Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BV9392

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-02-2012
Datum publicatie
20-03-2012
Zaaknummer
AWB 11/2571 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening van eerdere uitspraak van de rechtbank in de zin van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. Eiser beroept zich op nieuwe jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. De betreffende uitspraken dateren van ná de uitspraak van de rechtbank. Alleen al daarom moet het verzoek om herziening worden afgewezen. Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, omdat hij heeft berust in de uitspraak van de rechtbank. Daardoor bevindt hij zich niet in dezelfde postie als collega's die wel hoger beroep hebben ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2571 AW

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de Minister van Financiën,

verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 21 januari 2011 heeft eiser de rechtbank verzocht om herziening van de door deze rechtbank gewezen uitspraak van 12 juni 2008 (geregistreerd onder zaaknummer AWB 07/4039 AW).

Het verzoek is ter zitting behandeld op 7 februari 2012.

Partijen zijn – na voorafgaande kennisgeving – niet verschenen.

Overwegingen

1. Bij uitspraak van 12 juni 2008 heeft deze rechtbank geoordeeld dat eisers afkoopsom op grond van het Convenant betreffende de overgang van medewerkers van het UWV naar de Belastingdienst van 4 februari 2005 door verweerder terecht en op juiste wijze is berekend aan de hand van de daadwerkelijk op 1 januari 2006 voor de voormalige medewerkers van het UWV geldende rechtspositie.

2. Eiser heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.

3. Een aantal oud-UWV medewerkers heeft wel hoger beroep ingesteld tegen uitspraken van de rechtbank over de (hoogte en berekening van de) afkoopsom. Bij uitspraken van 8 april 2010, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummers BM2326, BM2335 en BM2342, heeft de Centrale Raad van Beroep (de Raad) geoordeeld dat verweerder bij de vaststelling van de afkoopsom in de berekening van het bruto-netto traject van het salaris bij de Belastingdienst ten onrechte bij de vakantietoeslag en de eindejaarsuitkering een bijzonder tarief van 42% heeft toegepast.

4. Naar aanleiding van de uitspraken van de Raad heeft verweerder bij besluit van

16 december 2010 aan eiser een eenmalige uitkering van € 500,- bruto toegekend. Daarbij is opgemerkt dat het een uitbetaling uit coulance betreft die zal worden gedaan op basis van goed werkgeverschap.

5. Eiser heeft bij brief van 21 januari 2011 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 december 2010. Eiser heeft verzocht de berekening van de afkoopsom te herzien naar aanleiding van de hiervoor onder 3 genoemde uitspraken van de Raad.

6. Bij brief van 28 april 2011 heeft verweerder het verzoek van eiser doorgezonden aan de rechtbank onder verwijzing naar artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

7. Eiser heeft bij brief van 26 juli 2011 aan de rechtbank bevestigd dat zijn bezwaarschrift moet worden aangemerkt als een verzoek om herziening van de uitspraak van deze rechtbank van 12 juni 2008.

8. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de rechtbank eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

Aan al deze drie voorwaarden dient te zijn voldaan.

9. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over het in de uitspraak beslechte geschil of over de uitspraak zelf te openen. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Raad van 9 december 2004, gepubliceerd onder LJ-nummer AR7772.

10. De rechtbank stelt vast dat de uitspraken van de Raad op zichzelf niet kunnen worden gezien als nieuwe feiten in de zin van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, nu die uitspraken dateren van ná de uitspraak van de rechtbank. Alleen al daarom moet het verzoek om herziening worden afgewezen.

11. Volgens eveneens vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van 21 maart 2001, gepubliceerd onder LJ-nummer AB1691) dient, in het kader van de rechterlijke toetsing van het door een bestuursorgaan weigeren om terug te komen van een in het verleden genomen rechtens onaantastbaar besluit (een procedure die lijkt op een verzoek om herziening bij de rechter), het enkele feit dat uit een later gedane uitspraak blijkt dat een dergelijk besluit berust op een onjuiste uitleg of verkeerde toepassing van een wettelijk voorschrift – voor zover het gaat om aanspraken in het verleden – voor risico te blijven van betrokkene die in dat besluit heeft berust. Ook zo bezien kan het verzoek niet slagen.

12. Eiser heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van

12 juni 2008. Eiser bevindt zich daardoor niet in dezelfde positie als zijn collega’s die wel hoger beroep hebben ingesteld. Voor zover eiser een beroep heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel, kan dit beroep daarom niet slagen.

13. Uit het vorenstaande vloeit voort dat niet is voldaan aan de in artikel 8:88 van de Awb gegeven maatstaven voor herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak. Het verzoek om herziening moet om die reden worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzitter, mrs. C.J. Polak en M.C. Eggink, leden, in aanwezigheid van mr. S.M.P. Mulder, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2012.

de griffier de voorzitter

is buiten staat deze uitspraak

mede te ondertekenen

Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB