Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BV7942

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
06-03-2012
Zaaknummer
13/651152-11 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot gevangenisstraf, taakstraf en rijontzegging voor rijden zonder rijbewijs en onaanvaardbaar rijgedrag. Verdachte heeft op klaarlichte dag door een druk gedeelte van Amsterdam zo gevaarlijk gereden dat politie en burgers opzij moesten springen.

Hij is daarbij onder meer door rood licht gereden, heeft trams aan de linkerkant ingehaald en heeft met te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse gereden. Ook is hij doorgereden nadat politieambtenaren hem wilden stoppen en toen fietsen van deze politieambtenaren onder zijn auto terecht waren gekomen. Hij heeft daarbij het risico genomen dat mensen zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen.

Aan verdachte is opgelegd:

- een gevangenisstraf van 300 dagen waarvan 132 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringstoezicht

- een taakstraf van 120 uren

- een rijontzegging van 2 jaren waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Ook zijn vorderingen van 4 politieagenten toegewezen van 750€ per persoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/651152-11 (Promis)

Datum uitspraak: 6 maart 2012

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1990],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] te [woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 februari 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.L.A. ter Veer en van wat verdachte en zijn raadsvrouwe, mr. J. van Koesveld, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging op de zitting van 21 december 2011 - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 06 juli 2011 in de gemeente Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [verbalisant 1] (agent van politie regio Amsterdam-Amstelland) en/of [verbalisant 2] (hoofdagent van politie regio Amsterdam-Amstelland) en/of [verbalisant 3] (agent van politie regio Amsterdam-Amstelland) en/of [verbalisant 4] (hoofdagent van politie regio Amsterdam-Amstelland) en/of [aangever] en/of [getuige 1] van het leven te beroven, met dat opzet als bestuurder van een personenauto (merk Opel, type Corsa)

- met een hoge snelheid, in ieder geval met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, op die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] en/of [verbalisant 4] en/of [aangever] en/of [getuige 1] is ingereden, in ieder geval in de richting van die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] en/of [verbalisant 4] en/of [aangever] en/of [getuige 1] is gereden en die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3]en/of [verbalisant 4] en/of [aangever] en/of [getuige 1] (ternauwernood) opzij kon(den) springen om een aanrijding te voorkomen;

(artikel 287/45 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op of omstreeks 06 juli 2011 in de gemeente Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (een) (de) ambtena(a)r(en) [verbalisant 1] (agent van politie regio Amsterdam-Amstelland) en/of [verbalisant 2] (hoofdagent van politie regio Amsterdam-Amstelland) en/of [verbalisant 3] (agent van politie regio Amsterdam-Amstelland) en/of [verbalisant 4] (hoofdagent van politie regio Amsterdam-Amstelland) gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening en/of [aangever] en/of [getuige 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als bestuurder van een personenauto (merk Opel, type Corsa)

- met een hoge snelheid, in ieder geval met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, op die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] en/of [verbalisant 4] en/of [aangever] en/of [getuige 1] is ingereden, in ieder geval in de richting van die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] en/of [verbalisant 4] en/of [aangever] en/of [getuige 1] is gereden en die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] en/of [verbalisant 4] en/of [aangever] en/of [getuige 1] (ternauwernood) opzij kon(den) springen om een aanrijding te voorkomen;

(artikel 302/304/45 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op of omstreeks 06 juli 2011 in de gemeente Amsterdam [verbalisant 1] (agent van politie regio Amsterdam-Amstelland) en/of [verbalisant 2] (hoofdagent van politie regio Amsterdam-Amstelland) en/of [verbalisant 3] (agent van politie regio Amsterdam-Amstelland) en/of [verbalisant 4] (hoofdagent van politie regio Amsterdam-Amstelland) en/of [aangever] en/of [getuige 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend als bestuurder van een personenauto (merk Opel, type Corsa)

- met een hoge snelheid, in ieder geval met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, op die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] en/of [verbalisant 4] en/of [aangever] en/of [getuige 1] ingereden, in ieder geval in de richting van die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] en/of [verbalisant 4] en/of [aangever] en/of [getuige 1] gereden en die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] en/of [verbalisant 4] en/of [aangever] en/of [getuige 1] (ternauwernood) opzij kon(den) springen om een aanrijding te voorkomen;

(artikel 285 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 06 juli 2011 in de gemeente Amsterdam als bestuurder van een voertuig (een personenauto), daarmee rijdende op de weg, de van Baerlestraat en/of de Albert Cuypstraat en/of de Ferdinand Bolstraat en/of de Hobbemakade, in ieder geval (telkens) op de openbare weg, waarbij hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig

- op de van Baerlestraat en/of de Albert Cuypstraat en/of de Ferdinand Bolstraat en/of de Hobbemakade (telkens) heeft gereden met een (hoge) snelheid, in ieder geval met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse en/of

- op de van Baerlestraat heeft gereden met een (hoge) snelheid tussen ongeveer 70 en 80 kilometer per uur, in ieder geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur, in ieder geval met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse en/of op het voor de tram bestemde weggedeelte heeft gereden en/of een tramhalte heeft genaderd zonder snelheid te minderen en/of een aldaar stilstaande tram aan de linkerzijde heeft ingehaald/gepasseerd en daarbij op het weggedeelte voor de tegemoetkomende tram (zogenoemd spookrijdend) heeft gereden en/of

- op de kruising van wegen gevormd door de van Baerlestraat en het Concertgebouwplein geen gevolg heeft gegeven aan (een) verkeersteken(s) dat/die een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd twee-/driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde en/of

- op de kruising van wegen gevormd door de Albert Cuypstraat en de Ferdinand Bolstraat met hoge snelheid linksaf is geslagen en de Ferdinand Bolstraat op is gereden en/of een in die bocht stilstaande tram is gepasseerd en daarbij op het weggedeelte voor tegemoetkomend verkeer (zogenoemd spookrijdend) heeft gereden en/of

- op de Albert Cuypstraat op het voor de tram bestemde weggedeelte heeft gereden en/of

- op de kruising van wegen gevormd door de Ruysdaelstraat en de Hobbemakade geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde;

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

(artikel 5 Wegenverkeerswet 1994)

3.

hij op of omstreeks 06 juli 2011 in de gemeente Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto) heeft gereden op de weg, de van Baerlestraat en/of de Albert Cuypstraat en/of de Ferdinand Bolstraat en/of de Hobbemakade, in ieder geval op de openbare weg, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van

motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

(artikel 107 Wegenverkeerswet 1994)

3. Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsvrouwe van verdachte heeft betoogd dat er bij de betrouwbaarheid, geloofwaardigheid en juistheid van de verklaringen in het dossier kanttekeningen zijn te plaatsen. De rechtbank begrijpt dat dit er volgens de verdediging toe dient te leiden dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard. De raadsvrouwe heeft aan haar stelling het volgende ten grondslag gelegd. Het proces-verbaal van aangifte zoals gedaan door [verbalisant 1] is letterlijk een herhaling van het proces-verbaal van bevindingen. Als tweede argument voert de verdediging aan dat aangever [aangever] verklaart dat hij bij het doen van aangifte het gevoel had door de politie te worden gestuurd door de wijze waarop de vragen werden gesteld en / of de antwoorden werden geformuleerd. Daarbij komt dat hij geen aangifte tegen verdachte wilde doen. Ten derde wekt het, aldus de verdediging bevreemding dat in de verklaring van [getuige 2] niet is opgenomen dat er door de politie geen stopteken is gegeven. [getuige 2] heeft veel moeite moeten doen om dit element in zijn verklaring opgenomen te krijgen. Ten vierde had er volgens de raadsvrouwe een technisch onderzoek aan de auto moeten worden verricht. Verder is aan een van de getuigen ([getuige 1]) door een verbalisant de toezegging gedaan dat zijn naam en adres niet zouden worden genoemd in het dossier. Uit zijn verklaring bij de rechter-commissaris blijkt dat zijn gegevens wel in het dossier zijn opgenomen. Ten slotte is het opvallend dat de verklaringen van de verbalisanten en de 'burgergetuigen' op een belangrijk punt van elkaar afwijken, namelijk de vraag of de fietsen wel of niet voor de auto gegooid zijn.

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat ten aanzien van de eerste drie punten en het laatste door de raadsvrouw aangevoerde punt geldt dat, mocht er al sprake zijn van een verzuim, dit is hersteld door het horen van alle bij deze punten betrokken personen bij de rechter-commissaris. Verdachte is hierdoor dan ook niet (verder) in zijn belangen geschaad. Hoewel de rechtbank de gang van zaken bij de politie met betrekking tot getuige [getuige 1] betreurt, is de rechtbank van oordeel dat dit de persoon van [getuige 1] betreft en verdachte hiermee niet in zijn belangen is geschaad.

Ten aanzien van de vraag of er een noodzaak tot technisch onderzoek van de auto was, is de rechtbank van oordeel dat deze stelling op geen enkele wijze is onderbouwd. Noch uit de verklaringen van verdachte noch uit andere verklaringen volgt dat de auto ten tijde van het ten laste gelegde gebreken vertoonde welke een technisch onderzoek noodzakelijk maakte.

De rechtbank verwerpt het verweer dan ook op alle punten.

Schouw

De raadsvrouwe heeft ter zitting verzocht om een schouw, omdat onvoldoende duidelijk zou zijn wat de situatie ter plaatse was. De rechtbank deelt echter de mening dat het dossier onvolledig is, niet. Uit de informatie in het dossier zoals behandeld ter terechtzitting en de verklaring ter terechtzitting van verdachte volgt voldoende duidelijk wat de omstandigheden tijdens de autorit zijn geweest. Tevens geldt ook ten aanzien van dit verzoek dat de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd waarom een schouw in deze zaak noodzakelijk zou zijn en welke meerwaarde dit zou hebben. De rechtbank wijst het verzoek tot het houden van een schouw op grond van het voorgaande af.

De rechtbank komt op grond hiervan tot de volgende beslissing.

4. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

5. Waardering van het bewijs

5.1 Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Verdachte rijdt op 6 juli 2011met zijn vriend [vriend van verdachte] in de auto van zijn moeder, een Opel Corsa, richting de Albert Cuypstraat. Hij rijdt over de trambaan en vervolgens vraagt een agent hem te stoppen, terwijl hij voor een stoplicht staat. Verdachte geeft hieraan geen gehoor en rijdt weg, omdat hij bang is dat hij op zijn kop krijgt van zijn ouders. Agenten op de fiets volgen hem en er wordt een melding doorgegeven. Verdachte slaat op enig moment vanuit de Albert Cuypstraat de Ferdinand Bolstraat in, maar hij wordt ongeveer ter hoogte van de Gerard Doustraat gedwongen te keren vanwege een wegopbreking.i Nadat verdachte is gekeerd, plaatst agent [verbalisant 1], die is gekleed in uniform, zijn fiets dwars op de weg. Er staat een tram bij de halte en links van [verbalisant 1] staan geparkeerde auto's, waardoor er weinig ruimte is om hem te passeren. Verdachte rijdt recht op [verbalisant 1] af en hij vermeerdert zijn snelheid. [verbalisant 1] beweegt zich achteruit en de auto raakt zijn fiets, die onder de auto komt.ii Na de bocht, in de Albert Cuypstraat, staat agent [verbalisant 2] naast zijn fiets. De auto komt recht op hem af rijden. [verbalisant 2] stapt achteruit en de auto rijdt vlak langs hem.iii Achter [verbalisant 2] staat agent [verbalisant 3]. [verbalisant 3] heeft zijn linkervoet aan de grond staan en zijn rechtervoet staat nog op het pedaal van zijn fiets. De auto raakt de fiets en [verbalisant 3] wordt door de fiets geraakt. Hij kan blijven staan.iv Getuigen [aangever] en [getuige 1] fietsen over de Albert Cuypstraat in de richting van de Albert Cuypmarkt. De auto rijdt ook op hen af. [getuige 1] valt van zijn fiets en tijgert om weg te komen. [aangever] springt van zijn fiets als de auto bijna bij hem is en hij duikt weg achter geparkeerde auto's.v De agent die achter [verbalisant 3] staat, [verbalisant 4], moet ook de auto ontwijken. Hij wordt niet geraakt, maar er is een afstand tussen hem en de auto van enkele centimeters. Op dat moment trekt zijn collega [verbalisant 5] zijn dienstwapen en schiet op de auto van verdachte om hem tot stoppen te dwingen.vi Niet lang daarna komt de auto tot stilstand. Verdachte rent weg, maar wordt even later aangehouden.vii

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Op 6 juli 2011 rijdt verdachte in de auto van zijn moeder op de Van Baerlestraat te Amsterdam met een te hoge snelheid op het voor de tram bestemde weggedeelte en hij nadert een tramhalte zonder snelheid te minderen. Vervolgens passeert hij een stilstaande tram aan de linkerzijde en hij komt daarbij op het weggedeelte voor de tegemoetkomende tram. Op de kruising van de Van Baerlestraat en het Concertgebouwplein rijdt hij door een rood stoplicht. Op de kruising van de Ruysdaelstraat en de Hobbemakade, vraagt agent [verbalisant 5] hem te stoppen, maar hij rijdt hier ook door rood. Vervolgens rijdt hij door de Albert Cuypstraat en bij de kruising met de Ferdinand Bolstraat slaat hij met hoge snelheid linksaf de Ferdinand Bolstraat in, waar hij in die bocht een stilstaande tram passeert en daarbij opnieuw spookrijdt. Ter hoogte van de Gerard Doustraat wordt hij gedwongen te keren en vervolgens rijdt hij op de Albert Cuypstraat op het voor de tram bestemde weggedeelte.viii

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Op 6 juli 2011 rijdt verdachte in de auto van zijn moeder over de Van Baerlestraat, de Albert Cuypstraat, de Ferdinand Bolstraat en de Hobbemakade te Amsterdam, zonder dat hij een rijbewijs in zijn bezit heeft.ix

5.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair ten laste gelegde - kort gezegd de poging doodslag - kan worden bewezen. Uit het dossier, met name gelet op de verklaringen van de verbalisanten, blijkt dat verdachte met een te hoge snelheid in de richting van verbalisanten en andere personen is gereden. Ondanks verklaringen van getuigen dat verdachte niet is ingereden op personen, dient meer waarde gehecht te worden aan de verklaringen van de verbalisanten die dit rijgedrag wel hebben waargenomen. De verbalisanten waren bezig met hun werk en concentreerden zich op het (rij)gedrag van verdachte. De door verdachte bestuurde auto komt hun richting op. Omstanders die verklaren bevonden zich niet in een dergelijke positie en werden plotseling met een en ander geconfronteerd.

Daarbij komt dat de verklaringen van de verbalisanten op onderdelen worden ondersteund door de camerabeelden, waarop onder meer te zien is dat verbalisant [verbalisant 2] bijna wordt aangereden.

Een aantal elementen uit de verklaringen van omstanders blijkt onjuist lijkt te zijn. Omstanders verklaren bijvoorbeeld dat verbalisanten hun fiets voor de auto gooien, terwijl uit de camerabeelden blijkt dat [verbalisant 2] dat niet doet. Verder verklaart [aangever] dat de auto in de Albert Cuypstraat keerde, terwijl uit andere verklaringen blijkt dat dit in de Ferdinand Bolstraat plaatsvond. [getuige 2] verklaart dat de autoruit is gebarsten door het schieten, terwijl zich in het dossier foto's bevinden waarop te zien is dat deze ruit nog intact is.

De vraag of er een stopteken is gegeven, is niet relevant, nu het voor verdachte duidelijk moet zijn geweest dat hij moest stoppen. Ook de vraag of hij de auto onder controle had, is niet relevant. Het betreft een situatie waar verdachte zichzelf in heeft gebracht en door op die manier te handelen heeft hij de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de controle over zijn auto zou verliezen met alle mogelijke gevolgen van dien. Het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als poging doodslag, nu verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de in de tenlastelegging genoemde personen, indien zij daadwerkelijk waren aangereden, waren overleden (dan wel zwaar lichamelijk lestel hadden opgelopen). Uit de verklaringen van de verbalisanten, [aangever] en [getuige 1] blijkt dat zij hard en vol zouden zijn geraakt door de auto als zij niet tijdig opzij waren gesprongen. Gelet daarop bestond de aanmerkelijke kans dat zij als gevolg van een voltooide aanrijding waren overleden.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van gevaar op de weg met zijn rijgedrag, zoals onder 2 ten laste is gelegd, en het rijden zonder rijbewijs, zoals onder 3 ten laste is gelegd.

5.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit vrijspraak bepleit en zij heeft daartoe het navolgende aangevoerd. Er bestaat ten aanzien van [aangever] en [getuige 1] geen wettig en overtuigend bewijs, nu een aangifte van [getuige 1] ontbreekt in het dossier en [aangever] blijkens het dossier geen aangifte heeft willen doen. Ten aanzien van de verbalisanten geldt dat er geen sprake is van het (ten minste) vereiste voorwaardelijk opzet. Het dossier geeft onvoldoende aanleiding om te concluderen dat verdachte heeft ingestuurd op een verbalisant. Verdachte heeft zich juist ingespannen om alles en iedereen te ontwijken, zoals blijkt uit zijn eigen verklaring. Van belang daarbij is dat verdachte rijdend in de Ferdinand Bolstraat, de agenten die om de hoek stonden in de Albert Cuypstraat niet heeft kunnen waarnemen, voordat hij de bocht om reed. Noch uit de verklaringen van de 'burgergetuigen', noch uit de camerabeelden, blijkt dat aangevers een noodsprong hebben moeten maken om een aanrijding te voorkomen.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde geldt dat de snelheid niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, nu het een inschatting van verbalisanten betreft. De raadsvrouw refereert zich voor het overige aan het oordeel van de rechtbank. Het onder 3 ten laste gelegde feit kan wettig en overtuigend worden bewezen.

5.4 Het oordeel van de rechtbank

Poging doodslag

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen wat aan verdachte primair als poging doodslag is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Uit het strafdossier is niet gebleken dat verdachte het opzet had om de vier verbalisanten, [aangever] en [getuige 1] van het leven te beroven. Verdachte heeft verklaard dat hij aan de politie wilde ontkomen, omdat hij bang was om bij thuiskomst klappen te krijgen en zijn afspraak bij de Brijder Stichting te missen. Er zijn evenmin voldoende aanknopingspunten aanwezig om vast te kunnen stellen dat verdachte door zijn handelen zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans op de dood van de vier verbalisanten, [aangever] en [getuige 1]. Het met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse door een drukke straat rijden in de richting van personen die op de weg staan is weliswaar gevaarzettend, maar brengt in het algemeen geen aanmerkelijke kans met zich mee dat die personen tengevolge daarvan dusdanig worden verwond dat zij komen te overlijden.

Poging zware mishandeling

Uit bovenstaande volgt echter wel dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zwaar lichamelijk letsel van zijn handelen het gevolg zou zijn. De rechtbank neemt hierbij de volgende omstandigheden in aanmerking. Verdachte rijdt met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse eerst op verbalisant [verbalisant 1] af. Hij ziet dat [verbalisant 1] in uniform is gekleed en dat hij zijn fiets dwars over de weg heeft gezet. Er is mede door een stilstaande tram, bijna geen ruimte om hem te passeren. Toch vermeerdert verdachte zijn snelheid en hij stopt niet. Vervolgens ziet verdachte ook verbalisanten [verbalisant 2], [verbalisant 4] en [verbalisant 3] staan, maar ondanks het feit dat een fiets onder en door zijn auto wordt meegesleept remt hij ook voor deze agenten en de omstanders [aangever] en [getuige 1], niet af. Naar algemene ervaringsregels is hiermee een als aanmerkelijk te beschouwen kans op een ernstige aanrijding en daardoor op zwaar lichamelijk letsel in het leven geroepen. Verdachte heeft hier deels zelf over verklaard en de rechtbank gaat daar vanuit. Verondersteld mag worden dat ook bij verdachte ten tijde van het rijden wetenschap bestond van de aanmerkelijke kans dat zo een gevolg kon intreden. Door desondanks aldus te handelen heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard en op de koop toe genomen. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat verdachte niet is ingereden op de personen, maar in de richting van verbalisanten en getuigen is gereden, nu niet kan worden uitgesloten dat verdachte in het geheel geen pogingen heeft gedaan de personen te ontwijken.

Bedreiging

De rechtbank komt aan een zelfstandige beoordeling van de ten laste gelegde bedreiging niet toe, nu zij de poging tot zware mishandeling bewezen heeft verklaard.

6. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 5 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde,

op 6 juli 2011 in de gemeente Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk de ambtenaren [verbalisant 1] (agent van politie regio Amsterdam-Amstelland) en [verbalisant 2] (hoofdagent van politie regio Amsterdam-Amstelland) en [verbalisant 3] (agent van politie regio Amsterdam-Amstelland) en [verbalisant 4] (hoofdagent van politie regio Amsterdam-Amstelland) gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening en [aangever] en [getuige 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als bestuurder van een personenauto (merk Opel, type Corsa),

- met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, in de richting van die [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3] en [verbalisant 4] en [aangever] en [getuige 1] is gereden en die [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3] en [verbalisant 4] en [aangever] en [getuige 1] ternauwernood opzij konden springen om een aanrijding te voorkomen,

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde,

op 6 juli 2011 in de gemeente Amsterdam als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende op de weg, de Van Baerlestraat en de Albert Cuypstraat en de Ferdinand Bolstraat en de Hobbemakade, waarbij hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig,

- op de Van Baerlestraat en de Albert Cuypstraat en de Ferdinand Bolstraat en de Hobbemakade heeft gereden met in ieder geval een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse en

- op de Van Baerlestraat heeft gereden met in ieder geval een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse en op het voor de tram bestemde weggedeelte heeft gereden en een tramhalte is genaderd zonder snelheid te minderen en een aldaar stilstaande tram aan de linkerzijde heeft ingehaald en daarbij op het weggedeelte voor de tegemoetkomende tram, zogenoemd spookrijdend, heeft gereden en

- op de kruising van wegen gevormd door de Van Baerlestraat en het Concertgebouwplein geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde en

- op de kruising van wegen gevormd door de Albert Cuypstraat en de Ferdinand Bolstraat met in ieder geval een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, linksaf is geslagen en de Ferdinand Bolstraat op is gereden en een in die bocht stilstaande tram is gepasseerd en daarbij op het weggedeelte voor tegemoetkomend verkeer, zogenoemd spookrijdend, heeft gereden en

- op de Albert Cuypstraat op het voor de tram bestemde weggedeelte heeft gereden en

- op de kruising van wegen gevormd door de Ruysdaelstraat en de Hobbemakade geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde;

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd,

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde,

op 6 juli 2011 in de gemeente Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto) heeft gereden op de weg, de Van Baerlestraat en de Albert Cuypstraat en de Ferdinand Bolstraat en de Hobbemakade, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar onder 1 bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 300 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 131 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. Ook heeft de officier van justitie voor dit feit een werkstraf van 180 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen, gevorderd. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen te ontzeggen voor de tijd van 2 jaren.

Ten aanzien van het door de officier van justitie onder 2 bewezen geachte feit heeft zij een geldboete van € 250,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 5 dagen, gevorderd.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar onder 3 bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 250,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 5 dagen.

De officier van justitie verzoekt de vorderingen van de benadeelde partijen [verbalisant 2], [verbalisant 4], [verbalisant 1] en [verbalisant 3] van ieder € 750 toe te wijzen. Tevens heeft zij gevorderd daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de bepaling van de strafmaat rekening gehouden dient te worden met de omstandigheid dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Verdachte is blij met de hulp die hem op dit moment wordt geboden door de reclassering en Stichting MEE. Van belang is dat de eventueel op te leggen straf geen streep zet door de recente ontwikkelingen. Hiertoe verzoekt de verdediging een (gedeeltelijke) voorwaardelijke straf op te leggen, opdat middels bijzondere voorwaarden het begeleidingstraject kan worden voortgezet. Om te verzekeren dat dit traject goed van de grond kan komen en van langere duur is, vraagt de verdediging een proeftijd die langer dan twee jaren duurt. Gezien de draagkracht van verdachte dient ten aanzien van de overtredingen geen geldboete, maar schuldig verklaring zonder straf te worden opgelegd.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de verdediging verzocht deze af te wijzen, omdat zij niet eenvoudig van aard zijn en derhalve niet geschikt kunnen worden geacht voor afdoening in deze strafzaak. Gezien de draagkracht van verdachte zal het toewijzen van de vorderingen in de praktijk leiden tot een strafverzwaring voor verdachte, hetgeen niet de bedoeling van de regeling is.

De raadsvrouwe heeft verzocht het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen dan wel te schorsen.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft op klaarlichte dag door een druk gedeelte van Amsterdam zonder rijbewijs gevaarlijk gereden. Meerdere personen hebben aan de kant moeten springen en zij hebben daarbij angstige momenten beleefd. Ook het op de weg zien staan van verschillende in uniform geklede verbalisanten, heeft verdachte niet doen stoppen. Zoals blijkt uit de vorderingen van de benadeelde partijen, heeft dit enkele weken na het gebeuren nog invloed gehad op het functioneren van deze ervaren verbalisanten. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank houdt echter rekening met de beperkte verstandelijke vermogens van verdachte. Uit de rapporten van reclasseringsinstelling GGZ Inforsa d.d. 29 september 2011 en 16 februari 2012 blijkt, dat onder meer in samenwerking met de Stichting MEE, een traject wordt opgestart om verdachte te helpen bij zijn huisvesting, werk en verslaving. Inforsa adviseert het opleggen van diverse bijzondere voorwaarden met betrekking tot dit traject. De rechtbank zal het advies van de rapporteur volgen en maakt de gestelde conclusies tot de hare. Ook de rechtbank acht het wenselijk dat dit hulpverleningstraject niet wordt onderbroken door een gevangenisstraf. Mogelijk kan met deze begeleiding en een voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur, worden voorkomen dat verdachte in de toekomst wederom strafbare feiten zal plegen. Tevens zal de rechtbank, gezien de persoonlijke omstandigheden en het reclasseringsrapport, voldoen aan het verzoek van de verdediging door een proeftijd van drie jaren op te leggen. De rechtbank acht verder gezien de ernst van het feit het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ter hoogte van het voorarrest en een taakstraf passend.

De ernst van het feit rechtvaardigt een ontzegging van de rijbevoegdheid. Nu verdachte echter een opleiding tot automonteur zal gaan volgen en daarvoor in een auto zal moeten kunnen rijden, zal de rechtbank een deels voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen.

Ten aanzien van de overtredingen acht de rechtbank in beginsel een geldboete passend. De rechtbank zal echter gezien de ernst van de overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, niet een boete gelijk aan de overtreding van artikel 107 van die wet opleggen.

De rechtbank acht minder feiten bewezen dan de officier van justitie en er bestaat dan ook aanleiding bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vorderingen van [verbalisant 2], [verbalisant 4], [verbalisant 1] en [verbalisant 3], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit rechtstreeks schade hebben geleden. De rechtbank waardeert deze voor ieder van de benadeelde partijen op € 750,- (zevenhonderdenvijftig euro). De vorderingen kunnen dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [verbalisant 2], [verbalisant 4], [verbalisant 1] en [verbalisant 3] voornoemd, wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

De rechtbank bepaalt uitdrukkelijk niet dat bij gebreke van verhaal de vervangende hechtenis zal worden bevolen. De rechtbank acht het niet wenselijk dat met een eventuele vrijheidsbeneming het begeleidingstraject van verdachte zal worden doorkruist.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23(oud), 24c, 36f, 45, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 107, 177 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart de onder 1 ten laste gelegde poging doodslag niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 ten laste gelegde poging lichamelijk letsel en de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

1.

poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf mede wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

2.

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

3.

overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

* Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 300 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 132 dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast als veroordeelde tijdens de proeftijd de volgende bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Veroordeelde moet zich onmiddellijk stellen onder toezicht en leiding van GGZ Inforsa Justitiële Verslavingszorg Amsterdam. Vervolgens moet hij gedurende de proeftijd onder toezicht en leiding van die instelling blijven en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen gedragen, zolang deze instelling dat nodig vindt. Veroordeelde zal zich hier ook moeten melden zo frequent als zijn toezichthouder dit nodig acht.

Veroordeelde dient begeleiding en behandeling gericht op mensen met een verstandelijke beperking te volgen door MEE en Amsta of een vergelijkbare instelling gericht op begeleiding aan mensen met een verstandelijke beperking. Indien veroordeelde of zijn toezichthouder dat nodig acht, dient veroordeelde een ambulante of klinische behandeling te volgen binnen de (forensische) verslavingszorg.

Veroordeelde dient zodra dit mogelijk is, mee te werken aan een plaatsing in een instelling voor begeleid wonen en zich te houden aan het (dag)programma dat deze voorzienig in overleg met de reclassering heeft opgesteld.

* Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 120 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.

* Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 2 jaren.

Beveelt dat een gedeelte, groot 1 jaar van deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

* Veroordeelt verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde voorts tot een geldboete van € 500,- (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 10 dagen.

* Veroordeelt verdachte ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde feit tot een geldboete van € 250,- (tweehonderdenvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 5 dagen.

Ten aanzien van vorderingen van de benadeelde partijen

* Wijst de vordering van [verbalisant 2], woonplaats kiezende op het adres van Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, Postbus 2287, 1000 CG te Amsterdam, toe tot € 750,- (zevenhonderdenvijftig euro).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [verbalisant 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [verbalisant 2] aan de Staat € 750,- (zevenhonderenvijftig euro) te betalen.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

* Wijst de vordering van [verbalisant 4], woonplaats kiezende op het adres van Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, Postbus 2287, 1000 CG te Amsterdam, toe tot € 750,- (zevenhonderdenvijftig euro).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [verbalisant 4] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [verbalisant 4] aan de Staat € 750,- (zevenhonderenvijftig euro) te betalen.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

* Wijst de vordering van [verbalisant 1], woonplaats kiezende op het adres van Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, Postbus 2287, 1000 CG te Amsterdam, toe tot € 750,- (zevenhonderdenvijftig euro).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [verbalisant 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [verbalisant 1] aan de Staat € 750,- (zevenhonderenvijftig euro) te betalen.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

* Wijst de vordering van [verbalisant 3], woonplaats kiezende op het adres van Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, Postbus 2287, 1000 CG te Amsterdam, toe tot € 750,- (zevenhonderdenvijftig euro).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [verbalisant 3] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [verbalisant 3] aan de Staat € 750,- (zevenhonderenvijftig euro) te betalen.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. C.S. Schoorl en P. Sloot, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.M.P. Goelema, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 maart 2012.

De oudste en jongste rechter zijn buiten

staat mede te ondertekenen.

i De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 21 februari 2012 en een verhoor van getuige ten overstaan van mr. C. Klomp, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, inhoudende de verklaring van [getuige 3] van 22 december 2011.

ii De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 21 februari 2012 en een verhoor van getuige ten overstaan van mr. C. Klomp, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, inhoudende de verklaring van [verbalisant 1] van 23 december 2011.

iii Een verhoor van getuige ten overstaan van mr. C. Klomp, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, inhoudende de verklaring van [verbalisant 2] van 23 december 2011.

iv Een verhoor van getuige ten overstaan van mr. C. Klomp, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, inhoudende de verklaring van [verbalisant 3] van 22 december 2011.

v Een verhoor van getuige ten overstaan van mr. C. Klomp, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, inhoudende de verklaring van [getuige 1] van 15 december 2011 en een proces-verbaal van aangifte d.d. 6 juli 2011 met nummer 2011172218-7, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6], inhoudende de verklaring van [aangever] (pagina's 007-013).

vi Een verhoor van getuige ten overstaan van mr. C. Klomp, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, inhoudende de verklaring van [verbalisant 4] van 22 december 2011.

vii Een proces-verbaal van aanhouding d.d. 6 juli 2011 met nummer 2011172218-2, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7], inhoudende de aanhouding van verdachte (pagina's 041 en 042).

viii Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 juli 2011 met nummer 2011172218-54, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5], inhoudende de bevindingen van [verbalisant 5] (pagina's 0159-0161) en een proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 juli 2011 met nummer 2011172218-37, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], inhoudende de bevindingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (pagina's 001-006) en een proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 juli 2011 met nummer 2011172218-48, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4], inhoudende de verklaring van [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (pagina's 0156-0158).

ix De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 21 februari 2012 en een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 11 juli 2011 met nummer 2011172218-55, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 8], inhoudende de verklaring van [getuige 4] (pagina's 0183-0190).