Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW2546

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
AWB 12/1474 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

vovo; versmalling fietspad is geen besluit; rechtbank onbevoegd inzake plaatsen afvalstoffencontainers.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 10.23
Wet milieubeheer 20.1
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2012/56 met annotatie van Van der Meijden
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3905

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/1474 BESLU

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker 1], [verzoeker 2], [verzoeker 3], [verzoeker 4] en [verzoeker 5],

allen wonende te [woonplaats],

verzoekers,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel West van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. N. Smit.

Procesverloop

Verzoekers hebben een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoekers ingediende bezwaar tegen een besluit van verweerder van 15 maart 2012.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 april 2012. Verzoekers [verzoeker 1], [verzoeker 2] en [verzoeker 3] zijn verschenen. Tevens was ter zitting aanwezig [persoon 1]. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. Inleidende bepalingen

1.1 Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

2. Feiten en omstandigheden

2.1 Bij besluit van 29 september 2009 heeft verweerder (toen: stadsdeelraad van het stadsdeel De Baarsjes) het “Definitief Ontwerp voor het projectgebied Witte de Withstraat/ plein e.o.” vastgesteld. Hierin is onder meer voorzien in het realiseren van vrij liggende fietspaden, toegankelijker tramhaltes, een plein en ondergrondse afvalcontainers.

2.2 Bij brief van 22 december 2012 heeft verweerder de bewoners van de Witte de Withstraat meegedeeld dat er een probleem is ontstaan met het legen van de geplande ondergrondse afvalcontainers.

2.3 Bij brief van 15 maart 2012 heeft verweerder de bewoners meegedeeld dat de ondergrondse afvalcontainers ter hoogte van huisnummer 140 meer naar de gevel zullen worden verplaatst, dat het fietspad op die plek zal worden versmald en dat de rijweg op die plaats zal worden verbreed. Bij deze brief is een bovenaanzichttekening van de locatie gevoegd.

2.4 Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Hun bezwaren richten zich zowel tegen de verplaatsing van de afvalcontainers als tegen de versmalling van het fietspad.

2.5 Bij brief van 20 maart 2012 hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht verweerder een bouwstop op te leggen, dan wel de bouwvergunning te schorsen tot zes weken nadat op het bezwaarschrift is beslist. Verzoekers hebben daarbij aangevoerd dat verweerder heeft verzuimd over de wijzigingen een nieuw besluit te nemen en ter inzage te leggen.

2.6 Verweerder is op 19 maart 2012 gestart met de verplaatsing van de ondergrondse afvalcontainers. Deze werkzaamheden zijn op 20 maart 2012 voltooid.

3. Inhoudelijke beoordeling

3.1 De voorzieningenrechter stelt vast dat het in de brief van verweerder van 15 maart 2012 vervatte besluit enerzijds betrekking heeft op de versmalling van het fietspad en anderzijds op het plaatsen van ondergrondse afvalcontainers. Ter zitting is gebleken dat het verzoek betrekking heeft op zowel de versmalling van het fietspad als op de verplaatsing van de afvalcontainers. De voorzieningenrechter zal navolgend afzonderlijk ingaan op het onderdeel fietspad en op het onderdeel afvalcontainers.

Ten aanzien van de versmalling van het fietspad

3.2.1 Aan de orde is de vraag of het in de brief van 15 maart 2012 vervatte besluit tot versmalling van het fietspad aan de Witte de Withstraat ter hoogte van huisnummer 140, is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen bezwaar en beroep openstaat.

3.2.2 De voorzieningenrechter stelt vast dat de versmalling van het fietspad een aanpassing van het op 29 september 2009 vastgestelde “Definitief Ontwerp voor het projectgebied Witte de Withstraat/ plein e.o.” betreft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze aanpassing geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 24 december 2002 (LJN: AF2512), van 16 februari 2005 (LJN: AS6194) en van 17 december 2008 (LJN: BG7183), alle te vinden op www.rechtspraak.nl, oordeelt de voorzieningenrechter dat een besluit tot het treffen fysieke maatregelen ter regeling van het verkeer, zoals in dit geval de versmalling van het fietspad, niet op rechtsgevolg is gericht. De maatregelen hebben slechts feitelijke gevolgen zodat er geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb.

3.2.3 Dat is pas anders indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken. De brief van 15 maart 2012 ziet op het treffen van maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van die weg. Een dergelijke brief moet op grond van artikel 15, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 slechts als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt, indien deze maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik maakt. Dit is hier niet het geval

3.2.4 Gelet op wat hiervoor is overwogen zal het bezwaar, voor zover dit ziet op de versmalling van het fietspad, niet-ontvankelijk worden verklaard zodat thans geen aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen.

Ten aanzien van de verplaatsing van de afvalcontainers

3.3.1 Op grond van artikel 10.23 van de Wet Milieubeheer stelt de gemeenteraad in het belang van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vast.

3.3.2 In artikel 4 van de Afvalstoffenverordening 2009 van de gemeente Amsterdam, voor zover hier van belang, is het volgende bepaald.

1. De inzameling kan plaatsvinden met behulp van:

a. een inzamelmiddel voor de gebruiker van een perceel;

b. een inzamelvoorziening voor de gebruikers van een aantal percelen;

c. een inzamelvoorziening op wijkniveau;

d. een brengdepot op lokaal of regionaal niveau.

2. In het belang van een doelmatige inzameling van huishoudelijke afvalstoffen kan de deelraad als bedoeld in de Verordening op de stadsdelen besluiten dat inzameling nabij elk perceel plaatsvindt.

(…)

4. Het college kan aanwijzen met behulp van welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of met behulp van welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt.

3.3.3 In bijlage 1 van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Stad, vastgesteld door het dagelijks bestuur van deelgemeente Amsterdam – De Baarsjes en in werking getreden op 1 november 2009, zijn de aangewezen locaties inzamelvoorzieningen huishoudelijk restafval opgenomen. De Witte de Withstraat nr. 140 wordt hierin niet genoemd. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat de locatie Witte de Withstraat nr. 140 nooit in een uitvoeringsbesluit is opgenomen.

3.3.4 In de brief van 15 maart 2012 heeft verweerder huisnummer 140 niet genoemd als locatie voor ondergrondse afvalstoffencontainers. Uit de bij de brief gevoegde bovenaanzichttekening blijkt echter dat het gaat om het (ver)plaatsen van ondergrondse afvalstoffencontainers ter hoogte van de Witte de Withstraat 140.

3.3.5 Gelet op artikel 20.1 van de Wet Milieubeheer is ten aanzien van de aanwijzing en wijziging van locaties voor ondergrondse afvalstoffencontainers niet de rechtbank de bevoegde rechter maar de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 9 september 2010 (LJN: BL4118). De voorzieningenrechter zal zich dan ook onbevoegd verklaren en het verzoek om een voorlopige voorziening voor zover dat ziet op de verplaatsing van de ondergrondse afvalstoffencontainers doorzenden naar de voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

3.4 Voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

voor zover het verzoek ziet op de versmalling van het fietspad,

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af,

voor zover het verzoek ziet op de verplaatsing van de afvalcontainers,

- verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bosman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2012.

de griffier de voorzieningenrechter

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB