Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BV8628

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-02-2012
Datum publicatie
13-03-2012
Zaaknummer
AWB 11-5310 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat eiseres voldoende redenen had om er op te vertrouwen dat haar uitkering niet rauwelijks zou worden ingetrokken op grond van haar huisvestingssituatie, die ze tijdig bij verweerder had gemeld. De rechtbank heeft daarom zelf een beslissing genomen en bepaald dat eiseres geen recht meer heeft op een bijstandsuitkering met ingang van drie maanden na het primaire besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/5310 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. B.B.A. Willering,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. M. Mulders.

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2011 heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres met ingang van 29 mei 2006 ingetrokken (het primaire besluit).

Bij besluit van 24 maart 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard (het bestreden besluit).

Bij uitspraak van de rechtbank van 30 augustus 2011 (AWB 11/2231 WWB) heeft de rechtbank het besluit van 24 maart 2011 vernietigd en is verweerder opgedragen opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.

Bij besluit van 28 september 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2012. Eiseres is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. feiten en omstandigheden

1.1. Eiseres ontving een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande, met een gemeentelijke toeslag van 10% van het netto minimumloon.

1.2. Verweerder is naar aanleiding van een schriftelijke mededeling van Werkplein Centrum/Oost van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van 7 december 2010 een onderzoek gestart naar de woonsituatie van eiseres. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een Rapport van bevindingen Melding met als afsluitdatum 28 januari 2011. De conclusie van het rapport is dat eiseres de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat zij heeft verzuimd te melden dat zij sinds 29 mei 2006 een gezamenlijke huishouding voert met haar ex-echtgenoot, de heer [ex-echtgenoot].

1.3. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit van 2 februari 2011 genomen en het daartegen ingestelde bezwaar bij besluit 24 maart 2011 gedeeltelijk gegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 augustus 2011 heeft de rechtbank dit besluit vernietigd. De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het in het besluit van 24 maart 2011 neergelegde standpunt van verweerder dat eiseres in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting van de gezamenlijke huishouding geen mededeling heeft gedaan. Dat betekent dat niet voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat verweerder niet op die grond bevoegd was de bijstand van eiseres in te trekken.

1.4. Bij besluit van 28 september 2011 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is het primaire besluit in zoverre gewijzigd, dat de bijstand van eiseres met ingang van 29 augustus 2006 wordt ingetrokken op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voldoende is komen vast te staan dat eiseres en [ex-echtgenoot] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, omdat zij hun hoofdverblijf hebben op hetzelfde adres en er sprake is van wederzijdse zorg. Verweerder stelt zich tevens op het standpunt dat eiseres redelijkerwijs had kunnen weten dat de gezamenlijke huishouding met haar ex-man niet ruim vier jaar kon voortduren zonder dat dit invloed zou hebben op haar recht op bijstand. Om die reden is het primaire besluit in zoverre gewijzigd, dat de bijstand van eiseres met ingang van 29 augustus 2006 wordt ingetrokken op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB.

2. inhoudelijke beoordeling

2.1. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres een gezamenlijke huishouding voert. Niet in geschil is dat eiseres en haar ex-echtgenoot, de heer [ex-echtgenoot], beiden hun hoofdverblijf hebben op het adres [adres] te [woonplaats]. Gelet op de verklaringen van eiseres op 14 januari 2011 is de rechtbank van oordeel dat sprake was wederzijdse zorg tussen eiseres en [ex-echtgenoot]. In dit verband acht de rechtbank onder meer van belang dat eiseres tijdens het huisbezoek heeft verklaard dat zij geld van [ex-echtgenoot] krijgt voor boodschappen, dat zij kookt en dat alle spullen in de woning van hen samen zijn.

2.2. Gelet op het voorgaande was verweerder bevoegd de bijstandsuitkering van eiseres met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB in te trekken.

2.3. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder er sinds de aanvang in 2006 door eiseres van op de hoogte is gebracht dat [ex-echtgenoot] bij haar inwoont. Na deze melding heeft eiseres een besluit van verweerder 15 juni 2006 ontvangen waarin haar is bericht dat haar uitkering in verband hiermee vanaf 29 mei 2006 gewijzigd wordt voortgezet in die zin dat eiseres vanaf die datum een toeslag op haar uitkering ontvangt van 10% in plaats van 20% van het netto minimumloon.

2.4. Zoals de rechtbank in de uitspraak van 30 augustus 2011 heeft vastgesteld heeft verweerder onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen voor de conclusie dat eiseres in 2006 heeft aangegeven dat het om een tijdelijke situatie zou gaan en – dus – dat eiseres gehouden was om na drie maanden door te geven dat [ex-echtgenoot] nog steeds bij haar woonde.

2.5. Om die redenen is de rechtbank van oordeel dat eiseres er op mocht vertrouwen dat haar uitkering niet rauwelijks zou worden ingetrokken op grond van haar huisvestingssituatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid niet met ingang van 29 augustus 2006 van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik kunnen maken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder er voor heeft gekozen om geen hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 30 augustus 2011 in te stellen en in zijn huidige besluitvorming uitdrukkelijk eiseres niet de schending van de inlichtingenplicht verwijt.

2.6. De rechtbank acht het in dit verband redelijk als verweerder eiseres kenbaar had gemaakt dat haar uitkering na een termijn van drie maanden zou worden beëindigd, zodat eiseres de gelegenheid had gekregen om haar huisvestingssituatie aan te passen. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 27 december 2011, gepubliceerd onder LJN BV0017.

2.7. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met het motiveringsbeginsel zoals neergelegd in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank zal zelf een beslissing nemen. De rechtbank zal het primaire besluit herroepen en bepalen dat eiseres geen recht meer heeft op een bijstandsuitkering met ingang van drie maanden na het primaire besluit, derhalve

2 mei 2011. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.8. De rechtbank zal verweerder opdragen het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

2.9. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de kosten die eiseres voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift,

1 punt voor het verschijnen ter zitting). Omdat eiseres heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, moet verweerder dit bedrag aan de griffier van de rechtbank betalen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 28 september 2011;

- herroept het primaire besluit van 2 februari 2011;

- bepaalt dat de bijstandsuitkering van eiseres wordt ingetrokken ingang van 2 mei 2011;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het in beroep betaalde griffierecht van € 41,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres in beroep tot een bedrag van € 874,-, te betalen door verweerder aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.R. Docter, rechter, in aanwezigheid van

B.O. Schaafsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2012.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB