Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW1243

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
06-04-2012
Zaaknummer
486339 - HA ZA 11-912
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

CalPERS heeft in het faillissement van VDM Holding verificatie gevorderd. Zij beroept zich op beslissing van de rechter te New York. De curatoren hebben verificatie geweigerd. De curatoren hebben terecht aangevoerd dat, zelfs indien de beslissingen van de rechtbank te New York voor erkenning in aanmerking zouden komen, uit die erkenning alleen, gelet op die beslissingen, geen toewijzing van de vordering kan volgen. Ook voor het overige heeft CalPERS niet voldoende feitelijke stellingen aan haar vordering ten grondslag gelegd. In dat verband is van belang, dat CalPERS niet kan volstaan met een verwijzing naar door haar overgelegde vonnissen van de rechtbank te New York en andere stukken, maar in haar eis dient te stellen welke feiten zij concreet aan haar vordering ten grondslag legt en tot ondersteuning van welke in die eis concreet geformuleerde verwijten de overgelegde bewijsstukken dienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, meervoudige kamer

zaaknummer / rolnummer: 486339 / HA ZA 11-912

Vonnis van 4 april 2012

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

CALIFORNIA PUBLIC EMPLOYEES’ RETIREMENT SYSTEM,

gevestigd te Californië (Verenigde Staten),

eiseres tot verificatie,

advocaat mr. drs. M. van der Laarse te Rotterdam,

tegen

1. MR. P.R.W. SCHAINK

2. DRS. J.O. GELDERLOOS RA

3. MR. H. DE CONINCK-SMOLDERS

in hoedanigheid van curatoren in het faillissement van Van der Moolen Holding N.V. (hierna te noemen: VDM Holding),

kantoorhoudende te Amsterdam,

verweerders,

advocaat mr. H.M. Willems te Amsterdam,

Partijen worden hierna CalPERS en de curatoren genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de conclusie van eis met producties, waaronder het proces-verbaal van de verificatievergadering van 10 februari 2011 in het faillissement van VDM Holding met bijlagen,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- het tussenvonnis van 28 september 2011, waarbij een comparitie van partijen is gelast,

- het proces-verbaal van comparitie van 2 februari 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast.

2.1. VDM Holding houdt de aandelen in Van der Moolen Specialists USA, LLC (hierna: VDM Specialists). VDM Specialists exploiteerde een hoekmansbedrijf op de aandelenbeurs van New York.

2.2. Bij de rechtbank te New York is een geding aanhangig strekkende tot betaling van schadevergoeding door VDM Specialists en VDM Holding aan CalPERS. CalPERS treedt daarbij mede op voor een bepaalde afgebakende groep die eveneens meent door VDM Specialists en VDM Holding te zijn benadeeld. Een dergelijke procedure is geregeld in artikel 23 van de Federal Rules of Civil Procedures en wordt aangeduid als ‘class action’.

2.3. In dat geding verwijt CalPERS VDM Specialists onrechtmatig te hebben gehandeld door zich vanaf 1 januari 1999 tot 15 oktober 2003 bij de uitvoering van aankoop- en verkoopopdrachten van haar klanten, ten koste van haar klanten, voordelen te hebben verschaft met gebruikmaking van vertrouwelijke gegevens die haar uit hoofde van de opdrachten van haar klanten bekend waren, zulks in strijd met de beursregels: de zogenaamde ‘front-running’ of ‘trading ahead’.

In dat geding verwijt CalPERS ook VDM Holding onrechtmatig te hebben gehandeld, en wel doordat zij, als moedervennootschap van VDM Specialists, op de hoogte was van de ongeoorloofde ‘front-running’ of ‘trading ahead’ en niet of onvoldoende heeft ingegrepen.

2.4. De Amerikaanse beurstoezichthouder (SEC) is na onderzoek tot de conclusie gekomen dat VDM Specialists de beursregels heeft overtreden.

2.5. VDM Specialists heeft een minnelijke regeling bereikt met de SEC, uit hoofde waarvan VDM Specialists USD 57,68 miljoen heeft betaald. Daarvan gold USD 22,75 miljoen als boete en USD 34,93 miljoen als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2.6. Bij vonnis van deze rechtbank van 10 september 2009 is VDM Holding in staat van faillissement verklaard, met benoeming van curatoren als zodanig.

2.7. CalPERS, VDM Specialists en VDM Holding hebben in januari 2011 in het geding bij de rechtbank te New York een minnelijke regeling bereikt, uit hoofde waarvan VDM Specialists tegen finale kwijting USD 750.000,- heeft betaald, met dien verstande dat CalPERS (al dan niet mede namens andere leden van de ‘class’) haar recht heeft behouden om een vordering ter verificatie in te dienen in het faillissement van VDM Holding.

2.8. CalPERS heeft bij de curatoren ter verificatie een vordering ingediend van € 34.272.976,68 (waarop het door VDM Specialists uit hoofde van voormelde minnelijke regeling betaalde bedrag in mindering wordt gebracht). Ter verificatievergadering van 10 februari 2011 hebben de curatoren de vordering van CalPERS betwist, waarna de rechter-commissaris partijen naar de rechtbank heeft verwezen voor de onderhavige renvooiprocedure.

3. Het geschil

3.1. CalPERS vordert samengevat - de erkenning van de door haar in het faillissement van VDM Holding ingediende vordering van € 34.272.976,68, verminderd met hetgeen VDM Specialists uit hoofde van de hiervoor onder 2.7. genoemde minnelijke regeling betaalt (omgerekend tegen de wisselkoers van de datum van betaling), met veroordeling van de curatoren in de kosten van het geding.

3.2. Daaraan legt zij ten grondslag, dat VDM Specialists jegens CalPERS en andere in de Amerikaanse class action betrokken benadeelden (verder: CalPERS c.s.) onrechtmatig heeft gehandeld ten gevolge waarvan CalPERS c.s. het hiervoor genoemde bedrag aan schade hebben geleden, voor welke schade VDM Holding - als moedervennootschap van VDM Specialists - hoofdelijk aansprakelijk is.

3.3. De curatoren voeren verweer, waarop voor zover nodig hierna zal worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. CalPERS heeft haar vordering als volgt toegelicht:

- het onrechtmatig handelen van VDM Specialists bestaat er in, dat zij zich ten nadele van CalPERS c.s. heeft schuldig gemaakt aan “interpositioning” en “front-running” of “trading ahead”;

- de SEC heeft daarnaar onderzoek gedaan, naar aanleiding waarvan VDM Specialists de hiervoor onder 2.5. genoemde schikking heeft getroffen;

- VDM Specialists heeft erkend dat zij haar verplichting om een eerlijke en ordelijke handel te verzorgen, alsmede diverse andere regels, heeft geschonden en dat zij heeft verzuimd om interpositioning door werknemers te voorkomen;

- de SEC heeft in het kader van de schikking op 30 maart 2004 zogenaamde “cease-and-desist orders” uitgevaardigd;

- (voormalige) werknemers van VDM Specialists hebben tegenover de Amerikaanse justitie in het kader van strafrechtelijke procedures over een en ander belastende verklaringen afgelegd en CalPERS beschikt over e-mailcorrespondentie van twee van die werknemers waaruit blijkt dat zij wisten dat zij, dat wil zeggen VDM Specialists, onrechtmatig handelden;

- de rechtbank te New York heeft, “bijvoorbeeld in zijn beslissing van 12 december 2005”, geoordeeld dat VDM Holding hoofdelijk aansprakelijk is voor de door VDM Specialists veroorzaakte schade, en wel omdat zij signalen met betrekking tot de onrechtmatige afwikkeling van orders door VDM Specialists heeft genegeerd;

- de door de Amerikaanse rechter in de class action genomen beslissingen dienen in de onderhavige procedure te worden erkend.

4.2. Het standpunt van CalPERS dat de door de rechtbank te New York in de class action gegeven beslissingen in de onderhavige procedure moeten worden erkend, en dan met name de door haar overgelegde beslissing van 12 december 2005, is naar de rechtbank begrijpt de voornaamste, zo niet enige, onderbouwing van het gestelde onrechtmatig handelen van VDM Holding.

4.2.1. Curatoren hebben blijkens het navolgende terecht aangevoerd dat, zelfs indien de beslissingen van de rechtbank te New York voor erkenning in aanmerking zouden komen, uit die erkenning alleen geen toewijzing van de vordering kan volgen.

4.2.2. CalPERS is van mening dat in het vonnis van 12 december 2005 is beslist “dat van control liability ten aanzien van VDMH [VDM Holding, rb.] sprake is omdat zij signalen met betrekking tot het onrechtmatige afwikkeling van orders door VDM Specialists USA heeft genegeerd”.

Dit standpunt van CalPERS is onjuist.

Met dat vonnis is een door de gedaagden in die procedure ingediende “motion to dismiss”, namelijk een verzoek om de vordering reeds af te wijzen op de grond dat daartoe onvoldoende is gesteld, verworpen met het gevolg dat de procedure kon worden voortgezet.

