Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BV8675

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
13-03-2012
Zaaknummer
Parketnummer: 13.706022-12 RK nummer: 12/482
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering. EAB vervolging Frankrijk. 13 OLW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.706022-12

RK nummer: 12/482

Datum uitspraak: 6 maart 2012

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 11 januari 2012 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 6 januari 2012 door de Procureur de la République bij het Tribunal de Grande Instance te Verdun (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Frankrijk) op [1973],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gede¬tineerd in het Huis van Bewaring “Zwaag” te Zwaag;

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 21 februari 2012. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. H. Bakker, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Franse taal.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Franse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel (Mandat d’arrêt) van 6 januari 2012 uitgevaardigd door de Onderzoeksrechter bij het Tribunal de Grande Instance te Verdun (Frankrijk).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul¬dig heeft gemaakt aan naar het recht van Frankrijk strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) (onderdeel f in de Nederlandse vertaling) van het EAB en in een aanvullende brief van 25 januari 2012 van de uitvaardigende autoriteiten. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel en de brief zijn als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

De rechtbank begrijpt het EAB en de aanvullende brief van 25 januari 2012 aldus dat de Franse autoriteiten voor het in de bijlagen beschreven feitencomplex de overlevering van de opgeëiste persoon verzoeken. Waar zij spreken over vijf strafbare feiten begrijpt de rechtbank het verzoek zo, dat hiermee gedoeld wordt op de vijf verschillende Franse kwalificaties die aan het feitencomplex betreffende de handel in verdovende middelen kunnen worden gegeven.

Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon.

4. Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op een strafbar feiten die geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, onder a OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor die feiten.

De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

- uitvoer/invoer en bezit van verdovende middelen is in casu eveneens strafbaar in Frankrijk;

- beide verdachten hebben de Franse nationaliteit;

- beiden zijn in Frankrijk gekend voor de Opiumwet;

- een mededader heeft tijdens de voorgeleiding voor de rechter-commissaris in de Nederlandse strafzaak verklaard dat het de bedoeling was om 50 of 60 gram drugs mee te nemen naar Frankrijk, waarmee is aangetoond dat de drugs bestemd waren voor de Franse markt en de Franse rechtsorde ermee zou worden geschonden;

- na berechting in Frankrijk is resocialisatie mogelijk in eigen land.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Franse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Niet zou zijn gebleken dat de verzochte overlevering aan de Franse autoriteiten en de verdere vervolging in Frankrijk de voorkeur verdient, boven de mogelijke afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten. Daartoe is aangevoerd, kort samengevat, dat er geen sprake is van een goede rechtsbedeling. Het feitencomplex heeft zich geheel op Nederlands grondgebied plaatsgevonden en het enkele feit dat de opgeëiste persoon de Franse nationaliteit heeft is onvoldoende reden om de vervolging aan Frankrijk over te dragen. Het bewijs, de medeverdachte en de getuige bevinden zich in Nederland en bovendien heeft het gehele onderzoek in Nederland plaatsgevonden. De Nederlandse rechtsorde is het meeste aangetast en de verklaring dat de drugs in Frankrijk gebruikt zouden worden is discutabel, nu in de strafzaak ook andere geluiden te horen zijn. Bovendien is er nog geen sprake van vervolging in Frankrijk.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. De rechtbank stelt vast dat er vervolging in Nederland heeft plaatsgevonden, maar dat die vervolging op 31 januari 2012 is gestaakt en overgedragen aan de Franse autoriteiten. Dit is middels een kennisgeving ex artikel 552t, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering aan de opgeëiste persoon kenbaar gemaakt. De opgeëiste persoon heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid van beklag. Blijkens het EAB onderdeel f) is er op dit moment een vervolging gaande in Frankrijk en in dat kader is er een EAB uitgevaardigd.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat er een vervolging loopt tegen de opgeëiste persoon in Frankrijk en niet in Nederland. In deze situatie heeft de officier van justitie gelet op zijn aangevoerde argumenten, in redelijkheid tot zijn vordering kunnen komen. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, onder a OLW bedoelde weigeringsgrond.

6. Beslag

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft tevens verzocht om de voorwerpen die bij de aanhouding in beslag genomen zijn over te dragen, te weten de identiteitsdocumenten en de GSM’s.

De rechtbank stelt ten eerste vast dat uit de kennisgevingen van inbeslagneming niet blijkt dat er beslag is gelegd op identiteitsdocumenten, derhalve kunnen deze niet aan de uitvaardigende justitiële autoriteit afgegeven worden.

De rechtbank stelt voorts vast dat er blijkens de kennisgevingen van inbeslagname in totaal drie mobiele telefoons in beslag zijn genomen op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, te weten twee zwarte Nokia telefoons en een zwarte Blackberry. Artikel 49, eerste lid, OLW vereist echter dat de voorwerpen aangetroffen zijn in het bezit van de opgeëiste persoon. Dit blijkt niet uit de kennisgevingen van inbeslagname. Bovendien beschikt de rechtbank niet over informatie dat het beslag is overgedragen aan de officier van justitie te Amsterdam en ontbreekt de op grond van artikel 49, derde lid, OLW vereiste lijst van de in beslag genomen goederen. Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank de overdracht van de in beslag genomen voorwerpen weigeren.

7. Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8. Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 7, 13, 49 en 50 OLW.

9. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Procureur de la République bij het Tribunal de Grande Instance in Verdun (Frankrijk) ten behoeve van het in Frankrijk tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

WEIGERT de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

Aldus gedaan door

mr. C.W. Bianchi, voorzit¬ter,

mrs. C.F. de Lemos Benvindo en J.W. Vriethoff rech¬ters,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. van Bruggen, grif¬fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 6 maart 2012.

Ingevolge artikel 29, lid 2 OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

[A/B/C]