Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW0634

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-03-2012
Datum publicatie
03-04-2012
Zaaknummer
13-999009-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schipper valt aan boord van visserskotter tijdens de wacht in slaap en mist op korte afstand een boorplatform. Aan de schipper worden drie feiten verweten, namelijk: de poging tot vernieling van het boorplatform (in de opzet- en schuldvariant), overtreding van een aantal voorschriften van het Verdrag inzake de Internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972 en overtreding van artikel 43, tweede lid, Mijnbouwwet. De officier van justitie concludeert tot bewezenverklaring van de drie feiten en eist een werkstraf voor de duur van 180 uren, een geldboete van € 2.000,- twee geldboetes van € 500,- en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. De politierechter is van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging van het eerste feit, omdat dit feit valt onder de rechtsmacht van de Nederlandse strafwet. De politierechter spreekt verdachte vrij van poging tot vernieling van het boorplatform wegens ontbreken van opzet. Ook vrijspraak van de poging tot vernieling van het boorplatform door aanmerkelijk onachtzaam koers uit te zetten, nu dat geen opzetdelict is en voor een strafbare poging wel opzet is vereist. De politierechter ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ten aanzien van het tweede feit, omdat het genoemde verdrag volgens het Besluit voor toepassing van de Internationale bepalingen op deze situatie - waarbij sprake is van het varen buiten de Nederlandse territoriale wateren met een schip onder Duitse vlag dat in Duitsland is geregistreerd - niet van toepassing is. Wel veroordeling voor overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 43, tweede lid, van de Mijnbouwwet. De politierechter legt een geldboete op van € 1.000,-..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

POLITIERECHTER AMSTERDAM

Parketnummer: 13/999009-10

Datum uitspraak: 26 maart 2012

op tegenspraak

VONNIS

van de politierechter Amsterdam, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1955],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] [woonplaats].

De politierechter heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 maart 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. H.P. Dankmeijer en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. J.A. Hoekstra, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij, op of omstreeks 22 februari 2010, op de Noordzee, op het Nederlands gedeelte van het Continentaal Plat, in of nabij de positie 52.21.35 NB 03.20.31 OL, ter uitvoering van zijn voornemen om, met een (vissers)schip, de SC 45, genaamd [schip], een in genoemde positie zich bevindende installatie ter zee, genaamd P11-B-De Ruyter (toebehorende aan Petro-Canada Netherlands B.V.), opzettelijk te vernielen en/of te beschadigen, als schipper en/of roerganger van dat (vissers)schip, opzettelijk een koers heeft uitgezet en/of met dat (vissers)schip een koers heeft gevolgd en/of gevaren, welke (nagenoeg) recht over die installatie ter zee liep en/of recht op, in elk geval in de richting van die installatie ter zee is gevaren en/of bij nadering van die installatie ter zee die koers niet heeft gewijzigd en/of (met dat schip) niet is uitgeweken en/of die installatie ter zee op een te korte, in elk geval zeer korte afstand is gepasseerd, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die installatie ter zee en/of levensgevaar voor de (16) perso(o)n(en), die zich op die installatie ter zee bevond(en) te duchten was;

Subsidiair:

hij, op of omstreeks 22 februari 2010, op de Noordzee, op het Nederlands gedeelte van het Continentaal Plat, in of nabij de positie 52.21.35 NB 03.20.31 OL, ter uitvoering van zijn voornemen om, met een (vissers)schip, de SC 45, genaamd [schip], een in genoemde positie zich bevindende installatie ter zee, genaamd P11-B-De Ruyter, te vernielen en/of te beschadigen, als schipper en/of roerganger van dat (vissers)schip, hoogst, in elk geval aanmerkelijk onachtzaam en/of onoplettend en/of onvoorzichtig een koers heeft uitgezet en/of met dat (vissers) schip een koers heeft gevolgd en/of gevaren, welke (nagenoeg) recht over die installatie ter zee liep en/of (tijdens zijn wacht en/of het navigeren van dat (vissers)schip) in slaap is gevallen en/of is gaan slapen en/of (vervolgens) met dat (vissers)schip recht op, in elk geval in de richting van die installatie ter zee is gevaren en/of die installatie ter zee op een te korte, in elk geval zeer korte afstand is gepasseerd, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die installatie ter zee en/of levensgevaar voor de (16) perso(o)n(en), die zich op die installatie ter zee bevond(en) te duchten was, waardoor het aan zijn, verdachtes, schuld te wijten is dat het/de hierboven genoemde geva(a)r(en) ten aanzien van die installatie ter zee en/of perso(o)n(en) te duchten was;

meer subsidiair:

hij, op of omstreeks 22 februari 2010, op de Noordzee, op het Nederlands gedeelte van het Continentaal Plat, in of nabij de positie 52.21.35 NB 03.20.31 OL, ter uitvoering van zijn voornemen om, met een (vissers)schip, de SC 45, genaamd [schip], een in genoemde positie zich bevindende installatie ter zee, genaamd P11-B-De Ruyter, geheel of ten dele toebehorende aan Petro-Canada Netherlands B.V., in elk geval aan een ander dan aan hem, verdachte, opzettelijk en wederrechtelijk te vernielen en/of te beschadigen en/of onbruikbaar te maken en/of onklaar te maken, opzettelijk met dat (vissers)schip met een snelheid van ongeveer 8 knopen, in elk geval met een (gezien de koers en de positie van dat schip te) hoge snelheid (nagenoeg) recht op, in elk geval in de richting van die installatie ter zee is gevaren en/of een koers heeft gevolg welke nagenoeg recht over die installatie ter zee liep en/of bij (zeer dichte) nadering van die installatie ter zee die koers niet heeft gewijzigd;

2.

hij, op of omstreeks 22 februari 2010, op de Noordzee, buiten de Nederlandse territoriale wateren, in volle zee, te weten op het Nederlands gedeelte van het Continentaal Plat, in of nabij de positie 52.21.35 NB 03.20.31 OL, als schipper van het onder Duitse vlag varende zeegaande (vissers)schip SC 45, genaamd [schip], met dat (vissers)schip aldaar heeft gevaren en toen

-niet alle voorzorgsmaatregel die volgens het gewone zeemansgebruik en/of door de bijzondere omstandigheden waarin het schip zich bevond, geboden waren, heeft genomen en/of

-niet te allen tijde goede uitkijk heeft gehouden door te kijken en te luisteren alsook door gebruik te maken van alle beschikbare middelen die in de heersende omstandigheden en toestanden passend waren ten einde een volledige beoordeling van de situatie en van het gevaar voor aanvaring te kunnen maken en/of

-niet te allen tijde een veilige vaart heeft aangehouden zodat juiste en doeltreffende maatregelen genomen konden worden ter vermijding van aanvaring en kon worden gestopt binnen een voor de heersende omstandigheden en toestanden passende afstand en/of -niet alle beschikbare middelen heeft gebruikt, passend in de heersende omstandigheden en toestanden, om te bepalen of er gevaar voor aanvaring bestond en/of

-geen juist gebruik heeft gemaakt van radarapparatuur, indien aangebracht en goed werkend, met inbegrip van waarnemingen over grote afstand ten einde een vroegtijdige waarschuwing te verkrijgen van het gevaar voor aanvaring en met inbegrip van plotten of een gelijkwaardige stelselmatige waarneming van ontdekte voorwerpen, immers heeft hij, verdachte, met dat (vissers)schip, aldaar gevaren terwijl hij de radaralarmeringen en/of het wachtalarm niet had ingeschakeld en/of had uitgedaan en/of (tijdens zijn wacht en/of het navigeren van dat (vissers)schip) in slaap was gevallen en/of met dat (vissers)schip met een snelheid van ongeveer 8 knopen, in elk geval met een (gezien de koers en de positie van dat schip te) hoge snelheid (nagenoeg) recht op, in elk geval in de richting van in of nabij genoemde positie gelegen installatie ter zee is gevaren en/of een koers heeft gevolg welke nagenoeg recht over die installatie ter zee liep en/of bij (zeer dichte) nadering van die installatie ter zee die koers niet heeft gewijzigd;

3.

hij, op of omstreeks 22 februari 2010, op de Noordzee, buiten de Nederlandse territoriale wateren, te weten op het Nederlands gedeelte van het Continentaal Plat, in of nabij de positie 52.21.35 NB 03.20.31 OL, als schipper van het onder Duitse vlag varende (vissers)schip SC 45, genaamd [schip], met dat (vissers)schip aldaar heeft gevaren en toen zich zonder ontheffing van Onze Minister (van Economische zaken) heeft bevonden binnen een krachtens artikel 43 1e lid van de Mijnbouwwet vastgestelde veiligheidszone rond een mijnbouwinstallatie genaamd P11-B-De Ruyter, staande in of nabij (genoemde) positie 52.21.35 NB 03.20.31 OL, anders dan ten behoeve van het verrichten van een verkenningsonderzoek, of het op grond van een vergunning opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte, of het opslaan van stoffen, immers bevond hij, verdachte, zich toen aldaar op een afstand van ongeveer 20 meter van genoemde mijnbouwinstallatie, in elk geval binnen de in artikel 43, 1e lid van de Mijnbouwwet genoemde afstand;

2. Voorvragen

2.1 Ontvankelijkheid van de officier van justitie

2.1.1 Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in zijn vervolging van feit 1 (primair, subsidiair en meer subsidiair). Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat dit feit niet valt onder de rechtsmacht van de Nederlandse strafwet, omdat verdachte buiten de Nederlandse territoriale wateren voer op een visserskotter onder Duitse vlag (welke visserskotter in Duitsland is geregistreerd).

2.1.2 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft met verwijzing naar de toepasselijke wetsbepalingen betoogd dat de Nederlandse strafwet wel op verdachte van toepassing is en dat derhalve sprake is van rechtsmacht.

2.1.3 Beoordeling

Verdachte wordt onder feit 1 in essentie in verschillende varianten verweten dat hij heeft geprobeerd om het boorplatform P11-B-De Ruyter (hierna: het boorplatform) te vernielen of te beschadigen. Het boorplatform is gelegen buiten de Nederlandse territoriale zee, maar op het Nederlandse gedeelte van het continentaal plat. Het boorplatform is derhalve aan te merken als een installatie ter zee zoals bedoeld in de Wet installaties Noordzee (hierna: WIN), te weten een installatie die is opgericht buiten de territoriale wateren op de bodem van het deel van de Noordzee waarvan de grenzen samenvallen met die van het aan Nederland toekomende gedeelte van het continentale plat. Op grond van artikel 2 van de WIN is de Nederlandse strafwet toepasselijk op een ieder die zich op of met betrekking tot een installatie ter zee aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Voor toepassing van deze wet is derhalve niet relevant dat buiten de Nederlandse territoriale zee wordt gevaren, noch onder welke vlag. Nu aan verdachte in essentie de poging tot vernieling of beschadiging van het boorplatform ten laste is gelegd, is sprake van een ten laste gelegd strafbaar feit met betrekking tot een installatie ter zee. Feit 1 valt derhalve onder de rechtsmacht van de Nederlandse strafwet. Voor wat betreft feit 1 meer subsidiair vloeit rechtsmacht overigens tevens voort uit artikel 4 onder 8 sub b van het Wetboek van Strafrecht (Sr), waarin staat vermeld dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is op een ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een misdrijf als - onder meer - omschreven in artikel 352 Sr begaan tegen een installatie ter zee, wanneer verdachte zich in Nederland bevindt. De politierechter verwerpt op grond van het voorgaande het verweer van de raadsman. De officier van justitie is ontvankelijk in zijn vervolging.

2.2. Overige voorvragen

De politierechter heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ook overigens ontvankelijk is in de strafvervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vrijspraak ten aanzien van feit 1

3.1. Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd wegens het ontbreken van het aldaar omschreven opzet (al dan niet in voorwaardelijke zin).

3.2. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde.

3.3. Beoordeling

Verdachte heeft op 22 februari 2010 rond 02.00 uur bij het uitvaren met de SC 45 genaamd [schip]s (hierna: de visserskotter) de koers uitgezet naar de plaats van bestemming. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een lijnrechte koers heeft uitgezet naar de plaats van bestemming en dat hij de koers zou bijsturen op het moment dat uit de apparatuur aan boord of anderszins zou blijken dat zich obstakels op de uitgezette koers bevonden. Een medebemanningslid heeft verdachte na een uur of twee afgelost en verdachte is vervolgens gaan slapen. Verdachte heeft anderhalf uur later de wacht hervat. Daarbij heeft verdachte het wachtalarm uitgeschakeld, zoals hij altijd deed als hij op de brug stond. Verdachte wist dat er op de koers boortorens en boeien liggen. De apparatuur aan boord van de visserskotter werkte naar behoren. Verdachte is vervolgens voor de duur van bijna 3 uur in slaap gevallen achter het roer van de visserskotter. De visserskotter heeft gedurende die periode het boorplatform op enig moment op een afstand van ca 20 meter gepasseerd. Verdachte heeft gedurende de tijd dat hij sliep niet gehoord dat hij door een ander schip en het boorplatform werd aangeroepen.

Uit de hiervoor beschreven handelingen kan niet volgen dat verdachte het volle opzet heeft gehad om het boorplatform te vernielen of te beschadigen. Evenmin bestaat voldoende reden om aan te nemen dat verdachte daarop het voorwaardelijk opzet heeft gehad, in die zin dat hij bewust de aanmerkelijke kans op een aanvaring met alle gevolgen van dien heeft aanvaard en op de koop toe heeft genomen. Immers bij een dergelijke aanvaring lopen niet alleen alle aanwezigen op het boorplatform levensgevaar, maar ook verdachte en de overige bemanningsleden van zijn schip. Dat verdachte die gevolgen zou hebben aanvaard en op de koop toe zou hebben genomen, is niet aannemelijk. Verdachte dient van het onder 1 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Subsidiair is aan verdachte kort gezegd een poging tot vernieling van het boorplatform als schulddelict ten laste gelegd. Voor bewezenverklaring van een strafbare poging is nodig dat sprake is van opzet. Een poging van een schulddelict – bij afwezigheid van opzet - is feitelijk en juridisch niet mogelijk, zodat verdachte ook van dit feit dient te worden vrijgesproken.

Meer subsidiair is kort gezegd - weer - in een andere variant poging tot opzettelijke vernieling van het boorplatform ten laste gelegd. Hetgeen de politierechter hiervoor heeft overwogen ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, geldt mutatis mutandis ook voor het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde, zodat verdachte ook daarvan dient te worden vrijgesproken.

4 Het bewijs

De politierechter grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden zoals in de bewijsmiddelen vervat.

5. Bewezenverklaring ten aanzien van feit 2 en 3

De politierechter acht wettig bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 2:

op 22 februari 2010, op de Noordzee, buiten de Nederlandse territoriale wateren, in volle zee, te weten op het Nederlands gedeelte van het Continentaal Plat, in of nabij de positie 52.21.35 NB 03.20.31 OL, als schipper van het onder Duitse vlag varende zeegaande vissersschip SC 45, genaamd [schip], met dat vissersschip aldaar heeft gevaren en toen

- niet alle voorzorgsmaatregelen die volgens het gewone zeemansgebruik en/of door de bijzondere omstandigheden waarin het schip zich bevond, geboden waren, heeft genomen en

- niet te allen tijde goede uitkijk heeft gehouden door te kijken en te luisteren alsook door gebruik te maken van alle beschikbare middelen die in de heersende omstandigheden en toestanden passend waren ten einde een volledige beoordeling van de situatie en van het gevaar voor aanvaring te kunnen maken en

- niet te allen tijde een veilige vaart heeft aangehouden zodat juiste en doeltreffende maatregelen genomen konden worden ter vermijding van aanvaring en kon worden gestopt binnen een voor de heersende omstandigheden en toestanden passende afstand en