Een andere beslissing komt in het vonnis niet voor (dus ook niet de door CalPERS bedoelde beslissing) en een oordeel over de juistheid van de in die procedure door CalPERS gestelde feiten (zoals het negeren van signalen) wordt in het vonnis dus niet gegeven.

Hetgeen CalPERS ter comparitie uit dat vonnis heeft geciteerd, namelijk “… it has been properly alledged … that … VDM Holding … ignored red flags concerning the improper trading practices of their respective subsidiaries”, maakt dit niet anders. Deze woorden hebben niet de betekenis dat de rechtbank te New York van oordeel is dat VDM Holding “red flags” heeft genegeerd, zoals CalPERS blijkbaar meent, maar dat met betrekking daartoe door de eisers in die procedure voldoende is gesteld (“alleged”) om door te mogen procederen met de daaruit voortvloeiende afwijzing van de ‘motion to dismiss’ als resultaat.

4.2.3. In het betoog van CalPERS is nog genoemd een in de class action door de rechtbank te New York gewezen vonnis van 14 maart 2009.

In dat vonnis is ten verzoeke van de eisers echter slechts beslist dat de procedure als “class action” kan worden aangemerkt en voortgezet. Over de gegrondheid van de in die procedure aangevoerde stellingen is in dat vonnis geen oordeel gegeven, hetgeen overigens ook niet door CalPERS is gesteld.

4.3. Nu de stelling van CalPERS dat de door de rechtbank te New York gewezen vonnissen voor erkenning in aanmerking komen niet tot het beoogde doel kunnen leiden, resteert de vraag of CalPERS voor het overige voldoende feitelijke stellingen aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd.

4.3.1. Met curatoren is de rechtbank van oordeel dat dat niet het geval is.

4.3.2. Het is aan CalPERS om ter motivering van haar vorderingen, tegenover de betwisting van de curatoren, voldoende concrete feiten aan te dragen die, indien bewezen, het door haar gevorderde kunnen dragen.

Dat heeft zij niet gedaan en het is voor curatoren ook niet mogelijk om behoorlijk inhoudelijk verweer te voeren tegen de slechts in algemene formuleringen vervatte verwijten van CalPERS zoals deze hiervoor onder 4.1. zijn samengevat.

In dat verband is van belang, dat CalPERS niet kan volstaan met een verwijzing naar door haar overgelegde vonnissen van de rechtbank te New York en andere stukken, maar in haar eis dient te stellen welke feiten zij concreet aan haar vordering ten grondslag legt en tot ondersteuning van welke in die eis concreet geformuleerde verwijten de overgelegde bewijsstukken dienen.

De wellicht bij CalPERS levende opvatting dat het overleggen van processtukken uit een andere procedure met de (overigens niet eens door CalPERS gedane) verklaring dat de inhoud daarvan als "hier herhaald en geïnsereerd" heeft te gelden voldoende is om hetgeen in die stukken aan stellingen en feiten is te vinden te beschouwen als aangevoerd in het geding waarin dat overleggen en die verklaring hebben plaatsgevonden, en aldus als mede aan het in dat geding gedane verzoek of gevoerde verweer ten grondslag gelegd, is onjuist. De partij die zulke stellingen en feiten wil inroepen, dient dit op een zodanige wijze te doen dat voor de rechter duidelijk is wat hem als grondslag voor het verzoek of het verweer ter beoordeling wordt voorgelegd, en voor de wederpartij waarop hij zijn verdediging dient af te stemmen.

(zie HR, NJ 1999, 342)

4.4. De slotsom is dan ook, dat noch de in de class action gewezen vonnissen, noch het overige door CalPERS gestelde tot toewijzing van het gevorderde kan leiden, zodat afwijzing moet volgen.

4.5. Het overige verweer van curatoren kan derhalve onbesproken blijven.

4.6. CalPERS zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, tot op heden aan de zijde van de curatoren begroot op € 258,- voor vast recht en € 6.422,- voor salaris advocaat (2 punten x tarief € 3.211,-), derhalve in totaal € 6.680,-. Hierbij wordt tarief € 3.211,- gehanteerd in verband met de hoogte van het bedrag waarvan CalPERS de verificatie heeft gevorderd.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst af het gevorderde,

5.2. veroordeelt CalPERS in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de curatoren begroot op € 6.680,-,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.K. van der Valk Bouman, voorzitter, en

mrs. L.S. Frakes en L. van Berkum, leden van genoemde kamer, en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2012.?