Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BV9845

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-02-2012
Datum publicatie
23-03-2012
Zaaknummer
470013 - HA ZA 10-3008
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In een eerdere procedure tussen partijen heeft gedaagde in conventie in eigen naam als lasthebber van derden schadevergoeding gevorderd van de erven. De erven zijn in die eerdere procedure bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis veroordeeld tot betaling van een aantal bedragen aan gedaagde in conventie (en voorts tot schadevergoeding op te maken bij staat). De erven hebben ter uitvoering van dit vonnis betalingen gedaan aan gedaagde in conventie. In hoger beroep is voormeld vonnis echter vernietigd, waardoor de erven een deel van het uit hoofde van dat vonnis betaalde bedrag onverschuldigd hebben betaald. In deze procedure vorderen de erven terugbetaling van gedaagde in conventie op grond van onverschuldigde betaling. Gedaagde in conventie voert aan dat de erven bij de lastgevers moeten zijn. De vordering van de erven wordt toegewezen. Gedaagde in conventie heeft als bevoegd vertegenwoordiger in eigen naam voor rekening van de lastgevers ontvangen, zodat de vordering uit onverschuldigde betaling tegen gedaagde in conventie moet worden ingesteld. Het doet niet terzake of de betaling uiteindelijk in het vermogen van de lastgevers is gevloeid.

Gedaagde in conventie vordert in reconventie vereffening van de schade die volgens het arrest in de eerdere procedure bij staat moet worden opgemaakt en heeft daartoe bij eis in reconventie een schadestaat overgelegd. Het overleggen van een schadestaat bij eis in reconventie kan in een procedure op tegenspraak gelijk worden gesteld met betekening van de schadestaat ex artikel 613 lid 1 Rv. De zaak wordt verwezen naar de rechtbank die ingevolge artikel 613 lid 2 Rv bevoegd is kennis te nemen van de vordering in de schadestaatprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 470013 / HA ZA 10-3008

Vonnis van 29 februari 2012

in de zaak van

de gezamenlijke erfgenamen van [eiser],

woonplaats kiezende in [plaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. S. Gadellaa,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VASTGOED HOLLAND BEHEER B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J. Oskam.

Partijen zullen hierna de erven en VHB genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 10 september 2010 met producties 1 tot en met 25;

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie van 15 december 2010 met één productie;

- het tussenvonnis van 12 januari 2011 waarin een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 14 maart 2011, en de daarin genoemde conclusie van antwoord in reconventie met producties 26 tot en met 29.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De erven zijn de erfgenamen van de heer [eiser] (hierna: [eiser]), die op 26 oktober 1998 is overleden. Mevrouw [A] (hierna: [A]) heeft de nalatenschap zuiver aanvaard. De andere erfgenamen, [B], [C] en [D] (hierna: de kinderen [eiser]) hebben de nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard.

2.2. [eiser] was van begin 1991 tot medio 1995 commissaris bij Projectontwikkelingsmaatschappij Hiram B.V. (hierna: Hiram). Vanaf 1991 tot 22 september 1997 was [eiser] tevens accountant-administratieconsulent van Hiram en haar (klein)dochtervennootschappen, te weten Brajo B.V., Testers B.V., Amlo B.V., Alco Invest B.V., Selbehcon B.V. en Testers de Meulemeester B.V.

Hiram en haar (klein)dochtermaatschappen zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als: de vennootschappen.

2.3. In 1998 heeft een juridische fusie plaatsgevonden tussen Hiram als verkrijgende vennootschap en Testers B.V., Amlo B.V. en Selbehcon B.V. als verdwijnende vennootschappen.

2.4. VHB heeft in 1999 op eigen naam als lasthebber van Hiram, Brajo B.V., Alco Invest B.V. en Tester de Meulemeester B.V. (hierna: de lastgevers) een procedure tegen de erven geëntameerd bij de rechtbank Utrecht. VHB heeft in die procedure een verklaring voor recht gevorderd dat de erven hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens de vennootschappen terzake een dertiental handelingen van [eiser] en voorts gevorderd de erven te veroordelen om terzake aan VHB als lasthebber van de lastgevers schadevergoeding te betalen, nader op te maken bij staat.

2.5. De rechtbank Utrecht heeft bij vonnis van 20 december 2000 (hierna: het vonnis):

(i) voor recht verklaard dat de erven hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens de lastgevers voor de door de vennootschappen geleden, in overweging 4.6, 4.22 en 4.24 van het vonnis bedoelde schade;

(ii) de erven veroordeeld tot vergoeding aan VHB, als lasthebber van de lastgevers, van de door de vennootschappen geleden, in overweging 4.6, 4.22 en 4.24 van het vonnis bedoelde schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

(iii) de erven veroordeeld om aan VHB, als lasthebber van Hiram, te betalen een bedrag van fl. 77.422,- (€ 35.132,57);

(iv) de erven hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van VHB begroot op fl. 2.199,37 (€ 998,03);

(v) de veroordelingen vermeld onder (ii), (iii) en (iv) uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

(vi) het meer of anders gevorderde afgewezen.

2.6. De erven hebben ter voldoening aan het vonnis in december 2000 (naar de rechtbank begrijpt) een bedrag van fl. 79.621,37 (€ 36.130,60) aan VHB betaald.

2.7. De erven zijn van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij eindarrest van 4 mei 2010 (hierna: het arrest) in het principaal appel het vonnis vernietigd en heeft - voor zover hier van belang - opnieuw recht doende:

(i) voor recht verklaard dat [A] jegens de lastgevers aansprakelijk is voor de door de vennootschappen geleden schade, als bedoeld in overweging 4.6 en 4.22 van het vonnis;

(ii) [A] veroordeeld tot vergoeding van de onder (i) bedoelde schade aan VHB, als lasthebber van de lastgevers, nader op te maken bij staat;

(iii) [A] veroordeeld om aan VHB, als lasthebber van Hiram, te betalen een bedrag van € 15.445,31;

(iv) voor recht verklaard dat de kinderen [eiser] (uitsluitend) met de goederen van de nalatenschap jegens de lastgevers aansprakelijk zijn voor de door de vennootschappen geleden schade, als bedoeld in overweging 4.6 en 4.22 van het vonnis, nader op te maken bij staat, en jegens VHB, als lasthebber van Hiram voor het hiervoor onder (iii) vermelde bedrag van € 15.445,31;

(v) de erven hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 433,78 aan VHB wegens door VHB voorgeschoten kosten van het deskundigenbericht;

(vi) de proceskosten in eerste aanleg en in het principaal appel gecompenseerd;

(vii) het meer of anders gevorderde afgewezen.

Voorts heeft het gerechtshof Amsterdam het incidenteel appel verworpen en VHB veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel. Het gerechtshof heeft het arrest ten aanzien van alle daarin vermelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.8. Het arrest is in kracht van gewijsde gegaan.

3. Het geschil

in conventie

3.1. De erven vorderen, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. veroordeling van VHB tot betaling van € 20.878,73, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf de dag der voldoening door de erven (december 2000);

II. een verklaring voor recht dat de erven gezamenlijk en ieder afzonderlijk niets verschuldigd zijn aan VHB voortvloeiend uit mogelijke werkzaamheden die zijn verricht door [eiser];

III. veroordeling van VHB tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.158,- en de proceskosten.

3.2. VHB voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3. VHB vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeling van de erven tot betaling van € 78.812,55 en € 18.713,-, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 december 2010, alsmede de proceskosten.

3.4. De erven voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. De erven vorderen terugbetaling van hetgeen zij ter voldoening aan het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis (zie hiervoor onder 2.5) aan VHB als lasthebber van Hiram hebben voldaan, voor zover dat het bedrag te boven gaat waartoe zij in het arrest (zie hiervoor onder 2.7) zijn veroordeeld. De erven voeren daartoe aan dat door vernietiging van het vonnis de rechtsgrond is komen te ontvallen aan de betaling, voor zover zij meer hebben betaald dan waartoe zij ingevolge het arrest gehouden waren.

4.2. VHB voert aan dat de erven niet in hun vordering jegens VHB kunnen worden ontvangen aangezien VHB als lasthebber van Hiram (c.q. de lastgevers) is opgetreden en VHB het ontvangen bedrag aan Hiram heeft doorbetaald.

4.3. Dit verweer van VHB faalt. VHB miskent dat zij de procedure die is uitgemond in het arrest in eigen naam als lasthebber (dus als middellijk vertegenwoordiger) van de lastgevers heeft gevoerd. Zulks blijkt uit de door VHB in die procedure overgelegde lastgeving van 14 juli 1999, waarin is vermeld dat de lastgevers aan VHB last geven om op eigen naam juridische procedures te entameren teneinde aansprakelijkheid van [eiser] respectievelijk diens erfgenamen vast te doen stellen en de schade te verhalen welke is geleden door de vennootschappen.

De erven zijn dan ook in het vonnis veroordeeld tot betaling aan VHB, als lasthebber van Hiram (de materiële procespartij). De erven dienden ter voldoening aan dit vonnis te betalen aan VHB, hetgeen zij ook hebben gedaan.

Het gerechtshof Amsterdam heeft, na gegrondbevinding van een aantal grieven van de erven, geoordeeld dat een deel van de in eerste aanleg toegewezen vorderingen van VHB alsnog moet worden afgewezen. Het hof heeft om praktische redenen het vonnis geheel vernietigd en opnieuw recht gedaan zoals vermeld in 2.7. Daarmee staat vast dat de erven een deel van het bedrag dat zij ter voldoening aan het vonnis hebben betaald (namelijk voor zover dit het bedrag van de veroordeling door het hof te boven gaat) onverschuldigd hebben betaald.

Er is dus sprake van een onverschuldigde betaling aan een bevoegde vertegenwoordiger die in eigen naam maar voor rekening van de principaal ontving. De vordering uit onverschuldigde betaling moet in dat geval worden ingesteld tegen de vertegenwoordiger (zie Parl.Gesch NBW 6, TK 1975-1976, 7729, MvA, p. 190). Het doet niet terzake in wiens vermogen de betaling uiteindelijk is gevloeid.

De rechtbank overweegt dat de erven de onderhavige vordering ook reeds in hoger beroep in de eerdere procedure hadden kunnen instellen (HR 9 september 2005, LJN AT4039), zodat niet valt in te zien dat zij deze vordering niet alsnog in deze procedure kunnen instellen tegen VHB (in hoedanigheid van lasthebber van de lastgevers) als hun processuele wederpartij in de eerdere procedure.

4.4. De erven hebben ter voldoening aan het vonnis een bedrag van € 36.130,60 aan VHB als lasthebber van Hiram betaald, terwijl zij op grond van het arrest gehouden waren een bedrag van € 15.879,09 te voldoen. Derhalve hebben de erven (anders dan zij in par. 22 van de dagvaarding becijferen) een bedrag van € 20.251,51 onverschuldigd betaald.

4.5. De vordering tot betaling van de wettelijke handelsrente ex art. 6:119a BW is niet toewijsbaar omdat de vordering niet is gebaseerd op een handelsovereenkomst maar op onverschuldigde betaling. De rechtbank zal de wettelijke rente ex art. 6:119 BW toewijzen vanaf de datum van voldoening aan het vonnis (HR 19 mei 2000, LJN AA5863).

De erven hebben onbetwist gesteld dat zij in december 2000 aan het vonnis hebben voldaan. Nu zij de exacte datum niet hebben gespecificeerd, zal de rechtbank ervan uit gaan dat zij op 31 december 2000 hebben betaald. De wettelijke rente zal dan ook vanaf die datum worden toegewezen.

4.6. De erven hebben verder nog gesteld dat de ten behoeve van de eerdere procedure gelegde beslagen zijn komen te vervallen en dat VHB het depot dient terug te betalen. De erven hebben echter geen daartoe strekkende vordering ingesteld zodat de rechtbank aan de stellingen op dit punt voorbij gaat.

4.7. De erven vorderen verder een verklaring voor recht dat zij gezamenlijk en ieder afzonderlijk niets meer verschuldigd zijn aan VHB (als lasthebber van de lastgevers) voortvloeiend uit mogelijke werkzaamheden die zijn verricht door [eiser]. De rechtbank zal deze vordering afwijzen. Het gerechtshof Amsterdam heeft [A] immers veroordeeld tot vergoeding van de (in overweging 4.6 en 4.22 van het vonnis bedoelde) schade aan VHB, als lasthebber van de lastgevers, nader op te maken bij staat, en heeft voor recht verklaard dat de kinderen [eiser] met de goederen van de nalatenschap aansprakelijk zijn voor bedoelde schade, nader op te maken bij staat. Gelet op hetgeen hierna in reconventie wordt overwogen, kan nu niet worden vastgesteld dat de erven niets meer verschuldigd zijn aan VHB als lasthebber van de lastgevers.

4.8. De erven vorderen voorts buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering zal, mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voor-Werk II, worden afgewezen. De erven hebben immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten, waarvan de erven vergoeding vorderen, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

4.9. VHB zal als de in conventie in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van de erven worden begroot op:

- dagvaarding € 87,93

- betaald griffierecht € 485,-

- salaris advocaat € 1.158,-

Totaal € 1.730,93

in reconventie

4.10. VHB vordert in reconventie (naar de rechtbank begrijpt) vereffening van de schade die volgens het dictum van het arrest nader bij staat moet worden opgemaakt. VHB heeft daartoe bij eis in reconventie een schadestaat overgelegd.

4.11. De rechtbank overweegt dat het gerechtshof Amsterdam de zaak wat betreft de schade als bedoeld in overweging 4.6 en 4.22 van het vonnis heeft verwezen naar de schadestaatprocedure. De rechtbank is van oordeel dat het overleggen van een schadestaat bij eis in reconventie in een procedure op tegenspraak gelijk kan worden gesteld met betekening van de schadestaat als bedoeld in artikel 613 lid 1 Rv.

Ingevolge artikel 613 lid 2 Rv is de rechter die in eerste aanleg over de hoofdzaak heeft geoordeeld bevoegd om van de vordering in de schadestaatprocedure kennis te nemen. Deze bevoegdheidsbepaling hangt samen met het karakter van de schadestaatprocedure als ‘tenuitvoerlegging’ van de veroordeling in de hoofdprocedure; het betreft dan ook een uitsluitende bevoegdheid uit hoofde van het onderwerp van het geschil. In dit geval is de rechtbank Utrecht bevoegd om van de vordering in reconventie kennis te nemen. Deze rechtbank zal zich onbevoegd verklaren en de zaak in reconventie in de stand waarin deze zich bevindt verwijzen naar de rechtbank Utrecht. VHB dient de erven bij exploit op te roepen en de zaak aldaar aanhangig te maken (vgl. artikel 74 Rv).

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. veroordeelt VHB, als lasthebber van de lastgevers, tot betaling van € 20.251,51, te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW vanaf 31 december 2000 tot aan de dag der algehele voldoening door VHB;

5.2. veroordeelt VHB in de proceskosten, aan de zijde van de erven tot op heden begroot op € 1.730,93;

5.3. verklaart de veroordelingen onder 5.1. en 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

in reconventie

5.5. verklaart zich onbevoegd om van de vordering kennis te nemen;

5.6. verwijst de zaak in de stand waarin deze zich thans bevindt naar de rechtbank te Utrecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.M. James-Pater en in het openbaar uitgesproken op 29 februari 2012.?