Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW0687

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
03-04-2012
Zaaknummer
13/524234-09 (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf voor mishandeling, ten aanzien van de schuldige die het misdrijf begaat tegen zijn kind, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft. Vrijspraak van doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/524234-09 (PROMIS)

Datum uitspraak: 3 april 2012

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [1980],

wonend op het adres [adres] [woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13 september 2010, 14 september 2010, 28 september 2010 en

20 maart 2012.

Nadat het onderzoek ter terechtzitting op 14 september 2010 is gesloten, heeft de rechtbank op 28 september 2010 bij interlocutoir vonnis het onderzoek ter terechtzitting heropend onder gelijktijdige schorsing daarvan teneinde, door tussenkomst van de rechter-commissaris, een nadere deskundigenrapportage te laten opstellen. Op 20 maart 2012 heeft de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting hervat en vervolgens gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.M. Hoogerheide en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. N.D. 't Zand naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 04 maart 2009 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk zijn kind [kind] (geboren op [2008]) van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet die [kind] (met kracht/hardhandig) beetgepakt en/of vastgehouden en/of vervolgens met kracht geschud en/of een of meermalen met kracht op een matras en/of op/in een bed gegooid en/of geworpen, tengevolge waarvan voornoemde [kind] is overleden;

(art. 287 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van [2008] tot en met 4 maart 2009 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk mishandelend zijn kind, althans een persoon, te weten [kind] (geboren op [2008]), (met kracht/hardhandig) heeft beetgepakt en/of vastgehouden en/of vervolgens met kracht heeft geschud en/of een of meermalen met kracht op een matras en/of op/in een bed heeft gegooid en/of geworpen tengevolge waarvan [kind] is overleden, althans (zwaar) lichamelijk letsel heeft bekomen.

(art. 304 Wetboek van Strafrecht)

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. De waardering van het bewijs

4.1. Inleiding

De rechtbank gaat op grond van de in de voetnoten vermelde wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.i

Op 4 maart 2009 werd [kind] (geboren op [2008], hierna: [kind]), de zoon van verdachte en zijn vriendin [moeder] (hierna: [moeder]) 's ochtends vrolijk wakker. Hij lag te lachen en brabbelen in zijn bedje. [moeder] gaf hem de fles en ging vervolgens naar haar werk. Vanaf dat moment was verdachte samen met [kind] in hun woning te Amsterdam. In de loop van de ochtend, tussen 11.30 en 11.45 uur, werd [moeder] op haar werk door verdachte gebeld. Die vertelde haar dat [kind] verstijfde en rolde met zijn ogen. Ook kwam er bloed uit [kind]'s neus. Verdachte klonk in paniek en was zenuwachtig.ii Verdachte belde vervolgens naar 112 en om 11:56 uur kregen verbalisanten de melding om naar de woning van verdachte te gaan, waar een baby gereanimeerd zou moeten worden. De GGD zou al onderweg zijn. Ter plaatse troffen verbalisanten verdachte, die verward en emotioneel was. Verbalisanten hoorden verdachte meermalen zeggen dat hij meer had moeten doen voor zijn zoon. [kind] werd op dat moment door ambulancepersoneel gereanimeerd. Ze zagen dat [kind] niet bewoog en grauw in zijn gezicht was. Vervolgens werd [kind] met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht.iii Rond 12.30 uur kwam [kind] binnen op de spoedeisende hulp van het Academisch Medisch Centrum (hierna: AMC). Daar bleek dat [kind] al in coma was. In de avond van 4 maart en op 5 maart 2009 werd een EEG (hersenfilm) gemaakt welke geen activiteit liet zien. Op 5 maart 2009 werd bij [kind] de klinische diagnose hersendood vastgesteld.iv Diezelfde dag werd de beademing gestopt en is [kind] overleden.v De schouwarts concludeerde dat sprake was van hersenbloedingen van het type dat past bij letsel van buitenaf (subduraal hematoom). De bloedingen waren van verschillende stadia (oudheid), passend bij geweld over een langere periode. Er waren netvliesbloedingen, passend bij geweld van buitenaf en een botbreuk in de schedel rechts.vi Uit het (voorlopige) sectierapport bleek dat [kind] een bloeduitstorting had onder het harde hersenvlies, bloeduitstortingen in de uiteinden van de oogzenuwen en dat er een vermoedelijke breuk rechts zijwaarts in het schedeldak was. Deze afwijkingen waren bij leven ontstaan en konden worden opgeleverd door de inwerking van uitwendig mechanisch geweld zoals bij hevig heen en weer schudden van het kind in combinatie met impact: de inwerking van hevig uitwendig mechanisch botsend geweld zoals door bijvoorbeeld slaan (met of tegen iets) en vallen kan worden opgeleverd. Het intreden van de dood kon goed worden verklaard door de verwikkelingen ten gevolge van de bloeduitstorting onder het harde hersenvlies, namelijk hersenschade. De sectiebevindingen wezen sterk in de richting van kindermishandeling.vii Op 6 maart 2009 deed [aangever] namens het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) aangifte van zware mishandeling de dood tengevolge hebbend van [kind].viii Op 16 maart 2009 werden verdachte en [moeder] aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de dood van [kind].ix

4.2. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde kan worden bewezen. Verdachte heeft [kind] in de tenlastegelegde periode meermalen mishandeld. Hij heeft bekend dat hij [kind] herhaaldelijk op het ouderlijk bed heeft gegooid en hem in zijn bedje heeft laten vallen. Ook in de ochtend van 4 maart 2009 heeft verdachte [kind] naar eigen zeggen in zijn bedje gegooid. Deze handelingen kunnen als mishandeling worden aangemerkt. Hoewel verdachte op bovengenoemde verklaring is teruggekomen, kan deze volgens de officier van justitie niettemin voor het bewijs worden gebruikt. Deze verklaring wordt immers bevestigd door de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], die beiden gezien hebben dat verdachte [kind] wel eens op het grote bed gooide. Ook [moeder] heeft verklaard dat verdachte [kind] wel eens op het ouderlijk bed en in zijn eigen bedje gegooid heeft en dat hij hem heel hard in zijn wipper heeft geschud. Voorts hebben de kinderen van [moeder] verklaard dat verdachte vaak chagrijnig en boos was en dat hij dan tegen [kind] schreeuwde. Ten slotte past het bij [kind] geconstateerde letsel geheel bij de verklaring van verdachte.

Volgens de officier van justitie kan bewezen worden dat bovengenoemde mishandelingen uiteindelijk geleid hebben tot de dood van [kind]. Uit pathologisch onderzoek is gebleken dat [kind] circa twee weken voor het intreden van de dood een breuk in het schedeldak heeft opgelopen, die geleid heeft tot een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies (subduraal hematoom). Voorts was sprake van een recente bloeduitstorting onder het harde hersenvlies (een re-bloeding), die maximaal circa 36 uren oud was. Volgens de officier van justitie is het voor de bewezenverklaring van mishandeling de dood ten gevolge hebbend niet van belang welk letsel precies de dood veroorzaakt heeft, aangezien het gevolg bij dit delict geobjectiveerd is. Duidelijk is wel dat ofwel het letsel dat die ochtend aan [kind] is toegebracht ofwel het oude letsel dat die ochtend verergerd is, de dood van [kind] tot gevolg heeft gehad. Uit de rapportage van de deskundige, forensisch geneeskundige KNMG/consulent forensische kindergeneeskunde, R.A.C. Bilo (hierna te noemen: dhr. Bilo) kan namelijk opgemaakt worden dat de directe doodsoorzaak een recent toegebracht trauma moet zijn geweest. [kind] veranderde in de ochtend van 4 maart 2009 immers van een normaal functionerend kind in een ernstig afwijkend reagerend kind. Een spontane re-bloeding of een re-bloeding naar aanleiding van een minimaal trauma kan op basis daarvan volgens deze deskundige worden uitgesloten.

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van de onder 1 tenlastegelegde doodslag, omdat niet bewezen kan worden dat verdachte de opzet had om [kind] van het leven te beroven.

4.3. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht verdachte vrij te spreken van zowel het onder 1 als het onder 2 tenlastegelegde. Zij heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte [kind] letsel heeft toegebracht. De bekennende verklaring van verdachte, namelijk dat hij [kind] in zijn bedje heeft gegooid, kan niet voor het bewijs gebruikt worden. Deze verklaring heeft hij afgelegd, nadat hij dagenlang door de politie onder druk was gezet en omdat hij dacht dat de breuk in de schedel van [kind] op 4 maart 2009 was ontstaan. Hij heeft verklaard dat hij daarvoor verantwoordelijk was, zodat [moeder], die ook vast zat op verdenking van betrokkenheid bij de dood van [kind], zou worden vrijgelaten en de kinderen weer bij haar teruggeplaatst konden worden. Verdachte is echter op zijn verklaring teruggekomen. Hij ontkent [kind] te hebben gegooid, noch in zijn bedje noch op het grote bed. Ook heeft hij [kind] niet in zijn wippertje geschud. Weliswaar heeft [moeder] verklaard dat zij dit heeft gezien, maar zij wil zelf niet verantwoordelijk gehouden worden voor het letsel. [moeder] heeft bovendien verklaard dat verdachte [kind] alleen in januari heeft gegooid. In februari zou verdachte volgens haar niet met [kind] gegooid hebben. In die periode was zij ziek thuis. De breuk in de schedel van [kind] is twee weken voor zijn dood ontstaan, dus in februari, precies in de periode dat [moeder] ziek thuis was. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben weliswaar belastend over verdachte verklaard - zij zouden namelijk gezien hebben dat verdachte met [kind] gooide - maar zij weten niet wanneer dit precies geweest is. Bovendien zijn zij geen objectieve getuigen, gelet op hun vriendschap met [moeder]. Mogelijk hebben zij door aldus te verklaren [moeder] willen helpen om haar kinderen terug te krijgen. Ook zijn er aanwijzingen dat getuige [getuige 1] door [moeder] is geïnstrueerd. De verklaring van [moeder] en haar vriendinnen bevestigen dus niet dat verdachte op 4 maart 2009 of twee weken daarvoor met [kind] heeft gegooid.

De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat, zelfs indien bewezen kan worden dat verdachte met [kind] heeft gegooid, niet vast staat dat de breuk in de schedel van [kind] en zijn overlijden daardoor is veroorzaakt. Er waren namelijk verschillende mensen die in contact kwamen met [kind]. Weliswaar was verdachte overdag bij [kind], maar [moeder] was in de weekenden, in de avonden en tijdens haar ziektedagen bij [kind]. Ook werd [kind] vaak opgepakt door de andere kinderen in het gezin. Zij zouden [kind] per ongeluk kunnen hebben laten vallen of hem ergens tegenaan hebben kunnen stoten. Voorts pasten [getuige 2], [getuige 1] en de moeder van verdachte ook wel eens op [kind].

Volgens de raadsvrouw spreken de medische verklaringen van de deskundigen met betrekking tot het letsel van [kind] elkaar tegen. Geconstateerd is dat [kind] een re-bloeding in een ouder subduraal hematoom heeft gehad. Een dergelijke bloeding kan volgens de deskundige mevr. dr. B. Kubat, (NFI-) arts en (neuro)patholoog (hierna te noemen: dr. Kubat; de rechtbank voegt toe: die de hersenen van [kind] heeft onderzocht), echter ook spontaan optreden en hoeft dus niet het gevolg te zijn van enig handelen van verdachte. De blauwe plekken, die eerst zes uur na aankomst in het ziekenhuis zichtbaar werden, kunnen zijn ontstaan tijdens de reanimatie van [kind], tijdens het vervoer naar het ziekenhuis of in het ziekenhuis. De conclusie van NFI-arts/patholoog dr. V. Soerdjbalie-Maikoe (hierna: dr. Soerdjbali) dat de longontsteking een verwikkeling is van de hersenbreuk, kan geen stand houden. Het is namelijk mogelijk dat [kind] al voor de breuk een longontsteking had. De heer Bilo stelt dat het fatale trauma op 4 maart 2009 moet zijn opgetreden. Hij vermeldt echter niet wat dat trauma precies is geweest. Volgens hem moet op die dag een zodanig ernstige hersenbeschadiging zijn opgetreden dat [kind] aan de gevolgen daarvan is overleden. Volgens dr. B. Kubat zijn er echter geen aanwijzingen voor een recente ernstige hersenbeschadiging. Op basis van de medische rapportages kan niet uitgesloten worden dat epilepsie de oorzaak is van de bevindingen bij [kind]. Ook een stollingsstoornis kan als oorzaak niet worden uitgesloten.

4.4. Het oordeel van de rechtbank

Het letsel van [kind]

Toen [kind] op 4 maart 2009 rond 12.30 uur het ziekenhuis werd binnengebracht was hij comateus, ernstig onderkoeld en had wijde lichtstijve pupillen. De CT-scan liet een schedelbreuk van het os pariëtale (wandbeen) rechts zien en beiderzijds een subdurale (hersen)bloeding met verschillende densiteiten passend bij bloeding van verschillende stadia. Er was op het moment van binnenkomst geen zichtbaar letsel dat op dat moment deed denken aan toegebracht letsel. Wel werd bij [kind] een rode verkleuring van de huid gezien onder de linkerkaak van twee tot drie centimeter doorsnede met kleine bloedinkjes onder de kaak en een rode verkleuring van twee centimeter doorsnede onder ribbenboog rechts op de borstkas. De oogarts constateerde uitgebreide retina (netvlies)bloedingen. De MRI-scan van de hersenen liet beiderzijds een subduraal (hersen)hygroom (vochtcollectie) zien met tevens een recente subdurale (hersen)bloeding beiderzijds en een schedelbreuk rechts pariëtaal (wandbeen). Er was tevens sprake van een cytotoxisch oedeem (hersenzwelling) ter plaatse van de grote hersenen beiderzijds en ter plaatse van de kleine hersenen beiderzijds. Dit beeld past bij doorgemaakt zuurstoftekort van het brein. Ongeveer zes uur na binnenkomst in het ziekenhuis verschenen er blauwe plekken op het voorhoofd van [kind]. In de avond en op 5 maart werd een EEG (hersenfilm) gemaakt welke geen activiteit liet zien.x

Uit het rapport van pathologisch onderzoek d.d. 24 september 2009 van dr. Soerdjbaliexi, het rapport van dr. B. Kubat d.d. 19 september 2009xii en het aanvullend bericht van dr. Soerdjbalie d.d. 17 februari 2010xiii blijkt dat bij [kind] sprake was van een schedelfactuur rechts en van een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies (een subduraal hematoom). Het subduraal hematoom was ontstaan als gevolg van de geweldsinwerking die de schedelbreuk heeft veroorzaakt. De schedelbreuk was één tot twee weken oud. Bij neuropathologisch onderzoek werd het subduraal hematoom gedateerd op twee tot vier weken oud. De combinatie van deze bevindingen duidt erop dat [kind] deze letsels circa twee weken voor het intreden van de dood heeft opgelopen. Deze letsels zijn ontstaan door inwerking van heftig uitwendig mechanisch botsend geweld. Tevens was bij [kind] sprake van een recente bloeduitstorting onder het harde hersenvlies (een re-bloeding). De ouderdom van deze re-bloeding werd geschat op maximaal circa 36 uur. Dr. Kubat heeft ter terechtzitting van 13 september 2009 bevestigd dat bij [kind] sprake was van een recente re-bloeding in het oude subduraal hematoom. Een dergelijke re-bloeding kan volgens haar niet alleen door een ernstig trauma optreden, maar ook spontaan of na een gering trauma.xiv Zij heeft geen aanwijzingen gevonden voor recente (primaire) traumatische axonale beschadiging van de hersenen. Wel waren er tekenen voor een (secundaire) hypoxische beschadiging kort voor en/of in het kader van het proces van overlijden. Verder had [kind] bloeduitstortingen in de uiteinden van de oogzenuwen beiderzijds en zeer uitgebreide bloeduitstortingen in de netvliezen en in het oogwit. In deze bloedingen werd ijzer aangetoond, erop duidend dat deze enkele dagen bestonden. Deze letsels zijn bij leven ontstaan door inwerking van heftig uitwendig mechanisch botsend geweld, zoals door vallen of slaan kan worden opgeleverd, al dan niet in combinatie met een schudbeweging in het kader van deze impact. In het gezicht van [kind] waren meerdere rode en blauwpaarse vlekkige huidverkleuringen van onderhuidse bloeduitstortingen. Uit wonddateringsonderzoek blijkt dat dit beeld kan passen bij een letsel van bijvoorbeeld één dag oud. Naast het riempje van de bovenlip en in het slijmvlies van de onderlip bevonden zich eveneens bloeduitstortingen. Ook deze letsels zijn bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch botsend geweld. Deze hebben echter geen rol van betekenis gespeeld bij het intreden van de dood. Het intreden van de dood wordt verklaard door hersenfunctiestoornissen, opgelopen ten gevolge van inwerking van heftig uitwendig mechanisch botsend geweld op het hoofd, met als verwikkelingen daarvan longontsteking en bloedvergiftiging.

Forensisch geneeskundige dhr. Bilo concludeert in zijn rapport van 26 februari 2010 dat bij [kind] zowel recente als oudere afwijkingen zijn aangetroffen, die een ernstig vermoeden van een niet-accidenteel trauma op basis van menselijk handelen rechtvaardigen. Het letsel dat geleid heeft tot de klinische noodsituatie op 4 maart 2009 is volgens hem ontstaan na het laatste moment dat [kind] nog normaal functionerend is gezien en kort voordat [kind] in een klinische noodsituatie geraakte. Het recent ontstane letsel is dus verantwoordelijk voor het ontstaan van de klinische noodsituatie en daarmee het overlijden. Het is uitgesloten dat een re-bloeding zonder trauma of door een gering trauma verantwoordelijk is geweest voor de acute ernstige verslechtering van de klinische situatie van [kind] op 4 maart 2009. Gezien de verslechtering van de toestand van [kind] op 4 maart 2009 moet sprake zijn geweest van een zodanig trauma, dat niet alleen een nieuwe bloeding in de oude subdurale bloeding is ontstaan, maar ook een zodanig ernstige hersenbeschadiging dat [kind] aan de gevolgen daarvan is overleden.xv

