Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BV9074

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
20-03-2012
Zaaknummer
13-710111-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Deelname aan een criminele organisatie die witwassen en het zonder vergunning als wisselkantoor optreden ten doel had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/710111-10 (PROMIS)

Datum uitspraak: 15 maart 2012

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Pakistan) op [1959],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 10 mei 2011, 20 en 22 februari 2012 een 1 maart 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Voorhuis en van wat verdachte en zijn raadsman mr. B.J. Visser naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting 10 mei 2011 gewijzigd, waarna, blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 mei 2011, de tenlastelegging ten aanzien van de zinsneden "onder meer" en "en/of geldbedragen van in totaal meerdere miljoenen euro's, bestaande uit onder meer" nietig is verklaard. Op de zitting van 20 februari 2012 is de tenlastelegging opnieuw gewijzigd.

De op 20 februari 2012 gewijzigde tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich in de periode van 1 maart 2010 tot en met 30 november 2010 in Amsterdam aan gewoontewitwassen, subsidiair schuldwitwassen, heeft schuldig gemaakt (feit 1), als geldtransactiekantoor werkzaam is geweest (feit 2) en aan een criminele organisatie heeft deelgenomen die deze delicten als doel had (feit 3).

2. Voorvragen

De dagvaarding, zoals die op 20 februari 2012 is gewijzigd, is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk haar vordering. Verder zijn er geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is, zoals weergegeven in het door haar ter terechtzitting overgelegde requisitoir, van mening dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder 1, primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan. Zij heeft daartoe, kort samengevat, het volgende betoogd.

Vastgesteld is dat de groep personen waarvan verdachte deel uitmaakte en die opereerde vanuit een wasserette aan de Javastraat te Amsterdam, op grote schaal geldtransacties heeft uitgevoerd. Voor een deel ging het om "regulier" hawalabankieren, voor een deel om het verrichten van criminele transacties. Tussen deze twee vormen van transacties kan onderscheid worden gemaakt op basis van de wijze van administreren, de wijze van communiceren en het wisselende telefoongebruik. Dit beeld wordt gecompleteerd met door de politie uitgevoerde observaties. De wijze van vervoeren en overdragen, het feit dat niet via de reguliere bancaire weg geld wordt overgedragen en pakketten met geld worden overhandigd op opmerkelijke plaatsen, het versluierde taalgebruik in de tapgesprekken en de aangetroffen drugs zijn omstandigheden die, in onderlinge samenhang bezien, voor de transacties die niet kunnen worden aangemerkt als regulier hawalabankieren, het bestaan van een legale bron zo onwaarschijnlijk maken dat het niet anders kan dan dat de hiermee gemoeide bedragen uit misdrijf afkomstig zijn.

Deze transacties worden allemaal op de volgende, vrijwel identieke wijze verricht. Een transactie wordt voorafgegaan door het verstrekken per telefoon of sms van een tokennummer en het telefoonnummer van degene voor wie het geld bestemd is. Vaak wordt ook het te ontvangen bedrag ge-sms't. Met de ontvanger wordt een afspraak gemaakt en vervolgens wordt tijdens een zeer korte persoonlijke ontmoeting een tas overgedragen. In de tassen die in beslag zijn genomen, blijkt een geldbedrag te zitten dat correspondeert met het per sms aangekondigde bedrag. In een aantal gevallen is de transactie terug te vinden in in beslag genomen schriften met administratie.

De bewijsconstructie voor het gewoontewitwassen over de ten laste gelegde periode voor de niet onderschepte transacties bestaat uit de volgende bewijsmiddelen: de identieke modus operandi, de observaties in combinatie met vele tapgesprekken die duiden op omvangrijke witwasactiviteiten, administratie waarin transacties zijn terug te vinden, grote geldbedragen die zijn aangetroffen in de wasserette en de woningen van verdachten, de verklaringen van [getuige 1] (hierna: [getuige 1]) en [getuige 2] (hierna: [getuige 2]) over de modus operandi van het ondergrondsbankieren, de verklaringen van verdachte en andere wasserettemedewerkers dat in de wasserette ondergronds wordt gebankierd en dat ze het geld dat bij hen is aangetroffen, voor [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]) bewaarden, en de witwastypologieën. Gelet hierop kunnen alle ten laste gelegde transacties dan ook bewezen worden verklaard.

Dat sprake is van een criminele organisatie, blijkt uit de volgende omstandigheden. De planmatigheid bestaat hieruit dat eenzelfde werkwijze wordt gebruikt. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van tokennummers en werktelefoons. Ook de gebruikte codetaal zegt iets over de duurzaamheid van de werkwijze van de organisatie. Duidelijk is geworden dat [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4]) degenen zijn die de knopen doorhakken en vaak in onderling overleg beslissingen nemen, waaruit een gezamenlijke besluitvorming blijkt. Verder is, gelet op de vele tapgesprekken, sprake van duurzaamheid. Die duurzaamheid kan ook worden afgeleid uit de eerdere veroordeling van [medeverdachte 3] in 2000, de wijziging van de handelsnaam van de wasserette, de administratie van het ondergrondsbankieren met crimineel geld uit 2002, de CIE-informatie uit 2007 en het onderzoek Teberio, waaruit blijkt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in 2009 en 2010 contact met de ondergrondse bankier [ondergrondse bankier] hadden.

Verdachtes rol bestaat hieruit dat hij geldkoerier was en geldbewaarder voor de criminele organisatie en medeverantwoordelijk voor vele criminele geldtransacties. Daarnaast heeft hij ook direct contact met de afnemers en met de broker [broker]. Daardoor neemt hij binnen de organisatie een positie direct onder de twee hoofdverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in. Dit blijkt met name uit de tapgesprekken, de in beslag genomen telefoons en de administratie. Verder is bij verdachte in de woning geld aangetroffen, waarover hij heeft verklaard dat het geld van [medeverdachte 1] is. Aangezien alle witwastypologieën op dit geldbedrag van toepassing zijn, is dit geld van misdrijf afkomstig.

3.2. Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 vangt de periode aan vanaf de eerste transacties die uit het vooronderzoek zijn gebleken. Verdachte beseft dat hij in een lastige positie is terechtgekomen. Hij weet dat hij een fout heeft gemaakt ten aanzien van de geldtransporten die door het Openbaar Ministerie zijn onderschept. Onvoldoende bewijs is er voor de overige transacties, want hier gaat het om aannames van de politie op basis van telefoontaps, observaties en tokennummers. Verdachte heeft erkend handelingen voor [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] te hebben verricht, maar kan zich niet herinneren wanneer hij die handelingen heeft verricht. Hij heeft nooit het geld geteld of geld in handen gehad. Verder is verdachte armlastig. Dit duidt niet op iemand die zich met lucratieve praktijken bezig houdt en daaraan winsten overhoudt. Verdachte heeft dan ook geen leidinggevende rol in de criminele organisatie gehad.

Feit 2 kan bewezen worden verklaard, maar verdachte dient te worden vrijgesproken van het onderdeel "beroepsmatig en bedrijfsmatig".

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde kunnen vraagtekens worden gesteld of sprake was van een organisatie waarvan verdachte deel uitmaakte. Verdachte heeft in ieder geval nooit ervaren deel dat hij van een criminele organisatie uitmaakte.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

De zaak tegen verdachte is gelijktijdig - maar niet gevoegd - ter terechtzitting van 10 mei 2011, 20 en 22 februari 2012 en 1 maart 2012 behandeld met de zaken van de medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]), [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5]), [medeverdachte 6] (hierna; [medeverdachte 6]) en [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7]). Vandaag wordt ook tegen deze medeverdachten vonnis gewezen. Ten behoeve van de leesbaarheid zal de rechtbank niet alleen de rol van verdachte bespreken, maar ook de rol van alle medeverdachten.

Om te beoordelen of de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard, dient per ten laste gelegde transactie met voldoende zekerheid vast komen te staan dat de transactie daadwerkelijk een geldtransactie betrof en, indien dat het geval is, om welk bedrag en welke valuta het ging. Vervolgens dient te worden vastgesteld of het geldbedrag van misdrijf afkomstig was, of verdachte als pleger of medepleger bij de transactie betrokken is geweest en of hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld een criminele herkomst had.

Voorop wordt gesteld dat het enkele feit dat geldbedragen van hawalabankieren afkomstig zijn, onvoldoende is om aan te nemen dat deze geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn.

Op grond van de in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de volgende redengevende feiten en omstandigheden.i De inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - wordt slechts gebruikt voor het bewijs van het ten laste gelegde feit waarop het, zoals blijkt uit de inhoud, kennelijk betrekking heeft.

De rechtbank bespreekt eerst twee transacties die de politie heeft onderschept, en zal vervolgens aan de hand daarvan en ander bewijs een tussenconclusie trekken. Daarna volgen overwegingen met betrekking tot de overige transacties.

3.3.1. De onderschepte geldtransacties

Transactie op 27 oktober 2010 van € 74.000,-

Op 27 oktober 2010 om 11:40 uur wordt [medeverdachte 4] door [broker] uit Pakistan gebeld. In dit gesprek geeft [broker] te kennen dat 7400 is ontvangen. Hierop belt [medeverdachte 4] met [medeverdachte 1]. Tegen [medeverdachte 1] zegt [medeverdachte 4] dat de "samaan" - waarmee spullen of geld wordt bedoeld - van [naam 1] is gekomen en dat [medeverdachte 1] hem mag bellen en het hem mag geven. Om 12:25 uur belt [medeverdachte 1] met verdachte en zegt tegen verdachte dat hij met "dat" moet komen. Verdachte vraagt aan [medeverdachte 1] of het grote of kleine "mango's" moeten zijn, waarop [medeverdachte 1] zegt: "shotay", hetgeen kleine betekent. Vervolgens rijdt verdachte naar zijn woning in Amsterdam, gaat die woning binnen en verlaat even later de woning met een plastic tas van de winkelketen Albert Heijn.ii Voor de wasserette gevestigd op de Javastraat [nr] te Amsterdam, waarvan [medeverdachte 1] met [medeverdachte 3] eigenaar isiii, geeft verdachte om 13:00 uur de plastic tas aan [medeverdachte 1] die daarmee naar binnen loopt. In de wasserette staat [medeverdachte 1] bij de balie met een aantal onbekende personen. Omstreeks 13:03 uur wordt vanaf de vaste lijn in de wasserette gebeld naar [medeverdachte 4], waarbij op de achtergrond te horen is dat een man zegt: "Somebody give their big money now". Hierna komen om 13:26 uur twee mannen naar buiten gelopen, waarvan één man dezelfde Albert Heijn tas als waarmee verdachte zijn woning verliet, in zijn hand heeft. Deze man stapt in een auto en rijdt weg. Op de kruising van de Jan Evertsenstraat en de Orteliusstraat te Amsterdam krijgt de onbekende man van de Engelsman [Engelsman 1] (hierna: [Engelsman 1]) een sleutel. Hierop gaat de man met de tas de woning van Orteliusstraat [nr] binnen en komt even later zonder tas naar buiten. Om 14:08 uur hebben [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] een telefoongesprek, waarbij [medeverdachte 4] zegt dat de 7400 is gedaan.iv Om 14: 25 uur lopen twee mannen, te weten de Engelsen [Engelsman 2] (hierna: [Engelsman 2]) en [Engelsman 3] (hierna: [Engelsman 3]) richting de woning aan de Orteliusstraat [nr] en staan voor de woning stil. [Engelsman 1] doet de voordeur open en loopt met [Engelsman 3] en [Engelsman 2] over de Orteliusstraat richting de Van Spilbergenstraat. [Engelsman 1] heeft daarbij de plastic Albert Heijn tas in zijn hand. Ter hoogte van nummer [nr] geeft [Engelsman 1] de tas aan [Engelsman 3], waarna [Engelsman 3] alleen wegloopt. Even later wordt [Engelsman 3] aangehouden.v Bij [Engelsman 3] wordt in de Albert Heijn tas, door verbalisant S003 herkend als dezelfde tas als waarmee verdachte de woning verlietvi, een bedrag van € 74.000,- in (kleine) coupures van € 50,-, € 20,- en € 10,- aangetroffen.vii Tevens heeft [Engelsman 3] 990 gram cocaïne bij zich.viii In de woning van [Engelsman 1] wordt nog een vuurwapen, 250 gram hasjiesj en 994 gram MDMA aangetroffen.ix

Transactie op 8 november 2010 van € 119.850,-

Op 6 november 2010 sms't [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 8] (hierna: [medeverdachte 8]) het nummer: "Jk.35465545janu.7424799552". Dit nummer wordt vervolgens op 8 november 2010 door [medeverdachte 8] aan de Engelsman [Engelsman 4] (hierna: [Engelsman 4]) gesms't. Vervolgens sms't [medeverdachte 8] [medeverdachte 1] dat hij kan komen.x [medeverdachte 1] gaat dan van de wasserette naar de woning van [medeverdachte 8], Tweede Atjehstraat [nr] te Amsterdam.xi Even later belt [medeverdachte 8] met [Engelsman 4] en dan zegt [Engelsman 4] dat hij thuis is en dat hij (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1]) er is.xii Vervolgens gaat ook [Engelsman 4] naar de woning. Na ongeveer tien minuten verlaat [medeverdachte 1] deze. Ook [Engelsman 4] en [medeverdachte 8] verlaten de woning en gaan boodschappen doen. De politieobservanten zien dat [Engelsman 4] en [medeverdachte 8] iets op de achterbank van de auto van [Engelsman 4] leggen. [medeverdachte 8] en [Engelsman 4] gaan weer de woning van [medeverdachte 8] binnen, waarna [Engelsman 4] na ongeveer acht minuten de woning verlaat en met zijn auto wegrijdt. [Engelsman 4] gaat vervolgens de woning aan de Linnaeuskade [nr] te Amsterdam binnen.xiii Daarna vindt wederom telefonisch contact plaats tussen [medeverdachte 8] en [medeverdachte 1] en tussen [medeverdachte 8] en [Engelsman 4].xiv Omstreeks 19:59 uur vindt opnieuw een ontmoeting plaats tussen [medeverdachte 8], [Engelsman 4] en [medeverdachte 1]. Na ongeveer twee minuten gaan de drie mannen uit elkaar en gaat [Engelsman 4] weer naar de Linnaeuskade [nr].xv Omstreeks 20:18 uur sms't [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 8] "Kami:740582643".xvi Tijdens de doorzoeking van de woning Linnaeuskade [nr]/2 worden een bedrag van € 119.850,- en 313 gram amfetamine aangetroffen en in beslag genomen.xvii Tussen 20:56 uur en 21:22 uur sms't [medeverdachte 1] meermalen naar [medeverdachte 8] dat [medeverdachte 8] hem (de rechtbank begrijpt: [Engelsman 4]) moet bellen omdat het erg belangrijk is.xviii Om 21:41 uur belt [Engelsman 4] met een onbekende Engelsman en zegt tegen hem dat de politie is binnengevallen waar zijn geld is en dat hij dat geld net voor de broeders heeft gedaan.xix Vervolgens heeft [Engelsman 4] telefonisch contact met [medeverdachte 8] en bespreken ze de aanhouding van de vriend van [Engelsman 4].xx

3.3.2. De verklaringen van [getuige 1]

De getuige [getuige 1] heeft op 22 en 25 maart 2011 een verklaring afgelegd. Hij heeft onder andere het volgende verklaard.xxi Als vanuit Nederland drugs naar Engeland worden overgebracht, wil de Nederlander meestal de betaling in euro's ontvangen. Dit gebeurt dan via een tussenpersoon, te weten een geldhandelaar. Deze geldhandelaar is meestal de eigenaar van een winkel of een bedrijfje. Dit zijn voornamelijk schijnwinkels. Deze geldhandelaar heeft zijn eigen netwerk en kijkt waar de euro's het beste kunnen worden aangekocht. De koerswinst is voor de geldhandelaar. Vanuit Pakistan wordt alles aangestuurd. Indien in Nederland een contant geldbedrag wordt uitbetaald, wordt elders in de wereld een bedrag betaald. Hierdoor wordt het geld nooit rechtstreeks vervoerd, maar gaat dit via andere landen. Bij de transacties van grote geldbedragen (bedragen boven € 50.000,-) wordt gebruik gemaakt van een tokennummer. Voor het overmaken van geld naar vrienden en familie in het buitenland worden geen tokennummers gebruikt. Bij die transacties worden gewoon de naam, het telefoonnummer en de plaats van afgifte naar de ontvanger gestuurd.

Verder heeft [getuige 1] verklaard dat gebruik werd gemaakt van bijnamen en dat die namen elke drie maanden worden veranderd om op die manier niet gepakt te worden. Ook werd in codetaal gesproken. Er wordt nooit Londen gezegd, maar Lahore. Hyderabad is Amsterdam, Multan in Manchester, Tower is Parijs, Ganja betekent dollar, Rani is een Britse pond, cricket is een Australische dollar en een Dubai dirham wordt een beach wale genoemd. Als het geld wordt gebracht, dan wordt gezegd: "Ik kom bij u ontbijten of koffie drinken". Het doel hiervan is dat het voor degene die de telefoon afluistert, onbegrijpelijk is, met de bedoeling dat men niet gepakt wordt.

[getuige 1] werkte voor [medeverdachte 9] (hierna: [medeverdachte 9]) en [medeverdachte 10] (hierna: [medeverdachte 10]). Met hen is [getuige 1] meermalen naar de wasserette aan de Javastraat in Amsterdam geweest. Het doel van deze bezoeken was het dealen van geld. Hiervoor gingen [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] meestal met [medeverdachte 3] een kamer binnen. Als [medeverdachte 3] er niet was, deed [medeverdachte 1] dat. Op een pagina in een schrift dat in de woning van [medeverdachte 1] is aangetroffen, staat [bijnaam medeverdachte 10] vermeld. [bijnaam medeverdachte 10] is de bijnaam van [medeverdachte 10]. Verder staat op die pagina vermeld "Rcvd from [bijnaam getuige 1] 10000". [getuige 1] heeft hierover verklaard dat hij [bijnaam getuige 1] is en dat met 10.000 waarschijnlijk € 100.000,- wordt bedoeld, aangezien het niet waarschijnlijk is dat zijn bazen hem voor € 10.000,- naar Nederland laten komen.xxii

3.3.3. De aangetroffen schriften en telefoons

In de schoudertas van [medeverdachte 1] is een paars schrift aangetroffen.xxiii Op een pagina in dit schrift staan in de eerste kolom de namen van steden in Pakistan vermeld. In de tweede kolom staan Pakistaanse mobiele telefoonnummers en in de derde kolom persoonsnamen uit de regio Pakistan, Punjab en Afghanistan. De vierde kolom betreft getallen en in de vijfde kolom staan getallen die in verhouding staan met de getallen in kolom 4, te weten het percentage 0,86%. Naast deze manier van administreren, bevat het schrift een andere pagina waarop iets anders staat vermeld. Op deze pagina staan in de eerste kolom data vermeld en in de tweede, derde en vierde kolom getallen. Boven deze kolommen staan de namen [naam 1], [voornaam verdachte] en [voornaam verdachte]. De informatie die op deze pagina staat, is doorgekrast.xxiv Naast het paarse schrift zijn in de schoudertas van [medeverdachte 1] ook twee telefoons aangetroffen, waarvan één telefoon alleen sms-berichten bevat die zijn verstuurd naar of zijn ontvangen van één Brits nummer. Een aantal van deze sms-berichten is te koppelen aan de gegevens die in het paarse schrift.xxv Nu deze telefoons en dit schrift in de schoudertas van [medeverdachte 1] zijn aangetroffen, wordt er vanuit gegaan dat deze aan [medeverdachte 1] toebehoorden.

Op 10 november 2010 vinden telefoongesprekken tussen [medeverdachte 1] en een Pakistaanse man plaats. In die telefoongesprekken wordt besproken dat 200 in twee keer wordt gegeven. Op dezelfde datum worden vanaf de telefoon van [medeverdachte 1] twee tokennummers verzonden. Deze tokennummers bevatten hetzelfde telefoonnummer en dezelfde naam. Tevens worden op de telefoon van [medeverdachte 1] twee sms-berichten ontvangen met daarin de tekst "Brother i give him 100 at 5 pm" respectievelijk "Brother we give him 100 at 8 pm". In het paarse schrift dat bij [medeverdachte 1] is aangetroffen, staat bij 10 november het getal "200".xxvi Voorts staat in het paarse schrift bij 12 november 2010 het getal "100". Op dezelfde datum heeft [medeverdachte 1] van een Pakistaans nummer het sms-bericht met de tekst "100.is.ok.B" ontvangen. Op 13 november 2010 heeft [medeverdachte 1] het sms-bericht "Brother we give him 100 at 6.15 pm" ontvangen en op 19 november het sms-bericht "Brother i give him 112.500 at 3.37 pm". In het paarse schrift staat bij 13 november het getal "100" en bij 20 november het getal "11250".xxvii

Verder zijn in de woning van [medeverdachte 5] onder andere een aantal telefoons en een kladblok aangetroffen. In een van die telefoons stonden sms-berichten met tokennummers. Die tokennummers komen overeen met de administratie op het aangetroffen kladblok. Op dit kladblok staan bij de tokennummers voornamelijk grote bedragen vermeld.xxviii

Uit het voorgaande blijkt dat transacties op twee manieren werden geadministreerd, waarvan de ene onder andere de namen van personen en Pakistaanse telefoonnummers bevatte. De rechtbank neemt aan dat deze wijze van administreren betrekking heeft op reguliere hawala- transacties. De andere manier waarop werd geadministreerd, is veel ondoorzichtiger. Daarbij werden alleen data en getallen genoemd, maar soms ook tokennummers. Ook andere schriften die in de wasserette aan de Javastraat en in de woningen van verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] zijn aangetroffen, laten zien dat op twee verschillende manieren werd geadministreerd.xxix Gelet op de andere wijze van administreren, op de ondoorzichtigheid daarvan, de samenhang met het gebruik van tokennummers en de hoogte van de bedragen, kan het niet anders zijn dan dat dit deel van de administratie betrekking heeft op transacties anders dan het reguliere hawalabankieren. Dit wordt nog ondersteund door de omstandigheid dat in een schrift dat bij [medeverdachte 1] is aangetroffen, op een pagina stond vermeld "Rcvd from [bijnaam getuige 1] 10000" en uit de verklaring van [getuige 1] blijkt dat dit een niet reguliere Hawala transactie betrof.xxx

3.3.4. Tussenconclusie

Uit de onderschepte transacties van 27 oktober en 8 november 2010 valt het volgende af te leiden. De geldbedragen van € 74.000,- en € 119.850,- bleken, nu deze geldbedragen samen met verdovende middelen en zelfs een wapen werden aangetroffen, bestemd te zijn voor in Nederland wonende criminelen die zich met verdovende middelen bezig hielden. De criminelen die dit geld via deze transacties hebben ontvangen, zijn Engelsen. Tussen Engeland en Nederland kan echter voor het overmaken van geld eenvoudig gebruik worden gemaakt van het normale bankverkeer. Daarnaast zijn de verkrijgers van het geld niet gevestigd in een land waar het bankwezen tekort schiet en het nuttig is gebruik te maken van hawalabankieren. Tevens is niet gebleken dat het geldbedrag afkomstig is van een land dat aangewezen is op hawalabankieren. Dit is anders dan bij landen zoals Pakistan en India. In die landen wordt vaker gesteund op hawalabankieren, omdat het bankverkeer daar gebrekkig is. Dit alles wijst erop dat de overdracht van geld in Nederland aan een persoon van Britse nationaliteit in contanten door tussenkomst van het informele bankkantoor aan de Javastraat een transactie inhoudt die het daglicht niet kan verdragen.

Verder kan uit de transactie van 27 oktober 2010 worden vastgesteld dat, wanneer in het telefoongesprek het getal 7400 werd genoemd, daarmee een geldbedrag van € 74.000,- werd aangeduid, nu dit het bedrag is dat bij [Engelsman 3] is aangetroffen. Tevens blijkt dat in het telefoongesprek gebruik is gemaakt van versluierde taal. In het telefoongesprek wordt gesproken over "mango's", terwijl daarmee klaarblijkelijk "geld" werd bedoeld. Daarbij wordt meegewogen dat [medeverdachte 1] tegen verdachte heeft gezegd dat het kleine mango's moesten zijn en het geldbedrag van € 74.000,- in kleine coupures is aangetroffen.

De handelwijze van de onderschepte transacties past in de verklaring van [getuige 1]. [getuige 1] heeft namelijk verklaard dat er naast het reguliere hawalabankieren een andere vorm van bankieren is die dezelfde bankiers gebruiken en waarbij het om crimineel geld gaat dat op versluierde wijze van het ene land naar het andere land wordt overgebracht, hoewel tussen die landen gebruik kan worden gemaakt van het reguliere bankverkeer. Tevens heeft hij verklaard dat bij de deze vorm van bankieren gebruik wordt gemaakt van tokennummers. Deze tokennummers worden kennelijk alleen gebruikt door personen die aanspraak maken op uitbetaling en op die wijze anoniem willen blijven. Ook bij de transactie van 8 november 2010 die de politie heeft onderschept, is gebruik gemaakt van tokennummers. Niet is gebleken dat de ontvanger van het geld zich anders dan via het tokennummer heeft gelegitimeerd. De functie van een tokennummer is om anoniem te blijven en dat is bij de transactie van 8 november 2010 dan ook gebeurd.

Dat er twee vormen van het ondergrondsbankieren zijn, blijkt, zoals hiervoor onder 3.3.3. is overwogen, ook uit de wijze waarop deze transacties werden geadministreerd. Deze wijze van administreren ondersteunt dus eveneens de verklaring van [getuige 1] en vormt, naast de inhoud van de afgeluisterde gesprekken en wat de politie heeft zien gebeuren, een aanwijzing dat op grote schaal transacties hebben plaatsgevonden die geen betrekking hebben op het reguliere hawalabankieren.

Verder wordt de verklaring van [getuige 1] ondersteund door de volgende omstandigheden. Uit de transactie van 27 oktober 2010 blijkt dat [broker] degene is die aan [medeverdachte 4] doorgeeft dat het geld is ontvangen. Voorts zijn andere telefoongesprekken afgeluisterd met [broker] waaruit blijkt dat hij kennelijk als broker fungeert.xxxi Dit ondersteunt de verklaring van [getuige 1] dat iemand in Pakistan alles aanstuurt. Daarnaast vormt de aanwezigheid van een broker eveneens een aanwijzing dat op grote schaal geldbedragen werden getransigeerd. Voorts vormt de omstandigheid dat [medeverdachte 4] zich in een telefoongesprek op 16 september 2010 verspreekt door te zeggen "In Londen, heb je in Lahore iemand?"xxxii een bevestiging van de verklaring van [getuige 1] dat in versluierde taal werd gesproken en met Lahore Londen werd bedoeld.

Uit de transactie van 27 oktober 2010 blijkt dat wanneer in telefoongesprekken bedragen worden genoemd, een nul ontbreekt en het tienvoudige bedrag bedoeld wordt. Uit andere transacties blijkt dat in sommige gevallen een aantal nullen ontbreekt. Dit blijkt onder andere uit de hierboven besproken transactie van 10 november 2010. [medeverdachte 1] geeft in een gesprek met een Pakistaanse broker door dat van B 99940 is ontvangen en dat er 60 tekort is. Dit geeft een totaal van 100.000. Verder zijn er telefoongesprekken die gaan over de afgifte van 200 in twee keer en heeft [medeverdachte 1] op 10 november 2010 twee sms-berichten ontvangen waarin het getal 100 wordt genoemd. Voorts staat in het paarse schrift bij de datum 10 november het getal 200.xxxiii Daarnaast ontvangt op 13 november de telefoon die bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in gebruik is, een sms-bericht waarin staat "Saaf=84960+15000 Pahadi. Short=40". Deze getallen zijn bij elkaar opgeteld eveneens 100.000. Op 13 november 2010 heeft [medeverdachte 1] een sms-bericht ontvangen met de tekst "Brother, we give him 100 at 6.15 pm" en ook in het schrift staat op 13 november het getal 100.xxxiv Uit het voorgaande kan dan ook worden afgeleid dat bij deze transacties met het getal 100, 100.000 werd bedoeld en met het getal 200, 200.000. Als in de administratie of in een sms-bericht een getal staat vermeld of verdachte of een van zijn medeverdachten in een telefoongesprek een getal noemt, kunnen dus naast één nul, ook meer nullen ontbreken. Daarbij weegt nog mee dat, gelet op de onderschepte transacties en op wat [getuige 1] hierover heeft verklaard, het niet aannemelijk is dat op 10 en 13 november 2010 slechts bedragen van € 1.000,- zijn getransigeerd.

Uit de aangetroffen administratie, de onderschepte transacties en de verklaring van [getuige 1] blijkt dat op grote schaal telkens grote sommen geld via een tokennummer werden overgedragen. De aard en omvang van deze transacties verdragen zich niet met het reguliere hawalabankieren, waarbij kleine bedragen worden overgemaakt tussen personen van dezelfde afkomst. Nu de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] inhoudende dat zij slechts bankierden in eigen kring en op kleine schaal, niet stroken niet met deze bevindingen, zijn deze niet geloofwaardig. De onderschepte transporten tonen aan dat de transacties verband houden met in Nederland gevestigde drugshandelaren. Nu het geld in Nederland werd uitbetaald, kan er vanuit worden gegaan dat de betalingen in euro's geschiedden. Gelet op al deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien is er een hoge mate van waarschijnlijkheid dat het geld dat bestemd was voor in Nederland verblijvende criminelen, een criminele herkomst had.

Nu de rechtbank uit al deze omstandigheden reeds kan afleiden dat de bedragen van misdrijf afkomstig waren, hadden de personen die bij deze transacties betrokken waren dat eveneens moeten begrijpen. Daarbij weegt nog mee dat verdachte eveneens gebruik maakte van versluierde taal en dat verdachte op 27 oktober 2010 het geld met zijn auto naar de ontvanger heeft gebracht.xxxv Indien dit een reguliere hawalatransactie zou betreffen, valt niet in te zien waarom de ontvanger niet zelf het geld heeft opgehaald. Deze omstandigheden leiden dan ook tot de conclusie dat verdachte wist dat de geldbedragen die werden getransigeerd, van misdrijf afkomstig waren.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat alle transacties die zijn gedaan volgens het hiervoor omschreven patroon, transacties waren met geld van criminele herkomst en dat de verdachten die bij die transacties waren betrokken, die herkomst kenden. Dat betekent dat voor alle ten laste gelegde transacties dient te worden nagegaan of deze binnen dat patroon vallen.

Voorts kan, gelet op de grote frequentie en omvang van de transacties die zijn gedaan vanuit de wasserette aan de Javastraat, nu al worden vastgesteld dat die wasserette als informeel bankkantoor fungeerde. Dat betekent dat bewezen kan worden verklaard dat daar bedrijfsmatig zonder vergunning werd gebankierd en, nu dit geruime tijd het geval is geweest, tevens dat daar een criminele organisatie aan het werk was die het oogmerk had de Wet inzake Geldtransactiekantoren te overtreden. Die verdachten, die hierbij rechtstreeks betrokken waren, waren deelnemers aan de organisatie.

Uit wat hierna wordt overwogen, zal blijken dat het grootste deel van de in de tenlasteleggingen genoemde transacties witwastransacties waren. De organisatie had dus tevens ten doel van witwassen een gewoonte te maken.

3.3.5. Overige transacties

Tenzij anders vermeld, acht de rechtbank bewezen dat alle hierna te bespreken transacties vielen binnen het eerder genoemde patroon en dus transacties waren waarbij van misdrijf afkomstig geld is witgewassen, terwijl verdachte daarbij rechtstreeks betrokken was en dit moet hebben geweten.

Transactie op 25 en 26 juni 2010 van € 80.605,-

Verdachte belt op 25 juni 2010 met [medeverdachte 4]. [medeverdachte 4] zegt dat hij verdachte het nummer wil geven. Hierop zegt verdachte dat hij niet naar de zaak wil komen, maar dat hij in de auto zal komen en dat [medeverdachte 4] hem dan het nummer kan geven. Op 26 juni 2010 stuurt [medeverdachte 4] naar verdachte een sms-bericht met daarin een tokennummer en vervolgens een sms-bericht met daarin het getal 80605. Verdachte belt hierop naar [medeverdachte 4] en zegt dat hij het zal doen. Even later belt verdachte en zegt dat hij het gedaan heeft.xxxvi

Transactie op 1 juli 2010 van € 36.740,-

Op 1 juli 2010 stuurt [medeverdachte 4] een sms-bericht naar verdachte met daarin het tokennummer [tel.nr. 1] token.x.11950413501. Daarna stuurt [medeverdachte 4] een sms-bericht met het nummer 36740. Voornoemd telefoonnummer [tel.nr. 1] is in gebruik bij de Griek [Griek] (hierna: [Griek]). Verdachte belt met [Griek] en zegt dat hij over twintig minuten op kantoor is. Vervolgens wordt [Griek] gebeld door een Engelsman en [Griek] zegt tegen die Engelsman dat de accountant net geweest is. Hierop vraagt de Engelsman hoeveel het is en [Griek] antwoordt 36740. De Engelsman zegt tegen [Griek] dat hij er 365 van moet maken en dus 240 er vanaf moet nemen. [Griek] houdt dan 36500 over.xxxvii

Transactie op 13 september 2010 van een onbekend bedrag

Op 13 september 2010 belt verdachte met de Engelsman [Engelsman 5] (hierna: [Engelsman 5]) en ze spreken af elkaar te ontmoeten bij de Albert Heijn in IJburg. Vanaf de wasserette rijdt verdachte naar zijn woning en haalt een zwarte schoudertas op. Hierop rijdt hij naar IJburg. [Engelsman 5] belt en zegt verdachte dat hij achter de Albert Heijn geparkeerd staat in een witte bestelbus. Verdachte stapt de bestelbus in en haalt uit de schoudertas een plastic tas. [Engelsman 5] en verdachte kijken beiden in de tas en vervolgens stapt verdachte zonder de tas uit de bestelbus en loopt naar zijn auto. [Engelsman 5] heeft hierna een ontmoeting met een onbekende man in een kantine van een camping. Uit zijn bestelbus haalt [Engelsman 5] de plastic tas en geeft die aan de onbekende man.xxxviii

Transactie op 20 en 21 oktober 2010 van € 50.000,- respectievelijk een geldbedrag van onbekende hoogte

Op 20 oktober 2010 belt [broker] met verdachte. [broker] wil verdachte een tokennummer geven, maar verdachte vraagt [broker] dat te sms'en. [broker] stuurt vervolgens het sms-bericht "X1515". Even later belt verdachte met [broker] en [broker] deelt hem mee dat hij het heeft ontvangen. Verdachte vraagt of het de groenteboer is, maar [broker] zegt dat hij dat niet weet. Verdachte geeft aan dat de stukjes niet te groot mogen zijn. Vervolgens heeft verdachte een telefoongesprek met [naam 3] en ze spreken af bij het Muiderpoortstation om 19:00 uur. Om 19:09 uur wordt verdachte gebeld vanuit Pakistan met de vraag of hij het heeft ontvangen. Verdachte deelt mee dat hij zojuist 50 heeft ontvangen en hij vraagt of de rest morgen wordt gedaan. Ook vraagt verdachte of de man in Pakistan een nieuw briefje nodig heeft en zegt hem dat hij dat per sms zal versturen. Hierop stuurt verdachte een sms-bericht met als inhoud: "X 3375". Op 21 oktober 2010 om 11.11 uur wordt verdachte gebeld door een man die vraagt of verdachte de groentewinkel in Amsterdam Oost kent. Verdachte zegt dat hij die kent, waarop de man zegt dat verdachte kan komen. Om 11:33 uur wordt verdachte gebeld door een vrouw in Pakistan en vraagt of verdachte het heeft ontvangen. Verdachte antwoordt bevestigend.xxxix

Transactie op 21 oktober 2010 van een onbekend geldbedrag

Verdachte en [Griek] bellen op 21 oktober 2010 met elkaar en spreken af om te gaan lunchen, waarmee het leveren van geld wordt bedoeld. Even later belt [Griek] met verdachte en zegt dat hij voor zijn deur staat. Verdachte doet de deur open en [Griek] gaat naar binnen. Na ongeveer vijftien minuten komt [Griek] naar buiten en heeft daarbij een blauwe papieren tas in zijn hand. Hierop belt [Griek] met een onbekende man en ze spreken af op het Waterlooplein. Als [Griek] de man op het Waterlooplein ontmoet, draagt hij het tasje over.xl

Transactie op 5 en 6 november 2010 van € 50.000,-

Op 5 november 2010 belt verdachte met [broker] en vraagt hem om dat van Multan, waarmee Manchester wordt bedoeld, te sturen. [broker] vraagt hoeveel het is, waarop verdachte zet dat hij het niet weet en het gaat vragen. Even later zegt verdachte dat het een halve, 50, is. Hierop stuurt [broker] een tokennummer naar verdachte. Vervolgens belt verdachte met [broker] dat het nu te laat is en dat ze morgen om 11:00 uur een afspraak hebben gemaakt.xli

Transactie op 7 november 2010 van € 50.000,-

Verdachte belt op 7 november 2010 met een onbekende man en hij zegt dat ze elkaar om 11:00 uur zouden ontmoeten. De onbekende man zegt dat het nog een uur duurt, waarop verdachte zegt dat hij weg moet en hij vraagt of hij het bij iemand kan achterlaten. Verdachte noemt het adres Javastraat [nr] en zegt dat [medeverdachte 3] er zal zijn. 's Avonds belt verdachte naar Pakistan en zegt dat het gaat gebeuren en dat hij 5000 gaat geven. Even later belt de man uit Pakistan en zegt dat de 5000 is ontvangen.xlii

Transactie op 8 en 9 november 2010 van € 55.000,-

Op 8 november 2010 belt [broker] naar verdachte dat 50 is gedaan. Ook zegt hij dat het nu 1 5 wordt, waarmee de koers van 1,05 wordt bedoeld. Verdachte zegt dat er vijf bovenop moet, waardoor de koers 1,10 wordt. Even later belt verdachte met [broker] dat de man moet opschieten, want een andere man belt hem steeds wat is gebeurd. [medeverdachte 3] belt vervolgens met [broker] en vraagt hem wat is gebeurd. [broker] zegt dat de man moet opschieten. Kennelijk zijn er problemen met de levering. Verdachte wordt dan door iemand uit Pakistan gebeld die zegt dat hij een bericht gaat sturen naar de Marokkaanse jongen. Ook zegt hij dat verdachte de 55 moet nemen. Uit verdere gesprekken blijkt dat [naam 4] kennelijk degene is die het geld aan verdachte moet geven, maar dat hij in het ziekenhuis ligt. Op 9 november belt verdachte met [broker] dat hij de 55 heeft ontvangen.xliii

Nu op 8 november 2010 wordt gesproken over 50 tegen een koers van 1,10 en verdachte op 9 november € 55.000,- (50.000 x 1,10) heeft ontvangen, kan er vanuit worden gegaan dat deze transactie op 8 en 9 november 2010 heeft plaatsgevonden.

Transactie op 20 november 2010 van een geldbedrag

Op 20 november 2010 heeft verdachte contact met een man die gebruik maakt van het telefoonnummer [tel.nr. 2]. Ze spreken af dat ze elkaar zullen ontmoeten bij de Febo op het Mecatorplein. Later belt verdachte met [broker] en zegt hem dat het in een half uur was afgehandeld. Verder zegt verdachte dat hij er 4000 aan over houdt.xliv

Nu onduidelijk is waarop het percentage van 3,7 %, zoals staat beschreven op pagina 1013 van zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 2, is gebaseerd, kan niet worden vastgesteld dat op 20 november 2010 een bedrag van € 108.000,- is getransigeerd, maar wel enig geldbedrag.

Transactie op 22 november 2010 van € 47.500,-

Verdachte belt op 22 november 2010 met een onbekende man en ze spreken af elkaar achter het Centraal Station te ontmoeten. De onbekende man vraagt hoeveel het eigenlijk is, waarop verdachte zegt dat het 471/2 is. Vervolgens vraagt de man of het in het groot is, maar verdachte zegt dat het een mix is. Als de onbekende man aangeeft dat hij grote nodig heeft, deelt verdachte hem mee dat hij die niet heeft. Hierop rijdt verdachte naar het Victoria Hotel te Amsterdam, parkeert zijn auto en blijft wachten. Even later komt een man met een Pakistaans uiterlijk als passagier bij verdachte in de auto zitten. Verdachte geeft de man een kennelijk gevulde tas, waarop de onbekende man uitstapt en wegloopt.xlv

Transactie op 22 november 2010 van € 10.000,-

Ook vindt op 22 november 2010 een gesprek plaats tussen verdachte en [broker]. Verdachte geeft door dat er een probleem van 25.000 is. Hij vraagt of hij hem 10.000 mag geven en of [broker] 10.000 kan afnemen. [broker] zegt dat het geen probleem is en zegt dat verdachte het aan hem kan geven. Op 23 november 2010 belt verdachte wederom met [broker] en zegt hem dat hij 1000 heeft gegeven.xlvi

Transactie op 23 november 2010 van € 124.450,-

Op 23 november 2010 belt verdachte met [broker]. [broker] deelt hem mee dat is betaald en verdachte vraagt hoeveel hij aan [naam 2] moet vragen. [broker] zegt dat het nu 7,5 is. Met dit getal wordt de koers bedoeld. Verdachte stuurt hierop een tokennummer naar een man in Pakistan, waarna de Pakistaanse man belt. Ze hebben een gesprek over hoeveel is gegeven. Even later belt verdachte met de Pakistaanse man om te zeggen dat hij 125 heeft doorgekregen. De Pakistaanse man zegt dat het pakket in Multan, waarmee Manchester bedoeld wordt, ok is. Vervolgens krijgt verdachte een bericht uit Pakistan met de volgende inhoud "124.450-550 short". Het gesprek dat hierop volgt tussen verdachte en de Pakistaanse man, gaat over het geld dat tekort is. Verdachte zegt dat ze het hebben geteld, maar dat er zevenentwintig bankbiljetten verdwenen zijn.xlvii

Transactie op 26 november 2010 van € 41.380,-

Verdachte heeft op 26 november 2010 opnieuw contact met [broker] en zegt tegen [broker] dat hij een kleine voor Lahore, waarmee Londen wordt bedoeld, moet sturen. Even later wordt verdachte gebeld door [broker] en verdachte zegt tegen hem dat hij op de partij zit te wachten. [broker] deelt mee dat het wat langer duurt in verband met het vrijdaggebed. Om 14:17 uur belt verdachte met een man in Pakistan. Deze man zegt tegen verdachte dat hij het over vijftien minuten kan halen en dat het 4138 is. Kort daarop ontvangt verdachte een sms van [broker] met daarin een tokennummer bestaande uit onder andere een Engels telefoonnummer. Verdachte wordt vervolgens gebeld door [broker] of hij het sms-bericht heeft ontvangen.xlviii

Transactie op 28 november 2010 van € 28.000,-

Op 28 november 2010 belt verdachte met [broker] en vraagt hem of hij (de rechtbank begrijpt: een derde persoon) het heeft ontvangen. [broker] antwoordt bevestigend. Verdachte zegt dat hij 28 heeft gegeven en hij zegt dat hij het vandaag nodig heeft. [broker] deelt mee dat hij om een bevestiging gaat vragen en het daarna verdachte gaat vertellen. Om 17:40 uur ontvangt verdachte een sms-bericht van een Pakistaans nummer. In dat sms-bericht staat een Pakistaans telefoonnummer. Hierop stuurt verdachte een sms-bericht terug waarin staat vermeld: "ok, thanks".

Transactie op 28 en 29 november 2010 van een geldbedrag

Verdachte heeft op 28 november 2010 opnieuw contact met [Griek]. Tegen [Griek] zegt verdachte dat hij een nieuwe voor morgen heeft. Op 29 november 2010 om 12:26 uur belt [Griek] met verdachte en vraag of verdachte hem nodig heeft. Verdachte antwoordt hierop: "drie uur". Om 14:59 uur belt verdachte [Griek]. [Griek] deelt verdachte mee dat hij te laat is. Dit wordt door verdachte vervolgens telefonisch aan [medeverdachte 3] doorgegeven. Om 15:25 uur gaat [Griek] de woning van verdachte binnen en komt even later met een opgevouwen pakketje in zijn handen naar buiten. Dit pakketje stopt [Griek] in zijn zak. Vervolgens heeft [Griek] in een café in Amsterdam een gesprek met een man. Aan die man geeft [Griek] het pakketje.xlix

Hoewel uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] op 28 en 29 november 2010 tevens een bedrag van € 130.000,- hebben getransigeerd, valt niet vast te stellen dat die transactie verband hield met de transactie tussen verdachte en [Griek], anders dan dat deze op dezelfde data zijn geschied. Er kan dan ook slechts bewezen worden verklaard dat verdachte op deze dagen een geldbedrag heeft getransigeerd.

Nu bij deze transacties onder andere contact is geweest met Pakistaanse brokers, gesproken wordt in versluierde taal, bij getallen nullen ontbreken, gebruik wordt gemaakt van tokennummers en gesproken wordt over de koers, vallen al deze transacties in het patroon dat onder 3.3.4. staat beschreven. Gelet hierop kan dan ook worden vastgesteld dat deze transacties hebben plaatsgevonden en betrekking hebben op geldbedragen die van misdrijf afkomstig zijn. Nu verdachte bij al deze transacties direct betrokken is geweest, wist hij dat deze geldbedragen een criminele herkomst hadden en kunnen ze ten aanzien van hem bewezen worden verklaard.

3.3.6. Ten aanzien van het aangetroffen geldbedrag van € 50.000,- in de wasserette

Op 30 november 2010 vindt een doorzoeking plaats in de wasserette. Daarbij wordt in een witte plastic tas een bedrag van € 50.000,- aangetroffen. Uit het dossier kan echter niet worden vastgesteld wie die witte plastic tas met dat geldbedrag in de wasserette heeft neergelegd. Tevens zijn in het dossier geen aanknopingspunten te vinden dat deze witte plastic tas dezelfde is als een van de witte tassen waarmee [medeverdachte 3] op 29 november 2010 uit de Krugerstraat [nr] te Amsterdam liep. Verdachte kan dan ook niet in verband worden gebracht met dit geldbedrag. Gelet hierop kan niet bewezen worden verklaard dat dit geldbedrag binnen de machtssfeer van verdachte lag en dat hij dus het geldbedrag van € 50.000,- aanwezig heeft gehad. Verdachte wordt hiervan dan ook vrijgesproken.

3.3.7. Ten aanzien van de geldbedragen die in de woning van verdachte en bij zijn fouillering zijn aangetroffen.

In de woning van verdachte zijn geldbedragen van € 9.900,-, € 5.000,-, € 35.000,- en € 45.000,- gevonden.l Verdachte heeft hierover verklaard dat hij deze geldbedragen van [medeverdachte 1] heeft gekregen om thuis te bewaren.li In totaal had verdachte dus € 94.900,- van [medeverdachte 1] in huis. Nu deze bedragen te groot zijn om van de omzet van de wasserette of het reguliere hawalabankieren afkomstig te zijn, kan bewezen worden verklaard dat deze geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte, gelet op de transacties die hij zelf heeft verricht, dit wist. Nu verdachte deze geldbedragen van [medeverdachte 1] heeft gekregen en ze zelf in zijn woning heeft gelegd, vielen deze geldbedragen binnen zijn machtssfeer, waardoor hij voornoemde geldbedragen aanwezig heeft gehad. Dit leidt tot een bewezenverklaring van het witwassen van deze geldbedragen door verdachte.

Bij zijn fouillering had verdachte een geldbedrag van € 4.557,25 bij zich. Gelet op de hoogte transactiebedragen is dit bedrag te klein om aan te nemen dat dit geldbedrag van het niet reguliere hawalabankieren en dus van misdrijf afkomstig is. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van het witwassen van dit bedrag.

3.3.8. Rol van verdachte

Uit de hiervoor vermelde transacties blijkt dat verdachte op grote schaal zijn medewerking heeft verleend aan het verrichten van geldtransacties vanuit de wasserette. Hij fungeerde hierbij ten dele als geldkoerier en hij heeft, zoals uit de onderschepte transactie op 27 oktober 2010 blijkt, in opdracht van [medeverdachte 1] transacties verricht. Daarnaast heeft verdachte zelf ook contact gehad met de Pakistaanse broker [broker] en kennelijk zelfstandig transacties gedaan. Gelet op wat hiervoor onder 3.3.4. is overwogen, heeft verdachte zich dan ook vanuit de wasserette bedrijfsmatig bezig gehouden met het verrichten van geldtransacties, terwijl hij hiervoor geen vergunning had. Hij was dus deelnemer van de criminele organisatie.

3.3.9. Periode

Ten aanzien van het onder 1, primair, ten laste gelegde

In de tenlastelegging worden voor het eerst vanaf juni 2010 in concreto transacties genoemd, terwijl de eerste witwastransactie die ten aanzien van verdachte bewezen kan worden verklaard, op 25 en 26 juni 2010 heeft plaatsgevonden. Daarom kan bewezen worden verklaard dat verdachte zich vanaf 1 juni 2010 aan gewoontewitwassen schuldig heeft gemaakt.

Ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde

Op 4 oktober 2001 heeft de wasserette naast de handelsnaam van [wasserette], de handelsnaam "[moneytransfer] Moneytransfer", waarbij de omschrijving is "bemiddeling bij het overmaken van gelden naar het buitenland", gekregen.lii Aangenomen mag worden dat sindsdien in de wasserette een informeel bankkantoor werd gedreven. Daarop wijzen de inschrijving in het handelsregister, de omstandigheid dat ook een informeel bankkantoor niet zonder enige voorbereiding kan beginnen met het op grote schaal uitvoeren van transacties, en de omstandigheid dat de administratie die met betrekking tot het reguliere hawalabankieren is aangetroffen, enkele jaren teruggaat. Daarom kan bewezen worden verklaard dat dit kantoor en ook verdachte, die immers gedurende langere tijd betrokken was bij de wasserette, vanaf 1 maart 2010 zich bedrijfsmatig hebben bezig gehouden met geldtransacties. Dit geldt ook voor het bestaan van en de deelname van verdachte aan de genoemde criminele organisatie.

Het voorgaande leidt tot de volgende bewezenverklaring.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1, primair, ten laste gelegde:

in de periode vanaf 1 juni 2010 tot en met 30 november 2010 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen (al dan niet vanuit de wasserette [wasserette], Javastraat [nr] te Amsterdam) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij en zijn mededader(s) geldbedragen, te weten:

- € 80.605,- op 25 en 26 juni 2010;

- € 36.740,- op 1 juli 2010;

- een onbekend geldbedrag op 13 september 2010;

- € 50.000,- en een geldbedrag van onbekende hoogte op 20 respectievelijk 21 oktober 2010;

- een geldbedrag van onbekende hoogte op 21 oktober 2010;

- € 74.000,- op 27 oktober 2010;

- € 50.000,- op 5 en 6 november 2010;

- € 50.000,- op 7 november 2010;

- € 55.000.- op 8 en 9 november 2010;

- een geldbedrag op 20 november 2010;

- € 47.500,- op 22 november 2010;

- € 10.000,- op 22 november 2010;

- € 124.450,- op 23 november 2010;

- € 41.380,- op 26 november 2010;

- € 28.000,- op 28 november 2010;

- een geldbedrag op 28 en 29 november 2010;

- € 9.900,- en € 5.000,- en € 35.000,- en € 45.000,- op 30 november 2010 (woning verdachte),

voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

in de periode van 1 maart 2010 tot en met 30 november 2010 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen (vanuit de wasserette [wasserette], Javastraat [nr] te Amsterdam) opzettelijk als geldtransactiekantoor werkzaam is geweest, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders toen en daar bedrijfsmatig ten behoeve van en/of op verzoek van (een) derde(n) geldtransacties uitgevoerd en zijn verdachte en zijn mededaders bedrijfsmatig werkzaam geweest bij de totstandkoming van geldtransacties;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

in de periode van 1 maart 2010 tot en met 30 november 2010 te Amsterdam (vanuit de wasserette [wasserette], Javastraat [nr] te Amsterdam) heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 11] en [medeverdachte 7], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- (gewoonte)witwassen van geld en

- het opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld bij artikel 1 sub a j° artikel 3 lid 1 Wet inzake de Geldtransactiekantoren j° artikel 1 sub 2, 2 en 6 Wet op de economische delicten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen

7.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, primair, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte geen documentatie heeft en altijd heeft gewerkt. Sinds kort ontvangt verdachte een WW-uitkering. Verder dient de eis van de officier van justitie te worden gematigd gelet op de rol [medeverdachte 1]. De officier van justitie heeft tegen [medeverdachte 1] 40 maanden geëist, maar door aftrek zou de gevangenisstraf van [medeverdachte 1] in werkelijkheid korter zijn dan die van verdachte. Hiermee dient rekening gehouden te worden. Daarnaast heeft verdachte een geruime tijd in voorlopige hechtenis gezeten en heeft hij geleden door de detentie. De verdediging verzoekt dan ook verdachte een straf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest met daarnaast een werkstraf.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen dat verdachte zich samen met anderen gedurende geruime tijd heeft schuldig gemaakt aan ondergronds bankieren. Vast staat bovendien dat dit bankieren gedurende korte tijd, maar dan wel voor zeer aanzienlijke bedragen, met geld van criminele herkomst is geschied. Verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie dit alles ten doel had.

Daarmee heeft verdachte zich onttrokken aan het toezicht dat op bankkantoren behoort te worden uitgeoefend en heeft hij anderen ondersteund die op deze wijze hun handel in, naar mag worden aangenomen, verdovende middelen konden uitvoeren en financieren. Verdachte heeft zo een belangrijke en voor handelaren in verdovende middelen onmisbare functie vervuld, aangezien handelaren in drugs zijn aangewezen op derden die in staat zijn grote stromen contant geld te verplaatsen.

Bij het bepalen van de strafmaat wordt rekening gehouden met de bewezenverklaringen en op te leggen straffen in de zaken van de medeverdachten in het onderhavige strafrechtelijke onderzoek. In de onderhavige strafzaak kan namelijk worden gesproken van verschillende rollen die de verdachten hebben vervuld en die aanleiding zijn hun zaken wat de op te leggen straf betreft verschillend te beoordelen.

[medeverdachte 1] had de functie van bankier van het bankkantoor dat hij samen met [medeverdachte 3] runde vanuit zijn wasserette aan de Javastraat te Amsterdam. In die functie onderhield hij veel contacten met Pakistaanse brokers en stuurde hij geldkoeriers aan. Hij nam dan ook een centrale positie in en vormde als tussenpersoon een onmisbare schakel bij de grote hoeveelheid transacties die ten aanzien van hem bewezen zijn verklaard. Daarnaast heeft [medeverdachte 1] zelf geldtransacties verricht en heeft hij aan zijn werknemers administratie, telefoons en geld in bewaring gegeven. [medeverdachte 1] had dan ook binnen de criminele organisatie een leidinggevende functie en dus de hoogste positie.

Hoewel verdachte zelf ook contacten onderhield met de Pakistaanse broker [broker] en zelfstandig transacties heeft verricht, kan hij in de criminele organisatie gezien worden als ondergeschikt aan [medeverdachte 1]. Verdachte fungeerde namelijk als geldkoerier en verrichtte in opdracht van [medeverdachte 1] transacties. Daarnaast heeft ook hij voor [medeverdachte 1] aanzienlijke geldbedragen in bewaring gehad. Verdachte had dus, gelet op zijn contacten met Pakistaanse brokers en zijn eigen transacties, een rol van betekenis binnen de organisatie, maar hij was niet zo belangrijk als [medeverdachte 1]. In de rangorde stond verdachte dan ook onder [medeverdachte 1].

[medeverdachte 5], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] hebben onderling gelijkwaardige rollen vervuld. Zij hebben allen voor [medeverdachte 1] onder andere geld, administratie en telefoons bewaard. Daarbij hebben [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] als werknemers ervoor gezorgd dat de wasserette de schijn van legaliteit kreeg. Nu zij zelf geen transacties hebben verricht, hun rol slechts die van bewaarder was en zij dus veel minder belangrijk waren dan verdachte, stonden zij binnen de criminele organisatie onderaan.

Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een vrijheidsbenemende straf van de hierna te vermelden duur passend. Aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd, aangezien een beperktere periode van gewoontewitwassen bewezen wordt geacht. Tevens wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat uit een Uittreksel uit de Justitiële Documentatie blijkt dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld. Een deel van de straf zal in voorwaardelijke vorm worden opgelegd met als doel verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

Verbeurdverklaring

Het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten: nummer 2 van de aan dit vonnis als bijlage 2 gehechte beslaglijst, dat aan verdachte toebehoort, dient te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot dat voorwerp het onder 1 primair, 2 en 3 bewezen geachte is begaan.

De in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedragen, te weten: nummer 6 tot en met 12 van de beslaglijst, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien die geldbedragen geheel of grotendeels door middel van het 1, primair, 2 en 3 bewezen geachte zijn verkregen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57, 140 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 1 en 3 van de Wet inzake geldtransactiekantoren.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

9. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart, zoals uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 mei 2011 blijkt, de op 10 mei 2011 aangebracht dagvaarding ten aanzien van de woorden "onder meer" en "en/of geldbedragen van in totaal meerdere miljoenen euro's, bestaande uit onder meer" partieel nietig.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1, primair, bewezen verklaarde:

Medeplegen van gewoontewitwassen.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Medeplegen van een overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren, opzettelijk begaan.

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Verklaart verbeurd:

De nummers 2, 6 tot en met 12 van de beslaglijst.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

De nummers 1 en 5 van de beslaglijst.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.F. Korthals Altes, voorzitter,

mrs. D.J. Cohen Tervaert en A.E.J.M. Gielen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.D. Coumou, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 maart 2012.

Bijlage 1 bij het vonnis van [verdachte]

Aan verdachte is ten laste gelegd, zoals gewijzigd ter terechtzitting van 20 februari 2012, dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2010 tot en met 30 november 2010 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (al dan niet vanuit de wasserette [wasserette], Javastraat [nr] te Amsterdam) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) een of meerdere voorwerp(en), te weten (onder meer):

- een geldbedrag van (ongeveer) 80.605,- euro op 25 en/of 26 juni 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 588);

- een geldbedrag van (ongeveer) 36.740,- euro op 1 juli 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 588);

- een onbekend geldbedrag op 13 september 2010 (zijtak [verdachte]/[Engelsman 5], Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 588);

- een geldbedrag van (ongeveer) 50.000,- euro en/of een geldbedrag van onbekende hoogte op 20 en/of 21 oktober 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 590);

- een geldbedrag van onbekende hoogte op 21 oktober 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 590);

- een geldbedrag van (ongeveer) 74.000,- euro op 27 oktober 2010 (zijtak 6.4 [Engelsman 1]/[Engelsman 3]/[Engelsman 2]);

- een geldbedrag van (ongeveer) 50.000,- euro op 5 en/of 6 november 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 591);

- een geldbedrag van (ongeveer) 50.000,- euro op 7 november 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 591);

- een geldbedrag van (ongeveer) 55.000,- euro op 8 en/of 9 november 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 592);

- een geldbedrag van (ongeveer) 108.000,- euro op 20 november 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 595);

- een geldbedrag van (ongeveer) 47.500- euro op 22 november 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 596);

- een geldbedrag van (ongeveer) 10.000,- euro op 22 november 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 596);

- een geldbedrag van (ongeveer) 124.450,- euro op 23 november 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 597);

- een geldbedrag van (ongeveer) 41.380,- euro op 26 november 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 597)

- een geldbedrag van (ongeveer) 28.000,- euro op 28 november 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 598);

- een geldbedrag van (ongeveer) 130.000,- euro op 28 en/of 29 november 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 598)

- een geldbedrag van (ongeveer) 50.000,- euro op 30 november 2010 (wasserette [wasserette]);

- een geldbedrag van (ongeveer) 9.900,- euro en/of 5.000,- euro en/of 35.000,- euro en/of 45.000,- euro op 30 november 2010 (woning [verdachte]);

- een geldbedrag van (ongeveer) 4.557,25 euro (fouillering [verdachte]),

(heeft) verworven en/of voorhanden (heeft) gehad en/of (heeft) overgedragen, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), dat bovenomschreven geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 november 2010 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (al dan niet vanuit de wasserette [wasserette], Javastraat [nr] te Amsterdam) een of meerdere voorwerp(en), te weten (onder meer):

- een geldbedrag van (ongeveer) 80.605,- euro op 25 en/of 26 juni 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 588);

- een geldbedrag van (ongeveer) 36.740,- euro op 1 juli 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 588);

- een onbekend geldbedrag op 13 september 2010 (zijtak [verdachte]/[Engelsman 5], Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 588);

- een geldbedrag van (ongeveer) 50.000,- euro en/of een geldbedrag van onbekende hoogte op 20 en/of 21 oktober 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 590);

- een geldbedrag van onbekende hoogte op 21 oktober 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 590);

- een geldbedrag van (ongeveer) 74.000,- euro op 27 oktober 2010 (zijtak 6.4 [Engelsman 1]/[Engelsman 3]/[Engelsman 2]);

- een geldbedrag van (ongeveer) 50.000,- euro op 5 en/of 6 november 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 591);

- een geldbedrag van (ongeveer) 50.000,- euro op 7 november 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 591);

- een geldbedrag van (ongeveer) 55.000,- euro op 8 en/of 9 november 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 592);

- een geldbedrag van (ongeveer) 108.000,- euro op 20 november 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 595);

- een geldbedrag van (ongeveer) 47.500- euro op 22 november 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 596);

- een geldbedrag van (ongeveer) 10.000,- euro op 22 november 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 596);

- een geldbedrag van (ongeveer) 124.450,- euro op 23 november 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 597);

- een geldbedrag van (ongeveer) 41.380,- euro op 26 november 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 597)

- een geldbedrag van (ongeveer) 28.000,- euro op 28 november 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 598);

- een geldbedrag van (ongeveer) 130.000,- euro op 28 en/of 29 november 2010 (Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 4, p. 598)

- een geldbedrag van (ongeveer) 50.000,- euro op 30 november 2010 (wasserette [wasserette]);

- een geldbedrag van (ongeveer) 9.900,- euro en/of 5.000,- euro en/of 35.000,- euro en/of 45.000,- euro op 30 november 2010 (woning [verdachte]);

- een geldbedrag van (ongeveer) 4.557,25 euro (fouillering [verdachte]),

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

2

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 november 2010 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (al dan niet vanuit de wasserette [wasserette], Javastraat [nr] te Amsterdam) opzettelijk als geldtransactiekantoor werkzaam is geweest, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) toen en daar beroepsmatig en/of bedrijfsmatig ten behoeve van en/of op verzoek van (een) derde(n) een of meerdere geldtransactie(s) uitgevoerd en/of is verdachte en/of zijn mededader(s) beroepsmatig en/of bedrijfsmatig werkzaam geweest bij de totstandkoming van een of meerdere geldtransactie(s).

3

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 november 2010 te Amsterdam, althans in Nederland, (al dan niet vanuit de wasserette [wasserette], Javastraat [nr] te Amsterdam) heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 11] en/of [medeverdachte 7] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- (gewoonte)witwassen, althans schuldwitwassen, van een of meerdere voorwerp(en), te weten: het verwerven en/of voorhanden hebben en/of overdragen van een of meer geldbedrag(en) uit enig misdrijf afkomstig (artikelen 420ter/bis/quater Wetboek van Strafrecht) en/of

- het opzettelijk als geldtransactiekantoor werkzaam zijn.

Bijlage 2 bij het vonnis van [verdachte]

1) 1.00 STK Personenauto [kenteken 1]

OPEL ASTRA-G-CC Y1 2002 Kl:blauw

(3961482)

2) 1.00 STK Rekenmachine

(3968522) geldtelmachine

3) 1.00 STK Enveloppe

[WASSERETTE]

(3963478)

4) 1.00 STK Enveloppe

(3963480) met 3 briefjes

5) Geld Euro

(3963901) 4557,25

6) Geld Euro

(3963353) 9400,-

7) Geld Euro

(3963360) 5000,-

8) Geld Euro

(3963363) 500,-

9) Geld Euro

(3963365) 44800,-

10) Geld Euro

(3963369) 200,-

11) Geld Euro

(3963371) 33500,-

12) Geld Euro

(3963380) 1500,-

i De weergegeven bewijsmiddelen bevinden zich, tenzij anders vermeld, in de dossiers van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland. De in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar de desbetreffende pagina's in de dossiers.

ii Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 3, pagina's 1401 tot en met 1404 (proces-verbaal transactie Engelsen/wasserette). Zaaksdossier 2, pagina's 60 tot en met 63 (proces-verbaal transactie Engelsen/wasserette).

iii Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 1, pagina 30 (proces-verbaal bevindingen Kamer van Koophandel).

iv Zaaksdossier 1A, Rubriek 2, deel 3, pagina's 1401 tot en met 1407 (proces-verbaal transactie Engelsen/wasserette). Zaaksdossier 2, pagina's 60 tot en met 66 (proces-verbaal transactie Engelsen/wasserette). Zaaksdossier 2, pagina 1 (zaaksproces-verbaal). Een proces-verbaal van verhoor van verbalisant S 003 d.d. 27 september 2011 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

v Zaaksdossier 2, pagina's 74 en 75(proces-verbaal van bevindingen observeren 27 oktober 2010). Zaaksdossier 2, pagina's 1 en 2 (zaaksproces-verbaal)

vi Een proces-verbaal van verhoor van verbalisant S 003 d.d. 27 september 2011 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

vii Zaaksdossier 2, pagina's 110 tot en met 111 (proces-verbaal van bevindingen). Zaaksdossier 2, pagina 112 (proces-verbaal van bevindingen)

viii Zaaksdossier 2, pagina 113 (proces-verbaal van bevindingen). Een geschrift, te weten een verslag van 8 november 2010, laboratoriumnummer 1469N10, van drs. R. Jellema, politiedeskundige, opgemaakt in de zaak tegen de verdachte [Engelsman 3], inhoudende de verklaring van de politiedeskundige, zaaksdossier 2, doorgenummerde pagina 138.

ix Zaaksdossier 2, pagina's 122 tot en met 124 (proces-verbaal van bevindingen doorzoeking Orteliusstraat [nr] III Amsterdam. Een geschrift, te weten een verslag van 8 november 2010, laboratoriumnummer 1470N10, van drs. R. Jellema, politiedeskundige, opgemaakt in de zaak tegen de verdachte NN Orteliusstraat [nr], inhoudende de verklaring van de politiedeskundige, zaaksdossier 2 doorgenummerde pagina 137. Zaaksdossier 2, pagina;s 133 tot en met 136 (proces-verbaal van technisch onderzoek).

x Een geschrift, te weten een overzicht van een tapgesprekken van 8 november 2010, zaaksdossier 3, pagina's 138 tot en met 141.

xi Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 3, pagina 1370 (proces-verbaal van observatie d.d. 8 november 2010)

xii Een geschrift, te weten een overzicht van een tapgesprekken van 8 november 2010, zaaksdossier 3, pagina's 146 en 147.

xiii Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 3, pagina 1372 (proces-verbaal van observatie d.d. 8 november 2010)

xiv Een geschrift, te weten een overzicht van een aantal tapgesprekken van 8 november 2010, zaaksdossier 3, pagina's 149 tot en met 152. Zaaksdossier 1A, rubriek 1, pagina 34 (zaaksproces-verbaal witwassen).

xv Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 3, pagina 1372 (proces-verbaal van observatie d.d. 8 november 2010).

xvi Een geschrift, te weten een overzicht van een tapgesprek van 8 november 2010, zaaksdossier 3, pagina 158.

xvii Zaaksdossier 3, pagina's 161 tot en met 164 (proces-verbaal van doorzoeking ter in beslagneming). Zaaksdossier 3, pagina 165 (proces-verbaal telling aangetroffen geld bij verdachte). Een geschrift, te weten een verslag van 15 november 2010, laboratoriumnummer 1550N10, van drs. R. Jellema, politiedeskundige, opgemaakt in de zaak tegen de verdachte NN NN Linnaeuskade [nr]-2, inhoudende de verklaring van de politiedeskundige, zaaksdossier 3 doorgenummerde pagina 187.

xviii Een geschrift, te weten een overzicht van tapgesprekken d.d. 8 november 2010, zaaksdossier 3, pagina's 190 tot en met 199. Zaaksdossier 1A, rubriek 1, pagina 35 (zaaksproces-verbaal)

xix Een geschrift, te weten een tapgesprek van 8 november 2010, zaaksdossier 3, pagina 200.

xx Een geschrift, te weten een tapgesprek van 8 november 2010, zaaksdossier 3, pagina 204.

xxi Zaaksdossier 1A, rubriek 3, deel 2, pagina's 496 tot en met 502 (verklaring van [getuige 1] d.d. 21 maart 2011). Zaaksdossier 1A, rubriek 3, deel 2, pagina's 503 tot en met 511 (verklaring van [getuige 1] d.d. 25 maart 2011).

xxii Zaaksdossier 1A, rubriek 3, deel 3, pagina 508 (verklaring van [getuige 1] d.d. 25 maart 2011). Een geschrift, te weten een pagina met een overzicht van getallen op naam van [bijnaam medeverdachte 10], zaaksdossier 1A, rubriek 3, deel 2, pagina 511. Zaaksdossier 1A, rubriek 1, pagina 125 (zaaksproces-verbaal).

xxiii Zaaksdossier 1a, rubriek 2, deel 1, pagina 289 (proces-verbaal van bevindingen onderzoek inhoud schoudertas). Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 1, pagina's 300 en 301 (proces-verbaal van bevindingen aantreffen schoudertas [medeverdachte 1]).

xxiv Zaaksdossier 1a, rubriek 2, deel 1, pagina's 290 tot en met 292 (proces-verbaal van bevindingen onderzoek inhoud schoudertas).

xxv Zaaksdossier 1a, rubriek 2, deel 1, pagina's 289 tot en met 290 (proces-verbaal van bevindingen onderzoek inhoud schoudertas).

xxvi Zaaksdossier 1a, rubriek 2, deel 1, pagina's 289 tot en met 295 (proces-verbaal van bevindingen onderzoek inhoud schoudertas). Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 4, pagina 555 (proces-verbaal van bevindingen overzicht aangetroffen schriften).

xxvii Zaaksdossier 1a, rubriek 2, deel 1, pagina's 289 tot en met 293 en 296 (proces-verbaal van bevindingen onderzoek inhoud schoudertas).

xxviii Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 4, pagina 570 (proces-verbaal van bevindingen overzicht aangetroffen schriften). Zaaksdossier 1A, rubriek 4, deel 1, pagina's 237 tot en met 244 (proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming). Zaaksdossier 1A, rubriek 5, pagina 416 (proces-verbaal van bevindingen onderzoek administratie [medeverdachte 5]).

xxix Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 4, pagina's 553 tot en met 570 (proces-verbaal onderzoek aangetroffen schriften).

xxx Zie noot 22

xxxi Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 1, pagina's 203 tot en met 214 (proces-verbaal van bevindingen tapgesprekken met betrekking tot [broker]).

xxxii Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 3, pagina 1073 (proces-verbaal van bevindingen telefoongesprekken [medeverdachte 4] met verhullend taalgebruik of tokens)

xxxiii Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 1, pagina's 290 en 293 tot en met 295 (proces-verbaal van bevindingen onderzoek inhoud schoudertas)

xxxiv Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 1, pagina's 290, 293, 297 en 298 (proces-verbaal van bevindingen onderzoek inhoud schoudertas).

xxxv Zaaksdossier 1a, rubriek 2, deel 3, pagina 1404 (proces-verbaal transactie Engelsen/wasserette)

xxxvi Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 1, pagina's 215 tot en met 217 (proces-verbaal transacties [verdachte]/NN Griek). Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 4, pagina 588 (proces-verbaal van bevindingen chronologisch overzicht van niet onderschepte transacties).

xxxvii Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 1, pagina's 217 tot en met 222 (proces-verbaal transacties [verdachte]/NN Griek)Zd 1a, r2, d1, p. 217-222. Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 4, pagina 588 (proces-verbaal van bevindingen chronologisch overzicht van niet onderschepte transacties). Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 4, pagina 700 (proces-verbaal bevindingen [verdachte]/ [Griek]).

xxxviii Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 3, pagina's 1348 tot en met 1364 (proces-verbaal van observeren d.d. 13 september 2010). Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 4, pagina's 588 en 589 (proces-verbaal van bevindingen chronologisch overzicht van niet onderschepte transacties). Een geschrift, te weten een overzicht van tapgesprekken van 13 september 2010, zaaksdossier 1B, map 4, pagina 1231 tot en met 1238. Zaaksdossier 1B, map 4, pagina's 1238 tot en met 1244 (proces-verbaal observatie d.d. 13 september 2010).

xxxix Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 1, pagina's 386 tot en met 390 (proces-verbaal leveringen door [verdachte]). Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 4, pagina 590 (proces-verbaal van bevindingen chronologisch overzicht van niet onderschepte transacties).

xl Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 1, pagina's 285 tot en met 230 (proces-verbaal transacties [verdachte]/NN Griek) Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 4, pagina's 590 en 591 (proces-verbaal van bevindingen chronologisch overzicht van niet onderschepte transacties). Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 4, pagina 700 (proces-verbaal bevindingen [verdachte]/ [Griek]).

xli Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 1, pagina's 393 tot en met 395 (proces-verbaal leveringen door [verdachte]). Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 4, pagina 591 (proces-verbaal van bevindingen chronologisch overzicht van niet onderschepte transacties).

xlii Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 1, pagina's 396 en 397 (proces-verbaal leveringen door [verdachte]). Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 4, pagina 591 (proces-verbaal van bevindingen chronologisch overzicht van niet onderschepte transacties).

xliii Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 1, pagina's 397 tot en met 406 (proces-verbaal leveringen door [verdachte]). Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 4, pagina 592 (proces-verbaal van bevindingen chronologisch overzicht van niet onderschepte transacties). Een geschrift, te weten een overzicht van tapgesprekken van 8 en 9 november 2010, zaaksdossier 1A, rubriek 5, pagina's 21 tot en met 37.

xliv Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 1, pagina 410 (proces-verbaal leveringen door [verdachte]). Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 4, pagina's 595 en 596 (proces-verbaal van bevindingen chronologisch overzicht van niet onderschepte transacties).

xlv Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 1, pagina's 411 en 412 (proces-verbaal leveringen door [verdachte]). Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 4, pagina 596 (proces-verbaal van bevindingen chronologisch overzicht van niet onderschepte transacties).

xlvi Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 1, pagina's 414 en 415 (proces-verbaal leveringen door [verdachte]). Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 4, pagina 596 (proces-verbaal van bevindingen chronologisch overzicht van niet onderschepte transacties).

xlvii Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 1, pagina's 416 tot en met 418 (proces-verbaal leveringen door [verdachte]). Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 4, pagina 597 (proces-verbaal van bevindingen chronologisch overzicht van niet onderschepte transacties).

xlviii Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 1, pagina's 420 tot en met 426 (proces-verbaal leveringen door [verdachte]). Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 4, pagina 597 (proces-verbaal van bevindingen chronologisch overzicht van niet onderschepte transacties).

xlix Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 1, pagina's 239 en 240 (proces-verbaal transacties [verdachte]/NN Griek). Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 2, pagina's 527 en 528 (proces-verbaal van observeren d.d. 29 november 2010) Zd 1A, R2, d2, p. 527-528. Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 4, pagina's 598 en 599 (proces-verbaal van bevindingen chronologisch overzicht van niet onderschepte transacties). Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 4, pagina 700 (proces-verbaal bevindingen [verdachte]/ [Griek]).

l Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 4, pagina 316 (proces-verbaal van bevindingen telling geld). Zaaksdossier 1A, rubriek 4, deel 1, pagina's 401 tot en met 407 (proces-verbaal vrijwillige doorzoeking Insulindeweg [nr] te Amsterdam).

li Zaaksdossier 1A, rubriek 3, pagina 225 (verklaring van verdachte d.d. 2 december 2010).

lii Zaaksdossier 1A, rubriek 2, deel 4, pagina 228 (proces-verbaal van bevindingen KvK historisch)