Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BV8261

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-03-2012
Datum publicatie
08-03-2012
Zaaknummer
13-708090-10 (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Amsterdam heeft Wen L. veroordeeld tot veertien jaar celstraf wegens doodslag op een snackbareigenaar uit Amsterdam-Noord. Het lichaam van de snackbareigenaar werd op 17 juli 2010 in elf delen teruggevonden in een vuilcontainer in Amsterdam-Noord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/708090-10 (PROMIS)

Datum uitspraak: 8 maart 2012

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “Demersluis” te Amsterdam.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 18 januari, 20 januari en 23 februari 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H. Oppe, en van wat verdachte en zijn raadslieden, mrs. E.M. Rengelink en F.J. Soriano, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij op of omstreeks 16 juli 2010 te Amsterdam opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, uitwendig geweld uitgeoefend op het lichaam van voornoemde [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

(artikel 289 jº 287 Wetboek van Strafrecht)

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] gedood heeft. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Uit onderzoek is gebleken dat verdachte de gebruiker is geweest van de telefoon met het nummer eindigend op *469. Dit is het nummer waarmee op 15 juli 2010 om 23.21 uur naar de mobiele telefoon van [slachtoffer] is gebeld. [slachtoffer] was op dat moment aan het chatten met [naam 1], zijn vriendin. Tegen haar heeft [slachtoffer] gezegd dat de beller een “moeilijke man” was voor wie hij de deur ging open doen. Uit de verklaring van getuige [naam 2] blijkt dat [slachtoffer] verdachte heel erg lastig vond. Op grond hiervan gaat het openbaar ministerie ervan uit dat verdachte degene is geweest die op 15 juli 2010 rond 23.21 uur bij [slachtoffer] op bezoek is geweest.

Het toestel waarmee naar [slachtoffer] was gebeld, was op 5 augustus 2010 in het bezit van [naam 3], een vriendin van verdachte. Zij heeft dit toestel van verdachte gekregen. Het bij [slachtoffer] weggenomen telefoontoestel is kort na zijn dood, namelijk op 19 juli 2010, in gebruik genomen door [naam 4], een kennis van verdachte, die deze telefoon van verdachte had gekregen. Verdachte heeft over het verkrijgen van beide telefoons leugenachtige verklaringen afgelegd, namelijk dat hij deze op de Waterloopleinmarkt heeft gekocht. Zijn verklaringen hierover waren steeds wisselend. Bovendien heeft de simkaart van [naam 5] - een vriend van verdachte - al in mei 2010 gezeten in het toestel, waarmee als laatste naar [slachtoffer] gebeld was. [naam 5] had zijn eigen telefoon, inclusief simkaart, in die periode ter reparatie aan verdachte gegeven. Het is dus ongeloofwaardig dat verdachte het toestel pas na de dood van [slachtoffer] heeft aangeschaft. Ten slotte heeft onderzoek aangetoond dat de telefoontoestellen niet gekocht kunnen zijn bij de door verdachte aangewezen marktkramen op het Waterlooplein.

In de badkamer van [slachtoffer], die redelijk schoon was, is een vingerspoor aangetroffen, dat op 11 punten overeenkomsten vertoont met de vingerafdruk van verdachte. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij in januari 2009 voor het laatst bij [slachtoffer] was geweest. Ter terechtzitting heeft hij deze verklaring bijgesteld, in die zin dat hij na de verbouwing nog een aantal keren bij [slachtoffer] is langsgeweest.

Onderzoek heeft uitgewezen dat de vuilniscontainer aan de Laanweg, waarin het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in elf delen is aangetroffen, op 16 juli 2010 rond 5.30 uur in een tijdsbestek van vier minuten in totaal zesmaal is geopend met de vuilnispas die bij [slachtoffer] in gebruik was en die sinds de vermissing van [slachtoffer] verdwenen was. Er waren maar weinig mensen bekend met de plek waar deze pas in de snackbar lag. Verdachte was daar één van. Getuigen hebben rond dat tijdstip een man met een Chinees uiterlijk bij de vuilcontainer aan de Laanweg gezien. Andere getuigen hebben op 16 juli 2010 om 5.15 uur een man met een Chinees uiterlijk uit de snackbar zien komen. De beschrijving die de getuigen van deze man hebben gegeven, komt redelijk goed overeen met het uiterlijk van verdachte.

Bij [slachtoffer] is een gouden ketting weggenomen. Getuige [naam 6] heeft verklaard dat verdachte hem op 22 juli 2010, een week na de dood van [slachtoffer], een gouden ketting te koop heeft aangeboden. Ook [naam 4] heeft verklaard dat verdachte hem een gouden ketting ter ruil had aangeboden. Getuige [naam 7] heeft verklaard dat verdachte nooit sieraden droeg, maar in augustus/september 2010 een gouden ketting droeg. Verdachte zelf heeft hierover tegenstrijdig verklaringen afgelegd.

Uit forensisch onderzoek is gebleken dat [slachtoffer] zeer waarschijnlijk op de bank in de woonkamer boven de snackbar is gedood, gelet op de aldaar aangetroffen bloedsporen.

De conclusie van het sectierapport is dat er geen doodsoorzaak aanwijsbaar is. Van belang is dat het toxicologisch rapport aangeeft dat er geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van drugs en geneesmiddelen en dat alcohol, drugs en/of geneesmiddelen geen bijdrage aan het overlijden hebben geleverd. Ook van belang is dat er bij [slachtoffer] geen ziekelijke orgaanafwijkingen waren. Het sectierapport laat diverse doodsoorzaken open, die alle duidelijk het karakter hebben van het uitoefenen van uitwendig geweld op het lichaam van [slachtoffer]. Aangezien het lichaam in elf stukken is verdeeld, kan echter geen eenduidige doodsoorzaak worden aangewezen.

De getuigen [naam 8], buren van [slachtoffer], hebben in de nacht van 15 op 16 juli 2010 rond middernacht twee indringende schreeuwen gehoord.

De kok [naam 9] heeft verklaard dat verdachte ongeveer 20 dagen voor de dood van [slachtoffer] bij [slachtoffer] op bezoek is geweest om geld van hem te lenen en dat dit na 22.00 uur moet zijn geweest, aangezien [naam 9] altijd tot 22.00 uur werkte. Telecomonderzoek bevestigt dat er op 12 en 13 juni 2010 telefonisch contact is geweest tussen het nummer dat kan worden toegeschreven aan verdachte en het nummer van [slachtoffer]. Dit maakt de verklaring van verdachte dat hij in januari 2009 voor het laatst bij [slachtoffer] was geweest, leugenachtig.

Verschillende getuigen hebben verklaard over het gokgedrag van verdachte en het feit dat hij regelmatig geld leende. Dit zou heel goed de reden kunnen zijn geweest waarom verdachte op 15 juli 2010 bij [slachtoffer] op bezoek is geweest. In dat verband is van belang dat uit de woning van [slachtoffer] onder meer een geldbedrag van ruim 2000 euro is verdwenen.

Gelet op de genoemde bewijsmiddelen kan volgens de officier van justitie bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de doodslag op [slachtoffer]. Moord kan volgens hem niet worden bewezen, aangezien er geen bewijs is voor de voorbedachte rade.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de tenlastegelegde moord c.q. doodslag. Daartoe is het volgende aangevoerd.

In de eerste plaats heeft de verdediging erop gewezen dat men zich bewust moet zijn van het feit dat deze zaak zich heeft afgespeeld binnen de Chinese gemeenschap, welke relatief gesloten is. Dit betekent dat de rechtbank bij de beoordeling van de feiten rekening dient te houden met die culturele achtergrond. Zo is het voor een westerling niet duidelijk wat in de Chinese cultuur de regels zijn met betrekking tot eer, schaamte, wraak, trouw en waarheid, welke het menselijk handelen bepalen. Uit het dossier komt bijvoorbeeld naar voren dat gokken een veel voorkomende bezigheid is, evenals het bezoeken van massagesalons. Niet duidelijk is hoe over dergelijke activiteiten binnen de Chinese gemeenschap wordt gedacht. Ook dient de rechtbank zich bewust te zijn van het feit dat er in China oneindig veel dialecten bestaan, wat betekent dat de getuigen voor bepaalde namen steeds meerdere varianten noemen, en van het feit dat verdachte, doordat hij slechts Chinees spreekt, heel lang geen enkel stuk van het dossier heeft gelezen, waardoor hem vaak de context van een hem gestelde vraag niet duidelijk was. Voorts dient de rechtbank rekening te houden met het feit dat verdachte illegaal is, evenals veel getuigen die in deze zaak een verklaring hebben afgelegd. Het leven in de illegaliteit brengt grote problemen met zich mee. Dit brengt, in combinatie met de geslotenheid van de Chinese cultuur, een grote terughoudend met zich mee om tegenover de autoriteiten over interne aangelegenheden te spreken.

Voorts heeft de verdediging erop gewezen dat het onderzoek in deze zaak zich ten onrechte uitsluitend gericht heeft op verdachte. Anders dan de aanbevelingen uit het rapport dat naar aanleiding van de gerechtelijke dwaling in de “Schiedammer parkmoord” is opgesteld om een tunnelvisie te voorkomen, heeft de politie in deze zaak onvoldoende onderzoek verricht naar de alternatieve scenario’s die uit dit dossier naar voren komen. Het is een misvatting dat het aan verdachte is om alternatieve scenario’s te bedenken en deze “handen en voeten te geven”. Dit is de verantwoordelijkheid van politie en justitie. In het Nederlands strafrecht zijn de rechtsbeginselen verankerd dat een verdachte het recht heeft om te zwijgen, dat hij niet verplicht is om aan zijn eigen veroordeling mee te werken en dat hij niet de verplichting heeft om de waarheid te spreken. Op grond daarvan kan verdachte niet verweten worden dat hij geen of onvoldoende uitleg heeft gegeven over bepaalde feiten. Hiervoor kunnen tal van redenen zijn, zoals het niet willen beschuldigen van anderen of het zich bedreigd voelen.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. Verdachte ontkent dit en er zijn geen bewijsmiddelen waaruit dit onomstotelijk blijkt.

Niet bewezen kan worden dat [slachtoffer] is overleden doordat er uitwendig geweld op zijn lichaam is uitgeoefend. Het is immers niet duidelijk geworden hoe de uitvoering van het delict eruit heeft gezien. Uit het sectierapport blijkt dat er geen doodsoorzaak vastgesteld kan worden. Weliswaar is vastgesteld dat het lichaam van [slachtoffer] in stukken is gedeeld, maar deze handelingen hebben niet geleid tot zijn dood. [slachtoffer] was immers al overleden op het moment dat dit gebeurde. Niet uitgesloten kan worden dat sprake is geweest van overlijden door een hartaanval of een ziekte. Ook kan niet uitgesloten worden dat sprake is geweest van een ongeluk. Reeds om die reden kan het tenlastegelegde niet worden bewezen. Voorts is geen enkel gebruiksvoorwerp of wapen geïdentificeerd als mogelijk wapen voor het doden van [slachtoffer] of voor het in stukken delen van zijn lichaam.

Niet kan worden vastgesteld dat de situatie in de woning van [slachtoffer], zoals die door de politie is aangetroffen, dezelfde is als de situatie zoals deze door de dader is achtergelaten. De plaats delict was mogelijk al gecontamineerd of, al dan niet opzettelijk, gemanipuleerd doordat de familie van [slachtoffer] in de dagen na zijn vermissing de woning doorzocht heeft. Mogelijk ontlastend bewijs kan daardoor zijn verdwenen. Uit de woning van [slachtoffer] waren volgens de familie enkele spullen verdwenen, zoals geld, een ketting en telefoons. De verdediging stelt zich op het standpunt dat deze opgave van vermiste voorwerpen van de familie geen uitgangspunt kan zijn; de verklaring van de vrouw van [slachtoffer] hierover is niet betrouwbaar, nu zij een gokprobleem heeft. Het is dus mogelijk dat zij de vermiste voorwerpen heeft achtergehouden.

Niet kan worden bewezen dat verdachte in de nacht van 15 op 16 juli 2010 in de woning van [slachtoffer] is geweest. De vingerafdruk die in de badkamer is aangetroffen, komt op 11 van de 12 benodigde punten overeen met de vingerafdruk van verdachte, wat onvoldoende is voor een positieve identificatie. Bovendien zou deze vingerafdruk daar al op een eerder moment terecht kunnen zijn gekomen. Volgens [naam 1], met wie [slachtoffer] op 15 juli 2010 aan het chatten was, stond er een lastige vriend voor de deur. Het staat niet vast dat dit verdachte was. Volgens [naam 9] heeft [slachtoffer] verdachte namelijk nooit lastig genoemd. Daarnaast is het mogelijk dat [slachtoffer] niet open was tegenover [naam 1], omdat hij niet wilde dat zij zou weten wie er bij hem op bezoek kwam.

Getuigen hebben op meerdere momenten in de nacht van 15 op 16 juli 2010 Chinese mannen in de omgeving van de snackbar gezien. Getuige [alias naam 10] (de rechtbank begrijpt: [naam 10]) heeft [slachtoffer] als passagier herkend in de bestelauto op 15 juli 2010 tussen 23.15 uur en 23.30 uur. Twee broodbezorgers hebben voorts op 16 juli 2010 rond 5.15 uur beiden een Chinese man bij de snackbar gezien en twee getuigen hebben iets later bij de vuilcontainer een Chinese man gezien. De beschrijvingen van deze getuigen verschillen dermate van elkaar dat niet kan worden vastgesteld dat het telkens om dezelfde Chinese man ging. Verdachte kan op grond van deze verklaringen ook niet worden geïdentificeerd als deze man. Bovendien levert dit een aanwijzing op dat sprake is geweest van meer dan één dader. Daarbij komt dat het volgens de verdediging niet vaststaat dat één persoon zich binnen de geschetste tijdspanne van het lichaam van [slachtoffer] heeft kunnen ontdoen.

Niet kan worden bewezen dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] op 15 juli 2010 heeft gebeld met het telefoonnummer *469. Zelfs indien dit nummer aan verdachte zou toebehoren, dan is het mogelijk dat hij zijn telefoon had uitgeleend. Ook staat niet vast dat degene die dat telefoontje heeft gepleegd, zich in de omgeving van de snackbar heeft bevonden. Weliswaar valt de snackbar binnen het bereik van de door dit telefoontje aangestraalde mast, maar dit betekent niet meer dan dat het telefoontje in het gehele gebied kan zijn gepleegd. De overige plaatsbepalingen in het dossier zijn opgesteld door de politie in plaats van door daartoe gespecialiseerde deskundigen en zijn niet betrouwbaar, omdat deze niet zijn uitgevoerd door middel van een zogenaamde “GSM-monitor”.

Er kunnen verschillende motieven worden gevonden om [slachtoffer] te doden. In de buurt werd gesproken over dure auto’s bij de snackbar, mannen met koffers en mahjongsessies achter afgeplakte ruiten. [slachtoffer] woonde gescheiden van zijn vrouw en hun relatie stond onder grote druk. Zijn vrouw had last van depressies en was gokverslaafd, waardoor zij financiële problemen had. [slachtoffer] zelf hield er verschillende vriendinnen op na en bezocht geregeld massagesalons. Hij overwoog van zijn vrouw te scheiden.

Er zijn veel aanwijzingen voor alternatieve scenario’s. Allereerst zijn er de berichten van de CIE, de SIOD en de Amerikaanse DEA. Zo zou [slachtoffer] connectie hebben met [naam 11] en zou hij betrokken zijn geweest bij grote internationale drugstransacties. Een ander bericht meldt dat [slachtoffer] met de vriendin van een triadeleider zou hebben gerommeld en daarom is vermoord. Volgens de verdediging is de inhoud van deze berichten onvoldoende onderzocht. Voorts zijn er aanwijzingen dat ene [naam 12] de dader is geweest. Hij zou namelijk een grote klus hebben gehad, waarna hij lange tijd op vakantie zou gaan.

Uit de Pro Justitia rapportage blijkt dat bij verdachte geen psychiatrische stoornissen of persoonlijkheidsstoornissen zijn aangetoond. Degene die [slachtoffer] gedood heeft moet echter wel een stoornis hebben gehad om hem tot een dergelijke gruwelijke daad in staat te stellen.

Ten slotte kan, indien de rechtbank tot het oordeel komt dat verdachte [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, niet worden bewezen dat dit opzettelijk en met voorbedachten rade is gebeurd.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de in de voetnoten vermelde wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De vermissing van [slachtoffer]

[slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) was eigenaar van snackbar Mercurius, gelegen aan de [adres] in Amsterdam en woonde - gescheiden van zijn vrouw - boven deze zaak.

Op 15 juli 2010 chatte [slachtoffer] ‘s avonds vanuit zijn woning via de computer met zijn vriendin [naam 1] (hierna: [naam 1]). Hierbij kon worden getypt en gesproken. Na 23.00 uur hoorde [naam 1] via de computer dat [slachtoffer] op zijn mobiele telefoon werd gebeld. Zij herkende namelijk de ringtone van zijn telefoon. [slachtoffer] zei haar dat hij zijn telefoon moest opnemen, waarna [naam 1] hem vroeg wie hem belde. [slachtoffer] zei hierop dat het een “een lastige vriend” of “een problematische vriend” was. [slachtoffer] nam vervolgens zijn telefoon op en [naam 1] hoorde hem zeggen: “Ben jij dat?” en “Heb jij nog niet gegeten?”. Hierna zei [slachtoffer] tegen [naam 1] dat hij naar beneden ging om de deur te openen. [slachtoffer] had namelijk geen deurbel. Als iemand hem wilde bereiken, dan moest diegene hem op zijn telefoon bellen en dan kwam [slachtoffer] naar beneden om de deur te openen. Hierna deed [naam 1] het geluid van het chatprogramma uit. Enkele minuten nadat [slachtoffer] naar beneden was gegaan, vroeg [naam 1] via de chat of de vriend van [slachtoffer] nog aanwezig was. Het was toen 23.34.31 uur. Vrijwel direct hierop, om 23.34.42 uur, typte [slachtoffer] het volgende bericht: “Aanwezig”. Hierna liet [naam 1] hem met rust. Rond 1.00 uur belde [naam 1] naar [slachtoffer], maar er werd niet opgenomen. De volgende ochtend belde zij weer naar [slachtoffer] en wederom kreeg ze geen contact met hem. Zij maakte zich zorgen en belde rond 16.00 uur naar het vaste nummer van de snackbar. Daar werd de telefoon opgenomen door de zoon van [slachtoffer], [naam 13].

[naam 13] was die ochtend, rond 11.00 uur, al gebeld door de kok van de snackbar, [naam 9] (hierna: [naam 9]), die hem vertelde dat de deur van de snackbar dicht was en dat [slachtoffer] daar niet aanwezig was. Iets wat hij vreemd vond, daar [slachtoffer] rond die tijd altijd al aanwezig was. [naam 13] was hierop naar de snackbar gekomen, maar ook hij vond [slachtoffer] daar niet. Noch in zijn snackbar en noch in zijn woning boven de snackbar. Ook de bedrijfsauto van [slachtoffer], een Citroën Berlingo met kenteken [kenteken], was weg. Opvallend was dat in de woonkamer en in de slaapkamer licht brandde. De omzet van de snackbar, in totaal zo’n 2000 euro, die zich in de woning moest bevinden, werd daar niet aangetroffen. Ook de pas voor het openen van de vuilcontainer was weg. Die lag altijd op een vaste plek, te weten in een bakje op een plank bij de achterdeur. Dit was een plek die niet veel mensen wisten. Deze pas was ooit door [slachtoffer] in de zaak gevonden en werd daarna door hem gebruikt voor het openen van de vuilcontainer op het Mercuriusplein. Verder misten de twee mobiele telefoons van [slachtoffer], zijn portemonnee, een sleutelbos met sleutels van het pand en de autosleutels. Ten slotte was de dikke gouden halsketting, die [slachtoffer] altijd droeg, verdwenen.

[naam 1] vertelde [naam 13] dat zij [slachtoffer] niet kon bereiken en vroeg hem om de eigenaren van restaurant Bamboehof in Zaandam te bellen. Zij waren goede vrienden van [slachtoffer] en wisten misschien wie “de vervelende man” was die bij [slachtoffer] op bezoek was geweest. De eigenaresse van de Bamboehof noemde “V-man” als mogelijke persoon. “V-man” zou [slachtoffer] wel eens opgezocht hebben om geld van hem te lenen. “V-man” was klusjesman en had ongeveer twee jaar daarvoor de snackbar van [slachtoffer] verbouwd. Tijdens die verbouwing sliep hij boven de snackbar. Daarna heeft “V-man” een tijdje gewoond bij [naam 9] op de Distelweg.

“V-man” werd ook wel “Vie-man”, “Fee-man”, “Fee-Zai” of “Dikke” genoemd. Dit zijn allemaal bijnamen van verdachte.

Het aantreffen van het lichaam van [slachtoffer]

Op 17 juli 2010 werd de Citroën Berlingo van [slachtoffer] aangetroffen op de Laanweg in Amsterdam, in de omgeving van de pont. In dit voertuig werden bloedsporen aangetroffen. Direct naast de plek waar het voertuig stond geparkeerd, bevond zich een ondergrondse vuilcontainer. Deze container was afgesloten en kon slechts worden geopend door middel van een pas. Op 18 juli 2010 werd deze vuilcontainer in beslag genomen. Tussen het afval bevonden zich menselijk resten. De meeste lijkdelen waren verpakt in dun inpakpapier. Enkele lijkdelen waren verpakt in een emmer met opschrift “Gouda’s glorie” en “Fritessaus”. Er was ook een lijkdeel verpakt in een plastic patatzak met opschrift “Aviko”. In totaal werden elf lijkdelen aangetroffen, welke tezamen een (vrijwel) compleet lichaam vormden. De weke delen van het lichaam leken met een mes te zijn gekliefd, terwijl de botten daarentegen soms gezaagd leken te zijn. De meeste delen toonden ook versplintering, wat past bij klieving door bijvoorbeeld een bijl. De staat van ontbinding van het lichaam paste bij een overlijden van ongeveer twee dagen. Uit onderzoek aan het gebit bleek dat het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ging om het lichaam van [slachtoffer].

De in de woning aangetroffen sporen

In het pand aan de [adres] bevonden zich op de begane grond de snackbar en de keuken. Op de eerste verdieping bevond zich een ruimte die was ingericht als woonkamer.

De woonkamer zag er in eerste instantie normaal uit en maakte een nette indruk. In het pand is door de politie een onderzoek ingesteld. In de woonkamer stonden onder meer een salontafel en een bank. Op de salontafel zat een aantal spatten, die humaan bloed bleken te zijn en uit de richting van de bank kwamen. Op de achterzijde van één van de kussens die op de bank lagen, zat een bruine verkleuring, die positief op bloed getest werd. Op de locatie waar de bank stond, is de laminaatvloer verwijderd. Op de laminaatplanken en op de ondervloer werd een substantie aangetroffen die positief getest werd op bloed. Ook in de badkamer werden, in de nabijheid van de douchebak en het toilet, enkele bloedvlekken aangetroffen. Op diverse locaties in de het pand, zoals op deuren, laden, de douchekop, de kranen in de badkamer, de salontafel in de woonkamer en boven aan de trap, werden afdrukken aangetroffen van een noppenpatroon, vermoedelijk afkomstig van handschoenen. Op de muur bij de trap bevond zich aan de linkerzijde boven de trapleuning een veeg. Aan de rechterzijde bevond zich een vergelijkbare veeg. Ook op de laminaatvloer zaten vegen. Al deze vegen werden positief getest op de aanwezigheid van bloed. Op de voegen van de keukenvloer op de begane grond werd eveneens bloed aangetroffen. Aan de voorzijde van de werkbank in de keuken zat tevens een aantal spatjes, welke positief op bloed werden getest. Tegenover de werkbank bevond zich een pakket inpakpapier en een houder met een rol cellofaan. In de keuken bevond zich een waterstofzuiger. Het magazijn van de waterstofzuiger werd positief getest op de aanwezigheid van bloed. In het pand is onderzoek verricht met luminol, een vloeistraf die fluoriseert als het in contact komt met bloed. Na toepassing van deze vloeistof, werden in de woonkamer op meerdere locaties reacties zichtbaar. De gehele vloer onder de salontafel en onder de bank lichtte op. De rugleuning en de binnenzijde van de armleuningen lichtten eveneens op. Ook in de badkamer trad een fluoriserende werking op. Vanuit de woonkamer was een fluoriserende baan zichtbaar richting de trap. De trap lichtte richting de keuken volledig op. De vloer in de keuken lichtte tevens op, evenals de betegelde muur achter de werkbank met de spoelbakken. Ook de waterstofzuiger lichtte op.

Op grond van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat [slachtoffer] in zijn woning, vermoedelijk op of rondom de bank, gewond is geraakt en vervolgens bloedend via de trap naar de keuken is verplaatst. Gelet op het feit dat de woning er op het oog schoon uitzag en gelet op het feit dat er bloed is aangetroffen in de waterstofzuiger, is het aannemelijk dat er hierna is schoongemaakt. Aannemelijk is verder dat de lichaamsdelen van [slachtoffer] in de keuken zijn verpakt, aangezien daar verpakkingsmaterialen aanwezig waren en sommige lijkdelen verpakt waren in verpakkingen die te linken zijn aan een snackbar, zoals een fritessausemmer en een patatzak.

De vuilcontainer

De vuilcontainer op de Laanweg, waarin de lijkdelen waren aangetroffen, kon slechts worden geopend door middel van een pas. Uit onderzoek is gebleken dat deze vuilcontainer op 16 juli 2010 tussen 5.31 uur en 5.35 uur in totaal zes keer geopend is met een vuilnispas voorzien van kaartnummer 105938. Deze vuilnispas was uitgegeven voor het adres [adres 1] en werd op 29 juli 2008 geblokkeerd. Tot 13 juli 2010 werd deze pas echter gebruikt voor de vuilcontainers op het Mercuriusplein. Na 16 juli 2010 is deze pas niet meer gebruikt.

Uit het bovenstaande, in combinatie met het gegeven dat de vuilnispas, die door [slachtoffer] gevonden was en gebruikt werd om de vuilcontainer op het Mercuriusplein mee te openen, sinds de vermissing van [slachtoffer] weg was, kan geconcludeerd worden dat voor het storten van de lichaamsdelen in de vuilcontainer, gebruik is gemaakt van de vuilnispas uit de snackbar van [slachtoffer] en dat dit heeft plaatsgevonden op 16 juli 2010 tussen 5.31 uur en 5.35 uur.

De waarnemingen van getuigen in de ochtend van 16 juli 2010

De getuigen [naam 14] en [naam 15] waren op 16 juli 2010 omstreeks 5.15 uur op het Mercuriusplein om brood te bezorgen. Bij snackbar Mercurius zagen zij een man. Getuige [naam 14] zag deze man de snackbar uitkomen. Volgens hem had de man een Chinees uiterlijk, was hij ongeveer 1.75 meter lang, had een normaal postuur, had zwart haar en droeg een bril. De man droeg een oranjekleurig schort. Getuige [naam 15] zag dat de man uit de snackbar kwam met in zijn hand een kratje. Even later zag hij dat de man weer terug de snackbar in liep. Toen had hij niets meer in zijn hand. Getuige [naam 15] omschreef hem als een man met een Chinees uiterlijk, zeker veertig jaar oud en met een gezet postuur. Hij was niet groot, had zwart haar en droeg een oranje schort met een band om de nek.

Getuige [naam 16] liep op 16 juli 2010 om 5.30 uur vanuit de Hortensiastraat naar de pont. In de Laanweg zag hij een Chinese man tussen twee geparkeerde auto’s uitlopen. Eén van deze auto’s was de bestelauto van [slachtoffer], die daar op 17 juli 2010 door de politie was weggehaald. De man was een Chinees, had een oranje overall zonder mouwen aan met bandjes om de schouders en droeg grijsachtige handschoenen. Hij had zwart haar, droeg een bril, was ongeveer 1.65 tot 1.70 meter lang en was ongeveer 40 jaar oud. Even later zag getuige [naam 16] dat de man de overall en de handschoenen niet meer droeg.

Getuige [naam 17] liep op 16 juli 2010 naar de pont van 5.45 uur. Op de Laanweg zag zij ter hoogte van de parkeerplaats een man met een Aziatisch uiterlijk, vermoedelijk een Chinees, bij de vuilcontainer staan. De man was gekleed in een korte broek en een geel hemdje met bandjes op de schouders. Hij droeg lange grijze/beige handschoenen die tot aan de ellebogen kwamen. De man was van Aziatische afkomst, was eind in de veertig en droeg een bril.

Gelet op het feit dat de lichaamsdelen van [slachtoffer] op 16 juli 2010 tussen 5.31 uur en 5.35 uur gestort zijn in de vuilcontainer op de Laanweg, kan geconcludeerd worden dat de man die de getuigen [naam 16] en [naam 17] rond dat tijdstip bij de genoemde vuilcontainer hebben gezien, degene is geweest die de lichaamsdelen van [slachtoffer] daar gestort heeft. Aannemelijk is dat de man die de getuigen [naam 14] en [naam 15] om 5.15 uur bij de snackbar van [slachtoffer] hebben gezien, gelet op het korte tijdsverloop en de overeenkomsten met de beschrijvingen van [naam 16] en [naam 17], dezelfde man is geweest.

De simkaart en het imeinummer gebruikt bij het telefonisch contact met [slachtoffer] op 15 juli 2010 om 23.21.42 uur

[slachtoffer] was in het bezit van twee mobiele telefoons en maakte gebruik van de telefoonnummers [mobiel nummer] (hierna: *339) en [mobiel nummer]. Het laatste contact met het nummer *339 heeft plaatsgevonden op 15 juli 2010 om 23.21.42 uur. Op het nummer werd 38 seconden ingebeld door telefoonnummer [mobiel nummer] (hierna: *469). De simkaart met dit telefoonnummer *469 bevond zich op dat moment in een mobiele telefoon met imeinummer [imeinummer] (hierna: *3590). Na dit laatste telefonische contact hebben er met het telefoonnummer *469 geen telefonische contacten meer plaatsgevonden. In het toestel met imeinummer *3590 bevond zich op 1 en 2 augustus 2010 een simkaart met telefoonnummer [mobiel nummer] (hierna: *444). Dit nummer behoorde toe aan verdachte. Op 5 augustus 2010 werd het toestel *3590 in gebruik genomen door [naam 3] (hierna: [naam 3]). [naam 3] was een vriendin van verdachte en had de telefoon van verdachte gekregen.

Verdachte ontkent dat hij de gebruiker was van het telefoonnummer *469. Hij heeft verklaard dat hij die telefoon met imeinummer *3590 na de dood van [slachtoffer] op de markt op het Waterlooplein heeft gekocht en dat hij die telefoon daarna aan [naam 3] heeft gegeven. De rechtbank hecht geen geloof aan deze verklaringen.

In de eerste plaats heef verdachte steeds wisselende verklaringen afgelegd over de datum waarop hij de telefoon gekocht heeft. Uit het onderzoek naar de marktkramen op het Waterlooplein, dat door de politie is verricht naar aanleiding van bovengenoemde verklaring van verdachte, is gebleken dat bij de door verdachte ter plaatse aangewezen marktkramen geen telefoons werden verkocht.

Uit de volgende omstandigheden blijkt voorts dat verdachte de genoemde telefoon en het nummer *469 al vóór de dood van [slachtoffer] in zijn bezit had.

In de periode van 7 mei tot en met 13 mei 2010 heeft in het toestel met imeinummer *3590 een simkaart op naam van [naam 5] (hierna: [naam 5]) gezeten. [naam 5] heeft verklaard dat hij zijn telefoon in die periode ter reparatie aan verdachte, een vriend van hem, heeft gegeven, zodat verdachte de simkaart van [naam 5] toen in zijn bezit had.

De simkaart met nummer *469 is, met uitzondering van één contact, uitsluitend gebruikt in de telefoon met imeinummer *3590. Alleen op 21 juni 2010 om 1.16.02 uur heeft deze simkaart gezeten in een mobiele telefoon met imeinummer [imeinummer] (hierna: 1830). Deze telefoon behoorde toe aan verdachte. Op 21 juni 2010 om 1.12.44 uur bevond de simkaart met nummer *469 zich nog in het toestel met imeinummer *3590 en om 1.22.48 bevond de simkaart met telefoonnummer *444 (het nummer van verdachte) zich weer in het toestel met imeinummer *1830. Gelet op dit zeer kort tijdsverloop, kan het bijna niet anders dan dat de gebruiker van beide telefoons en beide nummers dezelfde persoon is geweest. Uit een vergelijking van de historische bestanden van de telefoonnummers *469 en *444 (het nummer van verdachte) is voorts gebleken dat ook bij een aantal andere telefonische contacten sprake was van een zeer kort tijdsverloop, waarbij tevens sprake was van overeenkomende zendmastlocaties of gebruik werd gemaakt van zendmasten in de directe omgeving. Ook werd door de bovengenoemde telefoonnummers een aantal keer binnen een kort tijdsbestek gebeld naar hetzelfde telefoonnummer, te weten het telefoonnummer van [naam [naam 18] (hierna: [naam 18]). [naam 18], de vriendin van verdachte, heeft verklaard dat het regelmatig voorkwam dat zij en verdachte ruzie maakten over de telefoon en dat, als één van hen kwaad ophing, er direct daarna werd teruggebeld. Voorts heeft zij verklaard dat het telefoonnummer *469 het nummer van verdachte was. Ook [naam 19] en [naam 5] hebben verklaard dat verdachte gebruik maakte van het telefoonnummer *469. Getuige [naam 19] had bovendien bij het in zijn telefoon opgeslagen nummer *469 een foto van verdachte opgeslagen.

[naam 9] heeft verklaard dat [slachtoffer] ongeveer twintig dagen voor zijn dood tegen hem had gezegd dat verdachte de avond daarvoor bij hem langs was geweest om geld van hem te lenen. Dit moet na 22.00 uur zijn geweest. Uit de historie van het nummer *469 blijkt dat dit nummer op 12 juni 2010 om 23.01.38 uur en op 13 juni 2010 om 23.14.46 heeft gebeld naar het telefoonnummer van [slachtoffer]. In beide gevallen is tijdens dit telefonische contact gebruik gemaakt van een mast die gelegen was op de Hardwareweg 16 te Amsterdam-Noord.

Door de politie is bij snackbar Mercurius per provider gemeten welke masten worden aangestraald tijdens een telefonisch contact. De genoemde mast was hier één van. De snackbar viel dus binnen bereik van de door het nummer *469 aangestraalde mast. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de gebruiker van het nummer *469 zich op dat moment in de omgeving van de snackbar heeft bevonden. Dit ondersteunt de verklaring van [naam 9] dat verdachte eerder een bezoek aan [slachtoffer] had gebracht en, daarmee, dat het nummer *469 bij verdachte in gebruik was.

Ten slotte stond in de telefoon van verdachte met imeinummer *1830 onder contacten op nummer 60 het telefoonnummer *469 opgeslagen onder de naam: “Office of the CEO of Peoples Bank of China”. Ook onder nummer 121 stond dit nummer opgeslagen. Bij het uitlezen van de simkaart van verdachte bleek dat het telefoonnummer *469 onder de laatst gekozen nummers op de vijfde plaats stond. Verdachte heeft verklaard dat hij niet weet wie dit nummer onder die naam in zijn telefoon heeft opgeslagen, maar dat hij dit in ieder geval niet heeft gedaan. Deze verklaring acht de rechtbank ongeloofwaardig.

Gelet op al het bovenstaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte de gebruiker is geweest van het telefoonnummer *469 en de mobiele telefoon met imeinummer *3590 en is de conclusie gerechtvaardigd dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] op 15 juli 2010 om 23.21.42 uur gebeld heeft.

De bezoeker die [slachtoffer] op 15 juli 2010 ontving

[naam 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] op 15 juli 2010 na 23.00 uur gebeld werd op zijn mobiele telefoon en dat [slachtoffer] deze beller “een lastige vriend” of “een problematische vriend” noemde, voor wie hij beneden de deur ging opendoen. Toen zij [slachtoffer] enkele minuten later vroeg of zijn vriend nog aanwezig was, werd dit door [slachtoffer] om 23.34.42 uur bevestigd. Hieruit volgt dat degene die [slachtoffer] kort daarvoor gebeld had, bij [slachtoffer] op bezoek was gekomen. De rechtbank heeft zojuist vastgesteld dat verdachte om 23.21.42 uur met nummer *469 naar [slachtoffer] gebeld heeft. Uit onderzoek is gebleken dat het nummer *469 tijdens dit telefonische contact gebruik heeft gemaakt van een mast die gelegen was op de Hardwareweg 16 te Amsterdam-Noord. Door de politie is bij snackbar Mercurius een zogenaamde “GSM-monitor” gehouden, dat wil zeggen dat per provider gemeten is welke masten worden aangestraald tijdens een telefonisch contact. De genoemde mast bleek één van deze masten te zijn. De snackbar viel dus binnen bereik van de door het nummer *469 aangestraalde mast. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte zich op moment in de omgeving van de snackbar heeft bevonden. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte degene is geweest die op 15 juli 2010 omstreeks 23.34.42 uur bij [slachtoffer] op bezoek was.

Ondersteuning voor deze conclusie wordt gevonden in het feit dat [slachtoffer] zijn bezoeker “een lastige vriend” of “een problematische vriend” noemde in combinatie met het feit dat de eigenaresse van de Bamboehof verdachte noemde als mogelijke “lastige vriend” en dat uit de verklaring van getuige [naam 2] blijkt dat [slachtoffer] verdachte een lastig persoon vond. Dat [slachtoffer] laat die avond nog een mannelijke bezoeker had, wordt ook bevestigd door de verklaring van getuige [naam 20], die op 15 juli 2010 omstreeks of na 22.30 uur, vanuit het dakraam op de eerste etage van de woning van [slachtoffer] een Chineessprekende man, niet zijnde [slachtoffer], heeft horen praten.

De telefoongegevens van verdachte en de gegevens van de OV-chipkaart, die bij hem in gebruik was, sluiten niet uit dat verdachte op 15 juli 2010 omstreeks 23.34.42 uur bij [slachtoffer] op bezoek is geweest. Op 15 juli 2010 om 13.51 uur werd zijn OV-chipkaart namelijk uitgecheckt op het Centraal Station en pas op 16 juli 2010 om 7.19 uur werd zijn OV-chipkaart weer gebruikt. Het telefoonnummer *444 (het nummer van verdachte) straalde op 15 juli 2010 om 23.04.58 uur de gsm-mast op de De Ruyterkade aan, terwijl de gebruiker van het telefoonnummer *469 zich om 23.21.25 uur in de omgeving van de snackbar bevond. De tijd tussen deze peilingen is 16 minuten en 27 seconden. Onderzoek heeft aangetoond aan dat het mogelijk is om binnen dit tijdsbestek met openbaar vervoer te reizen vanaf de De Ruyterkade naar het Mercuriusplein.

Eerste tussenconclusie

Hiervoor heeft de rechtbank geconcludeerd dat verdachte op 15 juli 2010 omstreeks 23.34 uur bij [slachtoffer] op bezoek is geweest aan de [adres] te Amsterdam. Voorts heeft de rechtbank geconcludeerd dat [slachtoffer] in zijn woning is overleden, dat zijn lichaamsdelen vermoedelijk in de keuken van zijn snackbar zijn verpakt, dat deze op 16 juli 2010 tussen 5.31 uur en 5.35 uur in een vuilcontainer op de Laanweg te Amsterdam zijn gestort en dat daarbij gebruik is gemaakt van de vuilnispas uit de snackbar en dat degene die dit gedaan heeft door getuigen is gezien.

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte betrokken is geweest bij de dood van [slachtoffer], die tussen 23.34 uur en 5.31 uur moet zijn ingetreden. Voor de beantwoording van die vraag zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Verdachte beschikte over de telefoon van [slachtoffer]

Na de vermissing van [slachtoffer] waren zijn twee mobiele telefoons, beide van het merk Nokia, verdwenen. De imeinummers van deze telefoons waren [imeinummer] en [imeinummer] (hierna: *7990). De mobiele telefoon met imeinummer *7990 werd op 20 juli 2010 weer actief en bleek in gebruik te zijn bij [naam 4] (hierna: [naam 4]). [naam 4] had deze telefoon van verdachte gekregen. Verdachte heeft [naam 4] verteld dat hij deze telefoon van een vriendin had gekregen. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij hierover tegen [naam 4] gelogen had.

Net als over de telefoon met imeinummer *3590 die hij aan [naam 3] had gegeven, heeft verdachte over de telefoon die hij aan [naam 4] gaf (later) verklaard dat hij deze op 17 of 18 juli 2010 op de markt op het Waterlooplein had gekocht. Zoals reeds is overwogen, hecht de rechtbank geen geloof aan deze verklaring, aangezien verdachte hierover steeds wisselende verklaringen heeft afgelegd en uit het onderzoek op het Waterlooplein is gebleken dat bij de door verdachte ter plaatse aangewezen marktkramen geen telefoons werden verkocht.

Verdachte wist waar de vuilnispas lag

Voor het storten van de lichaamsdelen van [slachtoffer] in de vuilcontainer is gebruik gemaakt van de vuilnispas uit de snackbar. Volgens de zoon van [slachtoffer], [naam 13], lag deze pas altijd op een vaste plek in de snackbar, te weten in een bakje op een plank bij de achterdeur. Dit was een plek die niet veel mensen kenden. Volgens [naam 9] waren, buiten de familie van [slachtoffer], hijzelf en verdachte de enigen die wisten waar de vuilnispas lag. Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij wist waar in de snackbar deze pas lag.

Verdachte voldoet aan het signalement

Getuigen hebben op 16 juli 2010 rond 5.30 uur de man gezien die de lichaamsdelen van [slachtoffer] in de vuilcontainer op de Laanweg heeft gestort. Rond 5.15 uur is door getuigen eenzelfde man gezien bij de snackbar. De beschrijving die deze getuigen van deze man hebben gegeven, namelijk een man met een Chinees uiterlijk van rond veertig jaar oud, met een lengte van 1.65 tot 1.75 meter lang, zwart haar, een gezet postuur en een bril, komt goed overeen met het uiterlijk van verdachte. Verdachte wordt namelijk omschreven als een Chinese man van ouder dan veertig jaar, met een lengte 1.70-1.75 meter, met een dik postuur, met kort haar en brildragend. De lengte van verdachte is 1.68 à 1.70 meter.

Verdachte heeft geen alibi

Op 15 juli 2010 om 13.51 uur werd de OV-chipkaart, die bij verdachte in gebruik was, uitgecheckt op het Centraal Station en pas op 16 juli 2010 om 7.19 uur werd zijn OV-chipkaart weer gebruikt, namelijk om te worden opgewaardeerd op metrostation Gein te Amsterdam. Dit metrostation ligt in de buurt van het adres van [naam 5], een vriend van verdachte bij wie verdachte regelmatig overnachtte. [naam 5] heeft bevestigd dat verdachte in die periode een keer ‘s ochtends thuis kwam en toen zijn kleren heeft gewassen. Bovenstaande maakt dat niet uitgesloten kan worden dat verdachte van 15 juli 2010 omstreeks 23.34 uur tot 16 juli 2010 omstreeks 5.30 uur in de woning van [slachtoffer] is geweest. Verdachte heeft zelf ook geen verklaring afgelegd met betrekking tot zijn alibi voor die nacht, anders dan dat hij ter zitting heeft verklaard dat hij waarschijnlijk aan het gokken was in de buurt van het Damrak omdat hij dat in die periode elke dag deed.

Leugenachtige verklaringen van verdachte

Verdachte heeft zowel de telefoon waarmee het laatste telefoontje naar [slachtoffer] is gepleegd, als de telefoon van [slachtoffer] in zijn bezit had. Zoals reeds is overwogen, heeft hij gelogen over de manier waarop bij beide telefoons verkregen heeft.

Verdachte heeft voorts gelogen over zijn bezoek aan [slachtoffer] op 15 juli 2010. Hij heeft immers ontkend dat hij toen bij [slachtoffer] op bezoek is geweest. In het voorgaande heeft de rechtbank echter reeds geconcludeerd dat verdachte wel degene moet zijn geweest die [slachtoffer] op 15 juli 2010 om 23.21.42 uur gebeld heeft en kort hierna bij [slachtoffer] op bezoek is geweest.

Ook heeft verdachte wisselende verklaringen afgelegd over het moment dat hij voor het laatst bij [slachtoffer] op bezoek is geweest. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat dit in februari 2010 was, tegen [naam 9] heeft verdachte op 16 juli 2010 gezegd dat het zeker tweeëneenhalve maand daarvoor geweest was dat hij [slachtoffer] voor het laatst had gesproken , terwijl [slachtoffer] ongeveer twintig dagen voor zijn dood tegen [naam 9] gezegd had dat verdachte de avond daarvoor bij hem was langsgeweest. Telecomonderzoek heeft uitgewezen dat er op 12 en 13 juni 2010 telefonisch contact is geweest tussen het telefoonnummer van [slachtoffer] en het nummer *469, wat reeds door de rechtbank is toegeschreven aan verdachte, en dat de gebruiker van dit nummer zich op dat moment in de omgeving van de snackbar bevond. Dit bevestigt de verklaring van [naam 9] dat verdachte in die periode nog bij [slachtoffer] op bezoek is geweest en maakt de verklaring van verdachte dat hij in januari 2009 voor het laatst bij [slachtoffer] was geweest leugenachtig.

Tweede tussenconclusie

Verdachte is op 15 juli 2010 omstreeks 23.34 uur bij [slachtoffer] op bezoek geweest. Diezelfde nacht is [slachtoffer] overleden. Zijn lichaam is namelijk op 16 juli 2010 rond 5.30 uur in een vuilcontainer gestort. Gelet op dit korte tijdsverloop, het feit dat verdachte gelogen heeft over zijn bezoek aan [slachtoffer], het feit dat hij zeer kort na de dood van [slachtoffer] de mobiele telefoon van [slachtoffer] in zijn bezit heeft gehad, waarover hij een leugenachtige verklaring heeft afgelegd, het feit dat verdachte wist waar de vuilnispas lag waarmee het lichaam in de vuilcontainer gestort is en het feit dat het uiterlijk van verdachte overeen komt met degene die de lichaamsdelen van [slachtoffer] in de vuilcontainer heeft gestort, acht de rechtbank bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij de dood van [slachtoffer] en dat hij degene is geweest die het lichaam van [slachtoffer] in stukken heeft verdeeld en in de vuilcontainer heeft gedeponeerd.

De doodsoorzaak

Om te komen tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde dient eveneens te worden vastgesteld dat [slachtoffer] is overleden door uitoefening van uitwendig geweld op zijn lichaam.

Bij de sectie bleek het volgende. Er waren geen ziekelijke orgaanafwijkingen. Op grond van toxicologisch onderzoek kan een bijdrage van ethanol (alcohol), drugs en/of geneesmiddelen aan het overlijden niet worden geconcludeerd en het overlijden niet worden verklaard. In de lichaamsdelen waren veel, deels scherprandige, letsels. Zij waren alle waarschijnlijk gerelateerd aan het in stukken verdelen van het lichaam. Er waren ook, onder andere in het hart, scherprandige perforaties zonder vitale reacties. Deze letsels zijn veroorzaakt door steken met een scherp en snijdend voorwerp zoals een mes. Gezien de lokalisatie van het hart net boven een klievingsvlak kunnen de perforaties in het hart gerelateerd zijn aan het separeren van de lichaamsdelen. De letsels passen bij het in stukken snijden, zagen en/of hakken van het lichaam, zoals dat met één of meer messen, zagen en/of hakbijlen kan zijn opgeleverd. De breuken aan het hoofd en bekken passen bij compressie van deze lichaamsdelen, zoals dat bijvoorbeeld door mechanische compressie in de vuilcontainer kan zijn opgeleverd. Er waren geen vitale reacties in relatie met de letsels. Ze waren alle waarschijnlijk postmortaal opgelopen. Er is geen anatomische doodsoorzaak aanwijsbaar. Wegens de uitgebreide aanwezige letsels kan voor wat betreft de doodsoorzaak een aantal mogelijkheden worden overwogen. Indien er bij leven steek- en snijletsels zijn opgelopen in bijvoorbeeld de halsstreek met als gevolg overlijden door verbloeding en indien daarna op exact diezelfde plek de hals werd doorgesneden om het hoofd van de romp te scheiden, kan dat het vitale letsel hebben gemaskeerd. Datzelfde geldt ook voor bij leven opgelopen letsels aan het hart en de longen, die dichtbij of in het klievingsvlak waren gelegen. Indien bij leven sprake is geweest van omsnoerend en/of samendrukkend geweld op de hals, zoals wurghandelingen, met als gevolg overlijden door verstikking, kan het op juist die plek doornemen van de hals de vitale letsels hebben gemaskeerd. [slachtoffer] kan ook door een natuurlijke dood, zoals door een hartinfarct, zijn gestorven. De sectiebevindingen geven hierover geen uitsluitsel.

Uit het sectierapport blijkt dat het in stukken verdelen van het lichaam na de dood heeft plaatsgevonden en dat er geen anatomische doodsoorzaak aanwijsbaar is. Hoewel het rapport een natuurlijke dood niet uitsluit, acht de rechtbank bewezen dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van het toepassen van uitwendig geweld op zijn lichaam. De wijze waarop het lichaam van [slachtoffer] is toegetakeld en de omstandigheden waaronder het lichaam van [slachtoffer] is aangetroffen, te weten in elf delen in een vuilniscontainer, zijn zeer sterke aanwijzingen dat hij door geweld van buitenaf om het leven is gebracht. De rechtbank acht het aannemelijk dat dit voor verdachte de reden is geweest om zich op deze wijze van het lichaam te ontdoen. Een natuurlijke dood of een dood tengevolge van een ongeval acht de rechtbank om die reden dan ook hoogst onwaarschijnlijk. Bovendien zijn er geen aanwijzingen voor een natuurlijke doodsoorzaak. Niet gebleken is daarnaast dat [slachtoffer] niet gezond was. Bij de sectie zijn geen ziekelijke orgaanafwijkingen geconstateerd en uit toxicologisch onderzoek is gebleken dat de dood niet verklaard kan worden door alcohol, drugs en/of geneesmiddelen. Volgens zijn huisarts is [slachtoffer] in 2007 door een cardioloog onderzocht en zijn er toen geen aanwijzingen gevonden dat hij problemen had met zijn hart. [slachtoffer] is sindsdien niet meer bij zijn huisarts geweest met dergelijke klachten. In 2010 heeft [slachtoffer] zijn huisarts in het geheel niet bezocht. Steun voor het feit dat er uitwendig geweld op het lichaam van [slachtoffer] is toegepast, wordt gevonden in het feit dat de getuigen [naam 8], wonend op het Mercuriusplein, hoogstwaarschijnlijk in de nacht van 15 op 16 juli 2010 tussen 0.00 uur en 0.30 uur een tweetal schreeuwen hebben gehoord. De eerste schreeuw was een lange, harde schreeuw van een man, die wel tien seconden duurde. Het was een zeer indringende en afgrijselijke schreeuw. Deze werd ongeveer vijf minuten later gevolgd door een tweede schreeuw, die een stuk zachter was. Over waaruit het uitwendige geweld dat op het lichaam van [slachtoffer] is toegepast heeft bestaat, wordt in het sectierapport op een aantal mogelijkheden gewezen, zoals steek- en snijletsels in de halsstreek met als gevolg overlijden door verbloeding, steekletsels aan het hart en de longen en wurghandelingen, met als gevolg overlijden door verstikking. Nu zich geen begin van bewijs van een natuurlijke doodsoorzaak heeft geopenbaard, acht de rechtbank gezien bovenstaande bewezen dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van het door verdachte uitwendig toegepaste geweld op zijn lichaam. Dat niet vast is komen te staan welk van deze geweldshandelingen exact zijn toegepast, is naar het oordeel van de rechtbank voor de beoordeling van het tenlastegelegde niet relevant.

De opzet

Gelet op het bovenstaande overwegingen acht de rechtbank bewezen dat verdachte opzet had, al dan niet in voorwaardelijk zin, op het toepassen van uitwendig geweld op het lichaam van [slachtoffer]. Indien dit anders zou zijn, bijvoorbeeld indien sprake zou zijn van een ongeluk, had het op de weg van verdachte gelegen om hierover openheid van zaken te geven. Bovendien zou er voor verdachte dan geen reden zijn geweest om het lichaam van [slachtoffer] in stukken te delen en in een vuilcontainer te storten.

Eindconclusie

Op grond van al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door uitwendig geweld uit te oefenen op diens lichaam, tengevolge waarvan deze is overleden. Hiermee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het plegen van doodslag.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van moord. Uit het dossier is immers niet gebleken dat sprake was van een van tevoren opgevat plan om verdachte van het leven te beroven of dat verdachte de tijd had zich te beraden over zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, zodat de voorbedachte rade niet bewezen kan worden.

Het mogelijke motief

Verdachte heeft zijn betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] ontkend. Hoewel daardoor geen duidelijk motief vastgesteld kan worden, bevinden zich in het dossier wel aanknopingspunten dat een mogelijk motief voor het doden van [slachtoffer] gelegen zou kunnen zijn in de financiële sfeer. Verschillende getuigen hebben immers verklaard over het gokgedrag van verdachte en het feit dat hij schulden had. Verdachte zou regelmatig van verschillende mensen geld hebben geleend. Ook bij [slachtoffer] kwam verdachte wel eens om geld te lenen. Zo heef [naam 9] verklaard dat verdachte ongeveer twintig dagen voor de dood van [slachtoffer] bij [slachtoffer] is langs geweest om geld van hem te lenen. Dit zou mogelijk de reden kunnen zijn geweest waarom verdachte op 15 juli 2010 bij [slachtoffer] op bezoek is geweest. Relevant in dit verband is dat uit de woning van [slachtoffer] onder meer een geldbedrag van ongeveer 2000 euro is verdwenen en zijn telefoons en een gouden halsketting verdwenen waren. Meer dan aanknopingspunten voor een dergelijk motief zijn het niet. Een duidelijk motief kan de rechtbank niet vaststellen.

De alternatieve scenario’s

De verdediging heeft aangevoerd dat zich in het dossier aanknopingspunten bevinden voor de veronderstelling dat [slachtoffer] door een ander dan verdachte om het leven is gebracht en dat deze alternatieve scenario’s onvoldoende zijn onderzocht. De verdediging heeft hierbij gewezen op de mogelijkheid dat [slachtoffer] om het leven is gebracht vanwege zijn gokschulden of die van zijn vrouw, zijn connectie met de drugswereld, omdat hij met de vriendin van een triadeleider zou hebben gerommeld of vanwege het feit dat hij overwoog van zijn vrouw te scheiden.

Hoewel met het wettige en overtuigende bewijs dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de doodslag op [slachtoffer], alternatieve scenario’s die niet voldoende zijn onderbouwd, strikt genomen niet aan de orde hoeven te komen, zal de rechtbank hieraan met enkele overwegingen toch aandacht besteden.

De verdediging heeft in het bijzonder gewezen op informatie van de DEA dat [slachtoffer] betrokken was bij de smokkel van cocaïne tussen Nederland en Hong Kong en dat hij banden zou hebben met [naam 11], die met 372 kilo cocaïne in Hong Kong gepakt zou zijn en sindsdien vermist was. De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat onderzoek is gedaan naar deze informatie. Onderzocht is of er overeenkomsten waren tussen de uitkomsten van het onderzoek naar de dood van [slachtoffer] en die naar de verdwijning van [naam 11]. Er werden geen overeenkomsten gevonden. Verder zijn er gedurende het onderzoek naar de dood van [slachtoffer] geen aanwijzingen gevonden dat [slachtoffer] zich bezig hield met de handel in verdovende middelen.

Er is voorts onderzoek gedaan naar de alibi’s van de in het dossier genoemde personen. Zo is onderzocht op welke locaties hun mobiele telefoons uitpeilden op het moment dat het delict plaatsvond en zijn de gegevens van hun OV-kaarten onderzocht. Hieruit is gebleken dat hun telefoons niet in de omgeving van het plaats delict uitpeilden en dat zij geen reisbewegingen in die buurt hebben gemaakt op het moment dat het delict plaatsvond. Zo is onder meer gebleken dat [naam 9], conform zijn eigen verklaring, omstreeks 21.30 uur bij de snackbar is weggegaan en met de bus naar Centraal Station gereden, waar hij is overgestapt op tram 1 om vervolgens naar het Holland Casino te gaan. Uit de historische gegevens van de telefoon van [naam 9] blijkt dat hij om 22.12 uur uitpeilde op het Max Euweplein (waar het Holland Casino zich bevindt) en uit de gegevens van Holland Casino blijkt dat hij daar op 22.20 uur aanwezig was. Zowel [naam 9] als Tang, de vrouw van [slachtoffer], bevond zich op 15 juli 2010 om 23.55 uur en 16 juli 2010 om 00.01 samen in bus 35 vanaf het Centraal Station naar Noord, wat overeenkomt met hetgeen zij beiden verklaard hebben. Zij kunnen op dat moment dus niet bij [slachtoffer] zijn geweest. Ook overigens zijn er onvoldoende concrete aanwijzingen dat er anderen dan verdachte bij de dood van [slachtoffer] betrokken waren.

Gelet op het bovenstaande volgt de rechtbank de verdediging niet in haar stelling dat alternatieve scenario’s onvoldoende zijn onderzocht en dat het onderzoek zich slechts op verdachte heeft gericht.

De suggestie van de verdediging dat [slachtoffer] door meer dan één persoon moet zijn gedood, deelt de rechtbank eveneens niet. Hiervoor zijn geen aanwijzingen. [slachtoffer] moet tussen 15 juli 2010 rond 23.34 uur en 16 juli 2010 rond 5.30 uur gedood en in stukken gedeeld zijn. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet onmogelijk dat dit binnen het genoemde tijdsbestek door één persoon uitgevoerd is. Alle getuigen spreken in hun verklaringen over de aanwezigheid van één Chinese man in de buurt van de snackbar en de vuilcontainer. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de beschrijvingen van de getuigen van de man die zij op 16 juli 2010 rond 5.15 uur bij de snackbar en rond 5.30 uur bij de vuilcontainer zodanig met elkaar overeenkomen dat zij hoogstwaarschijnlijk dezelfde man hebben gezien, wat dus geen aanwijzing oplevert voor het bestaan van meerdere daders, zoals door de verdediging is geopperd. Weliswaar heeft getuige [naam 10] verklaard dat hij [slachtoffer] op 15 juli 2010 tussen 23.15 uur en 23.30 uur met iemand in zijn bestelauto heeft zien zitten, maar uit onderzoek is gebleken dat deze verklaring niet betrouwbaar is, nu de telefoon van [naam 10] op 15 juli 2010 niet in de omgeving van de snackbar uitpeilde en de getuige bij zijn eerste melding van de waarneming een andere datum aan de politie meldde.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 16 juli 2010 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, uitwendig geweld uitgeoefend op het lichaam van voornoemde [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

6. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf

8.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft bij het bepalen van zijn eis rekening gehouden met het feit dat, ondanks dat een doodsoorzaak niet bekend is geworden, sprake is van een ernstige vorm van doodslag, evenals de schijnbare professionaliteit waarmee verdachte de woning heeft ontdaan van sporen en de uiterst gruwelijke wijze waarop hij zich van het stoffelijk overschot heeft ontdaan, namelijk door het in elf stukken te snijden en/of te hakken.

Ten aan zien van het beslag heeft de officier van justitie gevorderd dat het op de beslaglijst genoemde voorwerp 5 zal worden onttrokken aan het verkeer, dat de voorwerpen 1, 2, 3, 8, 11 tot en met 31 en 47 zullen worden teruggegeven aan verdachte, dat de voorwerpen 4, 6 en 7 zullen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbenden, dat voorwerp 9 zal worden teruggegeven aan [naam 4], dat de voorwerpen 34, 35 en 36 zullen worden teruggegeven aan [naam 3], dat de voorwerpen 41, 42, 44, 45, 46 en 48 zullen worden teruggegeven aan de erfgenamen van [slachtoffer] en dat voorwerp 43 zal worden teruggegeven aan het GVB.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat bij het bepalen van de hoogte van de straf het feit dat men zich van het stoffelijk overschot heeft ontdaan niet meegewogen kan worden, aangezien dit feit apart strafbaar is gesteld, maar niet aan verdachte ten laste is gelegd.

De verdediging gaat akkoord met de afdoening van het beslag zoals door de officier van justitie is gevorderd.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft [slachtoffer] van het leven beroofd. Aan [slachtoffer] is het leven ontnomen zonder dat daarvoor een duidelijke reden of motief aanwijsbaar is. Verdachte heeft op geen enkel moment inzicht willen geven in zijn beweegredenen en hiermee de nabestaanden in onwetendheid gelaten. Door [slachtoffer] van het leven te beroven heeft verdachte diens kinderen en naasten hun geliefde vader, familielid en vriend afgenomen en zij moeten verder leven met dit gemis en de onwetendheid over het waarom van zijn dood.

Voorts heeft verdachte zich ontdaan van het lichaam door het in elf stukken te snijden, zagen of hakken en deze in een vuilcontainer te deponeren. Verdachte is hierdoor op een gruwelijke, respectloze en barbaarse wijze omgegaan met het lichaam van de overledene. Dit levert een schok op voor de nabestaanden en ook voor een ieder die dit zal lezen of vernemen. De rechtsorde is hierdoor ernstig geschokt. De onschendbaarheid van het lichaam vormt een belangrijk onderdeel van onze beschaving en de wijze waarop met het lichaam van een overledene wordt omgegaan is van belang voor de rouwverwerking van de nabestaanden. Verdachte heeft hier een ernstige inbreuk op gemaakt. De rouwverwerking is eveneens bemoeilijkt door de vele dagen waarin de nabestaanden in onzekerheid verkeerden of de man die zo gruwelijk was behandeld, [slachtoffer] betrof.

De koelbloedige en berekenende wijze waarop verdachte te werk moet zijn gegaan laat de rechtbank dan ook een rol spelen in de strafmaat. Verdachte moet het lichaam met grote precisie hebben doorkliefd en moet geruime tijd bezig geweest zijn met het zich ontdoen van het lichaam door het in plastic zakken en/of emmers te stoppen, deze in de bedrijfsauto te tillen en uiteindelijk te deponeren in de vuilcontainer. Tevens zijn in de woning zoveel mogelijk bloedsporen verwijderd en is flink schoongemaakt. Deze werkwijze vereist een haast angstaanjagende koelbloedigheid.

De raadsman heeft aangevoerd dat de wijze waarop verdachte zich van het dode lichaam heeft ontdaan geen rol mag spelen in de strafmaat, nu daar een aparte strafbaarstelling voor geldt. De rechtbank gaat hier niet in mee en benadrukt dat voor de strafmaat alle feiten en omstandigheden die tot een strafbaar feit hebben geleid en die in de fase erna van belang zijn voor hun effect op slachtoffers, nabestaanden, de maatschappij of de rechtsorde een rol mogen en moeten spelen bij de strafmaat. Voor het begrip ”ernstige geschokte rechtsorde” is het van belang en ook voor de vraag in welke mate leed is toegevoegd aan derden. De omstandigheid dat bepaalde feiten en omstandigheden die mee worden gewogen in de strafmaat separaat strafbaar gesteld kunnen worden doet daar niet aan af.

Ten aanzien van de persoon van verdachte ziet de rechtbank geen aanleiding om ten gunste of ten nadele van verdachte af te wijken. De rechtbank heeft acht geslagen op de Pro Justitia-rapportage van psychologisch onderzoek d.d. 22 april 2011 en de Pro Justitia-rapportage van aanvullend psychologisch onderzoek d.d. 21 september 2011. Hieruit volgt dat de deskundigen geen heel helder beeld van de psychische gesteldheid van verdachte kunnen krijgen. Wel achten zij verdachte volledig toerekeningsvatbaar.

Derhalve vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur op zijn plaats die dicht aan ligt tegen het strafmaximum dat voor doodslag kan worden gegeven.

Ten aanzien van het beslag

De rechtbank bepaalt dat de op de beslaglijst genoemde voorwerpen 1, 2, 3, 8, 11 tot en met 31 en 47 zullen worden teruggegeven aan verdachte, de voorwerpen 4, 5, 6, 7 en 38 zullen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbenden, voorwerp 9 zal worden teruggegeven aan [naam 4], de voorwerpen 34, 35 en 36 zullen worden teruggegeven aan [naam 3], de voorwerpen 41, 42, 44, 45, 46 en 48 zullen worden teruggegeven aan de erfgenamen van [slachtoffer] en voorwerp 43 zal worden teruggegeven aan het GVB.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Doodslag

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1 3.00 STK Oorbel Kl: ZILVER

-

(3925945) 1 paar oorbellen en 1 loss

2 1.00 STK Sieraad Kl: ZILVER

HANGERTJE

(3925950)

3 1.00 STK Sieraad Kl: GOUD

KETTINKJE

(3925952)

8 1.00 STK Horloge Kl: GOUD

OMEGA

(3925750)

11 Geld Euro

-

(3925884) 251,02

12 1.00 STK Zaktelefoon Kl: zwart

SAMSUNG

(3926681)

13 1.00 STK Kabel Kl: zwart

SONY 8GB

(3926691)

14 1.00 STK Kabel Kl: rood

EMTEC usb

(3926704)

15 1.00 STK Simkaart van zaktelefoon

LEBARA

(3926712)

16 1.00 STK Simkaart van zaktelefoon

LEBARA

(3926714)

17 1.00 STK Simkaart van zaktelefoon

LEBARA

(3926730)

18 1.00 STK Simkaart van zaktelefoon

T-MOBILE

(3926742)

19 1.00 STK Zaktelefoon Kl: zwart

NOKIA

(3926760)

20 1.00 STK Kabel Kl: zwart

T-MOBILE E160g

(3926774)

21 1.00 STK Tas Kl: oranje

ALBERT HEIJN

(3929175)

22 1.00 STK Tas

SOIGNE

(3929182)

23 1.00 STK MP3-speler Kl: wit

APPLE IPOD

(3929540)

24 1.00 STK Sleutelbos

-

(3929542) met sleutelhanger "DIOR".

25 1.00 STK Horloge

PATEK PHILIPPE

(3929544) zonder bandje

26 1.00 STK Horloge Kl: goud

QUARTZ

(3929545)

27 1.00 STK Horloge Kl: zilver

QUARTZ

(3929546)

28 1.00 STK Horloge Kl: zilver

ROLEX

(3929548) in Gucci brillenkoker

29 1.00 STK Zaktelefoon Kl: zwart

APPLE IPHONE

(3929867)

30 1.00 STK Simkaart van zaktelefoon

LEBARA

(3938352)

31 1.00 STK Horloge

BREITLING 1884

(3948114)

47 1.00 STK Rugzak Kl: creme

-

(3957418) met onbekende inhoud, mogelijk van vd

Gelast de teruggave aan [naam 4] van:

9 1.00 STK Ov-Jaarkaart

-

(3925805)

Gelast de teruggave aan [naam 3] van:

34 Geld Euro

-

(3925775) 20x20=400,-

35 Geld Euro

-

(3925786) 13,25 euro muntgeld

36 Geld Euro

-

(3925819) 935,- euro

Gelast de teruggave aan de erfgenamen van [slachtoffer] van:

41 1.00 STK Computer

HP portable

(3881405)

42 1.00 STK Zaktelefoon

SAMSUNG gsm

(3881412)

44 1.00 STK Schort Kl: oranje

-

(3890594)

45 1.00 STK Handschoen Kl: zwart

werk

(3890607)

46 1.00 STK Kleding Kl: oranje

KARIBAN maat 1

(3890587)

48 Geld Euro

-

7 munten totaal 5,90 (3886469)

Gelast de teruggave aan het GVB van:

43 2.00 STK Cd-Rom

-

(3884041) 2dvd van gvb vh pondje naar noord

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

4 1.00 STK Zaktelefoon

NOKIA 6600

(3926293)

5 1.00 STK Doos

-

(3895020) tav CAO

6 1.00 STK Zaktelefoon

NOKIA 5530

(3895021)

7 1.00 STK Acculader

NOKIA

(3895022)

38 1.00 STK Zaktelefoon Kl: zwart

NOKIA

(3926236)

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. N.J. Koene en B.C. Langendoen, rechters

in tegenwoordigheid van mr. K.R. Starreveld, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 maart 2012.