Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BV8477

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
09-03-2012
Zaaknummer
13/661153-11 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ISD.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/661153-11 (Promis)

Datum uitspraak: 6 maart 2012

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1966],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] te [woonplaats],

gedetineerd in het Huis van Bewaring "Het Schouw" te Amsterdam.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 februari 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.J. van der Heijden en van wat de gemachtigde raadsvrouw van verdachte, mr. V.H. Hammerstein, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 21 november 2011 te Hilversum, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen uit supermarktketen Plus (filiaal: Oosterengweg 64) één of meerdere pak(ken) kaasstengel(s) en/of één blikje whisky-cola, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Plus, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

(Artikel 310 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 21 november 2011 te Hilversum, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal gelegen de Oosterengweg 64 en in gebruik bij supermarktketen Plus, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte;

(Artikel 138 wetboek van Strafrecht).

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.i

Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde:

Op 21 november 2011 wordt door een medewerker van supermarkt Plus, gevestigd aan de Oosterengweg 64 te Hilversum, gezien dat verdachte in de winkel loopt, terwijl hij op dat moment een winkelverbodii heeft. Gezien wordt dat verdachte een kaasstengel aan het eten is. Verdachte heeft de kaasstengel niet bij de kassa aangeboden ter betaling.iii Verdachte bekent dat hij de kaasstengel in de winkel uit de verpakking haalde en dit pak niet heeft afgerekend bij de kassa. Hij zegt ook dat hij wist dat hij een winkelverbod had.iv

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 21 november 2011 te Hilversum met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit supermarktketen Plus, filiaal: Oosterengweg 64, één pak kaasstengels toebehorende aan Plus;

2.

op 21 november 2011 te Hilversum wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal gelegen de Oosterengweg 64 en in gebruik bij supermarktketen Plus.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van 2 (twee) jaren zonder aftrek van voorarrest zal worden opgelegd.

De raadsvrouw heeft zich zich bij pleidooi tegen oplegging van de ISD-maatregel verzet. Zij voert hiertoe aan, dat het opleggen van de ISD-maatregel niet zinvol zal zijn. Een concreet voorstel voor behandeling ontbreekt, reden waarom bij vonnis van 16 september 2011 de ISD-maatregel is afgewezen. Verdachte heeft de ISD-maatregel al eerder doorlopen. Hij is daar in september 2010 weer uitgekomen. De raadsvrouw verzoekt de ISD-maatregel af te wijzen en aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van Jellinek, om met Prisongate te kijken naar mogelijkheden voor opname in een behandelkliniek. Subsidiair verzoekt zij de ISD-maatregel op te leggen voor de duur van één jaar.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Leger des Heils, Jeugdzorg en Reclassering, afdeling reclassering van 16 februari 2012, opgemaakt door A. van der Hek. Dit rapport houdt -zakelijk weergegeven- onder meer het volgende in:

Verdachte is een 45-jarige man die sinds 1980 veelvuldig met justitie in aanraking is gekomen. In december 2008 heeft verdachte de ISD-maatregel opgelegd gekregen. Kort na zijn uitstroom uit de ISD in september 2010 is verdachte opnieuw met justitie in aanraking gekomen. De leefsituatie van verdachte is schrijnend. Hij heeft geen huisvesting, inkomen of dagbesteding. Er is sprake van jarenlange alcoholafhankelijkheid. Het ontbreekt verdachte aan enige vorm van structuur en hij externaliseert zijn problemen. Opnames in klinieken zijn onvoldoende van de grond gekomen, omdat verdachte recidiveerde en zich niet aan de afspraken met de hulpverlening hield. Er is sprake van psychische problematiek welke intensieve aandacht vereist. (Klinische) behandeling is hierbij geïndiceerd. Een zogenoemde dubbeldiagnose kliniek behoort tot de opties. Het is tot op heden niet gelukt om met behulp van verschillende dwang- en drangmaatregelen in het kader van hulpverlening het alcohol- en medicatiegebruik en het delictgedrag te veranderen. De ISD-maatregel kan ondersteuning bieden bij verschillende leefgebieden en daarmee een bijdrage leveren aan het voorkomen van recidive. Het recidiverisico is hoog en er is een hoog risico op het zich onttrekken aan de voorwaarden. De motivatie van verdachte is ambivalent te noemen. Geadviseerd wordt de ISD-maatregel op te leggen voor de duur van twee jaren. Vanuit dit kader dient hulpverlening in gang te worden gezet in de vorm van (klinische) behandeling en begeleiding.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het Pro Justitia psychiatrisch onderzoeksrapport van het NIFP van 16 februari 2012, opgemaakt door E.A. Boorsma, forensisch psychiatrisch geneeskundige. Dit rapport houdt - zakelijk weergegeven- onder meer het volgende in:

Bij verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis der geestesvermogens in de zin van alcoholafhankelijkheid, een depressieve stoornis NAO in remissie en een paniekstoornis en van een gebrekkige ontwikkeling der geestesvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis NAO met borderline en antisociale trekken. Het ten laste gelegde past in een trend van destructieve en agressieve gedragingen voortvloeiend uit ontremming en uitageren van agressieve impulsen onder invloed van alcohol, in combinatie met psychofarmaca. Daarbij vloeit de alcoholafhankelijkheid zeker ten dele voort uit de impulsiviteit vanuit de borderline trekken. Gezien de samenhang tussen de persoonlijkheidsstoornis en het ten laste gelegde wordt geadviseerd verdachte te beschouwen als licht verminderd toerekeningsvatbaar. Bij het onbehandeld blijven van de alcoholafhankelijkheid en de onderliggende persoonlijkheidsstoornis moet de kans op recidive als hoog worden ingeschat. Verdachte conformeert zich onvoldoende aan het hulpverleningsaanbod, maar kan zich zelfstandig ook niet redden. Indien verdachte daartoe te motiveren is, zou binnen een ISD-maatregel behandeling plaats kunnen vinden in een forensische dubbeldiagnose kliniek zoals De Ponder van Forensische Psychiatrische Kliniek De Woenselse Poort, een kliniek voor behandeling van gecombineerde verslavings- en persoonlijkheidsproblematiek. Daarna zou resocialisatie kunnen plaatsvinden naar een Regionale Instelling voor Begeleiding bij Wonen, werken en welzijn (RIBW). Er is geen sprake van zodanige psychiatrische problematiek dat verdachte niet in staat zou zijn mee te werken aan een ISD-programma. Vanuit de hulpverleningsgeschiedenis wordt duidelijk dat behandeling op vrijwillige basis binnen een voorwaardelijk kader niet haalbaar is.

De rechtbank volgt het advies van de rapporteurs en neemt de daarin getrokken conclusies over.

Ook voor het overige wordt aan alle voorwaarden voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt.

De rechtbank is niet gebleken van redenen om de ISD-maatregel niet op te leggen. Zij zal daarom de officier van justitie in haar vordering volgen.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het (nogmaals) opleggen van de ISD-maatregel geïndiceerd is. Sinds zijn uitstroom uit de ISD in september 2010 is verdachte in 2011 alweer drie keer in de fout gegaan, waaronder twee onherroepelijke veroordelingen en de onderhavige feiten.

Bij vonnis van 16 september 2011 is een vordering tot oplegging van de ISD-maatregel afgewezen en is aan verdachte door de rechtbank de kans geboden om binnen een bijzondere voorwaarde met Prisongate naar behandelmogelijkheden te zoeken. Verdachte heeft echter onvoldoende meegewerkt, waardoor dit traject is mislukt. De rechtbank ziet thans geen reden verdachte nogmaals de kans te bieden om binnen een ander drangkader dan de ISD-maatregel aan zijn problematiek te werken.

Het behandelen van de problematiek van verdachte teneinde te resocialiseren en recidive te voorkomen is evenwel niet de enige doelstelling van de ISD-maatregel. Gelet op het justitieel verleden van verdachte en zijn ambivalente houding tegenover elke vorm van hulpverlening dient thans tevens de bescherming van de maatschappij prominent bij de belangenafweging meegewogen te worden.

Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

Gelet op het ontbreken op dit moment van een concreet plan van aanpak, is het nodig is dat er relatief vroeg een tussentijdse toetsing plaatsvindt, opdat de rechtbank alsdan geïnformeerd wordt over het voor verdachte vastgestelde traject met daarin verwerkt (één of meer van) de behandelmogelijkheden zoals die in bovengenoemde rapportages worden genoemd. De rechtbank is van oordeel dat deze tussentijdse toets binnen een half jaar na het ingaan van de ISD-maatregel dient plaats te vinden en draagt de officier van justitie op daarvoor te zorgen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 57, 138 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Diefstal

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Het in een besloten lokaal, wederrechtelijk binnendringen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Bepaalt dat het Openbaar Ministerie binnen 6 (zes) maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis de rechtbank inzicht zal verlenen over het uitgewerkte plan van aanpak en de rechtbank zal berichten over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M. van den Bergh, voorzitter,

mrs. J.L. Hillenius en T.H. van Voorst Vader, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Heijnen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 maart 2012.

i Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

ii Een geschrift, zijnde een winkelontzegging voor de duur van 1 jaar, van 13 augustus 2011.

iii Proces-verbaal van aangifte door [aangever] namens Plus supermarkt

iv Proces-verbaal verhoor verdachte