig binnen deze bedrijven werkzaam. Hij heeft bij de uitoefening van zijn functie meer dan eens misbruik gemaakt van het vertrouwen dat mensen, die hem veelal van vroeger kenden, in hem als financieel deskundige stelden. Hij wist deze mensen daarbij op een slimme wijze over te halen doorgaans forse bedragen te lenen of anderszins beschikbaar te stellen. Daarbij deed hij het in een enkel geval voorkomen als zou Nirwana en niet hij in privé dit bedrag lenen. Ook gaf hij in sommige gevallen het bankrekeningnummer van zijn echtgenote op, alsof dit het nummer van een financiële instelling zou zijn.

Voorts heeft verdachte de Postbank/ING opgelicht door op manipulatieve wijze met valse documenten de werkelijkheid geweld aan te doen.

Verdachte kan geen ander doel voor ogen hebben gehad dan het financiële voordeel dat hij daarmee kon behalen. Verdachte leefde indertijd op grote voet: hij bezat een groot luxe zeiljacht en een dure sportauto en woonde in een groot huis. Ook was hij meermalen op bezoek bij en speelde hij mee in het casino. Ten slotte heeft hij er niet voor teruggedeinsd voormalige (zaken)partners te bestelen of zelfs te terroriseren door hen te bedreigen of hun eigendommen te vernielen.

Ter terechtzitting heeft verdachte geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelwijze. Hij heeft vrijwel uitsluitend erop gewezen dat de gedupeerde personen het niet hebben getroffen, doordat Nirwana, waarin hij vennoot was, op een gegeven moment is verkocht en korte tijd nadien is gefailleerd. Verdachte heeft hiermee aangetoond het kwalijke van zijn handelwijze niet te willen inzien. De rechtbank houdt in zijn voordeel rekening met het feit dat verdachte enkele gedupeerden (voor een deel) heeft terugbetaald, ook al heeft hij dit volgens eigen zeggen meer uit piëteit dan schuldbesef gedaan. Verder dateert de zaak van een aantal jaren terug. Hiermee zal bij de op te leggen straf ten gunste van verdachte rekening worden houden.

Verdachte heeft met zijn financiële manipulaties diverse huishoudens ernstig gedupeerd en het vertrouwen in het financiële advies- en bemiddelingbedrijf schade toegebracht.

Dit alles maakt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Om verdachte in de toekomst van soortgelijke praktijken te weerhouden, zal een deel van deze straf in voorwaardelijke vorm 'als stok achter de deur' worden opgelegd. Daarnaast is het wenselijk en noodzakelijk dat verdachte niet opnieuw in de verleiding zal komen. Daarom zal de rechtbank verdachte verbieden gedurende lange tijd werkzaam te zijn op het gebied van hypotheken en verzekeringen, hetzij als financieel adviseur hetzij uit hoofde van een ander beroep.

Redelijke termijn

In deze zaak heeft de politie verdachte voor het eerst op 5 maart 2008 verhoord. Die dag geldt als de dag waarop de op redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Verdachte heeft vanaf dat moment kunnen verwachten dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld.

Op 31 augustus 2010 heeft een zogenaamde regiezitting plaatsgevonden. Daarop is de zaak op verzoek van de verdediging is naar de rechter-commissaris in strafzaken verwezen voor het horen van getuigen en overig onderzoek. De getuigenverhoren hebben plaatsgehad in mei en juni 2011. Eerst op de terechtzitting van 5 april 2012 heeft de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden, waarna het onderzoek is gesloten. De behandeling van de zaak ter terechtzitting zal zijn afgerond met een eindvonnis ruim vier jaar en één maand nadat de genoemde termijn is aangevangen. In beginsel staat daarvoor twee jaar.

De omvang van de zaak en het onderzoek door de rechter-commissaris, dat zoals vermeld op verzoek van de verdediging is verricht, rechtvaardigen een overschrijding van zes maanden. Voor de resterende overschrijding van één jaar en zeven maanden, gedurende welke periode verdachte in onzekerheid heeft moeten verkeren over de afloop van het proces, zal de rechtbank de op te leggen gevangenisstraf reduceren met 15 procent, waarna, in het voordeel van verdachte afgerond, een gevangenisstraf van 18 maanden onvoorwaardelijk resteert.

