Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW1492

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-03-2012
Datum publicatie
10-04-2012
Zaaknummer
13-664009-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor zware mishandeling; benadeelde partij; zwaar lichamelijk letsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/664009-12

Datum uitspraak: 30 maart 2012

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1983],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en verblijvend op het adres [adres], [woonplaats].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 maart 2012.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 30 januari 2011 te Bussum aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (littekenvorming op hoofd), heeft toegebracht, door deze opzettelijk eenmaal met een glas, althans een daarop gelijkend voorwerp tegen/op het hoofd te slaan;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 30 januari 2011 te Bussum ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet genoemde [slachtoffer], eenmaal met een glas, althans een daarop gelijkend voorwerp tegen/op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 30 januari 2011 te Bussum opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), eenmaal met een glas, althans een daarop gelijkend voorwerp tegen/op het hoofd heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte,

op 30 januari 2011 te Bussum aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (littekenvorming op hoofd), heeft toegebracht, door deze opzettelijk eenmaal met een glas tegen/op het hoofd te slaan

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

4. Het bewijs

4.1. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4.2. De rechtbank is, met de officier van justitie en anders dan de verdediging, van oordeel dat het door verdachte toegebrachte letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Uit de letselverklaring van de GGD, opgemaakt door M.H. Bosschart, blijkt dat er sprake zal zijn van blijvende littekenvorming bovenop het hoofd van het slachtoffer met wellicht ter plaatse verminderde haargroei. Littekens op het hoofd zijn een blijvende ontsiering. Daar doet niet aan af dat mogelijk nu nog hoofdhaar over deze littekens groeit, gezien het feit dat het hoofdhaar in de loop der jaren minder kan worden. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen. Daarnaast heeft zij oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaar, gevorderd.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 2.007,- en dat de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De officier van justitie heeft hierbij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft voorgedrongen bij de toiletten in een café en heeft op deze manier andere cafébezoekers geïrriteerd. Hij is vervolgens door een aantal cafébezoekers een beetje naar achteren geduwd. De reactie van verdachte die hierop volgde was zeer gewelddadig. Verdachte heeft vol uitgehaald met een glas naar het hoofd van het slachtoffer en daarbij ernstig letsel veroorzaakt dat gemakkelijk nog veel ernstiger vormen had kunnen aannemen. Deze gedraging heeft op het slachtoffer een enorme impact gehad, terwijl de ervaring leert dat dit ook geldt voor omstanders van dergelijk geweld in het uitgaansleven. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 februari 2012 waaruit blijkt dat verdachte eerder – zij het reeds enige tijd geleden – wegens mishandeling is veroordeeld.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij het slaan met een glas op het hoofd van het slachtoffer ter zitting heeft bekend en te kennen heeft gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien. Het is positief dat verdachte hiermee verantwoordelijkheid heeft genomen. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafoplegging – zij het in beperkte mate - rekening met de omstandigheden dat de gedraging van verdachte media-aandacht heeft gekregen en dat hij een tijdelijk toegangsverbod voor de horecagelegenheden in zijn omgeving opgelegd heeft gekregen.

Rekening houdend met de voornoemde omstandigheden acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde strafoplegging passend. De rechtbank beoogt met de oplegging van een voorwaardelijk strafdeel verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom strafbare feiten te plegen.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft - als voorschot op de vergoeding van immateriële en materiële schade - een bedrag van € 2.619,83 gevorderd. De rechtbank verstaat dit aldus, dat de benadeelde partij zich ten aanzien van dit bedrag heeft gevoegd in dit strafproces, onder voorbehoud van het recht om het meerdere deel bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van een deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.304,00 (dertienhonderdvier euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Dit bedrag van € 1.304,00 is opgebouwd uit de volgende posten.

- De rechtbank zal de medische kosten tot het volledig gevorderde bedrag van € 170,-, toewijzen. Deze schade is voldoende aannemelijk en onderbouwd en niet weersproken door de verdediging.

- Ten aanzien van de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat deze kan worden toegewezen tot een bedrag van € 750,-. De rechtbank heeft dit bedrag vastgesteld aan de hand van immateriële schadevergoedingen zoals die in vergelijkbare gevallen zijn toegewezen.

- Het gevorderde bedrag aan ‘buitengerechtelijke kosten’ wordt door de rechtbank deels toegewezen. Blijkens de specificatie hebben deze kosten van rechtsbijstand in (elk geval mede) betrekking op het opstellen en indienen van de onderhavige vordering hetgeen betekent dat deze kosten niet als buitengerechtelijk moeten worden aangemerkt, maar als proceskosten. Die proceskosten zijn toewijsbaar tot het in dit geval toepasselijke liquidatietarief van € 384,00. Van het resterende deel is onvoldoende komen vast te staan dat het gaat om redelijke kosten tot vaststelling van schade en aansprakelijkheid of ter verkrijging van voldoening buiten rechte.

Voor het overige deel (te weten de betwiste kledingschade, een deel van de immateriële schade, en een deel van de buitengerechtelijke kosten) is de rechtbank van oordeel dat deze kostenposten onvoldoende zijn aangetoond. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in dit deel van de vordering niet worden ontvangen en kan zij zulks slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd met dien verstande deze schadevergoedingsmaatregel geen betrekking kan hebben op de toegewezen proceskosten.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen, met bevel dat de tijd die door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende op het adres [adres] te [plaats] toe tot een bedrag van € 1.304,00 (dertienhonderdvier euro). Dit bedrag is opgebouwd uit een materieel deel van € 170, een immaterieel deel van € 750,-, en € 384,00 aan proceskosten

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer], te betalen de som van € 920,00 (negenhonderdtwintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 19 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Salomon, voorzitter,

mrs. E. Diepraam en P.C. Koopmans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E. Bouwhuis, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 maart 2012.

Mr. P.C. Koopmans is buiten staat dit vonnis mede te

ondertekenen.