Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BV8709

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-03-2012
Datum publicatie
13-03-2012
Zaaknummer
AWB 11-4418 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beeindiging verplichte verzekering ingevolge volksverzekeringen. Op peildatum was sprake van een duurzame band van persoonlijke aard van eiser met Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2012/57

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/4418 AWBZ

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

verblijvende in [verblijfplaats] (Frankrijk),

eiser,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.P. van den Berg.

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de verplichte verzekering van eiser ingevolge de volksverzekeringen met ingang van 12 juli 2005 beëindigd.

Bij besluit van 9 augustus 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard, het primaire besluit vervallen verklaard, bepaald dat eiser in de periode van 12 juli 2005 tot en met 31 juli 2008 verzekerd was ingevolge de volksverzekeringen en bepaald dat eiser niet ingevolge de volksverzekeringen verzekerd was vanaf 1 augustus 2008 tot en met 9 augustus 2011.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 januari 2012. Eiser is - met voorafgaande kennisgeving - niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. feiten en omstandigheden

1.1. Bij brief van 19 november 2010 heeft zorgverzekeraar Menzis verweerder verzocht na te gaan of eiser nog ingezetene van Nederland is en of hij nog verzekeringsplichtig is voor de volksverzekeringen. De reden daarvoor is dat eiser volgens informatie van Menzis regelmatig langdurig in Frankrijk verblijft en vanaf 21 november 2006 regelmatig in Frankrijk gemaakte zorgkosten declareert bij Menzis. Bij de brief is gevoegd een antwoordformulier dat eiser op 9 november 2011 heeft ingevuld. Daarin staat aangegeven dat eiser gemiddeld zes maanden per jaar in Nederland is en dat hij gemiddeld zes maanden per jaar in het buitenland is. In Nederland woont eiser bij familie in, in het buitenland heeft eiser zelf woonruimte. Eiser heeft op dit formulier voorts aangegeven dat hij in Nederland hoofdverblijf heeft.

1.2. Verweerder heeft bij schrijven van 3 februari 2011 eiser verzocht een aantal vragen te beantwoorden. Eiser heeft bij brief van 3 maart 2011 geantwoord dat het adres in Frankrijk sinds 19 jaar een vakantiewoning betreft dat van hem en zijn echtgenote is. Tot juli 2005 kon hij en zijn echtgenote daar slechts verblijven gedurende de schoolvakanties. Na de beëindiging van hun banen en verkoop van hun woning in Eindhoven hebben eiser en zijn vrouw meer tijd om er te zijn. Na de verkoop van hun woning in Nederland zijn eiser en zijn echtgenote verhuisd naar het adres van zijn schoonouders in Epe. Eiser heeft aangegeven dat zijn schoonouders op leeftijd zijn en dat hij en zijn echtgenote graag de mogelijkheid behouden om bij zijn schoonouders in de buurt te zijn. Voorts heeft hij aangegeven dat hij noch zijn echtgenote in Frankrijk betaalde werkzaamheden verrichten. Zij leven van de opbrengst van verkoop van hun woning. Tijdens het verblijf in Frankrijk, heeft zijn echtgenote tijd en rust om zich te richten op haar kunst. Eiser heeft voorts aangegeven dat hij en zijn echtgenote in 2007 in Frankrijk zijn behandeld voor longkanker respectievelijk borstkanker. De ziekte is daar ontdekt en er waren geen wachtlijsten. Eiser en zijn echtgenote willen daar indien mogelijk nacontroles hebben, omdat Frankrijk hun dossiers heeft. Hij voegt hier aan toe dat zijn echtgenote in 2008 nog opgenomen is geweest in een ziekenhuis in Eindhoven.+

1.3. Tijdens de bezwaarfase heeft eiser in aanvulling op het vorenstaande naar voren gebracht dat eiser en zijn echtgenote in Epe beschikken over twee kamers en medegebruik van de rest van de woning. Ook huren zij regelmatig een appartement van vrienden in Eindhoven. Daarnaast zijn zij vaak met de caravan op pad. Eiser en zijn echtgenote blijven door de bank genomen van februari tot en met april in Nederland, van mei tot en met augustus in Frankrijk, van september tot en met november in Nederland. In de maanden december en januari maken zij meestal een buitenlandse reis. In 2008-2009 zijn eiser en zijn echtgenote op zoek geweest naar bescheiden woonruimte in Eindhoven. Maar omdat de DSB-bank failliet ging zijn zij hun spaargeld kwijtgeraakt. Zij leven thans van de garantieregeling. De echtgenote van eiser exposeert 1 a 2 keer per jaar in officiële galeries in Nederland. Eisers echtgenote doet mee aan de kunstroute in Eindhoven en in 2011 aan een landart-project op landgoed Diessen. Zijn echtgenote is lid van de Eindhovense Exto en de Kunstclub in Eindhoven. Wat de website betreft, mocht zijn echtgenote daar ooit de term woont en werkt in Frankrijk hebben gebruikt dan was dat reclame. Werken betekent aldus eiser bezig zijn met kunst. Anders dan de website doet vermoeden ontvangt zijn echtgenote geen inkomsten uit hetgeen zij aanbiedt. Voor workshops zitten hij en zijn echtgenote weer teveel in Nederland. Tot slot geeft eiser aan dat Nederland de basis is voor hun activiteiten, kunst cultuur en sociaal verkeer en Frankrijk is voor de zomermaanden voor de rust en de natuur.

2. Wettelijk kader

2.1. Artikel 5, eerste lid en onder a, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)) bepaalt dat verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is, degene die ingezetene is.

2.2. Artikel 2 van de AWBZ bepaalt dat ingezetene in de zin van deze wet is degene die in Nederland woont.

2.3. Artikel 3 van de AWBZ bepaalt dat waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, naar de omstandigheden wordt beoordeeld.

2.4. De Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet en de Algemene Kinderbijslagwet bevatten inhoudelijk dezelfde bepalingen als bovengenoemde.

2.5. Gelet op de arresten van de Hoge Raad (HR) van 21 januari 2011 en 4 maart 2011 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder respectievelijk LJN BP1466 en LJN BP6285) moet bij de beoordeling van de vraag waar iemand woont alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval betrokken worden. Het komt er volgens die rechtspraak op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.

3. Inhoudelijke beoordeling

3.1. In geding is of verweerder de verplichte verzekering van eiser voor de volksverzekeringen terecht heeft beëindigd met ingang van 1 augustus 2008 op de grond dat hij met ingang van die datum niet langer kan worden aangemerkt als ingezetene van Nederland.

3.2. Op grond van de gedingstukken gaat de rechtbank bij de beantwoording van die vraag uit van de volgende feiten. Deze feiten zijn tussen partijen niet in geschil.

3.3. Eiser en zijn echtgenote verblijven zes maanden per jaar in Nederland en zij reizen twee maanden van het jaar (in het buitenland). Als zij in Nederland zijn verblijven zij bij eisers schoonouders of huren zij een appartement van vrienden. De echtgenote van eiser exposeert een tot twee keer per jaar in officiële galeries in Nederland en als zij in Nederland zijn bezoeken zij regelmatig andere exposities en culturele evenementen. Eiser betaalt inkomstenbelasting in Nederland en staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. In een op 9 november 2010 door hem ondertekend formulier heeft eiser aan Menzis opgegeven dat hij hoofdverblijf in Nederland houdt. Uit de jurisprudentie van de HR blijkt dat deze wil van belang kan zijn voor het aannemen van ingezetenschap, behoudens de hier niet aan de orde zijnde omstandigheid (eiser heeft immers de Nederlandse nationaliteit) dat deze wil niet verwezenlijkt kan worden.

3.4. Tegenover over het voorgaande staat dat eiser en zijn echtgenote in Frankrijk een vakantiewoning hebben waar zij vier maanden per jaar verblijven.

3.5. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op 1 augustus 2008 tussen eiser en Nederland sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard. Daargelaten dat dit op grond van de jurisprudentie van de HR niet is vereist acht de rechtbank deze band sterker dan die met Frankrijk.

3.6. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder ten onrechte heeft bepaald dat het ingezetenschap van eiser met ingang van 1 augustus 2008 verloren is gegaan en daarmee dat de verplichte verzekering ten onrechte met ingang van die datum is beëindigd.

3.7. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit niet is voorzien van een deugdelijke motivering. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voorts ziet de rechtbank aanleiding om op de voet van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen. De vernietiging van het bestreden besluit en de herroeping van het primaire besluit heeft tot gevolg dat de verplichte verzekering voor de volksverzekeringen van eiser doorloopt.

3.8. De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank overweegt hierbij dat het beroep door eiser is ingediend zodat geen sprake is van door een derde professionele rechtsbijstandverlener verleende rechtsbijstand.

3.9. De rechtbank ziet ten slotte aanleiding om op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 41,- (zegge: eenenveertig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M. de Buur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2012.

de griffier, de rechter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB