Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BV9770

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-03-2012
Datum publicatie
23-03-2012
Zaaknummer
13/532022-09 (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Faillissementsfraude en valsheid in geschrift medegepleegd door bestuurder van de vennootschap en zijn adviseurs, onder wie verdachte. Valse pandrechtconstructie, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers van de vennootschap. Ook baten aan de boedel onttrekken en enig goed klaarblijkelijk beneden de waarde vervreemden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/532022-09 (PROMIS)

Datum uitspraak: 22 maart 2012

op tegenspraak, raadsman gemachtigd

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1956],

ingeschreven in de de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] [woonplaats].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 maart 2012.

Het Openbaar Ministerie werd vertegenwoordigd door mr. J.H.M. van Leijen. Verdachte liet zich vertegenwoordigen door mrs. G. Spong en M. Lochs, beiden advocaten te Amsterdam, die hij daartoe volmacht had gegeven.

Alle hierna te bespreken verweren zijn zakelijk en samengevat weergegeven.

1. Tenlastelegging

Na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 8 maart 2012 wordt verdachte, kort samengevat en zakelijk weergegeven, verweten dat hij zich in het zicht van het faillissement van ESDM direct marketing projecten B.V. (hierna: ESDM) in de periode van 1 augustus tot 1 november 2005 samen met anderen aan bedrieglijke bankbreuk en valsheid in geschrift schuldig heeft gemaakt door ten nadele van de crediteuren een geantedateerde leningsovereenkomst met pandrecht op te stellen, werkzaamheden van ESDM door een ander te laten factureren en een te lage overnameprijs bij overdracht van de activa van ESDM te berekenen. De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

3.1 De feiten

De rechtbank gaat van de volgende feiten en omstandigheden uiti.

Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2

[medeverdachte] enig bestuurder van ESDM

3.1.1 Op 3 april 2002 wordt de besloten vennootschap ESDM opgericht. ESDM is gevestigd en houdt haar onderneming te Blaricum. Middellijk algemeen directeur en enig aandeelhouder (dga) is verdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]), woonachtig te [plaats]. Hij is middellijk dga, omdat hij bestuurder en enig aandeelhouder van de besloten vennootschap [X] BV is, die op haar beurt bestuurder en enig aandeelhouder van ESDM Beheer BV is, die weer bestuurder en enig aandeelhouder van ESDM isii.

3.1.2 ESDM maakt in 2002 een groot verliesiii, met een groot negatief eigen vermogen tot gevolgiv. Deze situatie stabiliseert zich in de periode daarop door geringe verliezen, maar verslechtert verder in 2004v.

3.1.3 [medeverdachte] erft in november 2004 door de verkoop van de woning uit de nalatenschap van zijn moeder € 145.000,-vi. Omdat deze woning als hypothecaire zekerheid is gesteld voor een lening van de Rabobank aan ESDM, boekt de curator het bedrag over op een bij die bank aangehouden rekening van ESDMvii. Daarmee wordt de lening afgelost.

3.1.4 In 2004 en in de eerste helft van 2005 worden ten gunste van [X] BV aan ESDM bedragen van respectievelijk € 70.000,- en € 45.000,- onttrokkenviii.

ESDM medio 2005 in grote financiële problemen

3.1.5 De positie van ESDM verslechtert verder, mede als gevolg van het verlies van klanten. Daardoor raakt ESDM medio 2005 in ernstige financiële problemenix. In deze periode onderhoudt [medeverdachte] contacten met de leiding van STA Groep BV, een bedrijf dat geïnteresseerd is om (delen van) ESDM over te nemenx. Deze contacten leiden echter niet tot een daadwerkelijke overnamexi.

[verdachte] en [medeverdachte 2] respectievelijk financieel en juridisch adviseur van [medeverdachte]

3.1.6 In deze periode roept [medeverdachte] de hulp van verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte]) als financieel adviseur in. Op voorspraak van [verdachte] wordt ook verdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), advocaat, in zijn geval als juridisch adviseur van [medeverdachte], bij de situatie betrokken.

Bespreking 23 augustus 2005

3.1.7 Op 23 augustus 2005 houden [medeverdachte], [verdachte] en [medeverdachte 2] een eerste gezamenlijke bespreking in het kantoor van ESDM te Blaricum. Doel van het gesprek is te inventariseren op welke wijze een mogelijke overname van activiteiten van ESDM door STA Groep BV zou kunnen plaatsvinden en welke persoonlijke risico's er voor [medeverdachte] in geval van een faillissement van ESDM zouden zijnxii.

Pandakte, lenings- en verrekeningsovereenkomst

3.1.8 In door [medeverdachte] als directeur van [X] BV ondertekende brieven, waaronder een brief gedateerd 29 augustus 2005 gericht aan ESDM, staat vermeld dat [X] B.V. zich ernstig zorgen maakt over het feit dat niet wordt voldaan aan de verplichting tot aflossing en rentebetaling van de schuld aan [X] B.V. en dat [X] B.V. om die reden een pandrecht wil vestigenxiii.

3.1.9 In een pandakte gedateerd 31 augustus 2005 wordt vastgelegd dat ESDM een aantal in een bijgevoegde lijst opgenomen vorderingen van ESDM verpandt ten behoeve van [X] BVxiv. Deze verpanding, zo blijkt uit de pandakte, vloeit voort uit een leningsovereenkomst gedateerd 2 november 2004 tussen ESDM en [X] BV. In die overeenkomst betreffende een lening van een bedrag van € 112.000 is de verplichting voor ESDM opgenomen om als schuldenaar tot meerdere zekerheid voor de terugbetaling aan [X] B.V. stil pandrecht te verlenen op alle bestaande en toekomstige vorderingen, daaronder begrepen eventuele andere rechten ingevolge de uitoefening van het bedrijf van ESDMxv. Een verrekeningsovereenkomst tussen [medeverdachte], [X] B.V., ESDM Beheer B.V. en ESDM is eveneens gedateerd 2 november 2004xvi.

3.1.10 Op 1 september 2005 registreert [medeverdachte] deze verpanding ten gunste van [X] BV bij de Belastingdienstxvii.

Vestiging ESDM i.o.

3.1.11 Op 12 september 2005 wordt de besloten vennootschap in oprichting ESDM direct marketing BV i.o. (hierna: ESDM i.o.) opgericht. [medeverdachte] en [X] BV zijn de bestuurders. Op dezelfde datum, zo blijkt uit een schriftelijke overeenkomst gedateerd 2 november 2006xviii, komen ESDM i.o. en ESDM overeen dat ESDM een gedeelte van haar activiteiten en haar activa overdraagt aan ESDM. De koopsom wordt vastgesteld op € 5.000,-. ESDM betaalt deze koopsom nietxix.

3.1.12 De schuldenlast van ESDM bedraagt op dat moment € 200.000,- aan de Belastingdienst en het UWV en € 80.000,- aan crediteurenxx.

3.1.13 ESDM i.o. doet in de periode van 12 tot 30 september 2005 negen facturen voor een totaalbedrag van € 38.450,85 aan klanten uitgaanxxi. Deze facturatie ziet op werkzaamheden van ESDMxxii.

Faillietverklaring ESDM

3.1.14 Op verzoek van ESDM verklaart de rechtbank Amsterdam ESDM bij beslissing van 11 oktober 2005 in staat van faillissementxxiii.

3.2 Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte, gelet op zijn wetenschap en de handelingen die hij met die wetenschap heeft verricht, als medepleger van de ten laste gelegde bedrieglijke bankbreuk (feit 1 primair) en de valsheid in geschrifte (feit 2) kan worden aangemerkt. Het onder 1 primair ten laste gelegde art 343 Sr dient te worden bewezen verklaard, omdat met dat artikel het strafverzwarende element tot uitdrukking komt dat de bestuurder van de onderneming een belangrijke rol heeft vervuld.

3.3 Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van verdachte dienen te worden uitgesloten van het bewijs, nu hij voorafgaand aan het verhoor niet is gewezen op zijn recht een advocaat te raadplegen. Sterker nog, desgevraagd heeft een verbalisant hem dat afgeraden. Om dezelfde reden dienen de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] in de zaak van verdachte te worden uitgesloten van het bewijs, gelet op rechtspraak van het EHRM.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat te weinig aanwijzingen voorhanden zijn op basis waarvan verdachte als medepleger kan worden aangemerkt. De verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] zijn ongeloofwaardig, nu hij zijn eigen wetenschap over de gang van zaken marginaliseert, wisselend verklaart en slechts op doorzichtige wijze zijn eigen straatje schoon veegt.

Het opstellen van de leenovereenkomst was bij uitstek een juridische aangelegenheid waarvoor nu juist medeverdachte [medeverdachte 2] in de arm was genomen. Verdachte mocht erop vertrouwen dat [medeverdachte 2] zijn beroep naar eer en geweten zou uitoefenen.

Dat verdachte er mogelijk van op de hoogte was dat [medeverdachte] de overeenkomst wilde antedateren en hij dit niet heeft verhinderd, is onvoldoende voor de vereiste nauwe en bewuste samenwerking. Zelfs het daarmee instemmen levert geen medeplegen op. Verdachte heeft slechts ondergeschikte handelingen verricht.

Voor het factureren van werkzaamheden vanuit de BV i.o. geldt dat de facturen zich niet in het dossier bevinden, zodat niet kan worden vastgesteld dat verdachte hierbij enige bemoeienis heeft gehad.

Voor het doorstorten van betalingen geldt dat uit de mailwisseling in het dossier niet kan worden afgeleid wat met verdachte is besproken en wat voor advies hij heeft gegeven. Ook hiervoor ontbreekt derhalve bewijs voor een nauwe en bewuste samenwerking.

Met betrekking tot de koopovereenkomst van de activa geldt dat [medeverdachte 2] deze heeft vastgesteld en dat [boekhouder] de koopprijs lijkt te hebben bepaald. Van (voorwaardelijk) opzet op het beneden de waarde vervreemden van de activa is bij verdachte dan ook geen sprake. Bovendien kan niet worden vastgesteld dat de verkoopwaarde van het bedrijf opzettelijk te laag is gehouden.

Voorts ontbreekt bij verdachte het opzet op zowel de samenwerking als op het grondfeit. Verdachte heeft slechts het oog gehad op een doorstart van ESDM. Dat die doorstart onmogelijk was, werd pas na verloop van tijd duidelijk. Van kwaadaardigheid was bij verdachte geen enkele sprake.

Verdachte ontbeerde kennis over de precieze toestand van het bedrijf en kennis van de juridische merites van faillissementen. Om die reden heeft hij [medeverdachte 2] ingeschakeld. Gelet daarop, mede in het licht van het vertrouwensbeginsel, laat het verweer zich ook lezen als een beroep op afwezigheid van alle schuld.

Op dezelfde gronden dient verdachte te worden vrijgesproken van het medeplegen van valsheid in geschrifte (feit 2). Ten aanzien van de brief geldt daarbij dat deze op zichzelf materieel noch intellectueel vals is. Omdat voor valsheid in geschrifte een zwaardere opzetvariant is vereist dan voor bedrieglijke bankbreuk, kan van opzet van verdachte bij feit 2 helemaal niet worden gesproken.

Indien de rechtbank medeplegen wel aanwezig acht, dient op grond van art 55 lid 2 Sr het subsidiair ten laste gelegde art 344 Sr bewezen te worden verklaard, aangezien het hier gaat om een lex specialis.

3.4 Oordeel van de rechtbank

3.4.1 Bewijsuitsluiting verklaringen

Verklaringen in faillissementsprocedure

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verklaring die verdachte in de faillissementsprocedure heeft afgelegd, niet kan worden gebruikt in zijn strafzaak. Zoals uit het dossier blijkt, bestond op dat moment reeds een verdenking tegen verdachte van het plegen van de thans ten laste gelegde strafbare feiten. De rechter-commissaris heeft verdachte verdachte voorafgaand aan het verhoor niet gewezen op zijn recht zichzelf als verdachte niet te hoeven belasten. Gelet daarop verdraagt het gebruik voor het bewijs van deze verklaring zich niet met het strafrechtelijke nemo tenetur-beginsel.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, geldt de voorgaande bewijsuitsluiting slechts in de eigen strafzaak van de gehoorde verdachte, aangezien het genoemde beginsel het belang van die verdachte beoogt te beschermen. Hieruit volgt dat geen belemmeringen bestaan voor het gebruik voor het bewijs in deze strafzaak van in die faillissementsprocedure als getuige afgelegde verklaringen van medeverdachten.

Verklaringen afgelegd bij de politie

Met de raadsman stelt de rechtbank vast dat verdachte noch de beide medeverdachten voorafgaand aan hun verhoren bij de politie op hun recht zijn gewezen een advocaat te consulteren.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad houdt de zogenaamde Salduz-norm in dat de politie de aangehouden verdachte voorafgaand aan zijn eerste verhoor op zijn consultatierecht dient te wijzen. Verder dient hem, behoudens in geval hij uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand van dat recht heeft gedaan, de gelegenheid te worden geboden dat recht te verwezenlijken, nog voordat dat verhoor wordt gehouden. Schending van de norm levert een vormverzuim op waaraan in beginsel, ingevolge art 359a Sv, het gevolg dient te worden verbonden dat de verklaring in de zaak tegen de verdachte van het bewijs wordt uitgesloten. Gelet op de omstandigheid dat verdachte in deze zaak niet is aangehouden, hoeft echter, eveneens volgens vaste Hoge Raadjurisprudentie, aan de schending van de voorbedoelde Salduz-norm niet zonder meer het genoemde gevolg te worden verbonden. De ratio daarachter is dat de niet-aangehouden verdachte zich op het feit dat hij als verdachte zal worden gehoord, in vrijheid kan voorbereiden en beraden en zich daarbij rekenschap kan geven van zijn rechten en verplichtingen. Nu niet is gebleken van omstandigheden die aan voorbedoelde voorbereiding in de weg hebben gestaan, kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat het consultatierecht is geschonden.

Het voorgaande geldt evenzeer voor de verklaringen van de beide medeverdachten. Daaruit vloeit tevens voort dat het verweer van de raadsman, inhoudende dat op dezelfde gronden de verklaring van de medeverdachten van het bewijs dienen te worden uitgesloten in de zaak tegen verdachte, wordt verworpen, nog daargelaten dat in de jurisprudentie niet wordt voorzien in een dergelijke derdenwerking.

3.4.2 Relevante feiten en omstandigheden

Bij de beoordeling van het ten laste gelegde neemt de rechtbank voorts het volgende in ogenschouw.

Bespreking 23 augustus 2005

Ten aanzien van de bespreking van 23 augustus 2005 stelt de rechtbank het volgende vast.

Tijdens deze bijeenkomst maakt [medeverdachte] melding van het door hem in november 2004 geërfde bedrag van € 145.000,-, dat de curator destijds direct heeft overgeboekt naar de rekening van ESDM bij de Rabobank. [medeverdachte] vertelt dat van deze lening van [medeverdachte] aan ESDM ten tijde van de overboeking niets op papier is gezetxxiv.

Tijdens de bespreking is het [medeverdachte] duidelijk dat ESDM failliet zal gaan. Dit houden [verdachte] en [medeverdachte 2] [medeverdachte] hem ook voorxxv. [verdachte] en [medeverdachte 2] adviseren [medeverdachte] dat een nieuwe BV opgericht moet worden, waarvan ook STA aandelen zal verkrijgen. Het belangrijkste volgens hen is de klanten van [medeverdachte] vast te houden. Ook vertellen zij [medeverdachte] dat onder meer een leenovereenkomst en een pandakte opgesteld moeten worden, naar aanleiding van de storting van € 145.000 door [medeverdachte] op de rekening van ESDMxxvi.

Voorts acht de rechtbank de volgende bewijsmiddelen relevant:

E-mailbericht van 25 augustus 2005: overzicht van vraagpunten

[medeverdachte] verstuurt op 25 augustus 2005 aan [medeverdachte 2] en [verdachte] een e-mailbericht. Dit bevat een door [medeverdachte 2] naar aanleiding van de bespreking van 23 augustus 2005 opgesteld overzicht van vraagpunten. [medeverdachte] voegt aan het overzicht zijn commentaar toe. In het e-mailbericht houdt [medeverdachte 2] [medeverdachte] voor dat hij in overleg met [verdachte] dient te beslissen of een zogenaamde warme sanering - vóór het faillissement worden de activa van ESDM overgenomen - of een koude - eerst na de datum van het faillissement vindt een activatransactie plaats - de voorkeur genietxxvii.

Verder staat in het e-mailbericht door [medeverdachte 2] vermeld:

"Zonodig een verrekenovereenkomst in verband met de diverse rekening courant-posities opstellen en tot saldering overgaan, teneinde zoveel mogelijk als privé exposure van [voornaam medeverdachte] te voorkomen.

[[medeverdachte] vermeldt hierbij:] "[voornaam medeverdachte] overleg met [voornaam verdachte]?" (...)

"In het licht van exposure [voornaam medeverdachte] inzicht krijgen wettelijke deponeringsplicht jaarrekening. Is daaraan voldaan?"

[[medeverdachte] vermeldt hierbij:] "Met [naam] onlangs overleg gehad dat 2004 nog gecorrigeerd moet worden en is dus nog niet gedeponeerd". (...)

"Vrije activa vaststellen en indien en voor zover noodzakelijk verpanden aan topholding in verband met door de topholding ter beschikking gestelde liquide middelen.

Akte van verpanding opstellen;" (...)

"Akte van verpanding aanbieden ter registratie bij registratiekantoor". (...)

"Managementovereenkomst opstellen, teneinde reeds betaalde managementstromen veilig te stellen."

"Leningsovereenkomst opstellen;"

[[medeverdachte] vermeldt hierbij:] "Stuur ik als bijlage mee".

"Rente voorvloeiende uit leningsovereenkomst boekhoudkundig verwerken."

"Na verpanding van debiteuren aan topholding tot uitwinning daarvan overgaan". (...)

"Uitwinningsbrieven opstellen." (...)

"Na het uitspreken van het faillissement is het volgende van belang:

Spreek met één mond"xxviii.

De overeenkomst die [medeverdachte] als bijlage meestuurt, is gedateerd 2 november 2003xxix. In deze overeenkomst is geen pandrecht(verplichting) opgenomen.

E-mailbericht van 26 augustus 2005

[verdachte] stuurt op 26 augustus 2005 een e-mailbericht aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte]. Hij deelt daarin mee dat hij een lijst met alle documenten die hij heeft, bijvoegt. Onderaan de bijgevoegde lijst staat vermeld: "documenten nog te produceren: afwijzing van STA voor deelname in ESDMxxx." In een eveneens als bijlage bijgevoegd overzicht vermeldt [verdachte]: "belangrijks is dat[initialen medeverdachte] een persoonlijk RC schuld heeft (bij) ESDM beheer. Als beheer omvalt dan zal de curator proberen om die schuld te incasseren. Wij zouden moeten kijken of we dit kunnen verschuiven."

E-mailbericht van 30 augustus 2005

Op 30 augustus 2005 stuurt [kantoorgenoot van medeverdachte 2], kantoorgenoot van [medeverdachte 2] , per e-mail aan [verdachte] en [medeverdachte 2] als bijlage een voorbeeld van een leningsovereenkomst. Hij vermeldt dat in de overeenkomst de afspraak is opgenomen dat vorderingen verpand moeten worden op eerste verzoek van degene die geld uitgeleend heeftxxxi. Op dezelfde datum stuurt [kantoorgenoot van medeverdachte 2] aan beiden als bijlage een voorbeeld van een pandaktexxxii. De voorbeeldovereenkomst komt qua vorm en inhoud nagenoeg overeen met de leningsovereenkomst gedateerd 2 november 2004xxxiii.

Op 6 september 2005 stuurt [verdachte] een e-mailbericht aan [medeverdachte] en [medeverdachte 2] met daarin opgenomen een activaoverzicht. Hij noemt als prijs € 5.000,-.

E-mailbericht van 7 september 2005: gespreksverslag

Op 7 september 2005 verstuurt [verdachte] aan [medeverdachte] en [medeverdachte 2] een gespreksverslag en actielijst van een bespreking op 6 september 2005. In het gespreksverslag staan twee mogelijkheden vermeld voor de doorstart van ESDM:

"Optie 2 ESDM direct marketing (nieuwe BV) koopt actief van ESDM direct marketing projecten BV." (...)

"Voordeel van scenario 2 is dat er naar klanten een positief verhaal goed verhaal gehouden kan worden, nadeel is dat de curator mogelijk twijfels zal hebben over de overnameprijs."

Verder staat in het e-mailbericht vermeld:

"De waarde van het actief van ESDM wordt vastgesteld op € 5.000. Deze waarde wordt geschat door de huidige accountant dhr. [boekhouder] van Salaris Partners. Zijn motivatie: afgelopen jaren zijn er forse verliezen geleden. Er zijn weinig schriftelijke contracten met opdrachtgevers. Opdrachtgevers hebben veel alternatieven die ze direct kunnen inzetten. En tot slot de relaties hangen aan opdrachtgever [medeverdachte]." (...)

"Na ampele overwegingen wordt gekozen om te kiezen voor scenario 2. Tevens wordt besloten om de debiteuren (ca. 64.000) in te brengen in de nieuwe BV om het proces te versnellen. Dit maakt het voor de klanten makkelijker: ze gaan betalen op de nieuwe bankrekening van de nieuwe BV waar zij later ook gaan betalen voor de nieuwe activiteitenxxxiv."

E-mailbericht van 9 september 2005:

Op 9 september 2005 bericht [verdachte] per e-mail aan [medeverdachte] nog het volgende: "het is belangrijk dat de huidige debiteuren niet meer op de ESDM rekening betalen maar op de [X] rekening dan wel de nieuwe rekening."

[medeverdachte] antwoordt op 10 september 2005: "is duidelijk. Vanaf maandag zal ik facturen gaan versturen vanaf de nieuwe ABN Amro-rekening."

E-mailberichten van 5 en 12 oktober 2005:

Op 5 oktober 2005 stuurt [medeverdachte] een e-mail aan [medewerker BVCM] van BVCM, met de mededeling dat een debiteur een bedrag van € 1.000,- op de rekening van ESDM heeft betaald. [medeverdachte] vraagt wat te doen. [medewerker BVCM] stuurt de vraag aan de heer [medewerker BVCM 2], die op 6 oktober 2005 bericht, dat hij dit heeft overlegd met [verdachte], die instrueert dat dit bedrag moet worden doorbetaald aan de [X] BV als pandrechthouderxxxv.

Op 12 oktober 2005 antwoordt [medeverdachte] aan medewerkster [medewerker ESDM] van ESDM op haar vraag welke zaken zijn meegenomen naar Rotterdam: "alle lopende zaken en offertes, gegevens wat gefactureerd moet worden"xxxvi.

E-mailbericht van 13 oktober 2005:

Op 13 oktober 2005 stuurt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte] en [verdachte] een reactie op een de voorgaande dag door [medeverdachte] verstuurd businessplan met begroting ter zake van ESDM i.o. [medeverdachte 2] stelt dat hij de tekst zal aanpassen. Over de begroting zegt hij dat deze negatief dient te sluiten. Hij vervolgt met:

"Anders gezegd, daaruit dient niets anders te kunnen worden afgeleid dan dat het geen winstgevende onderneming is." (...) "Aanpassing daarvan laat ik aan jullie over. Ps: let erop als je gaat wijzigen en vervolgens die documenten gaat mailen, omdat er alsdan via 'hidden data' het tijdstip van wijziging kan worden achterhaald. Dat kan je aardig in verlegenheid brengen."xxxvii

Verklaring [medeverdachte] bij rechter-commissaris op 4 november 2005

[medeverdachte] verklaart in zijn verhoor bij de rechter-commissaris het volgende:

"Het klopt dat er een leningsovereenkomst bestaat gedateerd 2 november 2004. Die overeenkomst is niet op die datum ondertekend, maar op een datum begin september 2005. (...) [medeverdachte 2] heeft vervolgens in augustus 2005 een leningsovereenkomst opgesteld die gedateerd was op de datum dat de gelden gestort waren. (...) Ook voor de verrekeningsovereenkomst die gedateerd is op 2 november 2004 geldt dat deze later door [medeverdachte 2] is opgesteld en getekendxxxviii."

Verklaring [medeverdachte] bij politie op 27 mei 2008

[medeverdachte] verklaart bij de politie:

"Ik heb tegen [verdachte] en [medeverdachte 2] verteld dat ik dat geld (de rechtbank begrijpt: het bedrag van € 145.000) kwijt was. [verdachte] en [medeverdachte 2] kwamen toen met het voorstel om een leningsovereenkomst te maken. Zij zeiden dat ik recht had op dat geldxxxix." (...)

"Het is eigenlijk zo dat ik altijd in loondienst ben geweest. Ik kreeg altijd salaris. Er is nooit een management-fee uitgekeerd." (...)

"Er is een brief gemaakt door [verdachte] die wij naar de debiteuren hebben gestuurd. In deze brief is het verzoek gedaan om te betalen op de rekening van [X] BV, in plaats van te betalen op de rekening van ESDM. Uit mijn hoofd is er iets van € 34.000,- à € 36.000,- van de debiteuren ontvangen. Dit geld heb ik later aan de curator betaald." (...)

"Dit is een beetje lastig omdat het overleg (met [verdachte] en [medeverdachte 2] ) altijd gezamenlijk ging. Ik heb hen altijd als twee-eenheid gezien." (...)

"Op advies van [verdachte] en [medeverdachte 2] is de datum (van 2 november 2004) erin gezet." (...) "Wat zij mij gezegd hebben, en wat op een gegeven moment ook is bevestigd, dat de curator moeite zou kunnen hebben met het overnamebedrag." (...)

"Het bedrag van de overnameprijs is een keer bij [boekhouder] thuis door [verdachte], mij en [boekhouder] besproken."

Verklaring [verdachte] bij politie op 11 september 2008

[verdachte] verklaart bij de politie het volgende:

"Omdat [medeverdachte] en ik niet tot een oplossing konden komen om ESDM buiten een faillissement te saneren is [medeverdachte 2] er bij gekomen om te adviseren in de afwikkeling van het faillissementxl." (...)

"[medeverdachte] heeft verteld dat hij privé geld geleend had aan ESDM. Hij gaf zijn accountant er de schuld van dat het niet schriftelijk was vastgelegd. Dit was ergens in 2004 gebeurd. (...) Ik wil opmerken dat dit hele feit heeft kunnen gebeuren omdat iemand verzuimt om zijn spullen in orde te maken en dit later probeert te herstellen. Het is ongelofelijk dom dat ik hierin mee ben gegaanxli." (...)

"Ik heb [medeverdachte] gewaarschuwd voor het antedateren van overeenkomsten. Ik heb hem inderdaad geholpen. Hij was zelf (vast)besloten om te antedateren." (...)

"[medeverdachte 2] had [medeverdachte] uitgelegd hoe het juridisch in elkaar zat en dat het waarschijnlijk geen waarde had om achteraf alsnog op papier te zetten wat er destijds is gebeurd met het verstrekken van de lening, maar dat [medeverdachte] dit wel alsnog kon doen. [medeverdachte] wist dat hij weinig rechten kon ontlenen aan een overeenkomst die op dat moment in 2005 pas was ondertekendxlii." (...)

"Ik heb [medeverdachte] geholpen bij het invullen van de leningsovereenkomst en pandaktexliii." (...)

"De verrekeningsovereenkomst is opgesteld om de feitelijke situatie weer te geven zoals [medeverdachte] die destijds bedoeld hadxliv." (...)

"Ik heb [medeverdachte] geadviseerd, als je wilt antedateren, doe dat dan op de datum dat de lening daadwerkelijk verstrekt is." (...)

"[medeverdachte 2] heeft gezegd: wat je kunt doen een overeenkomst maken met een beschrijving van hetgeen je destijds hebt willen doen en deze alsnog laten registreren. Hij heeft uitgelegd hoe het juridisch-technisch in elkaar zitxlv." (...)

"Over de inbreng van de debiteuren (ca € 64.000) in de nieuwe BV: dat was [medeverdachte]'s zekerheid om door te starten. Hij had het geld nodig van de debiteuren om door te starten. Het is stom van mij dat ik hier in ben meegegaan."

3.4.3 De ten laste gelegde feiten

Op grond van de hiervoor in rubriek 3.l en 3.4.2 weergegeven feiten en omstandigheden en bewijsmiddelen oordeelt de rechtbank als volgt.

3.4.3.1 Valse constructie

Verdachte heeft met zijn mededaders een constructie bedacht en uitgevoerd die er op gericht was in het vooruitzicht van het naderende faillissement van ESDM en ten behoeve van zijn eigen financiële voordeel de schuldeisers van ESDM benadelen. Deze constructie bestond onder meer uit het valselijk opstellen van een leningsovereenkomst (feit 2 onderdeel a) en een pandakte (feit 2 onderdeel c). De valsheid bestond in het antedateren van de leningsovereenkomst - daarin werd vermeld dat deze was opgemaakt en ondertekend op 2 november 2004, terwijl dit in werkelijkheid in augustus 2005 plaatsvond -, en in het opnemen van de verplichting tot het vestigen van een pandrecht, terwijl daar in werkelijkheid (zeker ten tijde van het overboeken van het geldbedrag in november 2004) geen sprake van was geweest.

Dat van een constructie sprake was, blijkt ook uit de door [medeverdachte] overgelegde leningsovereenkomst van 2 november 2003 tussen ESDM en [X] B.V. Deze overeenkomst is niet ondertekend, een ondertekende versie is nimmer overgelegd of aangetroffen en [medeverdachte] heeft verklaard dat ter zake van de overboeking van het bedrag ook geen overeenkomst is opgemaakt. Als aan deze overeenkomst al enige waarde kan worden toegekend, geldt dat daarin geen verplichting voor de schuldenaar tot verpanding is opgenomen. Of [medeverdachte] überhaupt nog een vordering had op ESDM - wat gelet op de onttrekkingen door [X] BV, valt te betwijfelen - kan de rechtbank gelet op het voorgaande oordeel in het midden laten.

3.4.3.2 Oogmerk om als echt en onvervalst te gebruiken, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers

Het doel van de constructie was valselijk voor te wenden dat het eind augustus 2005 gevestigde pandrecht zijn oorsprong vond in een eerder gesloten overeenkomst, waardoor het, hoewel het in het zicht van het faillissement van ESDM werd gevestigd, in stand zou kunnen blijven. Zonder die (eerdere) basis zou een dergelijk kort voor een faillissement gevestigd pandrecht immers, op grond van de faillissementswet, door een curator worden vernietigd. De constructie was er dus op gericht [medeverdachte] te bevoordelen door hem van concurrent schuldeiser naar separatist te promoveren. Noodzakelijkerwijs was de constructie er daarmee tevens op gericht bedrieglijk de rechten van de overige schuldeisers te verkorten.

3.4.3.3 Faillissement ESDM in zicht

Dát ten tijde van de constructie het faillissement van ESDM nakende was en dat dit verdachten bekend was, volgt uit het feit dat voor de bespreking van 23 augustus 2005 de hulp van [medeverdachte 2] juist vanwege het faillissement werd ingeroepen. Dit wordt nog bevestigd in de verklaring van [medeverdachte] dat STA op dat moment al niet meer in een overname van ESDM geïnteresseerd was, zoals ook blijkt uit de aantekening in het e-mailbericht van 26 augustus 2005: "te produceren: afwijzing van STA voor deelname in ESDM".

3.4.3.4 Valse leningsovereenkomst, pandakte en verrekeningsovereenkomst

Op zichzelf en als onderdeel van de valse constructie is de leningsovereenkomst (feit 2 onderdeel a) vals. Hetzelfde geldt voor de pandakte (feit 2 onderdeel c), omdat het daarin te vestigen pandrecht uitdrukkelijk wordt ontleend aan de valse leningsovereenkomst. Ook de verrekeningsovereenkomst gedateerd 2 november 2004 (feit 2 onderdeel d) is net als de leningsovereenkomst geantedateerd, omdat deze in werkelijkheid werd opgemaakt en ondertekend in augustus 2005.

3.4.3.5 Vrijspraak feit 2, onderdeel b

Wat in de brief gedateerd 29 augustus 2005 van [X] B.V. aan ESDM (rubriek 9, p. 168) staat vermeld, te weten dat [X] B.V. zich ernstig zorgen maakt over het feit dat niet wordt voldaan aan de verplichting tot aflossing en rentebetaling van de schuld aan [X] B.V. en dat [X] B.V. om die reden een pandrecht wil vestigen, bevat feitelijk juiste en waarachtige informatie. Dat deze brief valselijk is opgemaakt, kan dan ook niet worden bewezen. Verdachte zal daarom van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

3.4.3.6 Medeplegen uitvoering valse constructie

Van de voorgenoemde constructie en valsheden waren de verdachten ieder voor zich en gezamenlijk op de hoogte. [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben de constructie aan [medeverdachte] geadviseerd. Zij drieën hebben deze gezamenlijk en in voortdurend onderling overleg nader uitgewerkt en uitgevoerd. Dit levert een nauwe en bewuste samenwerking op. Zij kunnen dus alle drie als medepleger van (de uitvoering van) de constructie worden aangemerkt.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman, inhoudende dat de rol van verdachte als adviseur beperkt is gebleven tot het enkel instemmen met de gepleegde feiten. Zijn rol was groter. Hij heeft het plan, blijkens de gebezigde bewijsmiddelen, mede bedacht, geadviseerd en in onderling overleg en door middel van nader advies, nadere aanwijzingen en concrete handelingen ten uitvoer gebracht.

3.4.3.7 Feit 2 onderdelen a, c en d bewezen

Op grond van wat hiervoor is overwogen acht de rechtbank feit 2 onderdelen a, c en d bewezen.

3.4.3.8 Feit 1, schuldeisers op enige wijze te bevoordelen, baten aan de boedel onttrekken

Eveneens op grond van de voorgaande overwegingen acht de rechtbank het onderdeel van feit 1 "om schuldeisers op enige wijze te bevoordelen" bewezen. Het doorstorten naar de rekening van [X] B.V. van geld van de debiteuren van ESDM dat binnenkwam op de rekening van ESDM, valt daar ook onder, aangezien dit plaatsvond op grond van en als uitvloeisel van de valse pandrechtconstructie. Dit levert tevens op dat baten aan de boedel werden onttrokken. Hetzelfde geldt voor het factureren van werkzaamheden die - op zijn minst ten dele - verricht waren door ESDM vanuit de nieuwe BV, ESDM i.o. Daardoor werd in strijd met de waarheid voorgewend dat het vorderingen van ESDM i.o. waren. Verdachte had dit, als financieel adviseur, ook zo moeten begrijpen.

3.4.3.9 Tegen te lage prijs vervreemden van goederen

De prijs van € 5.000,- voor de activa van ESDM, waarvoor ESDM deze activa blijkens de daaromtrent opgemaakte overeenkomst aan ESDM heeft verkocht, was evident onjuist, namelijk te laag, waardoor ESDM deze goederen klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd. Dit baseert de rechtbank op de verklaring van [boekhouder], de boekhouder die als medewerker van Salaris Partners BV tot juni 2005 de boekhouding heeft verricht voor ESDMxlvi. Hij verklaart dat € 5.000,- als waarde van ESDM niet reëel was, omdat het klantenbestand veel meer waard was. Dat hij de waarde op de genoemde prijs zou hebben geschat, conform wat staat vermeld in het gespreksverslag van 6 september 2005, doet [boekhouder] als complete onzin af. Het enige wat hij, zo verklaart hij, gezegd zou kunnen hebben, is dat de vaste activa € 5.000,- waard zouden kunnen zijnxlvii. In zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft hij daaraan toegevoegd dat in zijn herinnering ESDM in het laatste jaar een omzet had van ongeveer € 800.000,- en een bruto marge van ongeveer € 300.000,- en dat het brancheafhankelijk is het klantenbestand te waarderen als vermenigvuldigingsfactor van de marge. Voor een bedrijf als ESDM ligt deze factor iets lager dan twee, vanwege minder stabiele klantcontactenxlviii, aldus [boekhouder]. Voorts acht de rechtbank het hiervoor weergegeven gespreksverslag van 6 september 2005 relevant, in het bijzonder de zinsnede: "nadeel van de - gekozen - optie is dat de curator mogelijk twijfels zal hebben over de overnameprijs".

De rechtbank acht de verklaring van [boekhouder], mede gezien de gegeven onderbouwing daarvan, aannemelijk. Zij hecht dan ook geen geloof aan de verklaring van [verdachte] dat [boekhouder] de waarde van alle activa, dus niet alleen de vaste, op dat bedrag zou hebben geschat. Dat de waarde niet juist kon zijn, moet zowel [medeverdachte] als [verdachte] gelet op hun ervaring en positie eveneens duidelijk zijn geweest.

De rechtbank acht feit 1 dan ook in al haar onderdelen bewezen.

3.4.3.10 Feit 1 primair of subsidiair

Anders dan de verdediging heeft aangevoerd zal de rechtbank het medeplegen van bedrieglijke bankbreuk gepleegd door een bestuurder van een rechtspersoon (feit 1 primair) bewezen verklaren. Het zwaartepunt bij het door verdachte medegepleegde feit wordt gevormd door het bevoordelen van [medeverdachte] als bestuurder van diens rechtspersoon. Daardoor is art 343 Sr de toepasselijke strafbepaling. Weliswaar bezit verdachte zelf niet de hoedanigheid van bestuurder, maar dat is bij medeplegen geen vereiste. De door de verdediging bepleite toepasselijkheid van de strafbepaling toegesneden op faillissementsdelicten gepleegd door derden (art 344 Sr) als specialis, zou slechts aan de orde kunnen zijn als het feit (mede) gericht was geweest op bevoordeling van die derde, hetgeen niet het geval is geweest.

3.4.4 Conclusie

De rechtbank acht op basis van al het voorgaande bewezen dat verdachte zich schuldig gemaakt heeft aan het hem ten laste gelegde medeplegen van zowel bedrieglijke bankbreuk door een bestuurder (feit 1 primair) als valsheid in geschrifte (feit 2).

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

1 primair.

in de periode van 1 augustus 2005 tot 1 november 2005 te Blaricum en/of [plaats], tezamen en in vereniging met anderen, te weten [medeverdachte], bestuurder van ESDM direct marketing projecten B.V. die bij vonnis van de rechtbank te Amsterdam d.d. 11 oktober 2005 in staat van faillissement was verklaard, en [medeverdachte 2] , ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van ESDM direct marketing projecten B.V.,

- baten aan de boedel heeft onttrokken en

- goederen klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd en

- op een tijdstip waarop hij en zijn mededaders wisten dat het faillissement niet kon worden voorkomen, schuldeisers van ESDM direct marketing projecten B.V. op enige wijze heeft bevoordeeld,

immers hebben verdachte en [medeverdachte] en [medeverdachte 2] :

- een nieuwe leningsovereenkomst opgesteld tussen ESDM direct marketing projecten B.V. en [X] B.V., met daarin opgenomen dat ESDM direct marketing projecten B.V. als schuldenaar de verplichting heeft om tot meerdere zekerheid voor de terugbetaling aan [X] B.V. als schuldeiser stil pandrecht te verlenen op alle bestaande en toekomstige vorderingen, daaronder begrepen eventuele andere rechten ingevolge de uitoefening van het bedrijf van ESDM direct marketing projecten B.V., welke leningsovereenkomst geantedateerd is op 2 november 2004 (rubriek 9 p. 164) en

- werkzaamheden die verricht waren door ESDM direct marketing projecten B.V. gefactureerd vanuit de nieuwe B.V., ESDM direct marketing B.V. i.o. en

- het geld van de debiteuren van ESDM direct marketing projecten B.V., dat binnenkwam op de rekening van ESDM direct marketing projecten B.V., doorgestort naar de rekening van [X] B.V. en

- een te lage overnameprijs voor de activa van ESDM direct marketing projecten B.V. vastgesteld van EUR 5.000,-;

2.

in de periode van 1 augustus 2005 tot 1 november 2005 te Blaricum en/of [plaats], tezamen en in vereniging met anderen, geschriften, te weten:

a) een leningsovereenkomst d.d. 2 november 2004 tussen [X] B.V. en ESDM direct marketing projecten B.V. (rubriek 9, p. 164) en

c) een pandakte d.d. 31 augustus 2005 tussen [X] B.V. en ESDM direct marketing projecten B.V. (rubriek 9, p. 167) en

d) een verrekeningsovereenkomst d.d. 2 november 2004 tussen de heer [medeverdachte] en [X] B.V. en ESDM Beheer B.V. en ESDM direct marketing projecten B.V. (rubriek 9, p. 197),

telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt , bestaande die valsheid hierin dat in strijd met de waarheid:

ad a) een onjuiste datum is ingevuld als datum van ondertekening, namelijk 2 november 2004, terwijl de overeenkomst in augustus 2005 is ondertekend en daarin is opgenomen dat de vorderingen op de debiteuren van ESDM direct marketing projecten B.V. verpand worden aan [X] B.V., terwijl dit in de eerdere leningsovereenkomst van 2 november 2003 tussen ESDM direct marketing projecten B.V. en [X] B.V. niet stond vermeld en

ad c) in dat geschrift staat vermeld dat ESDM direct marketing projecten B.V. aan [X] B.V. de vordering verpandt zoals vermeld op de bijgevoegde lijst, terwijl de mogelijkheid van het vestigen van een pandrecht niet in de oude leningsovereenkomst d.d. 2 november 2003 tussen [X] B.V. en ESDM direct marketing projecten B.V. is opgenomen en

ad d) een onjuiste datum is ingevuld als datum van ondertekening, namelijk 2 november 2004 terwijl de overeenkomst in augustus 2005 is ondertekend,

met het oogmerk om dit geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

7.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten 1 primair en 2 zal worden veroordeeld tot, na korting in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, een gevangenisstraf van 7 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk.

7.2. Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd, voor het geval de rechtbank aan strafoplegging zou toekomen, dat rekening dient te worden gehouden met het aanzienlijke tijdsverloop en de overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast geldt dat verdachte is meegezogen in de pogingen van [medeverdachte] zijn bedrijf te redden. Bij hem ontbrak het boos opzet de crediteuren te benadelen. Hij heeft geen enkel voordeel van de feiten genoten. De vervolging heeft daarentegen al veel nadelige gevolgen voor hem gehad, mede gelet op het feit dat hij nog niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Verder wordt hij ernstig belemmerd in zijn ondernemingsvrijheid en zou een veroordeling met zich brengen dat hij zijn grote passie, de jacht, niet meer kan uitoefenen. Verdachte heeft zijn deel van de door de verweten handelingen ontstane schade reeds vergoed. Ingevolge art 57 Sr dient voor de feiten slechts één straf te worden opgelegd.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze voor de straf en bij de vaststelling van de hoogte daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk door een bestuurder en valsheid in geschrifte. Zij hebben, toen hun duidelijk was dat het faillissement van de onderneming van de medeverdachte onafwendbaar was, een valse pandrechtconstructie bedacht en uitgevoerd. Deze was erop gericht het geld dat de medeverdachte in zijn bedrijf had gestoken, ten nadele van de boedel en ten koste van andere schuldeisers voor hem veilig te stellen. Daarbij zijn zij er niet voor teruggedeinsd via het opmaken van valse geschriften een papieren werkelijkheid voor te wenden, met als doel de door hen bedachte constructie buiten het zicht van de curator en de overige schuldeisers van de onderneming te houden.

Met hun handelwijze hebben zij willens en wetens de schuldeisers van de onderneming benadeeld en hebben zij het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in de echtheid en onvervalstheid van bewijsgeschriften moet kunnen worden gesteld, ernstig beschaamd. De rechtbank rekent het verdachte in het bijzonder aan dat hij als financieel specialist en saneerder van bedrijven niet het goede voorbeeld heeft gegeven. Hij is in die positie iemand in wie de samenleving het vertrouwen moeten kunnen hebben dat hij financieel in alle opzichten integer handelt.

Dat verdachte en zijn mededaders niet tot de gewraakte constructie hadden hoeven over te gaan, als de betaling door de medeverdachte in privé aan zijn bedrijf destijds goed zou zijn vastgelegd, doet aan de strafwaardigheid van hun gedragingen niet af.

De ernst van de bewezen verklaarde feiten rechtvaardigt in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal echter gelet op het volgende, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een werkstraf. In de eerste plaats is sinds het plegen van de feiten een periode van meer dan 6 jaar verstreken. Daarnaast heeft verdachte geen voordeel uit de feiten verkregen en heeft deze strafzaak zeer waarschijnlijk nadelige gevolgen voor het vervolg van zijn carrière (gehad).

Redelijke termijn

In deze zaak heeft de politie verdachte voor het eerst op 11 september 2008 verhoord. Die dag geldt als de dag waarop de op redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Verdachte heeft vanaf dat moment kunnen verwachten dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld.

Met het onderzoek door de rechter-commissaris in strafzaken, dat op verzoek van de verdediging is verricht, is een bepaalde periode gemoeid geweest. Eerst op de terechtzitting van 8 maart 2012 heeft de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden, waarna het onderzoek is gesloten. De behandeling van de zaak ter terechtzitting zal zijn afgerond met een eindvonnis drie jaar en zes maanden nadat de genoemde termijn is aangevangen. In beginsel staat daarvoor twee jaar.

De omvang en complexiteit van de zaak en het onderzoek door de rechter-commissaris rechtvaardigen niet de overschrijding van een jaar en zes maanden, gedurende welke periode verdachte in onzekerheid heeft moeten verkeren over de afloop van het proces. Vanwege die vertraging zal de rechtbank de op te leggen onvoorwaardelijke werkstraf reduceren met 15 procent, waarna, in het voordeel van verdachte afgerond, een werkstraf van 200 uur resteert.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 225 en 343 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze artikelen zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

9. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

1 primair.

medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon baten aan de boedel onttrekken, enig goed klaarblijkelijk beneden de waarde vervreemden en op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, schuldeisers op enige wijze bevoordelen, meermalen gepleegd

2.

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Beveelt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 200 uren, met bevel voor het geval dat verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.F. Korthals Altes, voorzitter,

mrs. B. Langendoen en G. Demmink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P.C.N. van Gelderen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 maart 2012.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij het vonnis van 22 maart 2012:

1 primair.

hij in de periode van 1 augustus 2005 tot 1 november 2005 te Blaricum en/of [plaats] en/of te Hilversum, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), te weten [medeverdachte], zijnde bestuurder van ESDM direct marketing projecten B.V. en/of [medeverdachte 2] , en/of een of meer andere mededader(s), terwijl ESDM direct marketing projecten B.V. bij vonnis van de rechtbank te Amsterdam d.d. 11 oktober 2005 in staat van faillissement was verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van ESDM direct marketing projecten B.V.,

- (een) ba(a)t(en) niet heeft verantwoord en/of verantwoord en/of (een) goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken en/of onttrekt en/of

- enig(e) goed(eren) om niet en/of klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd en/of

- ter gelegenheid van het faillissement van ESDM direct marketing projecten B.V. en/of op een tijdstip waarop hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een of meerdere van de schuldeiser(s) van ESDM direct marketing projecten B.V. op enige wijze heeft bevoordeeld en/of bevoordeelt,

immers heeft verdachte en/of [medeverdachte] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer andere mededader(s):

- een nieuwe leningsovereenkomst opgesteld tussen ESDM direct marketing projecten B.V. en [X] B.V., met daarin opgenomen dat ESDM direct marketing projecten B.V. als schuldenaar de verplichting heeft om tot meerdere zekerheid voor de terugbetaling aan [X] B.V. als schuldeiser stil pandrecht te verlenen op alle bestaande en toekomstige vorderingen daaronder begrepen eventuele andere rechten ingevolge de uitoefening van het bedrijf van ESDM direct marketing projecten B.V., welke leningsovereenkomst geantedateerd is op 2 november 2004 (rubriek 9 p. 164) en/of

- werkzaamheden die verricht waren door ESDM direct marketing projecten B.V. gefactureerd vanuit de nieuwe B.V., ESDM direct marketing B.V. i.o. en/of

- het geld van de debiteuren van ESDM direct marketing projecten B.V. dat binnenkwam op de rekening van ESDM direct marketing projecten B.V. doorgestort naar de rekening van [X] B.V. en/of

- een te lage overnameprijs voor de activa van ESDM direct marketing projecten B.V. vastgesteld van EUR 5.000,-;

(artikel 47, 343 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair:

hij in de periode van 1 augustus 2005 tot 1 november 2005 te Blaricum en/of [plaats] en/of te Hilversum, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

- in geval van faillissement, of in het vooruitzicht daarvan, nu het faillissement van ESDM direct marketing projecten B.V. is gevolgd op 11 oktober 2005, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers, (een) goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken en/of een betaling heeft aangenomen van een niet opeisbare schuld en/of van een opeisbare schuld, terwijl hij, verdachte, en of zijn mededader(s) in het laatste geval wist(en) dat het faillissement van de schuldenaar, te weten ESDM direct marketing projecten B.V., reeds was aangevraagd of ten gevolge van overleg met de schuldenaar, te weten ESDM direct marketing projecten B.V. en/of

- bij verificatie van de schuldvorderingen in geval van faillissement, een niet bestaande schuldvordering heeft voorgewend of een bestaande tot een verhoogd bedrag heeft doen gelden,

immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- een nieuwe leningsovereenkomst opgesteld tussen ESDM direct marketing projecten B.V. en [X] B.V., met daarin opgenomen dat ESDM direct marketing projecten B.V. als schuldenaar de verplichting heeft om tot meerdere zekerheid voor de terugbetaling aan [X] B.V. als schuldeiser stil pandrecht te verlenen op alle bestaande en toekomstige vorderingen daaronder begrepen eventuele andere rechten ingevolge de uitoefening van het bedrijf van ESDM direct marketing projecten B.V., welke leningsovereenkomst geantedateerd is op 2 november 2004 (rubriek 9 p. 164) en/of

- werkzaamheden die verricht waren door ESDM direct marketing projecten B.V. gefactureerd vanuit de nieuwe B.V., ESDM direct marketing B.V. i.o. en/of

- het geld van de debiteuren van ESDM direct marketing projecten B.V. dat binnenkwam op de rekening van ESDM direct marketing projecten B.V. doorgestort naar de rekening van [X] B.V. en/of

- een te lage overnameprijs voor de activa van ESDM direct marketing projecten B.V. vastgesteld van EUR 5.000,-;

(artikel 47, 344 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2005 tot 1 november 2005 te Blaricum en/of [plaats] en/of te Hilversum, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een of meerdere geschrift(en) te weten (onder meer):

a) een leningsovereenkomst d.d. 2 november 2004 tussen [X] B.V. en ESDM direct marketing projecten B.V. (rubriek 9, p. 164) en/of

b) een brief d.d. 29 augustus 2005 van [X] B.V. gericht aan ESDM direct marketing projecten B.V. (rubriek 9, p. 168) en/of

c) een pandakte d.d. 31 augustus 2005 tussen [X] B.V. en ESDM direct marketing projecten B.V. (rubriek 9, p. 167) en/of

d) een verrekeningsovereenkomst d.d. 2 november 2004 tussen de heer [medeverdachte] en/of [X] B.V. en/of ESDM Beheer B.V. en/of ESDM direct marketing projecten B.V. (rubriek 9, p. 197)

zijnde (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of valselijk heeft doen opmaken, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat in strijd met de waarheid:

ad a) een onjuiste datum is ingevuld als datum van ondertekening, namelijk 2 november 2004, terwijl de overeenkomst in augustus 2005 is ondertekend en/of daarin is opgenomen dat de vorderingen op de debiteuren van ESDM direct marketing projecten B.V. verpand worden aan [X] B.V., terwijl dit in de eerdere leningsovereenkomst van 2 november 2003 tussen ESDM direct marketing projecten B.V. en [X] B.V. niet stond vermeld en/of

ad b) in dat geschrift staat vermeld dat [X] B.V. zich ernstig zorgen maakt om het feit dat ESDM direct marketing projecten B.V. niet voldoet aan haar verplichting tot aflossing en rentebetaling van haar schuld aan [X] B.V. en dat [X] B.V. om die reden een pandrecht wil vestigen, terwijl de mogelijkheid van het vestigen van een pandrecht niet in de oude leningsovereenkomst d.d. 2 november 2003 tussen [X] B.V. en ESDM direct marketing projecten B.V. is opgenomen en/of

ad c) in dat geschrift staat vermeld dat ESDM direct marketing projecten B.V. aan [X] B.V. de vordering verpandt zoals vermeld op de bijgevoegde lijst, terwijl de mogelijkheid van het vestigen van een pandrecht niet in de oude leningsovereenkomst d.d. 2 november 2003 tussen [X] B.V. en ESDM direct marketing projecten B.V. is opgenomen en/of

ad d) een onjuiste datum is ingevuld als datum van ondertekening, namelijk 2 november 2004 terwijl de overeenkomst in augustus 2005 is ondertekend,

zulks met het oogmerk om dit/deze geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

(artikel 47, 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

i Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

ii Telkens een geschrift, zijnde een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, respectievelijk pag. 9 001 ([X] BV), pag. 9 003 (ESDM Beheer BV), pag. 9 005 (ESDM).

iii Een geschrift, zijnde een briefing personeel, pag. 2042.

iv Een geschrift, zijnde een rapportage quick scan administratie, pag. 9 215 en verklaring [boekhouder], pag. 5 017.

v Een geschrift, zijnde een rapportage quick scan administratie, pag. 9 216.

vi Verklaring [boekhouder], pag. 5 017.

vii Een geschrift, zijnde brief van Rabobank d.d. 3 maart 2003, pag. 9 244 e.v. en verklaring [boekhouder], pag. 5 017.

viii Een geschrift, zijnde een rapportage quick scan administratie, pag. 9 221.

ix Relaas, pag. 1 004, verklaring [boekhouder], pag. 5 017, verklaring M. Meijer, pag. 5 030 en een geschrift, zijnde een e-mailbericht d.d. 22 augustus 2005, pag. 2 016.

x Verklaring [getuige], pag. 5 001.

xi Verklaring van [getuige], pag. 5 001 e.v.

xii Een geschrift, zijnde een e-mailbericht d.d. 22 augustus 2005, pag. 2 016.

xiii Een geschrift, zijde een brief d.d. 29 augustus 2005, pag. 9 168.

xiv Een geschrift, zijnde een pandakte, pag. 9 169.

xv Een geschrift, zijnde een leningsovereenkomst, pag. 9 164 e.v.

xvi Een geschrift, zijnde een verrekeningsovereenkomst, pag. 9 97 e.v.

xvii Memo bij aangifte van curator [curator], pag. 2 004 en een geschrift, zijnde een printscreen, pag. 9 149.

xviii Een geschrift, zijnde een schriftelijke overeenkomst d.d. 2 november 2004, pag. 9 189 e.v.

xix Een geschrift, zijnde een rapportage quick scan administratie, pag. 9 236.

xx Een geschrift, zijnde een faillissementsverslag, pag. 6 075.

xxi Memo bij aangifte van curator [curator], pag. 2 005.

xxii Verklaring [medewerker ESDM], pag. 5 033.

xxiii Beslissing d.d. 11 oktober 2005, pag. 9 163.

xxiv Verklaring van [medeverdachte], pag. 6 003.

xxv Verklaring [medeverdachte], pag. 6 005.

xxvi Verklaring [medeverdachte], pag. 6 005. en een geschrift, zijnde een e-mailbericht d.d. 25 augustus 2005 met bijlage, pag. 2 018 e.v.

xxvii Een geschrift, zijnde een e-mailbericht d.d. 25 augustus 2005 met bijlage , pag. 2 019.

xxviii Een geschrift, zijnde een e-mailbericht d.d. 25 augustus 2005 met bijlage , pag. 2 018 e.v.

xxix Een geschrift, zijnde een ongetekende leningsovereenkomst d.d. 3 november 2003, pag 6 090 e.v. en verklaring [medeverdachte], pag. 6 087 e.v.

xxx Een geschrift, zijnde een e-mailbericht d.d. 26 augustus 2005 met bijlage, pag. 2 027.

xxxi Een geschrift, zijnde e-mailbericht d.d. 30 augustus 2005 met bijlage, pag. 6 044.

xxxii Een geschrift, zijnde e-mailbericht d.d. 30 augustus 2005 met bijlage, pag. 6 047 e.v.

xxxiii Een geschrift, zijnde een leningsovereenkomst, pag. 9 164 e.v. en een geschrift, zijnde e-mailbericht d.d. 30 augustus 2005 met bijlage, pag. 6 044 e.v.

xxxiv Een geschrift, zijnde een e-mailbericht d.d. 7 september 2005 met bijlage, pag. 2 035 e.v.

xxxv Een geschrift, zijnde een e-mailbericht d.d. 6 oktober 2005, pag. 2 049.

xxxvi Memo bij aangifte van curator [curator], pag. 2 011.

xxxvii Een geschrift, zijnde een e-mailbericht d.d. 13 oktober 2005, pag. 2 060 e.v.

xxxviii Verklaring van [medeverdachte] bij de rechter-commissaris in het faillissement van ESDM d.d. 4 november 2005.

xxxix Verklaring van [medeverdachte], pag. 6 022.

xl Verklaring van [verdachte], pag. 6 095.

xli Verklaring van [verdachte], pag. 6 096.

xlii Verklaring van [verdachte], pag. 6 097.

xliii Verklaring van [verdachte], pag. 6 098.

xliv Verklaring van [verdachte], pag. 6 100.

xlv Verklaring van [verdachte], pag. 6 101.

xlvi Verklaring van [boekhouder], pag. 5 016.

xlvii Verklaring van [boekhouder], pag. 5 016.

xlviii Verklaring [boekhouder] d.d. 13 januari 2011, afgelegd bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.