Benadeelde partijen

De behandeling van een deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] levert geen onevenredige belasting van het strafgeding op. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De gevorderde vergoeding voor materiële schade is toewijsbaar, met dien verstande dat de post kosten telefoon, vrije dagen, portokosten e.d. wordt gewaardeerd op een bedrag van € 500. In totaal is dus € 46.183 toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor het overige zal [slachtoffer 1] in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor dat deel kan hij zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De behandeling van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3] levert geen onevenredige belasting van het strafgeding op. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 6 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De schade wordt gewaardeerd op het bij verdachte in depot gegeven bedrag van € 36.306,58 plus € 93,52 aan reiskosten. In totaal is voor vergoeding van materiële schade dus € 36.396,10 toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De behandeling van een deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] levert geen onevenredige belasting van het strafgeding op. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 8 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert de schade op een bedrag van € 11.500. Dat is het door haar gestorte bedrag van € 41.500 minus het door verdachte terugbetaalde bedrag van € 30.000. De vordering is dan ook toewijsbaar voor € 11.500, te vermeerderen met de wettelijke rente. [slachtoffer 6] is voor het restant van € 3.000 in haar vordering niet-ontvankelijk, nu onduidelijk is of zij dat bedrag daadwerkelijk heeft gestort. Zij stelt dat het betalingsbewijs in het ongerede is geraakt. Nader onderzoek op dit punt zou een onevenredige belasting van het strafgeding betekenen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die voormelde benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken.

In het belang van voornoemde benadeelden wordt, als extra waarborg voor betaling aan hen, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

De behandeling van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, nu de civiele rechter deze vordering reeds heeft toegewezen en onduidelijk is in hoeverre [slachtoffer 2] nog belang heeft bij toewijzing van de vordering door de strafrechter. [slachtoffer 2] kan daarom niet in haar vordering worden ontvangen en kan deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Onttrekking aan het verkeer

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: het geweer en de geluiddemper, die aan verdachte toebehoren, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met deze voorwerpen en het onder 10 en 11 bewezen verklaarde is begaan en zij voorts van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 28, 36c, 36d, 57, 311, 326, 339 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze artikelen zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

9. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 3 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

1, 5 primair, 6 primair, 7, 8 primair, 9: oplichting, meermalen gepleegd

2: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels

3 subsidiair: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse order

4: bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht

10: handelen in strijd met artikel 26 van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

11: handelen in strijd met artikel 13 van de Wet wapens en munitie

12: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, vernielen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot: 6 maanden, niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende aan de [adres] [plaats 4], toe tot € 46.183,- (zesenveertigduizend honderddrieëntachtig euro) voor materiële schade. Veroordeelt verdachte dit bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd te betalen. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Verklaart de benadeelde partij voor het overige in zijn vordering niet-ontvankelijk.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3], wonende aan de [adres] [plaats 5], toe tot € 36.396,10. (zesendertigduizend driehonderd zesennegentig euro en 10 cent), te vermeerderen met de wettelijke rente, voor materiële schade. Veroordeelt verdachte dit bedrag aan [slachtoffer 3] voornoemd te betalen. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6], wonende aan de [adres] [plaats 2], toe tot € 11.500 (elfduizend en vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente, voor materiële schade. Veroordeelt verdachte dit bedrag aan [slachtoffer 6] voornoemd te betalen. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van de hierboven genoemde slachtoffers de hierboven toegewezen geldsommen te betalen.

Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze vervangen door hechtenis voor de duur van respectievelijk:

- 265 dagen (vordering [slachtoffer 1]);

- 216 dagen (vordering [slachtoffer 3]);

- 92 dagen (vordering [slachtoffer 6]);

met dien verstande dat die vervangende hechtenis in totaal niet meer dan 365 dagen kan bedragen en de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Gelast de ontzetting van verdachte voor de duur van vijf jaren uit de uitoefening van het beroep van verzekerings- of hypotheekadviseur.

Gelast de onttrekking aan het verkeer van:

1 1.00 STK Wapen

FN/22 LONG RIFE (3300503)

Geweer is demontabel

2 1.00 STK Geluidsdemper Kl: zwart

(3300506)

Hermes Unique Hendaye Bp France

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.F. Korthals Altes, voorzitter,

mrs. J. Knol en A.E.J.M. Gielen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P.C.N. van Gelderen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 april 2012.

Bijlage I, tenlastelegging:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 9 juni 2005 te [plaats 4] en/of Amsterdam en/of [plaats 1], in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van (ongeveer) 50.000 euro, in elk geval van enig(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- in zijn functie als vennoot en/of adviseur van assurantiekantoor Nirwana Assurantiën BV en/of (financieel/hypotheek) adviseur en/of (buitendienst)medewerker van assurantiekantoor Index Financial Planning voornoemde [slachtoffer 1] geadviseerd een extra hypotheekdeel van 50.000 euro te sluiten (ter dichting van zijn pensioengat) en/of voornoemd bedrag aan te wenden voor een levensverzekering met lijfrenteclausule en/of een pensioenverzekering, en/of

- (vervolgens) met voornoemde [slachtoffer 1] afgesproken dat voornoemd geldbedrag zou worden overgemaakt naar Stad Rotterdam Verzekeringen en/of Fortis ten behoeve van een depot ten behoeve van de jaarlijkse premiebetaling van 4.500 euro, en/of

- (vervolgens) met voornoemde [slachtoffer 1] afgesproken dat genoemd geldbedrag (via [notarissen] Notarissen) over zou worden gemaakt op een rekeningnummer ten name van Nirwana/ASR, en/of dat door hem, verdachte, en/of Nirwana/ASR (vervolgens) (direct) voornoemd geldbedrag zou worden (door)gestort naar Stad Rotterdam Verzekeringen en/of Fortis ten behoeve van voornoemd depot, en/of

- (vervolgens) [notarissen] Notarissen laten bemiddelen en/of de akte laten passeren,

waardoor voornoemde [slachtoffer 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Artikel 326 Wetboek van Strafrecht

[Aangifte [slachtoffer 1] p. 02001 e.v. - pvb nr 2007179585]

2.

hij in of omstreeks de periode van 12 augustus 2006 tot en met 16 april 2007 te [plaats 1] en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (een) geldbedrag(en) van (in totaal) (ongeveer) 2956,06 euro en/of 1959,13 euro, in elk geval enig(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [mede-eigenaar 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen geldbedrag(en) en/of goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door (na de gegevens van (beide) kaart(en) reeds één maal te hebben gebruikt) (nogmaals) (meerdere malen) gebruik te maken van de gegevens van een VISA creditcard (nummer [creditcardnummer 1]) en/of een Mastercard ING (nummer [creditcardnummer 2]) op naam van voornoemde [mede-eigenaar 1], welke gegevens hem, verdachte, eerder door voornoemde [mede-eigenaar 1] zijn verstrekt (beide) ten behoeve van eenmalig gebruik, in elk geval door middel van een valse sleutel;

Artikel 310 juncto 311 Wetboek van Strafrecht

[Aangifte [mede-eigenaar 1] p. 02051 e.v. - pvb nr 2007179585]

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 oktober 2006 te Amsterdam en/of [plaats 1], in elk geval in Nederland, opzettelijk een geldbedrag van (in totaal) (ongeveer) 11.966,45 euro, in elk geval enig(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren), dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan assurantiekantoor Index Financial Planning, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als (financieel/hypotheek) adviseur en/of (buitendienst)medewerker van assurantiekantoor Index Financial Planning, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Artikel 321 juncto 322 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 oktober 2006 te Amsterdam en/of [plaats 1], in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van (in totaal) (ongeveer) 11.966,45 euro, in elk geval enig(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan assurantiekantoor Index Financial Planning, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen geldbedrag(en) en/of goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door (meerdere malen) (zonder toestemming hiertoe van een/de venno(o)t(en) van Index Financial Planning)

- (telefonisch) contact op te nemen met Fortis/ASR, en/of

- zich (vervolgens) (telkens) voor te doen en/of voor te stellen als zijnde vennoot van Index Financial Planning, in elk geval een persoon welke is geautoriseerd om (een) geldbedrag(en) vanaf/vanuit de rekening courant van Index Financial Planning over te (laten) maken, en/of

- (vervolgens) opdracht te geven aan Fortis/ASR om (een) geldbedrag(en) over te maken vanaf/vanuit de rekening courant van Index Financial Planning naar (een) ander(e) rekening(en), niet zijnde (een) rekening(en) toebehorende aan Index Financial planning, in elk geval door middel van een valse order;

Artikel 310 juncto 311 Wetboek van Strafrecht

[Aangifte [mede-eigenaar 1] p. 02080 e.v. - pvb nr 2007179585]

4.

hij op of omstreeks 24 juni 2007 te [plaats 6] en/of [plaats 1], in elk geval in Nederland, [getuige 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (middels de telefoon) opzettelijk voornoemde [getuige 2] dreigend de woorden toegevoegd:

"Voor 1 juli betalen, anders gaat je kop eraf!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Artikel 285 Wetboek van Strafrecht

[Aangifte [getuige 2] p. 02104 e.v. - pvb nr 2007179585]

5.

