Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BV9342

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-03-2012
Datum publicatie
20-03-2012
Zaaknummer
509729 / KG ZA 12-151 HB/MB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding aangespannen door verzekerde, een tengevolge van een herseninfarct arbeidsongeschikte buschauffeur.

Verzekeraar moet voorschot betalen op uitkeringen op grond van de woonlastenverzekering. Hoewel de buschauffeur thans niet bij zijn gezin woont, is volgens de voorzieningenrechter nog steeds sprake van woonlasten voor ‘de door verzekeringnemer/verzekerde zelf bewoonde onroerende zaak’. Emigratie – een beëindiginggrond voor de verzekering – is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan de orde. Het verblijf van de verzekerde bij zijn moeder in Duitsland moet veeleer worden beschouwd als een noodgedwongen tijdelijk verblijf, ingegeven door zijn arbeidsongeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 509729 / KG ZA 12-151 HB/MB

Vonnis in kort geding van 2 maart 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende (althans verblijvende) te [plaats 1],

eiser bij dagvaarding van 9 februari 2012,

advocaat mr. K.F.J. Machielsen te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JUBILEE EUROPE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. M.T. Spronck te Apeldoorn.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 22 februari 2012 heeft eiser, hierna [eiser], gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Gedaagde, hierna Jubilee, heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig, voor zover hier van belang:

aan de zijde van [eiser]: [echtgenote], echtgenote van [eiser] (hierna: [echtgenote]), en mr. Machielsen;

aan de zijde van Jubilee: [head of office], head of office, [persoon 1] en

mr. Spronck.

2. De feiten

2.1. [eiser] is werkzaam geweest in loondienst als buschauffeur. [eiser] en [echtgenote] zijn samen eigenaar van de woning aan het adres [A-straat nr] te [plaats 2] (hierna ook: de woning). Het gezin [eiser] bestaat uit

[eiser], [echtgenote] en hun vier kinderen.

2.2. Tegelijk met de aankoop van de woning in 2006 heeft [eiser] (met ingang van 31 juli 2006) een SNS Woonlastenverzekering afgesloten bij Jubilee. Deze woonlastenverzekering biedt dekking tegen het risico van arbeidsongeschiktheid en de verzekeraar vergoedt in dat geval (een deel van de) woonlasten.

2.3. Jubilee heeft het aanvraagformulier voor de verzekering in het geding gebracht, ondertekend door [eiser] op 31 maart 2006, waarin onder meer staat:

“Algemene verklaring

Hierbij verklaar ik tevens dat ik:

(…)

f. de laatste 12 maanden geen ziekten heb gehad waarvoor ik meer dan 4 weken aaneengesloten onder medische behandeling ben geweest, waardoor ik arbeidsongeschikt ben geweest, of ben behandeld of verpleegd in een ziekenhuis (…) of andere soortgelijke inrichting;

g. thans geen medicijnen, stimulerende of verdovende middelen gebruik;

h. niet onder behandeling of controle sta van huisarts, specialist, psychiater of psycholoog;

i. naar beste weten in goede gezondheid verkeer, niet aan een chronische ziekte lijd en geen problemen ondervind bij het verrichten van mijn werk;

(…)”

2.4. In de bij de verzekering behorende Algemene Voorwaarden staat, voor zover hier van belang, het volgende.

“1 Begripsomschrijvingen

(…)

1.6 Verzekerde woonlast

Het bedrag van de maandelijks verschuldigde rente, aflossing en/of levensverzekeringspremie dat rechtstreeks voortvloeit uit een door de verzekeringnemer/verzekerde afgesloten hypothecaire geldlening op de door verzekeringnemer/verzekerde gekochte en zelf bewoonde onroerende zaak.

(…)

3 Duur en einde van deze verzekering

(…)

3.2 Deze verzekering eindigt

(…)

3.2.4 Op de dag waarop de verzekerde met pensioen gaat (…) of vanuit Nederland emigreert

(…)

6 Algemene verplichtingen bij een verzekerde gebeurtenis

6.1 De verzekerde en/of belanghebbende is verplicht (…) (de verzekeraar, vzr.) zo snel mogelijk, maar in elk geval binnen 14 dagen nadat een gebeurtenis is voorgevallen waarvoor deze verkezering dekking biedt, op de hoogte te stellen van deze gebeurtenis. (…) (De verzekeraar, vzr.) zal de verzekerde op verzoek een schadeaangifteformulier toezenden. Een gebeurtenis die tot een aanspraak op de dekking onder de rubriek Arbeidsongeschiktheid kan leiden, dient uiterlijk te worden gemeld op de dag dat de eigenrisicotermijn zoals vermeld in het polisblad is verstreken.

(…)

6.3 De verzekerde en/of belanghebbende is verplicht

6.3.1. (De verzekeraar, vzr.) tijdig, volledig en juist te informeren (…)

6.4 De verzekerde kan geen rechten aan deze verzekering ontlenen als

6.4.1. Hij één van de in 6.1, 6.2 of 6.3 genoemde verplichtingen niet is nagekomen en daardoor de belangen van de verzekeraar heeft geschaad;

RUBRIEK A: ARBEIDSONGESCHIKTHEID

14 Begripsomschrijving

Arbeidsongeschiktheid

In het kader van deze verzekering is van arbeidsongeschiktheid uitsluitend sprake indien bij de verzekerde (…) medisch vast te stellen stoornissen ontstaan, waardoor de verzekerde (…) voor tenminste 45% ongeschikt is tot het verrichten van werkzaamheden (…).

(…)

17 Eigenrisicotermijn

Voor arbeidsongeschiktheid geldt een eigenrisicotermijn zoals vermeld in het bijbehorende polisblad

18 Uitkering

(…)

18.3 Verhoogde uitkering:Wanneer meer dan 24 maanden zijn verstreken tussen de ingangsdatum van deze verzekering en een gebeurtenis waaruit recht op uitkering wegens arbeidsongeschikheid voortvloeit en de verzekerde gedurende deze periode geen uitkering heeft ontvangen uit hoofde van deze rubriek, zal het uit te keren bedrag met 10% worden verhoogd.

19 Duur en einde van de uitkering

19.1 De maximale uitkeringsduur bedraagt 60 maanden per gebeurtenis.

(…)

19.2 In elk geval eindigt de uitkering direct indien

?Niet langer sprake is van arbeidsongeschiktheid van 45% of meer

?Deze verzekering vervalt overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.2.1. tot en met 3.2.6 van deze voorwaarden

(…)

RUBRIEK E: ZIEKENHUISOPNAME

35 Omvang van de dekking

Recht op uitkering bestaat wanneer de verzekerde, de echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner van de verzekerde tijdens de geldigheidsduur van deze verzekering een ongeval of ziekte overkomt tengevolge waarvan deze persoon wordt opgenomen in een erkend ziekenhuis of een erkende kliniek.

(…)

37 Uitkering

37.1 (…)

De uitkering per volledige dag van ziekenhuisopname bedraagt € 25,-. Er worden per uitkering maximaal dertig opeenvolgende volledige dagen van ziekenhuisopname in aanmerking genomen. (…). Voor deze daggelduitkering geldt een wachttijd van vijf dagen berekend vanaf de eerste dag van ziekenhuisopname.

(…)”

2.5. Op het bij de verzekering behorende polisblad staat dat de verzekerde maandelijkse woonlast € 500,- bedraagt en is met betrekking tot de wachttijd (eigen risico) het volgende vermeld:

“Eigen risico bij arbeidsongeschiktheid

en AO ten gevolge van een ongeval : 365 dagen

Eigen risico bij ziekenhuisopname : 5 dagen ”

2.6. Op 16 juli 2009 heeft [eiser] een herseninfarct gekregen. In verband daarmee is hij van 16 juli tot en met 4 augustus 2009 opgenomen geweest op de afdeling neurologie van het Flevoziekenhuis te Almere. Aansluitend is hij tot

24 november 2009 opgenomen geweest in revalidatiecentrum De Trappenberg in Huizen. Na zijn herseninfarct heeft [eiser] niet meer gewerkt.

2.7. In een rapportage van De Trappenberg aan de huisarts van [eiser] van

21 augustus 2009 staat onder meer het volgende:

“Diagnose : ischemisch CVA rechts.

Voorgeschiedenis: recent depressieve periode. Intake bij (…) in verband met verdenking ADHD

Barrett oesophagitis en hernia diaframatica

hypertensie.

pijn en gewrichtsklachten aan de rechter zijde waarvoor meneer bekend is bij het Jan van Breemen Instituut.”

2.8. Onder de gedingstukken bevindt zich een rapportage inzake een zogenoemde ‘eigen kracht-conferentie’, gehouden op 14 maart 2010 in het kader van de begeleiding van en hulpverlening aan het gezin [eiser], in verband met (onder meer) de arbeidsongeschiktheid van [eiser].

2.9. Op 29 september 2010 heeft [echtgenote] aangifte gedaan van vermissing van [eiser]. Op het bewijs van aangifte is als adres van [eiser] vermeld: het adres van de woning te [plaats 2].

2.10. Onder de gedingstukken bevindt zich een rapportage van Bureau Jeugdzorg Flevoland van 22 november 2011, terzake van een beslissing tot het niet verlengen van de ondertoezichtstelling van een dochter uit het gezin [eiser].

2.11. Op 1 september 2011 heeft [echtgenote] namens [eiser] een Schade-aangifteformulier Arbeidsongeschiktheid ingediend bij Jubilee. In de begeleidende brief heeft zij onder meer het volgende geschreven:

“Het vermelde adres betreft het woonhuis, waar de hypotheek op rust. Na zijn herseninfarct (…) en revalidatieperiode bleek mijn man niet meer in ons drukke gezin (met 4 kinderen, waarvan 2 met ADHD) te kunnen wonen.

Sinds 01-12-2010 woont hij officieel bij zijn moeder. (…)

Wij zijn echter niet gescheiden en zijn nog steeds samen huiseigenaar.

(…) Mijn man regelde altijd onze financiën en in deze zenuwslopende periode heb ik niet aan onze hypotheek gedacht.

14-09-2009 heb ik SNS medewerkster (…) telefonisch op de hoogte gebracht van de toestand van mijn man en haar gevraagd wat mijn mogelijkheden waren om de hypotheek te kunnen blijven betalen. Volgens (de SNS medewerkster, vzr.) konden wij nog geen aanspraak maken op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering omdat mijn man nog niet officiéel arbeidsongeschikt was. Dit kon volgens haar pas als hij, na 2 jaar Ziektewetuitkering, nog steeds arbeidsongeschikt zou zijn. (…)”

2.12. Bij beslissing van 13 oktober 2011 heeft het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) aan [eiser] met ingang van 14 juli 2011 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100.

2.13. Bij brief van 15 december 2011 heeft Jubilee de claim van [eiser] afgewezen, aangezien volgens Jubilee geen sprake (meer) is van een zelf bewoonde onroerende zaak en omdat [eiser] naar Duitsland zou zijn geëmigreerd.

2.14. Bij brief van 6 januari 2012 heeft (de raadsvrouw van) [eiser] aan Jubilee meegedeeld het niet eens te zijn met de afwijzing, Jubilee in gebreke gesteld en haar gesommeerd om binnen 7 dagen alsnog een uitkering aan [eiser] te verstrekken van € 750,- wegens de ziekenhuisopname en € 550,- per maand vanwege arbeidsongeschiktheid, vanaf 20 augustus 2009, althans vanaf 16 juli 2010.

2.15. In een rapportage van 27 januari 2012 van De Trappenberg inzake [eiser] is het volgende vermeld:

“Er was (…) sprake van een zeer moeilijke situatie waarbij er sprake was van stemmingswisselingen, angstaanvallen en agressie.”

2.16. Bij brief van 31 januari 2012 heeft Jubilee aan (de raadsvrouw van) [eiser] meegedeeld nimmer via een officieel schade-aangifteformulier een schadeclaim met betrekking tot de ziekenhuisopname te hebben ontvangen. Daarnaast staat in deze brief:

“(…) uit de ons ter beschikking staande informatie is gebleken dat uw cliënt officieel in Duitsland woonachtig is (…). Daarom zijn wij van mening dat uw cliënt gelet op artikel 1.6 van de algemene voorwaarden niet voor vergoeding uit hoofde van de woonlastenverzekering in aanmerking komt daar uw cliënt niet woonachtig is op de [A-straat nr] te [plaats 2]. Echter, wij zijn bereid de schadeclaim van uw cliënt nogmaals te beoordelen na ontvangst van een kopie van het uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie waaruit volgt in welke gemeente uw cliënt staat ingeschreven en waaruit volgt dat uw cliënt gehuwd is met mevrouw [echtgenote].”

2.17. Volgens gegevens van de Gemeentelijke basisadministratie is [eiser] van 12 december 1995 tot 1 december 2010 ingeschreven geweest op het adres van de woning te [plaats 2], vanaf 1 december 2010 tot 27 september 2011 op een adres in Duitsland en vanaf 27 september 2011 op een adres in [plaats 1].

2.18. [echtgenote] heeft een kopie van een rekeningoverzicht van de SNS Bank in het geding gebracht, waarop (wisselende) betalingen staan die op haar rekening zijn gedaan en afkomstig zijn van rekeningnummer [rek.nr.], met de

vermelding ‘hypotheek’ (en de maanden februari 2011 tot en met januari 2012).

Bij de datum, 01-08-2011 staat: “HYPOTHEEK (…) 07/11 (…) RENTE 819.95 PREMIE 274,36 TE VOLDOEN 1094,31. WIJ WIJZEN U EROP DAT HET VERSCHULDIGDE BEDRAG I.V.M. EEN ONTOEREIKEND SALDO NOG NIET ISVOLDAAN. WIJ VERZOEKEN U VOORVOLDOENDE SALDO TE ZORGEN, WAARNA WIJ ALSNOG TOT INCASSO ZULLEN OVERGAAN.”

Ook is op het overzicht vermeld dat op 1 februari 2012 een saldotekort van € 924,96 bestond.

2.19. Jubilee heeft haar standpunt dat [eiser] op grond van de woonlastenverzekering niet in aanmerking komt voor een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid gehandhaafd.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert veroordeling van Jubilee tot betaling aan [eiser] van:

- de uitkering op grond van artikel 35 van de polisvoorwaarden (uitkering wegens ziekenhuisopname), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 augustus 2009;

alsmede:

- primair tot betaling van een maandelijks bedrag van € 550,- op grond van artikel 14 juncto 18.3 van de polisvoorwaarden (uitkering in verband met arbeidsongeschiktheid), met ingang van 22 juli 2009, althans van 16 juli 2010, vermeerderd met de wettelijke rente daarover;

- subsidiair tot een voorschot op voornoemde uitkering;

met veroordeling van Jubilee in de proceskosten.

3.2. [eiser] heeft, kort samengevat, aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat geen grond bestaat voor een weigering van de uitkeringen op basis van de verzekering, aangezien hij in een erkend ziekenhuis/erkende kliniek opgenomen is geweest en geen sprake is van een verhuizing en/of van emigratie van [eiser]. Het verblijf van [eiser] bij zijn moeder en zuster(s) in Duitsland en [plaats 1] was en is een soort noodmaatregel, gelegen in zijn arbeidsongeschiktheid, waardoor hij niet langer in zijn drukke gezin kon verblijven. Het is een tijdelijke maatregel, in de hoop dat [eiser] te zijner tijd weer in het gezin kan terugkeren. De inschrijving in Duitsland is om praktische redenen gedaan. Ook voor het overige is aan de polisvoorwaarden voldaan en Jubilee wordt op geen enkele wijze door de handelwijze van [eiser] in haar belangen geschaad. [eiser] heeft bij de gevraagde voorzieningen een spoedeisend belang, aangezien zijn inkomensteruggang tot financiële problemen heeft geleid.

3.3. Jubilee voert verweer waarop hierna nader zal worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering - waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. Anders dan Jubilee heeft bepleit, heeft [eiser] een voldoende spoedeisend belang bij zijn vorderingen. Jubilee heeft niet betwist dat [eiser] er inmiddels 30% in inkomen op achteruit is gegaan, zodat voldoende aannemelijk is dat [eiser] en zijn gezin de gevorderde uitkering nodig hebben om de hypotheeklasten (tijdig) te kunnen voldoen. In ieder geval is op enig moment saldotekort ontstaan waardoor de hypotheek niet kon worden betaald. Dat op dit moment (nog) geen sprake is van een substantiële achterstand in de hypotheeklasten, doet aan het spoedeisend belang niet af. Ook de omstandigheid dat [eiser] niet eerder gerechtelijke stappen heeft genomen en tot september 2011 heeft gewacht met het indienen van het schadeformulier, ontneemt hem niet een spoedeisend belang bij de vordering. Bepalend voor de beoordeling daarvan is immers het tijdstip van de procedure/het vonnis. Bovendien heeft [eiser] een afdoende verklaring gegeven voor het wachten met de indiening van de aanvraag, namelijk dat de medewerkster van SNS in september 2009, die [echtgenote] stelt toen reeds te hebben benaderd, te kennen had gegeven dat een uitkering pas aan de orde zou zijn als [eiser] na twee jaar ziektewetuitkering officieel arbeidsongeschikt zou zijn verklaard. Daarnaast heeft [echtgenote] verklaard dat zij zich in de eerste periode na het herseninfarct van haar echtgenoot met name heeft gericht op zijn gezondheidstoestand en het draaiend houden van het gezin, in plaats van op de financiën. Dit is een aannemelijke verklaring die Jubilee niet, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft betwist.

4.3. Niet in geschil (althans onvoldoende bewist) is dat [eiser] op 16 juli 2009 is getroffen door een herseninfarct, noch dat hij tengevolge daarvan voor

tenminste 45% ongeschikt is tot het verrichten van zijn werkzaamheden, zoals omschreven in artikel 14 van de polisvoorwaarden. Ook is niet in geschil dat [eiser] voorafgaand aan het herseninfarct met zijn gezin in de woning woonde met het oog waarop de verzekering was afgesloten. De stelling van [eiser] dat op het moment dat het risico zich voltrok (op 16 juli 2009) in beginsel aan artikel 1.6 van de polisvoorwaarden werd voldaan, wordt dan ook gevolgd.

4.4. [eiser] heeft aanspraak gemaakt op twee soorten uitkeringen waar de verzekering op ziet, te weten de uitkering in verband met ziekenhuisopname en de uitkering in verband met arbeidsongeschiktheid. In de polis zijn deze uitkeringen onderscheiden in twee verschillende rubrieken, rubriek E en rubriek A (zie onder 2.4). Voor de uitkering in verband met de ziekenhuisopname bestaat een wachttijd (eigenrisicoperiode) van vijf dagen, terwijl in de polis(voorwaarden) is vermeld dat voor een uitkering in verband met arbeidsongeschiktheid een eigenrisicoperiode geldt van 365 dagen. Anders dan [eiser] heeft betoogd valt niet in te zien op grond waarvan de laatstgenoemde wachttijd niet zou gelden, als de arbeidsongeschiktheid zich voordoet direct aansluitend op de ziekenhuisopname.

De visie van Jubilee dat een eventuele uitkering op grond van arbeidsongeschiktheid niet eerder ingaat dan per 16 juli 2010 wordt dan ook gedeeld.

4.5. Jubilee heeft bij brief van 15 december 2011 de claim op basis van arbeidsongeschiktheid afgewezen. Voor de claim in verband met de ziekenhuisopname heeft zij op 31 januari 2012 een schadeaangifteformulier aan [eiser] toegezonden, aangezien dat volgens Jubilee nog niet eerder was ingediend.

4.6. Met betrekking tot de claim op basis van de ziekenhuisopname, geldt het volgende. [eiser] heeft erkend voor die claim niet het toegezonden schadeaangifteformulier te hebben ingevuld, stellende daartoe niet verplicht te zijn, aangezien de gegevens bij Jubilee voldoende bekend zijn, omdat sprake is van één gebeurtenis en één aanspraak, die al op het schadeaangifteformulier ter zake van de arbeidsongeschiktheid is vermeld. Jubilee heeft echter terecht aangevoerd dat sprake is van verschillende uitkeringen die onder verschillende rubrieken vallen, waarvoor zij naar haar zeggen verschillende formulieren hanteert. In dit verband kan niet worden gezegd dat Jubilee zich onredelijk opstelt door van [eiser] te verlangen dat voor de claim in verband met de ziekenhuisopname een apart formulier wordt ingevuld, noch dat het invullen en toezenden daarvan niet van [eiser] zou kunnen worden gevergd. [eiser] dient dan ook alsnog het desbetreffende formulier in te vullen en aan Jubilee toe te zenden, alvorens op deze uitkering aanspraak te kunnen maken. Op grond van het voorgaande kan voorshands, bij gebreke van een formele aanvraag, niet worden aangenomen dat Jubilee met het (niet) honoreren van de claim inzake de ziekenhuisopname reeds in verzuim is. Dit onderdeel van de vordering van [eiser] zal dan ook worden afgewezen. Overigens heeft Jubilee ter zitting meegedeeld dat zij niet alleen het Flevoziekenhuis, maar ook het revalidatiecentrum “de Trappenberg” als een “erkende kliniek” in de zin van de polisvoorwaarden aanmerkt, zodat de voorzieningenrechter er vooralsnog van uitgaat dat dit onderdeel van de claim na afhandeling van de formaliteiten zal worden gehonoreerd.

4.7. Jubilee heeft de aanvraag uitkering in verband met de arbeidsongeschiktheid van [eiser] afgewezen, omdat geen sprake (meer) zou zijn van een ‘zelf bewoonde’ woning en omdat de verzekering zou zijn geëindigd, aangezien [eiser] naar Duitsland zou zijn geëmigreerd, waarmee ook de verplichting tot het verstrekken van uitkering(en) is komen te vervallen.

4.8. In de polisvoorwaarden wordt van de begrippen ‘zelf bewoonde woning’ en ‘emigratie’ geen nadere definitie gegeven en partijen geven daaraan beiden een andere invulling.

4.9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in het normale spraakgebruik van ‘emigratie’ sprake, indien iemand naar een ander land verhuist, met de intentie daar voor langere tijd zijn hoofdverblijf te hebben. Deze invulling van het begrip valt zowel onder de door [eiser] aangehangen definitie uit de Dikke Van Dale (‘(1) definitief vertrek naar een land overzee, naar het buitenland (synoniem voor landverhuizing) en (2) uitwijking naar een ander land om politieke of godsdienstige redenen’), als onder de door Jubilee gehanteerde in de Wikepedia weergegeven betekenis (‘de actie waarbij mensen hun geboorteland verlaten om zich in het buitenland te vestigen’) en wordt daarom geacht in ieder geval te vallen onder hetgeen beide partijen daaronder bij het aangaan van de verzekering hebben begrepen en konden begrijpen.

Of nog sprake is van een ‘zelf bewoonde woning’ of van ‘emigratie’ van [eiser] in voornoemde betekenis, zal aan de hand van de feiten en omstandigheden van dit geval dienen te worden beoordeeld.

4.10. Vast staat dat [eiser] ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid in de woning woonde. Gelet op het verslag van de ‘eigen kracht-conferentie’ in maart 2010 en de aangifte van vermissing van september 2010 kan worden aangenomen dat dit tot aan die datum nog steeds het geval was. Ook stond hij tot 1 december 2010 op het adres van de woning ingeschreven. Jubilee heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat hij daar vóór 1 december 2010 niet meer woonachtig was. Aangenomen kan daarom worden dat hem over de periode van 16 juli 2010 tot 1 december 2010 in beginsel een uitkering op grond van de woonlastenverzekering toekomt, omdat het een door hem zelf bewoonde woning betrof en emigratie niet aan de orde was.

4.11. Voor wat betreft de periode na het vertrek van [eiser] uit de woning, eind 2010, staat vast dat de echtgenote van [eiser] met de kinderen in de woning is blijven wonen en dat het huwelijk van partijen in stand is gebleven. Voorts is aannemelijk dat [eiser] nauw betrokken is gebleven bij het wel en wee van het gezin. Voor dat laatste is in elk geval een aanknopingspunt te vinden in de rapportage van de Bureau Jeugdzorg over de dochter van partijen. Verder is voldoende aannemelijk dat [eiser] en zijn echtgenote nog steeds gezamenlijk de hypotheeklasten dragen voor de woning. Jubilee heeft niet betwist dat het onder 2.18 vermelde rekeningnummer [rek.nr.] een rekening van [eiser] is en dat de [echtgenote] de betalingen aan de bank verricht en heeft verricht.

4.12. Jubilee heeft haar stelling dat sprake is van emigratie, althans van een verhuizing, er met name op gebaseerd dat [eiser] zich op 1 december 2010 heeft ingeschreven op een adres in Duitsland. Jubilee heeft echter niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist dat dit het adres van de moeder van [eiser] betreft die, evenals een van zijn zusters, vlak over de grens in Duitsland woont. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk dat [eiser] zijn intrek heeft genomen bij zijn moeder omdat zijn arbeidsongeschiktheid tengevolge van het herseninfarct, binnen het drukke gezin waartoe ook vier kinderen behoorden, van wie twee met (destijds) problematisch gedrag, een onhoudbare situatie creëerde. Aannemelijk is dat de gedragsveranderingen van [eiser] daaraan met name debet waren. Ook de vermissing van [eiser] in september 2010 kan in dat licht worden bezien.

Niet is gesteld of gebleken dat [eiser] in Duitsland over een zelfstandige woonruimte beschikte. Evenmin heeft hij de woning in [plaats 2] opgegeven en tot op heden draagt hij daarvan (mede) de hypotheeklasten. Bovendien is [eiser] op

29 september 2011 weer in Nederland ([plaats 1]) ingeschreven. Jubilee heeft evenmin gemotiveerd betwist dat dit een adres van een (andere) zuster van [eiser] is en dat [eiser] sinds 1 november 2011 in [plaats 1] een vakantiewoning huurt. Daar komt bij dat de inschrijving in Duitsland volgens [echtgenote] een praktische achtergrond had, namelijk dat [eiser] in de veronderstelling verkeerde dat zonder die inschrijving de kosten voor zijn fysiotherapie-behandelingen niet werden vergoed.

4.13. Anders dan Jubilee heeft betoogd moet op grond van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden worden aangenomen dat de woning in [plaats 2], ook na het vertrek van [eiser] naar Duitsland, respectievelijk [plaats 1], nog kan worden aangemerkt als een door de verzekerde zelf bewoonde woning in de zin van de polisvoorwaarden en dat geen sprake is van ‘emigratie’. Aannemelijk is immers dat het verblijf van [eiser] buiten zijn gezin is ingegeven door zijn gezondheids-toestand en dat het niet zozeer gaat om een ‘verhuizing’ naar Duitsland of [plaats 1], alswel om een (tijdelijk) noodgedwongen verblijf in de nabijheid van zijn moeder en zuster, die toevallig in Duitsland, respectievelijk in [plaats 1] wonen. De omstandigheid dat [eiser] eerder, voorafgaand aan zijn arbeidsongeschiktheid, gedurende enkele weken niet in het gezin verbleef, zoals is vermeld in rapportage van de verzekeringsarts van het UWV, brengt daarin, anders dan Jubilee heeft bepleit, geen wijziging.

4.14. Al met al kan worden geconcludeerd dat een redelijke uitleg van de poliswaarden meebrengt dat aanspraak van [eiser] in de specifieke omstandigheden van dit geval valt onder de ‘verzekerde woonlast’ als bedoeld in artikel 1.6 van de polisvoorwaarden en dat geen sprake is van ‘emigratie’ in de zin van artikel 3.2.4. Anders dan Jubilee heeft aangevoerd is het verzekerde risico door deze uitleg niet vergroot, noch is sprake van een benadeling van Jubilee. De stelling dat dit wel het geval zou zijn heeft Jubilee niet nader gemotiveerd.

4.15. De omstandigheid dat de arbeidsongeschiktheid niet bij Jubilee is gemeld binnen de in 6.1 van de polisvoorwaarden genoemde termijn, waarop Jubilee zich eveneens heeft beroepen, biedt evenmin een grond om aan te nemen dat [eiser] geen rechten aan de verzekering kan ontlenen. Niet aannemelijk is immers dat Jubilee door de late melding – die verklaarbaar is op grond van de in 4.2 genoemde omstandigheden – in haar belangen is geschaad.

4.16. Jubilee heeft tenslotte nog het standpunt ingenomen dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan schending van de mededelingsplicht. Dit omdat [eiser] op het aanvraagformulier geen opmerkingen heeft gemaakt bij de tekst “Hierbij verklaar ik tevens dat ik: (…)” zoals vermeld onder 2.4, terwijl in de bij 4.13 weergegeven rapportage van De Trappenberg aan de huisarts van [eiser] melding is gemaakt van een medische voorgeschiedenis. Vooralsnog bestaat echter onvoldoende grond om aan te nemen dat de daar vermelde voorgeschiedenis strijd oplevert met de vermelde verklaring en/of dat [eiser] dientengevolge Jubilee onjuist zou hebben ingelicht. Van belang daarbij is dat de rapportage (waarin onder meer melding is gemaakt van ‘recent depressieve periode’) dateert van 21 augustus 2009, terwijl het aanvraagformulier is ingevuld in maart 2006.

4.17. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat Jubilee naar het oordeel van de voorzieningenrechter gehouden is om op basis van de woonlastenverzekering in verband met de arbeidsongeschiktheid van [eiser] aan hem met ingang van

16 juli 2010 een uitkering te verstrekken. Niet in geschil is dat de uitkering in dit geval bij het honoreren van de aanspraak € 550,- per maand zou bedragen, zodat een maandelijks bedrag van die omvang als voorschot zal worden toegekend. De rente zal worden toegewezen vanaf 6 januari 2012, aangezien [eiser] het aanvraagformulier pas in september 2011 heeft ingediend en Jubilee op 6 januari 2012 in gebreke geeft gesteld.

4.18. In aanvulling op het voorgaande wordt nog overwogen dat de omstandigheid dat een zeker restitutierisico bestaat, zoals Jubilee heeft aangevoerd, van onvoldoende gewicht is om de vordering af te wijzen, te meer nu Jubilee niet heeft weersproken dat [eiser] en zijn echtgenote ieder over een maandelijks(e) inkomen/uitkering beschikken.

4.19. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Jubilee worden veroordeeld in de kosten van dit geding, gevallen aan de zijde van [eiser]. Omdat [eiser] op basis van een (voorwaardelijke) toevoeging procedeert en de dagvaardingskosten om die reden (grotendeels) door de rechtbank aan de door de Jubilee ingeschakelde deurwaarder worden vergoed, zal [eiser] worden veroordeeld deze kosten aan de griffier van de rechtbank te voldoen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt Jubilee om met ingang van 16 juli 2010 aan [eiser], gedurende de uitkeringstermijn te voldoen een bedrag van € 550,- per maand als voorschot op een uitkering op basis van de woonlastenverzekering, in verband met de arbeidsongeschiktheid van [eiser], te vermeerderen, voor wat betreft de tot

6 januari 2012 verschuldigde bedragen, met de wettelijke rente daarover te berekenen vanaf 6 januari 2012 en voor wat betreft de daarna verschuldigde bedragen te berekenen vanaf de dag van opeisbaarheid;

5.2. veroordeelt Jubilee in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op;

– € 90,64 te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer [rek.nr. 2] ten name van Arrondissement 521 Amsterdam onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer;

– € 73,- aan griffierecht, te vermeerderen met een bedrag van € 194,- ingeval geen definitieve toevoeging wordt verstrekt en griffierecht wordt geheven van € 267,-;

– € 816,- aan salaris advocaat;

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.N. Brouwer, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2012.