- niet alle beschikbare middelen heeft gebruikt, passend in de heersende omstandigheden en toestanden, om te bepalen of er gevaar voor aanvaring bestond en

- geen juist gebruik heeft gemaakt van radarapparatuur, met inbegrip van waarnemingen over grote afstand ten einde een vroegtijdige waarschuwing te verkrijgen van het gevaar voor aanvaring en met inbegrip van plotten of een gelijkwaardige stelselmatige waarneming van ontdekte voorwerpen, immers heeft hij, verdachte, met dat vissersschip, aldaar gevaren terwijl hij het wachtalarm niet had ingeschakeld en had uitgedaan en tijdens zijn wacht in slaap was gevallen en met dat vissersschip met een, gezien de koers en de positie van dat schip, te hoge snelheid in de richting van en nabij genoemde positie gelegen installatie ter zee is gevaren en een koers heeft gevolgd welke nagenoeg recht over die installatie ter zee liep en bij zeer dichte nadering van die installatie ter zee die koers niet heeft gewijzigd;

ten aanzien van feit 3:

op 22 februari 2010, op de Noordzee, buiten de Nederlandse territoriale wateren, te weten op het Nederlands gedeelte van het Continentaal Plat, in of nabij de positie 52.21.35 NB 03.20.31 OL, als schipper van het onder Duitse vlag varende vissersschip SC 45, genaamd [schip], met dat vissersschip aldaar heeft gevaren en toen zich zonder ontheffing van Onze Minister van Economische zaken heeft bevonden binnen een krachtens artikel 43 1e lid van de Mijnbouwwet vastgestelde veiligheidszone rond een mijnbouwinstallatie genaamd P11-B-De Ruyter, staande in of nabij genoemde positie 52.21.35 NB 03.20.31 OL, anders dan ten behoeve van het verrichten van een verkenningsonderzoek, of het op grond van een vergunning opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte, of het opslaan van stoffen, immers bevond hij, verdachte, zich toen aldaar op een afstand van ongeveer 20 meter van genoemde mijnbouwinstallatie.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van feit 2

Verdachte wordt bij feit 2 verweten de overtreding van een aantal voorschriften van Verdrag inzake de Internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972 (hierna: Internationale bepalingen). Aan dat verwijt is artikel 20 van de Scheepvaartverkeerswet ten grondslag gelegd. Artikel 20 van de Scheepvaartverkeerswet bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur, ter uitvoering van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties voor zover die het Koninkrijk binden, regels kunnen worden gesteld met betrekking tot het deelnemen aan het scheepvaartverkeer door Nederlandse zeeschepen. Die regels zijn gesteld door het Besluit toepassingverklaring Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972 (hierna: het Besluit). Artikel 1 van het Besluit bepaalt onder meer in welke gevallen de voor Nederland van kracht zijnde Internationale bepalingen van toepassing zijn, te weten op:

a. alle schepen die in Nederland zijn geregistreerd of die gerechtigd zijn de Nederlandse vlag te voeren, met uitzondering van schepen die het recht daartoe ontlenen aan de regels die in de Nederlandse Antillen of in Aruba terzake gelden:

1°. in volle zee;

2°. in de Nederlandse territoriale zee waaronder begrepen de wateren zeewaarts van de in artikel 4 vastgestelde lijn;

3°. op alle niet-Nederlandse wateren die met de volle zee in verbinding staan en bevaarbaar zijn voor zeegaande schepen;

b. alle andere schepen in de Nederlandse territoriale zee waaronder begrepen de wateren zeewaarts van de in artikel 4 vastgestelde lijn.

In artikel 5 van het besluit wordt overtreding van die Internationale bepalingen aangemerkt als een strafbaar feit.

In het onderhavige geval voer verdachte op een schip onder Duitse vlag dat in Duitsland is geregistreerd. Verdachte voer dus niet op een in Nederland geregistreerd schip of op een schip dat gerechtigd is de Nederlandse vlag te voeren (sub a van het Besluit). Evenmin voer verdachte in de Nederlandse territoriale zee op het moment waarop het aan hem gemaakte verwijt betrekking heeft (sub b van het Besluit). Derhalve is niet voldaan aan de voorwaarden die artikel 1 van het Besluit (juncto artikel 20 van de Scheepvaartverkeerswet) voor toepassing van de Internationale bepalingen vereist. Nu het Besluit – en daarmee de Internationale bepalingen - niet op verdachte van toepassing zijn, is het bewezen verklaarde onder 2 niet strafbaar.

7. De strafbaarheid van feit 3 en verdachte

Het bewezen geachte feit onder 3 is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Er is ten aanzien van dat feit evenmin een omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is voor dat feit dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem onder 1 primair bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen. Tevens heeft hij ter zake van dit feit gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een geldboete van € 2.000,-. De officier van justitie heeft voorts ter zake van het door hem onder 2 bewezen geachte een geldboete van € 500,- gevorderd, bij niet betaling te vervangen door 10 dagen hechtenis. Tot slot heeft hij ter zake van het onder 3 bewezen geachte een geldboete van € 500,- gevorderd, bij niet betaling eveneens te vervangen door 10 dagen hechtenis.

De raadsman heeft zich voor wat betreft de strafoplegging gerefereerd aan het oordeel van de politierechter, met dien verstande dat hij ter terechtzitting heeft gesteld dat in een vergelijkbaar geval van een andere verdachte door het Openbaar Ministerie een transactie van € 3.000,-- is aangeboden.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de vaststelling van de hoogte daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte is aan boord van de visserskotter waarvoor hij de verantwoordelijkheid droeg tijdens zijn wacht in slaap gevallen voor de duur van bijna 3 uur. Verdachte heeft het wachtalarm bewust uitgezet, omdat hij vond dat hij de waarschuwingen die daarvan uitgaan niet nodig had. De visserskotter heeft het boorplatform daardoor spreekwoordelijk op een haar na gemist. Verdachte heeft zich bijzonder onvoorzichtig gedragen. Doordat de visserskotter recht op het boorplatform afvoer en de aanwezigen op dat boorplatform geen contact met verdachte of zijn medebemanning konden krijgen, is de productie op het boorplatform stil gelegd (een zogenaamde ‘shutdown’) conform de op het boorplatform geldende veiligheidheidsvoorschriften. Daardoor heeft de exploitant van het boorplatform economische schade geleden. De aanwezigen op het boorplatform hebben bovendien de schrik van hun leven gehad. Verdachte wordt weliswaar van feit 1 vrijgesproken en ten aanzien van feit 2 ontslagen van alle rechtsvervolging, maar dat doet er niet aan af dat de hierboven beschreven omstandigheden bij de strafmaat een rol spelen.

Aan de andere kant slaat de politierechter acht op het feit dat verdachte reeds jarenlang werkzaam is als schipper en beschikt over een onberispelijke staat van dienst. In dat perspectief bezien – mede gelet op de veiligheidsmaatregelen die verdachte en zijn werkgever als gevolg van deze feiten hebben getroffen – ziet de politierechter dit voorval als een eenmalig ongelukkig incident. Voorts houdt de politierechter rekening met het feit dat de bewezen geachte feiten meer dan twee jaar geleden hebben plaats gevonden.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 43 en 133 van de Mijnbouwwet.

De politierechter komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.

Verklaart het bewezene onder 2 niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging terzake daarvan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 3:

overtreding van een voorschift gesteld bij artikel 43, tweede lid, van de Mijnbouwwet

Verklaart het bewezene onder 3 strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 1.000,-- (duizend euro), bij gebreke van betaling te vervangen door hechtenis voor de tijd van 20 dagen.

Bepaalt dat de geldboete in 10 tweemaandelijkse termijnen van elk € 100,-- (honderd euro) mag worden voldaan.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B. van Berge Henegouwen, politierechter,

in tegenwoordigheid van mr. H. Leeuwenkamp, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze politierechter van 26 maart 2012.