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2004 tot en met 31 mei 2004 te Zaandam en/of Amsterdam en/of [plaats 1], in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van (in totaal) (ongeveer) 50.000 euro, in elk geval van enig(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- in zijn functie als vennoot en/of adviseur van assurantiekantoor Nirwana Assurantiën BV en/of (financieel/hypotheek) adviseur en/of (buitendienst)medewerker van assurantiekantoor Index Financial Planning voornoemde [slachtoffer 2] geadviseerd voornoemd bedrag aan Nirwana Assurantiën BV te lenen, en/of

- (vervolgens) met voornoemde [slachtoffer 2] de (schriftelijke) overeenkomst gesloten dat voornoemde [slachtoffer 2] voornoemd bedrag aan Nirwana Assurantiën BV zou lenen tegen een rente van 0,66% per maand en/of dat deze lening te allen tijde door voornoemde [slachtoffer 2] (geheel en/of gedeeltelijk) zonder nadere verzuimstelling ineens opeisbaar zou zijn, en/of

- voornoemde [slachtoffer 2] medegedeeld dat voornoemde investering haar 8% rente op jaarbasis zou opleveren, en/of

- (vervolgens) de overeenkomst op papier gezet en/of ondertekend en/of door voornoemde [slachtoffer 2] laten ondertekenen, en/of

- (daarnaast) met voornoemde [slachtoffer 2] de (mondelinge) overeenkomst gesloten dat de door voornoemde [slachtoffer 2] te ontvangen rente van 0,66% per maand door hem, verdachte, en/of Nirwana Assurantiën BV zou worden gestort bij Stad Rotterdam Verzekeringen en/of Fortis/ASR ten behoeve van een maandelijkse premiebetaling van 350 euro ten behoeve van een levensverzekering en/of pensioenverzekering,

- [slachtoffer 2] € 50.000 contant laten overdragen aan hem verdachte omdat volgens verdachte "contant makkelijker was"

waardoor voornoemde [slachtoffer 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Artikel 326 Wetboek van Strafrecht

[Aangifte [slachtoffer 2] p. 02110 e.v. - pvb nr 2007179585]

Subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 15 april 2004 tot en met heden te Zaandam en/of Amsterdam en/of [plaats 1], in elk geval in Nederland opzettelijk € 50.000

dat geheel toebehoorde aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welke hoeveelheid geld hij anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

6.

hij in of omstreeks de periode van 29 november 2000 tot en met 31 december 2000 te Gemert en/of Amsterdam en/of [plaats 1], in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,[slachtoffer 3] en/of Unidek Gemert BV heeft bewogen tot de afgifte van eengeldbedrag van 124.554,75 gulden / 56.520,48 euro, in elk geval van enig(e)

geldbedrag(en) en/of goed(eren), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- in zijn functie als vennoot en/of adviseur van assurantiekantoor Nirwana Assurantiën BV en/of (financieel/hypotheek) adviseur en/of (buitendienst)medewerker van assurantiekantoor Index Financial Planning voornoemde [slachtoffer 3] geadviseerd voornoemd bedrag aan te wenden voor een pensioenvoorziening, en/of

- (vervolgens) met voornoemde [slachtoffer 3] afgesproken dat voornoemd geldbedrag (door Unidek Gemert BV) zou worden overgemaakt naar Nirwana Asssurantiën BV en/of dat genoemd bedrag (vervolgens) door hem, verdachte, en/of Nirwana Assurantiën BV zou worden doorgestort naar een pensioenverzekeraar ten behoeve van een pensioenvoorziening,

waardoor voornoemde [slachtoffer 3] en/of Unidek Gemert BV werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Artikel 326 Wetboek van Strafrecht

[Aangifte [slachtoffer 3] p. 02133 e.v. - pvb nr 2007179585]

Subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 29 november 2000 tot en met heden te Gemert en/of Amsterdam en/of [plaats 1], in elk geval in Nederland opzettelijk ƒ 80.000 (€ 36.302,42) dat geheel toebehoorde aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welke hoeveelheid geld hij anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Artikel 321 jo. 47 Wetboek van Strafrecht

7.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2005 tot en met 28 december 2005 te [plaats 3] en/of Amsterdam en/of [plaats 1], in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van (in totaal) (ongeveer) 31.285 euro, in elk geval van enig(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- als tussenpersoon in zijn functie als vennoot en/of adviseur van assurantiekantoor Nirwana Assurantiën BV en/of (financieel/hypotheek) adviseur en/of (buitendienst)medewerker van assurantiekantoor Index Financial Planning ten name van voornoemde [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] een tweetal levensverzekeringen afgesloten bij verzekeringsmaatschappij Stad Rotterdam Verzekeringen en/of Fortis ASR, en/of

- voornoemde [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] medegedeeld voornoemd bedrag ter aflossing van voornoemde levensverzekeringen over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer 1] (zijnde een rekeningnummer ten name van [ex-partner verdachte] en/of [verdachte]), waarbij [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] in de veronderstelling is gebracht dat voornoemd rekeningnummer dat van Stad Rotterdam was en/of

- op het formulier Algemene Aanvraag Leven heeft (laten) vermeld(en) dat de termijnpremie rechtstreeks aan de maatschappij betaald zal worden via automatische afschrijving, waartoe door [slachtoffer 4] een incassomachtiging is afgegeven voor bankrekeningnummer 5165951 en/of

- voornoemd bedrag heeft aangewend voor privédoeleinden

waardoor voornoemde [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Artikel 326 Wetboek van Strafrecht

[Aangifte [slachtoffer 4] p. 02142 e.v. - pvb nr 2007070224]

8.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2005 tot en met 12 april 2006 te [plaats 2] en/of Amsterdam en/of [plaats 1], in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 6] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van (in totaal) (ongeveer) 41.500 euro, in elk geval van enig(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- als tussenpersoon in zijn functie als verzekeringadviseur en/of in zijn functie als vennoot en/of adviseur van assurantiekantoor Nirwana Assurantiën BV en/of (financieel/hypotheek/verzekerings) adviseur en/of (buitendienst)medewerker van assurantiekantoor Index Financial Planning ten name van voornoemde [slachtoffer 6] een levensverzekering afgesloten, althans geadviseerd bij het afsluiten van een levensverzekering, bij Stad Rotterdam Verzekeringen en/of Fortis ASR, en/of

- voornoemde [slachtoffer 6] geadviseerd voornoemde levensverzekering (gedeeltelijk) af te lossen en/of af te betalen en/of vol te storten, en/of

- voornoemde [slachtoffer 6] (per faxbericht en/of mondeling) medegedeeld voornoemd bedrag ter (gedeeltelijke) aflossing en/of afbetaling en/of volstorting van voornoemde levensverzekering over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer 1] (zijnde een rekeningnummer ten name van [ex-partner verdachte] en/of [verdachte]), waarbij [slachtoffer 6] in de veronderstelling is gebracht dat voornoemd rekeningnummer dat van Stad Rotterdam was en/of

- en/of voornoemd bedrag heeft aangewend voor privédoeleinden

waardoor voornoemde [slachtoffer 6] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Artikel 326 Wetboek van Strafrecht

[Aangifte [slachtoffer 6] p. 020319 e.v. - pvb nr 2007179585]

Subsidiair:

hij

- in of omstreeks de periode van 12 april 2006 tot en met 21 april 2008 te [plaats 2] en/of Amsterdam en/of [plaats 1], in elk geval in Nederland opzettelijk € 41.500

- in of omstreeks de periode vanaf 21 april 2008 tot en met heden te [plaats 2] en/of Amsterdam en/of [plaats 1], in elk geval in Nederland opzettelijk € 11.500

dat geheel toebehoorde aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welke hoeveelheid geld hij anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Artikel 321 jo. 47 Wetboek van Strafrecht

9.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 20 december 2007 te [plaats 2] en/of [plaats 5] en/of Amsterdam en/of [plaats 1], in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de Postbank heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van (in totaal) (ongeveer) 455.000 euro, in elk geval van enig(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid,

- ((als tussenpersoon)in zijn functie als (financieel/hypotheek/verzekerings) adviseur en/of als (buitendienst)medewerker van assurantiekantoor Index Financial Planning en/of medewerker van INRO Bemiddeling) medegedeeld aan [slachtoffer 7] dat hij, verdachte, een hypotheek voor die [slachtoffer 7] kon regelen (terwijl hij, verdachte, wist dat voornoemde [slachtoffer 7] geen inkomsten uit arbeid ontving en/of een WAO-uitkering ontving en/of niet in aanmerking kwam voor een hypothecaire lening en/of bijbehorende levensverzekering bij de hypotheekverstrekker de Postbank), en/of

- ter ondersteuning van de hypotheekaanvraag en/of de bijbehorende levensverzekering ten name van voornoemde [slachtoffer 7] een valse en/of vervalste werkgeversverklaring en/of salarisstrook met betrekking tot voornoemde [slachtoffer 7] (via INRO Bemiddeling) aan de Postbank doen toekomen (terwijl hij, verdachte, wist dat voornoemde [slachtoffer 7] geen inkomsten uit arbeid ontving en/of dat voornoemde [slachtoffer 7] een WAO-uitkering ontving en/of dat voornoemde [slachtoffer 7] (derhalve) ook geen werkgever had en/of geen salarisstroken ontving en/of dat betreffende werkgever (GTF Telecommunicatie) niet bestond), en/of

- ter ondersteuning van de hypotheekaanvraag en/of de bijbehorende levensverzekering ten name van voornoemde [slachtoffer 7] twee, althans één of meer, (contante) gefingeerde salarisstorting(en) gedaan op rekeningnummer [rekeningnummer 2] ten name van voornoemde [slachtoffer 7] en/of voornoemde [slachtoffer 7] medegedeeld en/of verzocht genoemde storting(en) vervolgens weer contant aan hem, verdachte, af te dragen en/of de op de/het rekeningafschrift(en) vermelde storting(en) van de uitkering aan voornoemde [slachtoffer 7] verwijderd en/of (vervolgens) de/het rekeningafschrift(en) behorende bij de (contante) gefingeerde salarisstorting(en) ten name van voornoemde [slachtoffer 7] (via INRO Bemiddeling) aan de Postbank doen toekomen, in elk geval de/het rekeningafschrift(en) behorende bij de (gefingeerde) salarisstorting(en) ten name van voornoemde [slachtoffer 7] (via INRO Bemiddeling) aan de Postbank doen toekomen (terwijl hij, verdachte, wist dat voornoemde [slachtoffer 7] geen inkomsten uit arbeid ontving en/of een WAO-uitkering ontving), en/of

- ter ondersteuning van de hypotheekaanvraag en/of de bijbehorende levensverzekering ten name van voornoemde [slachtoffer 7] opdracht gegeven tot het opstellen van een vals en/of vervalst taxatierapport en/of voornoemd taxatierapport (via INRO Bemiddeling) aan de Postbank doen toekomen, en/of

- ter ondersteuning van de hypotheekaanvraag en/of de bijbehorende levensverzekering en/of de aanvraag van een bouwdepot ten name van voornoemde [slachtoffer 7] opdracht gegeven tot het opstellen van een valse en/of vervalste (verbouwings)offerte van de aan te kopen woning en/of voornoemde offerte (via INRO Bemiddeling) aan de Postbank doen toekomen (terwijl hij wist dat voornoemde [slachtoffer 7] niet voornemens was de aan te kopen woning te gaan verbouwen) en/of voornoemde [slachtoffer 7] medegedeeld en/of geadviseerd de maandelijkse (hypothecaire) lasten te betalen uit het bouwdepot, en/of

- (vervolgens) voornoemde [slachtoffer 7] als klant aan INRO Bemiddeling geleverd en/of voornoemde hypotheekaanvraag en/of de bijbehorende levensverzekering heeft ondergebracht bij INRO Bemiddeling en/of bovengenoemde werkgeversverklaring en/of salarisstrook en/of rekeningafschrift(en) en/of taxatierapport en/of offerte aan INRO Bemiddeling doen toekomen, waarna INRO Bemiddeling ten name van voornoemde [slachtoffer 7] de hypotheekaanvraag en/of bijbehorende levensverzekering heeft ingediend bij de Postbank ten behoeve van een hypothecaire lening ten bedrage van 455.000 euro (waarvan 80.000 euro in bouwdepot),

waardoor de Postbank werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Artikel 326 Wetboek van Strafrecht

[Aangifte [aangever Postbank] (Internationale Nederlanden Groep NV) p. 48 e.v. - pvb nr 2007179585 (3e pv)]

10.

hij op of omstreeks 5 maart 2008 te [plaats 1] een wapen van categorie II, te weten een kogelgeweer (merk Fabrique Nationale D'Armes De Guerre-Herstal Belgique, kaliber .22), zijnde een vuurwapen die zodanig is vervaardigd dat het dragen minder zichtbaar is (doordat aan het begin van de loop een schroefconstructie is aangebracht, waardoor het deel van het geweer met de loop snel van de rest van het geweer kan worden losgeschroefd, althans waardoor het geweer in twee onderdelen uiteengenomen kan worden en weer ineen kan worden gebracht), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Artikel 26 juncto 55 Wet Wapens en Munitie

11.

hij op of omstreeks 5 maart 2008 te [plaats 1] een wapen van categorie I, te weten een geluiddemper (merk Hermes Unique Hendaye B.P. France) bestemd of geschikt om bevestigd te worden op een geweer, zijnde een vuurwapen, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Artikel 13 juncto 55 Wet Wapens en Munitie

12.

hij op of omstreeks 11 oktober 2008 te [plaats 3] opzettelijk en wederrechtelijk een of meer banden van een (personen)auto (merk Peugeot, type 407, kenteken [kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [mede-eigenaar 1] en/of assurantiekantoor Index Financial Planning, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door met een priem en/of een schroevendraaier, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, vier, althans één of meer, band(en) van voornoemde (personen)auto lek te steken en/of prikken;

Artikel 350 Wetboek van Strafrecht

[Aangifte [mede-eigenaar 1] p. 27 e.v. - pvb nr 2008285737]

i Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

ii Verklaring bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, (hierna: RC) van [getuige 1] d.d. 2 mei 2011 en verklaring bij de RC van [getuige 2] d.d. 12 mei 2011.

iii Een geschrift, zijnde een koopovereenkomst d.d. 14 december 2005, pag. 03022 e.v.

iv Verklaring verdachte, pag. 040046.

v Een geschrift, zijnde een uittreksel uit de KvK, pag. 02057.

vi Verklaring verdachte, pag. 040002, pv ter terechtzitting van de kantonrechter te Haarlem d.d. 20 maart 2008, pag. 040068 en een geschrift, zijnde een brief van [persoon 2], pag. 02102.

vii Verklaring van [mede-eigenaar 2], pag. 030068.

viii Verklaring verdachte, pag. 040002.

ix Een geschrift, zijnde een brief van [persoon 3], bestuurder van 'De Unie', pag. 2 138.

x Verklaring [slachtoffer 3], pag. 02133 e.v. en verklaring bij de RC van [slachtoffer 3] d.d. 24 mei 2011 en verklaring verdachte, pag. 040031.

xi Een geschrift, zijnde een schuldbekentenis d.d. 30 november 1999, pag. 03010, een geschrift, zijnde een schuldbekentenis d.d. 30 september 1999, pag. 03011, een geschrift, zijnde een schuldbekentenis d.d. 30 december 1999, pag. 03012

xii Verklaring verdachte, pag. 040003.

xiii Verklaring verdachte, pag. 040004.

xiv Verklaring [ex-partner verdachte], pag. 040007.

xv Verklaring verdachte, pag. 040005.

xvi Verklaring verdachte, pag. 040048.

xvii Verklaring [ex-partner verdachte], pag. 040037 en verklaring verdachte, pag. 040005 en 040046.

xviii Verklaring bij de RC van [getuige 1] d.d. 2 mei 2011.

xix Verklaring bij de RC van [getuige 2] d.d. 12 mei 2011.

xx Verklaring [slachtoffer 3], pag. 02134 e.v. en verklaring bij de RC van [slachtoffer 3] d.d. 24 mei 2011.

xxi Verklaring bij de RC van [getuige 1] d.d. 2 mei 2011, pag. 4 en verklaring bij de RC, van [getuige 2] d.d. 12 mei 2011, pag 3.

xxii Een geschrift, zijnde een verklaring van verdachte, pag. 50026.

xxiii Verklaring van [slachtoffer 1], pag. 02002 e.v. en verklaring bij de RC van [slachtoffer 1] d.d. 12 mei 2011, een geschrift, zijnde een brief van [slachtoffer 1] d.d. 7 juni 2005, pag. 02007 en een geschrift, zijnde een overzicht rekeningmutaties d.d. 10 juni 2005, pag. 02008 en verklaring van verdachte, pag. 040020.

xxiv Verklaring van verdachte, pag. 040022.

xxv Een geschrift, zijnde een overeenkomst van geldlening d.d. 13 april 2004, pag. 02120.

xxvi Een geschrift, zijnde een rekeningafschrift t.n.v. [slachtoffer 2], pag. 02118, verklaring van [slachtoffer 2], pag. 02110 e.v. en verklaring van verdachte, pag. 040030.

xxvii Verklaring van [slachtoffer 2], pag. 02111.

xxviii Verklaring van [slachtoffer 2], pag. 02110 e.v. en verklaring van verdachte, pag. 040030.

xxix Verklaring bij de RC van [getuige 1] d.d. 2 mei 2011 en verklaring bij de RC van [getuige 2] d.d. 12 mei 2011.

xxx Verklaring van [slachtoffer 2], pag. 02111.

xxxi Verklaring van [getuige 1], pag. 03002.

xxxii Een geschrift, zijnde een verklaring van verdachte d.d. 19 april 2005, pag. 02130.

xxxiii Verklaring bij de RC van [slachtoffer 4] d.d. 17 mei 2011 en verklaring van [slachtoffer 4], pag. 02142 e.v.

xxxiv Een geschrift, zijnd een rekeningafschrift t.n.v. [slachtoffer 4] d.d. 31 december 2005, pag. 02150, een geschrift, zijnde een rekeningafschrift t.n.v. [ex-partner verdachte] en verdachte d.d. 10 januari 2006, pag. 020345 en verklaring verdachte, pag. 040004 en pag. 040034.

xxxv Verklaring verdachte, pag. 040034.

xxxvi Verklaring bij de RC van [slachtoffer 4] d.d. 17 mei 2011 en verklaring van [slachtoffer 4], pag. 02143.

xxxvii Verklaring bij de RC van [slachtoffer 4] d.d. 17 mei 2011, pag. 6.

xxxviii Verklaring verdachte, pag. 040004 en pag. 040034.

xxxix Verklaring van [slachtoffer 6], pag. 020319 e.v. en verklaring van verdachte, pag. 040060 e.v.

xl Een geschrift, zijnde een faxbericht verzonden op 10 april 2006, pag. 020324.

xli Een geschrift, zijnde een rekeningafschrift t.n.v. [ex-partner verdachte] en verdachte d.d. 18 april 2006, pag. 020344.

xlii Verklaring verdachte, pag. 040061.

xliii Verklaring van [slachtoffer 6], pag. 020320.

xliv Een geschrift, zijnde een interview van [slachtoffer 7] d.d. 2 juli 2008, rubriek 7, pag. 000144 en verklaring van [slachtoffer 7], rubriek 7, pag. 000151.

xlv Verklaring verdachte, pag. 040064.

xlvi Verklaring [mede-eigenaar 2], pag. 030069.

xlvii Een geschrift, zijnde een aangifte van [aangever Postbank] namens de Postbank, rubriek 7, pag. 000048 e.v.

xlviii Een geschrift, zijnde een werkgeversverklaring betreffende [slachtoffer 7], rubriek 7, pag. 000074.

xlix Een geschrift, zijnde een salarisspecificatie t.n.v. [slachtoffer 7], rubriek 7, pag. 000075.

l Een geschrift, zijnde een rekeningafschrift d.d. 19 juni 2007, rubriek 7, pag. 000076.

li Een geschrift, zijnde een interview van [slachtoffer 7] d.d. 2 juli 2008, rubriek 7, pag. 000144

lii Een geschrift, zijnde een interview van [slachtoffer 7] d.d. 2 juli 2008, rubriek 7, pag. 000144, verklaring van [slachtoffer 7], rubriek 7, pag. 000153 en een geschrift, zijnde een inlichtingenformulier van het UWV d.d. 21 april 2008, pag. 060124.

liii Een geschrift, zijnde een rekeningafschrift d.d. 21 mei 2007, pag. 050095 en PV bevindingen in beslag genomen voorwerpen, pag. 050091.

liv PV relaas, rubriek 7, pag. 000014.

lv Een geschrift, zijnde een aangifte van [aangever Postbank] namens de Postbank, rubriek 7, pag. 000052 en een geschrift, zijnde een taxatierapport d.d. 4 juli 2007, rubriek 7, pag. 000094 e.v.

lvi Een geschrift, zijnde een interview van [slachtoffer 7] d.d. 2 juli 2008, rubriek 7, pag. 000144 en verklaring van [slachtoffer 7], rubriek 7, pag. 000151.

lvii Een geschrift, zijnde een interview van [slachtoffer 7] d.d. 2 juli 2008, rubriek 7, pag. 000144.

lviii Een geschrift, zijnde een taxatierapport d.d. 4 juli 2007, rubriek 7, pag. 000115.

lix Verklaring bij de RC van [mede-eigenaar 1] d.d. 17 mei 2011.

lx Verklaring van [mede-eigenaar 1], pag. 02051 e.v. en verklaring verdachte, pag. 040023 e.v.

lxi Telkens een geschrift, zijnde een schermafdruk van de site ING Card, pag. 02059 - 02078 en verklaring verdachte, pag. 040024.

lxii Verklaring [medewerker Belastingdienst 1], aanvullend pv d.d. 31 december 2010, pag. 010 en verklaring [medewerker Belastingdienst 2], aanvullend pv d.d. 31 december 2010, pag. 012.

lxiii Verklaring van [mede-eigenaar 1], pag. 02080 e.v. en verklaring van verdachte, pag. 040025.

lxiv Aanvullende verklaring van [mede-eigenaar 1], pag. 020157 e.v., verklaring bij de RC, van [mede-eigenaar 1] d.d. 17 mei 2011, verklaring bij de RC van [mede-eigenaar 2] d.d. 24 mei 2011 en verklaring verdachte, pag. 040025.

lxv Aanvullende verklaring van [mede-eigenaar 1], pag. 020157 e.v., verklaring bij de RC, van [mede-eigenaar 1] d.d. 17 mei 2011, verklaring [mede-eigenaar 2], pag. 030064 en verklaring bij de RC van [mede-eigenaar 2] d.d. 24 mei 2011.

lxvi Verklaring bij de RC, van [mede-eigenaar 1] d.d. 17 mei 2011, pag. 2.

lxvii Verklaring van [getuige 2], pag. 02104 e.v. en verklaring bij de RC van [getuige 2] d.d. 12 mei 2011.

lxviii Een geschrift, zijnde printgegevens, pag. 06007.

lxix Verklaring van verdachte, pag. 040043.

lxx KVI, pag. 080047, PV relaas, pag. 010010.

lxxi KVI, pag. 080047.

lxxii Aanvullend proces-verbaal d.d. 31 december 2010, pag. 089 e.v.

lxxiii Pag. 050085.

lxxiv Verklaring [mede-eigenaar 1], rubriek 6, pag. 000027 e.v.

lxxv Verklaring [mede-eigenaar 1], rubriek 6, pag. 000027 e.v.

lxxvi Verklaring verbalisant [verbalisant 1], rubriek 6, pag. 000004.

lxxvii Een geschrift, zijnde een foto, rubriek 6, pag. 000032.