Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW0089

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
27-03-2012
Zaaknummer
Parketnummer: 13.706.723-2011 RK nummer: 11/5395
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EAB vervolging, toevoeging stukken die zien op een medeverdachte in België die waarvoor tevens de overlevering is verzocht, leiden niet tot uitbreiding van de strafbare feiten waarvoor de overlevering in de onderhavige zaak wordt toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.706.723-2011

RK nummer: 11/5395

Datum uitspraak: 13 maart 2012

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 18 augustus 2011 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op

4 augustus 2011 door de justitiële autoriteit, de Onderzoeksrechter te Gent (België). Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] op [1982],

niet ingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie maar wel woonachtig op het adres [adres] te [woonplaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 oktober 2011. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. B.G.J. de Rooij, advocaat te Helmond, gehoord.

Bij interlocutoire uitspraak heeft de rechtbank de zaak heropend en geschorst omdat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 van de OLW abusievelijk niet aan de orde was gekomen en alsnog diende te worden behandeld.

De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting van 28 februari 2012. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. R.K.W. van den Boom, advocaat te Helmond, die waarneemt voor mr. B.G.J. de Rooij.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, van de OLW uitspraak zou moeten doen voor onbepaalde tijd verlengd. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat voornoemde termijn in verband met de schorsing is overschreden.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

Zoals reeds is vastgesteld door de rechtbank in haar interlocutoire uitspraak van 25 oktober 2011 ligt aan het EAB een bevel tot aanhouding bij verstek, uitgevaardigd op 4 augustus 2011 door de Onderzoeksrechter in de rechtbank in eerste aanleg te Gent, ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul¬dig heeft gemaakt aan een naar het recht van België strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

4. Beoordeling van de strafbaarheid van de feiten en de terugkeergarantie

De rechtbank verwijst voor de beoordeling van de strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd, alsmede voor de beoordeling van de terugkeergarantie naar rechtsoverweging 4 en 5 van het tussenvonnis van 25 oktober 2011, welke overwegingen als hier ingelast moeten worden beschouwd.

Door de officier van justitie is aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat de Belgische justitiële autoriteiten niet alleen voor een drugsdelict de overlevering van de opgeëiste persoon verzoeken, maar ook voor diefstal met braak van elektriciteit. Dit staat in het EAB onder e), C Aard en wettelijke kwalificatie van de strafbare feiten. Ook dit is op de zitting van 11 oktober 2011 niet aan de orde gekomen. Om die reden zijn thans stukken die zien op de zaak van een medeverdachte in de Belgische strafzaak, [medeverdachte], overgelegd. De omschrijving van de feiten in het EAB betreffende de opgeëiste persoon is gelijkluidend aan het EAB betreffende [medeverdachte]. In de zaak van [medeverdachte] zijn echter vragen aan de Belgische justitiële autoriteiten gesteld en uit de (overgelegde) beantwoording daarvan blijkt dat zij ook de overlevering verzoeken voor het onrechtmatig aftappen van elektriciteit op de distributiekast ter ondersteuning van de plantage. Gelet hierop dient in de onderhavige zaak óók de overlevering voor diefstal met braak van elektriciteit te worden toegestaan.

De raadsman heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de omschrijving in het EAB onder e) blijkt het volgende.

Het EAB heeft betrekking op één strafbaar feit, inhoudende dat de opgeëiste persoon er in België van wordt verdacht dat hij betrokken is als opdrachtgever van een cannabisplantage van 1000 planten die op 28 juli 2011 is aangetroffen op het adres [adres] te [plaats]. Vervolgens verstrekken de Belgische justitiële autoriteiten gegevens inzake de verdenking, waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon hierbij betrokken is.

Onder “Aard en wettelijke kwalificatie van het strafbare feit/de strafbare feiten en toepasselijke wettelijke bepaling/wetboek:” staat onder C vermeld: inbreuk op de artikelen (…) en 487 S.W. (diefstal met braak van elektriciteit) te [plaats] in de periode van 01.06.2011 tot en met 26.07.2011.

Vervolgens hebben de Belgische justitiële autoriteiten onder e) I het lijstfeit “illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen” aangekruist.

Onder e) II hebben zij niets vermeld.

Aan de hand van deze gegevens heeft de rechtbank in haar interlocutoire vonnis van 25 oktober 2011 geoordeeld dat de overlevering wordt gevraagd ter zake van één feit dat onder het lijstfeit “illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen” valt.

De rechtbank ziet in hetgeen de officier van justitie heeft betoogd geen aanleiding om de overlevering thans tevens toe te staan voor de diefstal van elektriciteit. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

De rechtbank heeft het strafbare feit bij interlocutoire uitspraak aan de hand van de feitsomschrijving in het EAB beoordeeld. Uit deze feitsomschrijving kon niet worden afgeleid dat de opgeëiste persoon in België ook van de diefstal van elektriciteit wordt verdacht.

Uit de omstandigheid dat de Belgische justitiële autoriteiten in de zaak van [medeverdachte] desgevraagd expliciet hebben aangegeven dat deze van diefstal van elektriciteit wordt verdacht, kan - ondanks dat [medeverdachte] in de Belgische zaak een medeverdachte van de opgeëiste persoon is - niet zonder meer de gevolgtrekking worden gemaakt dat dit ook voor de opgeëiste persoon het geval is. De rechtbank kan haar oordeel in de onderhavige zaak dan ook niet gronden op informatie uit een andere, separaat gevoerde, overleveringszaak.

De rechtbank ziet in de door de officier van justitie met betrekking tot [medeverdachte] ingebrachte nieuwe stukken dan ook geen aanleiding om te oordelen dat het EAB van de opgeëiste persoon mede ziet op diefstal van elektriciteit en handhaaft haar eerdere beslissing bij interlocutoire uitspraak.

5. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 van de OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op een strafbaar feit dat mogelijk gedeeltelijk op Nederlands grondgebied is gepleegd. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor dit feit.

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de omschrijving van de feiten geen aanleiding geeft om er vanuit te gaan dat de feiten (deels) in Nederland zouden zijn gepleegd. Subsidiair heeft hij echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, van de OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

1) de vervolging is in België aangevangen;

2) de cannabisplantage bevond zich in België;

3) het slachtoffer van de diefstal bevond zich in België;

4) de medeverdachte [medeverdachte] is ter zake van dezelfde feiten reeds aan België overgeleverd.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Belgische autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, van de OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten onder 1, 2 en 4, is de rechtbank van oordeel dat hij in redelijkheid tot zijn vordering heeft kunnen komen.

6. Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7. Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en 2, 5, 6, 7 en 13 van de OLW.

8. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Onderzoeksrechter te Gent ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. W.H. van Benthem, voorzit¬ter,

mrs. N.J. Koene en R.J.L. van Bokhoven, rech¬ters,

in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, grif¬fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 13 maart 2012.

De jongste rechter is buiten staat deze

uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

A