Bij de schriftelijke beantwoording op 10 december 2010 door dhr. Bilo van de nadere vragen , die de rechtbank in het interlocutoir vonnis d.d. 28 september 2010 heeft geformuleerd, heeft de deskundige nader verduidelijkt dat het feit dat [kind] in de loop van de ochtend van 4 maart 2009 veranderd is van een normaal functionerend kind in een ernstig afwijkend reagerend kind, maakt dat die dag een acute verandering moet zijn opgetreden. Omdat een dergelijke verandering niet kan worden verklaard op basis van een spontane re-bloeding of een re-bloeding op basis van gering trauma, is het volgens Bilo uitgesloten dat een spontane re-bloeding zonder trauma of een re-bloeding op basis van een relatief gering trauma verantwoordelijk is geweest voor de klinische noodsituatie van [kind]. Bij een acute verslechtering van de situatie is een ernstig trauma zeer waarschijnlijk. Een spontane re-bloeding of een re-bloeding op basis van minimaal trauma verloopt vrijwel altijd zonder symptomen of met minimale klachten. Deze leveren ook geen nieuwe hersenschade op. Als bij re-bloeding sprake is van ernstige neurologische symptomen, pleit dit tegen spontane re-bloeding of re-bloeding op basis van minimaal trauma. De klinische noodsituatie van [kind] is niet veroorzaakt door re-bloeding, maar door een incident dat de re-bloeding veroorzaakt heeft. Dit incident heeft een cascade van lichamelijk reacties in gang gezet. Eén hiervan was de nieuwe bloeding. Indien kinderen met vergelijkbare afwijkingen als bij [kind] overlijden, is het overlijden het gevolg van de verwikkelingen van hersenbeschadiging die hetzij optreedt als primaire beschadiging door incident zelf hetzij als secundaire beschadiging. Bij [kind] is op 4 maart 2008 in het ziekenhuis via een CT- en een MRI-scan vastgesteld dat sprake was van cytotoxisch oedeem ter plaatse van de kleine hersenen en beide hersenhelften. Dit past bij zuurstofgebrek. Ook bleek dat hij uitgebreide afwijkingen had die passen bij ernstige hersenbeschadiging. De bevindingen van Kubat (hypoxische beschadiging) bevestigen de bevindingen van dit CT-MRI-onderzoek. Zij heeft geen aanwijzingen gevonden voor traumatische axonale beschadiging (primaire beschadiging), maar wel voor recente beschadiging van hersenweefsel door zuurstofgebrek (hypoxische beschadiging).xvi

Ter terechtzitting van 20 maart 2012 heeft dhr. Bilo zijn bevindingen nader toegelicht. Bij die gelegenheid heeft hij bevestigd dat een re-bloeding zonder trauma of als gevolg van een gering trauma in het geval van [kind] uitgesloten moet worden. Bij kinderen bij wie een nieuwe bloeding sprake is van ernstige klinische verschijnselen zoals bij [kind], is een recent ernstig trauma namelijk zeer waarschijnlijk. Naast de subdurale re-bloeding is bij [kind] secundaire hersenschade geconstateerd als gevolg van een zuurstoftekort. Tevens zijn bij hem netvliesbloedingen en letsel in het gelaat geconstateerd. Dergelijk letsel past bij een recent contacttrauma. Er is geen enkele wetenschappelijk onderbouwde aanwijzing dat in het geval van een spontane re-bloeding of een re-bloeding als gevolg van een gering trauma tevens netvliesbloedingen kunnen ontstaan. De hersenfunctiestoornissen die geleid hebben tot het overlijden van [kind] zijn dus ontstaan kort voordat de klinische noodsituatie zich voordeed. De bij [kind] geconstateerde recente schade kan immers niet bestaan bij een kind dat normaal functioneert, zoals [kind] de ochtend voor zijn overlijden nog heeft gedaan. Hij heeft toen namelijk nog gebrabbeld, gedronken en was vrolijk. De breuk en het subduraal hematoom die twee weken voor zijn overlijden zijn ontstaan, kunnen de hersenfunctiestoornissen die tot de dood van [kind] hebben geleid niet hebben veroorzaakt. De kans dat een kind met hersenschade, zoals dat bij [kind] is geconstateerd, twee weken normaal functioneert en pas daarna als gevolg daarvan overlijdt, is op grond van Amerikaans wetenschappelijk forensisch neuropathologisch onderzoek zeer klein. Er moet dus op de ochtend van zijn overlijden nog een incident hebben plaatsgevonden. De bloeding onder de schedelhuid, de netvliesbloedingen in zijn ogen en de blauwe plekken in zijn gezicht wijst dhr. Bilo aan als mogelijke zichtbare gevolgen van het recent door [kind] opgelopen trauma.xvii

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundige Bilo over en maakt deze tot de hare. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de medische verklaringen van de deskundigen met betrekking tot het letsel van [kind] onderling niet tegenstrijdig zijn. Weliswaar stelt dr. Kubat dat een re-bloeding niet alleen door een ernstig trauma kan optreden, maar ook spontaan of na een gering trauma, en sluit dhr. Bilo een spontane re-bloeding of een re-bloeding na een gering trauma in het geval van [kind] uit, maar de rechtbank begrijpt het zo dat een re-bloeding in het algemeen ook spontaan of na een gering trauma kan optreden, maar dat dit in het geval van [kind], vanwege de omslag in zijn gedrag onmiddellijk voor het ontstaan van de klinische noodsituatie, uitgesloten moet worden. Dr. Kubat heeft haar bevindingen uitsluitend gebaseerd op het door haar verrichte hersenonderzoek en dhr. Bilo heeft bij zijn oordeel ook de gedragsverandering van [kind] op 4 maart 2009 en het overige bij [kind] geconstateerde letsel betrokken.

Het mishandelen door verdachte

Tijdens zijn zesde en zevende verhoor heeft verdachte verklaard dat hij [kind], toen deze rond 10.30 uur huilend wakker werd, niet rustig kreeg en hem uiteindelijk in zijn bedje heeft gegooid. Toen verdachte hem hierna oppakte, kreeg [kind] een aanval waarbij hij hysterisch huilde, verstijfde, met zijn ogen draaide en zijn lippen blauw werden. Verdachte heeft verklaard dat hij twintig minuten bezig is geweest om [kind] rustig te krijgen en dat hij het toen met hem "had gehad". Hij was boos en geïrriteerd en dacht: "hou toch je kop" en "zoek het dan maar uit". Hierop gooide hij [kind] in zijn bedje. Verdachte heeft omschreven dat hij [kind] met beide handen vasthield, naar het bedje toe liep en [kind] erin "smeet". Verdachte heeft voorts verklaard dat hij [kind] vaker in zijn bedje gooide, maar nog nooit zo hard als deze keer.xviii

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat bovengenoemde verklaring van verdachte niet voor het bewijs gebruikt kan worden, aangezien verdachte op deze verklaring is teruggekomen. De rechtbank volgt de raadsvrouw hierin niet.

De verklaring van verdachte wordt bevestigd door de verklaringen van [moeder] en de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Zo heeft [moeder] verklaard dat verdachte er niet tegen kon als [kind] 's morgens huilend wakker werd. Hij schreeuwde dan tegen [kind] dat hij normaal moest doen en af ten toe, als hij bleef huilen, smeet hij hem in zijn bedje. Ook gooide verdachte [kind] wel eens op het grote bed. [moeder] heeft gezien dat [kind] door verdachte zowel op het grote bed als in zijn eigen bedje is gegooid.xix Verdachte heeft volgens [moeder] ongeveer vijf keer met [kind] gegooid.xx Twee keer gooide hij hem op het grote bed, twee keer in zijn eigen bedje en een keer gooide hij hem in zijn wipper.xxi Getuige [getuige 1] heeft twee keer gezien dat verdachte, als hij geïrriteerd was en het hem niet lukte om [kind] te laten stoppen met huilen, [kind] vanaf een behoorlijke hoogte op het grote bed liet vallen.xxii Getuige [getuige 2] heeft één keer gezien dat verdachte [kind] op het grote bed gooide.xxiii Bovengenoemde verklaringen komen er op neer dat verdachte bij meerdere gelegenheden met [kind] heeft gegooid, al dan niet in zijn bedje. Dat maakt zijn verklaring dat hij [kind] hard in zijn bedje heeft gesmeten plausibel en mitsdien bruikbaar voor het bewijs. Volgens de rapportages van dhr. Bilo en zijn ter terechtzitting afgelegde verklaring moet [kind] het fatale letsel hebben opgelopen na het laatste moment dat [kind] nog normaal gefunctioneerd heeft en kort voordat hij in een klinische noodsituatie geraakte. Omdat [kind] op 4 maart 2009, toen [moeder] naar haar werk vertrok, nog normaal functioneerde en zijn verslechterde toestand pas intrad op het moment dat verdachte alleen thuis was met [kind], kan het niet anders dan dat hij verantwoordelijk is voor het fatale letsel dat [kind] die dag heeft opgelopen. Dit bevestigt de door verdachte afgelegde verklaring.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte [kind] op 4 maart 2009 met kracht in zijn bedje heeft gegooid. Gelet op het daardoor opgetreden letsel moet dit als mishandeling worden gekwalificeerd. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij een baby van omstreeks vijf maanden oud de schedel nog niet volgroeid en uitgehard is en dat als gevolg daarvan het hoofd bijzonder kwetsbaar is. Een baby dient dus met de grootst mogelijke voorzichtigheid te worden behandeld om letsel te voorkomen. Door [kind] met kracht in zijn bedje te gooien heeft verdachte welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [kind] hiermee letsel zou toebrengen.

Causaal verband tussen de mishandeling en de dood

De beantwoording van de vraag of er een causaal verband bestaat tussen de bewezen geachte mishandeling door verdachte en de dood van [kind], dient te geschieden aan de hand van de maatstaf van de redelijke toerekening. Zodoende dient beoordeeld te worden of de dood van [kind] redelijkerwijs als gevolg van de door verdachte gepleegde mishandeling kan worden toegerekend. Niet vereist is dat zijn dood uitsluitend het gevolg is geweest van de mishandeling en evenmin is vereist dat andere oorzaken volledig kunnen worden uitgesloten.

Toepassing van bovengenoemde maatstaf dient tot de conclusie te leiden dat sprake is van een causaal verband tussen het feit dat verdachte [kind] op 4 maart 2009 hard in zijn bedje heeft gegooid en de dood van [kind]. Zoals blijkt uit de bevindingen van dhr. Bilo is het letsel dat geleid heeft tot de klinische noodsituatie van [kind] immers ontstaan na het laatste moment dat [kind] nog normaal functioneerde. In de loop van de ochtend van 4 maart 2009, nadat [moeder] de woning had verlaten en verdachte daar alleen met [kind] was achtergebleven, is [kind] veranderd van een normaal functionerend kind in een ernstig afwijkend reagerend kind. Omdat een dergelijke verandering kan niet worden verklaard op basis van een spontane re-bloeding of een re-bloeding op basis van gering trauma, moet een ernstig trauma hiervoor verantwoordelijk zijn geweest. Nu niet gebleken is dat [kind] die ochtend een ander, niet door verdachte veroorzaakt, ernstig trauma is overkomen, kan het niet anders dan dat de klinische noodsituatie, en daarmee de dood van [kind], het gevolg is geweest van de door verdachte gepleegde mishandeling. Dat de schedelbreuk en het subduraal hematoom die [kind] ongeveer twee weken daarvoor had opgelopen, mogelijk heeft bijgedragen aan de ernst van de situatie op 4 maart 2009, staat aan de voor de bewezenverklaring, hiervoor bedoelde, toerekening niet in de weg. Daarvoor is immers niet vereist dat de dood van [kind] uitsluitend het gevolg is geweest van de door verdachte op 4 maart 2009 gepleegde mishandeling.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat de klinische noodsituatie van [kind] ontstaan kan zijn door een longontsteking. Uit het rapport van pathologisch onderzoek en de ter terechtzitting afgelegde verklaring van dhr. Bilo blijkt namelijk dat de bij [kind] geconstateerde longontsteking een verwikkeling is geweest van de hersenfunctiestoornissen die hij heeft opgelopen door het hem op 4 maart 2009 toegebrachte trauma. Op grond hiervan moet worden uitgesloten dat [kind] al aan een longontsteking leed voordat zijn klinische noodsituatie intrad. De rechtbank verwerpt eveneens het verweer van de raadsvrouw dat de klinische noodsituatie van [kind] ontstaan kan zijn door epilepsie. Een epileptische aanval biedt volgens dhr. Bilo namelijk geen enkele verklaring voor de bloeding onder de schedelhuid, de netvliesbloedingen in zijn ogen en de blauwe plekken in zijn gezicht, die de deskundige aanwijst als de mogelijke zichtbare gevolgen van het recent door [kind] opgelopen trauma. Een stollingsstoornis kan om deze reden ook worden uitgesloten als oorzaak van de klinische noodsituatie. Bovendien blijkt uit de verklaring van dr. Kubat dat er bij [kind] geen afwijking is gevonden die enige relatie heeft met de ingetreden noodsituatie.

5. Vrijspraak

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dan niet bewezen kan worden dat verdachte door [kind] in zijn bedje te gooien opzet, al dan niet in voorwaardelijk vorm, had om hem van het leven te beroven. Verdachte zal derhalve worden vrijgesproken van de onder 1 tenlastegelegde doodslag.

6. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen het onder 2 tenlastegelegde bewezen, met dien verstande dat hij op 4 maart 2009 te Amsterdam opzettelijk mishandelend zijn kind, te weten [kind] (geboren op [2008]), met kracht in een bed heeft gegooid, tengevolge waarvan [kind] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

7. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9. De motivering van de straf

9.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar onder 2 bewezen geachte feit en ter zake van het door haar bewezen geachte in de zaak met parketnummer 13/415193-09, welke zaak ter terechtzitting gelijktijdig met de onderhavige zaak is behandeld, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest.

Omdat de officier van justitie er destijds vanuit is gegaan dat bovengenoemde zaak gevoegd zou worden bij de onderhavige, heeft zij voor beide zaken tezamen één straf gevorderd. Verdachte is evenwel in laatstgenoemde zaak op 28 september 2010 door de rechtbank afzonderlijk veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

9.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft, subsidiair, de rechtbank verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

9.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft door zijn ruim vijf maanden oude zoon [kind] hard in zijn bedje te gooien zeer onvoorzichtig en onverantwoordelijk gehandeld en daarmee een onaanvaardbaar groot risico genomen voor wat betreft de gevolgen van zijn handelen. Verdachte had zich dienen te beheersen. ook al huilde [kind] en kreeg verdachte hem maar niet rustig. Als gevolg van deze in boosheid en uit irritatie door verdachte verrichte handeling is [kind] overleden.

Verdachte is aldus ernstig te kort geschoten in de verplichtingen en verantwoordelijkheden die hij als vader voor zijn kind op zich had genomen. [kind] was op het fatale moment aangewezen op de hulp en de verzorging van verdachte. Op het moment het hem te veel was geworden, had hij hulp kunnen inroepen. Dit heeft verdachte niet gedaan. Door zijn onbeheerste handelen heeft verdachte zijn hulpeloze en weerloze kind het meest elementaire recht, te weten het recht op leven, ontnomen. Voorts heeft verdachte een immens verdriet veroorzaakt voor [kind]s moeder en de naaste familie en heeft zijn daad in de samenleving reacties van verbijstering en afschuw opgeroepen. Gelet hierop kan alleen een vrijheidsbenemende straf in aanmerking komen, ook al heeft verdachte de dood van zijn kind nooit gewild.

De rechtbank heeft kennis genomen van de Pro Justitiarapportage d.d. 8 februari 2010 betreffende verdachte. De conclusie van dit rapport luidt, kort samen gevat, dat bij verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde sprake was van een ziekelijke stoornis in de vorm van een aanpassingsstoornis met angstige en depressieve kenmerken (in reactie op zijn illegaliteit en relationele problematiek) en van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke en vermijdende kenmerken, welke zijn gedragingen beïnvloedde. Verdachte bevond zich door zijn illegale status en zijn gehechtheid aan de kinderen in een positie van sterke afhankelijkheid ten opzichte van zijn partner, waarbij de situatie gaandeweg steeds uitzichtlozer werd door de verslechterde communicatie en de steeds hoger oplopende irritaties. Als gevolg hiervan had verdachte steeds minder greep op zijn gedrag en kon hij de (opvoedings)situatie steeds minder goed aan. Verdachte kan op grond hiervan dan ook als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd voor het bewezen verklaarde. De rechtbank kan zich met bovenstaande conclusie verengingen en neemt deze dan ook over.

In het voordeel van verdachte laat de rechtbank meewegen dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Voorts laat de rechtbank meewegen dat in deze zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Deze overschrijding behoort naar het oordeel van de rechtbank tot een strafvermindering te leiden.

Gelet op bovengenoemde omstandigheden alsmede het feit dat verdachte - weliswaar door zijn eigen toedoen - zijn zoontje heeft verloren en verder zal moeten leven met de wetenschap dat hij verantwoordelijk is voor de dood van zijn eigen kind, bestaat aanleiding om verdachte een kortere vrijheidsstraf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

11. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Mishandeling, ten aanzien van de schuldige die het misdrijf begaat tegen zijn kind, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. W.M. van den Bergh en B.C. Langendoen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.R. Starreveld, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 april 2012.

i Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

ii Een proces-verbaal van bevindingen van het verhoor van [moeder] in het AMC, (pag. 008 t/m 012).

iii Een proces-verbaal van bevindingen (pag. 1 t/m 2).

iv Geschriften, zijnde de beantwoording van vragen door dr. [kinderarts], kinderarts, d.d. 18 maart 2009 (pag. 522) en een ontslagbrief van het AMC d.d. 14 mei 2009, opgesteld door [medewerker AMC 1] en dr. [medewerker AMC 2] (pag. 820).

v Een proces-verbaal van bevindingen (pag. 13 t/m 14).

vi (voorlopig) verslag betreffende een niet-natuurlijke dood van [persoon] d.d. 5 maart 2009 (pag. 015).

vii Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 6 maart 2009, nummer 2009.03.06.051, opgemaakt door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts-patholoog.

viii Een proces-verbaal van aangifte (pag. 161 t/m 168).

ix Proces-verbaal van aanhouding (pag. 209 t/m 211).

x Geschriften, zijnde de beantwoording van vragen door dr. [kinderarts], kinderarts, d.d. 18 maart 2009 (pag. 522) en een ontslagbrief van het AMC d.d. 14 mei 2009, opgesteld door [medewerker AMC 1] en dr. [medewerker AMC 2] (pag. 820).

xi Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 24 september 2009, nummer 2009.03.06.051, opgemaakt door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts-patholoog.

xii Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 19 september 2009, nummer 2009.03.06.051, opgemaakt door dr. B. Kubat, patholoog.

xiii Een aanvullend bericht van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 17 februari 2010, nummer 2009.03.06.051, opgemaakt door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts-patholoog.

xiv De verklaring die de deskundige dr. B. Kubat, patholoog, ter terechtzitting van 13 september 2010 heeft afgelegd, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die terechtzitting.

xv Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 26 februari 2010, nummer 2009.03.06.051.001, opgemaakt door R.A.C. Bilo, forensisch geneeskundige KNMG/consulent forensische kindergeneeskunde.

xvi Een geschrift, zijnde de beantwoording van aanvullende vragen door R.A.C. Bilo d.d. 10 december 2010.

xvii De verklaring die de deskundige R.A.C. Bilo, forensisch geneeskundige, ter terechtzitting van 20 maart 2012 heeft afgelegd, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die terechtzitting.

xviii Een proces-verbaal van 6e verhoor van verdachte (pag. 435 t/m 441) en een proces-verbaal van 7e van verhoor verdachte (pag. 448 t/m 459).

xix Een proces-verbaal van 6e verhoor van [moeder] (pag. 388 t/m 395).

xx Een proces-verbaal van 7e verhoor van [moeder] (pag. 524 t/m 532) en een proces-verbaal van verhoor van getuige van 21 augustus 2009 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de verklaring van [moeder].

xxi Een proces-verbaal van 8e verhoor van [moeder] (pag. 534 t/m 539).

xxii Een proces-verbaal van verhoor van getuige van 25 augustus 2009 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de verklaring van [getuige 1].

xxiii Een proces-verbaal van verhoor van getuige van 16 maart 2010 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de verklaring van [getuige 2].