Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BV8737

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
HA RK 12-76
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking afgewezen. De toekenning door de Amsterdamse rechtbank van spreekrecht aan de ouders van de kinderen vormde de directe aanleiding tot het wrakingsverzoek van verzoeker en zijn verdediging. Zij meenden dat de rechtbank daarmee in strijd met het bestaande recht had gehandeld en in het proces te veel ruimte gaf aan de slachtoffers. Dit zou volgens hen wijzen op een niet onpartijdige houding van de rechters tegenover de verdachte. De wrakingskamer is het daarmee niet eens. Zij vindt de motivering van de rechtbank om het spreekrecht te handhaven niet zodanig onredelijk of onbegrijpelijk dat daaruit vooringenomenheid tegenover de verdachte blijkt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 512
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2012, 167
NBSTRAF 2012/167 met annotatie van Dr. mr. M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
NJFS 2012/134

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beschikking op het op 12 maart 2012 ingekomen en onder rekestnummer

HA RK 12-76 ingeschreven verzoek van:

[verzoeker],

verzoeker,

gedetineerd in [X],

raadslieden mrs. W. Anker en J. Boksem, advocaten te Leeuwarden,

welk verzoek strekt tot wraking van mrs. [namen gewraakte rechters], rechters, belast met de behandeling van de strafzaak tegen verzoeker, hierna: de rechtbank, dan wel de rechters.

Verloop van de procedure

Ter zitting van 12 maart 2012 heeft mr. Anker namens verzoeker een verzoek tot wraking gedaan. De rechters hebben meegedeeld niet in de wraking te berusten. Het verzoek is ter openbare zitting van 13 maart 2012 behandeld waar verzoeker, diens raadslieden mrs. Anker en Boksem, de rechters en de officieren van justitie mr. F. Dekkers en M. Bienfait-van Kampen zijn gehoord. De raadslieden en verzoeker hebben het verzoek ter zitting nader toegelicht. De rechters hebben bij monde van de voorzitter het verzoek bestreden aan de hand van een ter zitting overgelegde schriftelijke verklaring. De officieren van justitie hebben hun standpunt aan de hand van een door hen ter zitting overgelegde schriftelijke reactie toegelicht. Over en weer is in tweede termijn nog gereageerd, waarna de behandeling is gesloten. De uitspraak is bepaald op 14 maart 2012.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten:

a) Verzoeker is als verdachte gedagvaard voor een strafkamer van de rechtbank Amsterdam. Verzoeker wordt kort gezegd verdacht van vele gevallen van seksueel binnendringen en ontucht bij jonge kinderen. Voorts wordt hij verdacht van het vervaardigen, verspreiden en bezit van kinderporno.

b) In bovenvermelde strafzaak hebben reeds meerdere pro forma en regiezittingen plaatsgevonden.

c) Ter zitting van 15 december 2011 heeft de rechtbank ten aanzien van het spreekrecht beslist dat een kind, voor zover dat niet fysiek in staat is te spreken, zich kan laten vertegenwoordigen door één van de ouders. Voorts is beslist dat de ouder, indien hij gebruik maakt van het spreekrecht namens zijn kind, daarbij indien gewenst mede kan betrekken de gevolgen voor hemzelf, zijn partner en de rest van het gezin.

d) Op 12 maart 2012 heeft de rechtbank een begin gemaakt met de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. Ter zitting heeft de verdediging de rechtbank verzocht terug te komen op de beslissing van 15 december 2011 ten aanzien van het spreekrecht van de ouders onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 6 maart 2012 (LJN BR1149).

e) De rechtbank heeft, na alle partijen te hebben gehoord, haar beslissing van 15 december 2011 gehandhaafd.

2. Het verzoek en de gronden daarvan

Het verzoek tot wraking is gebaseerd op de navolgende ter zitting mondeling toegelichte gronden.

Aan het verzoek heeft verzoeker drie redenen ten grondslag gelegd. Ten eerste is het wrakingsverzoek gebaseerd op de subjectieve beleving van verzoeker. Die is naar de mening van de verdediging niet doorslaggevend maar wel van belang. De tweede reden en directe aanleiding tot het wrakingsverzoek is gelegen in de handhaving door de rechtbank van haar beslissing van 15 december 2011 ten aanzien van het spreekrecht van de ouders. De rechtbank heeft hiermee de wettelijke kring van spreekgerechtigden uitgebreid. De rechtbank laat hiermee weloverwogen en doelbewust een situatie in stand die in strijd is met de wet en het recht. Immers, de Hoge Raad heeft in zijn arrest van 6 maart 2012 (LJN BR1149) duidelijkheid willen scheppen en geoordeeld dat uitbreiding van de kring van spreekgerechtigden een taak van de wetgever is en de taak van de rechter te buiten gaat. Het arrest is volstrekt helder, in algemene bewoordingen gesteld en laat geen enkele ruimte voor een andere uitleg. Het in stand houden van die onrechtmatige situatie, want in strijd met de harde tekst van het arrest, is in het belang van de ouders en niet in het belang van verzoeker. Dit is een signaal naar verzoeker. De derde reden voor het wrakingsverzoek is gelegen in de onschuldpresumptie. De rechtbank heeft in strijd met de onschuldpresumptie uitlatingen gedaan. De voorzitter van de rechtbank heeft tijdens een perslunch gezegd: “De kinderen mogen in geen geval hun hele leven die treurnis achter zich aan hebben”. Deze uitlating is in “Het Parool” gepubliceerd. Voorts, zo heeft de verdediging het wrakingsverzoek ter zitting aangevuld, heeft de rechtbank door in haar beslissing omtrent het spreekrecht te verwijzen naar de aard en omvang van de strafzaak en naar de verbeelding van de wetgever met betrekking tot “feiten als de onderhavige”, in strijd gehandeld met de onschuldpresumptie. Deze uitlatingen zijn op zich zelf niet voldoende voor het oordeel van vooringenomenheid maar voeden, in samenhang met de weigering terug te komen op de beslissing omtrent het spreekrecht, de reeds bij verzoeker bestaande gevoelens van partijdigheid.

Op grond van het bovenstaande is er voor verzoeker een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid en dient het wrakingsverzoek te worden toegewezen, aldus de verdediging.

3. Het standpunt van de rechters

De rechters hebben zich bij monde van de voorzitter op het standpunt gesteld dat het verzoek dient te worden afgewezen. Daartoe hebben zij onder meer het volgende aangevoerd.

De beslissingen die de rechtbank in de periode van maart 2011 tot en met maart 2012 heeft genomen, getuigen niet van vooringenomenheid, ook niet wanneer deze in onderling verband en samenhang worden bezien. Het zijn beslissingen die passen in het onderzoek ter terechtzitting, zoals het Wetboek van Strafvordering dat voorschrijft.

De beslissingen van 15 december 2011 en 12 maart 2012, ten aanzien van het verlenen van het spreekrecht aan de ouders, zijn gemotiveerd genomen, nadat alle betrokkenen waren gehoord. Het zijn zelfstandig rechtsoordelen die alleen in hoger beroep kunnen worden getoetst. Het zijn geen oordelen waarvan gezegd kan worden dat ze zodanig onjuist of onredelijk zijn, dat op grond daarvan zou moeten worden aangenomen dat sprake is van enige vooringenomenheid.

Indien de rechtbank zich in haar beslissing beroept op de aard en omvang van de zaak dan bedoelt de rechtbank deze zoals die uit het procesdossier blijkt zoals de talloze digitale gegevensdragers, de aangiften en de bekentenissen van verzoeker. Tijdens de voorlichtingslunch met de pers heeft de voorzitter van de rechtbank zich enkel in algemene termen uitgelaten en opgemerkt dat thans nog sprake is van een verdenking. De zinsnede die is opgenomen in Het Parool, heeft de voorzitter ter zitting van 12 maart 2012 in zijn context geplaatst. De voorzitter heeft de uitlating gedaan in antwoord op een vraag over de reden van de beslotenheid van de zitting en heeft aangegeven dat het naar zijn oordeel treurig is om als kind betrokken te raken en een landelijk bekend geworden strafzaak waarin de feiten nog niet eens vaststaan. Hieruit vloeit niet voort dat de rechtbank vooringenomen zou zijn.

4. Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid van de rechtbank. Het subjectieve standpunt van verzoeker is belangrijk, maar niet doorslaggevend. De vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn. Onvrede over genomen beslissingen door de rechtbank dient niet via het middel van wraking te worden geuit. De wrakingskamer is geen appelinstantie. De grond voor wraking bestaat alleen indien deze beslissingen feiten of omstandigheden opleveren waarvoor geen andere redelijke verklaring kan worden gegeven dan dat deze voortvloeien uit vooringenomenheid van de rechtbank. Ten aanzien van de beslissing van de rechtbank tot het toestaan van het spreekrecht van de ouders is daarvan geen sprake.

Ook de in Het Parool weergegeven opmerking van de voorzitter behelst geen uitspraak over de persoon van verzoeker of over de mate van schuld, laat staan dat deze opmerking getuigt van enige partijdigheid. Het verzoek dient dan ook te worden afgewezen, aldus het openbaar ministerie.

5. De beoordeling van het verzoek

5.1 Algemeen kader

Op grond van het bepaalde in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

Het gesloten systeem van rechtsmiddelen biedt geen ruimte voor een beoordeling van de juistheid van een van de door de rechtbank genomen beslissingen. Grond voor wraking bestaat alleen als deze beslissingen feiten opleveren waarvoor geen andere redelijke verklaring kan worden gegeven dan dat deze voortvloeien uit vooringenomenheid van de rechtbank. Aan de hand van dit criterium zal de wrakingskamer zich uitspreken over de door de raadslieden van verzoeker aan het verzoek ten grondslag gelegde beslissingen van de rechtbank.

5.2 Arrest van de Hoge Raad 6 maart 2012

De kern van het verwijt van verzoeker komt er op neer, dat de rechtbank een situatie in stand laat die in strijd is met de wet en het recht doordat zij heeft besloten de beslissing van 15 december 2011 met betrekking tot het toestaan van het spreekrecht van de ouders, ondanks de uitspraak van de Hoge Raad van 6 maart 2012, in stand te laten. De rechtbank heeft dit weloverwogen en doelbewust gedaan en geeft daarmee blijk van een houding die de rechterlijke onpartijdigheid kan schaden, aldus verzoeker.

De wrakingskamer overweegt, met de rechtbank en de verdediging, dat de Hoge Raad in zijn arrest van 6 maart 2012, naast een op de casus toegespitst oordeel, een algemeen oordeel heeft gegeven met betrekking tot de (on)toelaatbaarheid van verruiming van het spreekrecht dan door de wetgever voorzien.

De rechtbank heeft, na het horen van alle partijen hieromtrent, uitvoerig gemotiveerd aangegeven waarom zij van oordeel is dat de casus uit het arrest van de Hoge Raad een principieel andere is dan de casus die thans voorligt. De rechtbank heeft haar eerdere beslissing tot toekenning van het spreekrecht, met een verwijzing naar mogelijk toekomstige wetgeving en de aard en omvang van de strafzaak, gehandhaafd.

De wrakingskamer is van oordeel dat uit deze motivering blijkt dat de rechtbank zich rekenschap heeft gegeven van het arrest van de Hoge Raad en de uitspraak van de Hoge Raad in zijn absoluutheid niet volgt. Het is verleidelijk over de juistheid of onjuistheid een uitspraak te doen. De juistheid of onjuistheid van dat oordeel van de rechtbank staat gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen echter niet ter beoordeling van de wrakingskamer. De beslissing van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende motivering acht de wrakingskamer niet zodanig dat daarvoor geen andere redelijke verklaring kan worden gegeven dan dat deze alleen kunnen zijn ingegeven door vooringenomenheid van de rechtbank jegens verzoeker.

Daarbij komt dat, anders dan door de verdediging is aangevoerd, een beslissing door een rechtbank die afwijkt van een oordeel van de Hoge Raad, niet reeds daarom onrechtmatig is. Immers, uitspraken van de Hoge Raad zijn in beginsel leidend voor de lagere rechter maar niet per definitie bindend.

5.3 Uitlatingen van de rechtbank

Verzoeker heeft aan een aantal uitlatingen van de rechtbank de conclusie verbonden dat daaruit blijkt dat zijn subjectieve oordeel omtrent de vooringenomenheid van de rechtbank juist is. Hierna zal nader op de verschillende uitlatingen worden ingegaan.

5.3.1 “Aard en omvang”

Het standpunt van verzoeker komt er – kort samengevat – op neer, dat ook het wijzen op de aard en omvang van de zaak door de rechtbank, het bij verzoeker reeds ontstane beeld van een partijdige rechtbank heeft gevoed. De aard en omvang van de zaak en de rol van verzoeker dienen volgens verzoeker pas bij vonnis te worden vastgesteld.

De wrakingskamer kan verzoeker hierin niet volgen. Het staat de rechtbank vrij om onder meer op basis van de fysieke omvang van het dossier, de soort en hoeveelheid verdenkingen en de hoeveelheid van betrokkenen, zich aldus uit te laten. Genoemde elementen zijn bepalend voor de aard en de omvang van de zaak als hier bedoeld. Op grond van die aard en omvang van de zaak worden voorafgaand aan het vonnis en gedurende de procedure meerdere beslissingen genomen, zoals bijvoorbeeld over het aantal zittingsdagen dat wordt gereserveerd en over de te gebruiken zittingsruimte. Ook in deze motivering van de rechtbank wordt naar het oordeel van de wrakingskamer op geen enkele wijze vooruitgelopen op de beoordeling van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten, de schuldvraag, dan wel de persoon van verzoeker.

5.3.2 Formulering van de motivering

Het standpunt van verzoeker komt er op neer, dat een zinsnede uit de motivering die ten grondslag ligt aan het toewijzen van het spreekrecht aan de ouders, te weten “Weliswaar leidt dit tot meer dan de wetgever destijds voor ogen stond, maar dat heeft hiermee te maken dat de verbeelding van de wetgever, als het ging om de vertaling van haar eigen regeling, feiten als de onderhavige nog niet kon oproepen”, het bij verzoeker reeds ontstane beeld van een partijdige rechtbank heeft versterkt.

Bovengenoemde opmerking had betrekking op hetgeen de wetgever voor ogen heeft gestaan. Onderwerp van de beschouwingen van de wetgever vormden beslissingen (over het spreekrecht) die de rechter moet nemen vóórdat er sprake kan zijn van een einduitspraak, in een situatie waarin er nog slechts sprake is van een tenlastelegging. Uit de aard van de zaak kunnen de woorden “feiten als de onderhavige” daarom slechts betrekking hebben op de door het openbaar ministerie gepresenteerde verdenkingen. De rechtbank heeft tijdens de behandeling van onderhavig wrakingsverzoek daarop ook gewezen. Het toevoegen van woorden als vermoedelijke, mogelijke of eventuele, zoals mr. Anker als suggestie heeft geopperd, is gelet op de context waarin de zinsnede is gebezigd niet noodzakelijk om de schijn van vooringenomenheid te vermijden. Het gaat bij de beoordeling van bewoordingen die de rechtbank of een rechter in een beslissing gebruikt er niet om of de rechtbank of die rechter in haar formuleringen verzoeker voldoende ter wille is geweest om hem de overtuiging te geven dat zij niet vooringenomen is, maar het gaat om de beantwoording van de vraag of voor een gebruikte formulering geen andere verklaring mogelijk is dan vooringenomenheid van de rechter.

Naar het oordeel van de wrakingskamer wordt door deze zinsnede in de motivering van de beslissing op geen enkele wijze vooruitgelopen op de beoordeling van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten, de schuldvraag, dan wel de persoon van verzoeker. Ook hier is dus geen sprake van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

5.3.3 Uitlating voorzitter tijdens persbijeenkomst

Het standpunt van verzoeker komt er op neer, dat de uitlating van de voorzitter ten tijde van de perslunch, zoals opgetekend in Het Parool als “de kinderen mogen in geen geval hun hele leven die treurnis achter zich aan hebben”, strijdig is met de presumptie van onschuld.

De voorzitter heeft ter zitting van 12 maart 2012 desgevraagd uiteengezet dat zijn uitspraak een antwoord betreft, dat is gegeven op een vraag van een journalist naar de reden van het met gesloten deuren behandelen van kinddossiers. Hij heeft daarbij verklaard dat het woord treurnis door hem is gebruikt in de betekenis van deernis, iets wat droefheid wekt. De voorzitter heeft daarbij aangegeven dat het naar zijn oordeel ook treurig is om als kind betrokken te raken in een landelijk bekend geworden strafzaak, waarin de feiten nog niet eens vast staan. De verdenking op zich heeft al impact op een gezin, aldus de voorzitter.

Naar het oordeel van de wrakingskamer is er sprake van een uitleg over een beslissing van de rechtbank betreffende de werkwijze ten tijde van het proces. Die beslissing hield in dat de zitting (gedeeltelijk) met gesloten deuren zal plaatsvinden.

De wrakingskamer is van oordeel dat het tot de taak van de rechtbank behoort om met betrekking tot de wijze van behandeling een weloverwogen beslissing te nemen en deze te motiveren en – desgevraagd – nader uit te leggen.

Kennelijk is de rechtbank er van uitgegaan dat de belangen van de betrokken kinderen bescherming verdienen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 269 Sv, en heeft de rechtbank voor ogen gestaan dat de wijze van behandeling van de zaak zo moet worden gekozen dat daardoor zo weinig mogelijk schade wordt toegebracht aan de kinderen. De uitspraak van de voorzitter “de kinderen mogen in geen geval hun hele leven die treurnis achter zich aan hebben” dient dan ook in dat licht te worden bezien. Met deze uitspraak wordt naar het oordeel van de wrakingskamer op geen enkele wijze vooruitgelopen op de beoordeling van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten, de schuldvraag dan wel de persoon van verzoeker.

De wijze van behandeling van de zaak en de mogelijkheid van schade voor de daarbij betrokken kinderen staan los van de uitkomst daarvan.

Er is dan ook geen sprake van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid van de rechters, of meer in het bijzonder van de voorzitter, schade zou kunnen leiden.

5.4 Subjectief gevoelen verzoeker

De beslissing van de rechtbank van 15 december 2011 en de beslissingen die daaraan vooraf zijn gegaan, kunnen op zichzelf thans geen grond vormen voor een wraking. Op grond van artikel 513 Sv dient het wrakingsverzoek immers te worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden die daartoe aanleiding geven bekend zijn geworden.

Uit het voorgaande volgt dat de wrakingskamer van oordeel is dat geen van de door verzoeker aangevoerde objectieve wrakingsgronden van toepassing zijn. De persoonlijke beleving van verzoeker dat zijn zaak niet door een onpartijdige rechtbank wordt behandeld, vindt geen steun in objectieve gronden. Deze beleving alléén is onvoldoende om op grond van artikel 512 Sv te spreken van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. De vrees voor vooringenomenheid is derhalve niet objectief gerechtvaardigd.

BESLISSING:

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat de zaak wordt voortgezet in de stand waarin de procedure zich bevond ten tijde van indiening van het verzoek.

Aldus gegeven door mr. J.A.J. Peeters, voorzitter, mrs. C.P.E. Meewisse en C.L.J.M. de Waal, rechters en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 maart 2012 in tegenwoordigheid van mr. P. Tanis, griffier.

Tegen deze beslissing staat ingevolge artikel 515 lid 5 Sv geen voorziening open.