Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BV6407

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-02-2012
Datum publicatie
21-02-2012
Zaaknummer
13-870632-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gewapende overval op kledingwinkel in scene gezet en hiervan valse aangifte gedaan om de verzekering op te lichten.

De als gevolg van de valse aangifte door de benadeelde partij regiopolitie gemaakte kosten (inzet uren politie) zijn toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/870632-09 (Promis)

Datum uitspraak: 8 februari 2012

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1952],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], [woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 januari 2012, alsmede naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting voor de politierechter op 14 januari 2010.

Deze strafzaak is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de strafzaken tegen medeverdachten [medeverdachte] (13/524073-09), [medeverdachte 2] (13/524074-09) en [medeverdachte 3] (13/870631-09).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J. Louman en van wat verdachte en haar raadsman, mr. R.H. Edens,

naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat,

ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde,

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 januari 2009 tot en met 21 januari 2009 te [plaats 1], in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, Interpolis Schadeverzekeringen N.V. te bewegen tot de afgifte van een bedrag aan geld, in elk geval van enig goed, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid met een of meer van haar mededader(s), althans alleen, een (gewapende) overval op kledingwinkel [kledingwinkel] te [plaats 1] in scene heeft gezet en/of (vervolgens) van die (in scene gezette) overval aangifte heeft

gedaan bij een of meer medewerker(s) van de politie [regio] en/of een of meer medewerker(s) van de Rabobank (tussenpersoon van genoemde verzekeringsmaatschappij Interpolis Schadeverzekeringen N.V.) in kennis heeft gesteld van genoemde (in scene gezette) overval.

(artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht in verband met artikel 45 van het

Wetboek van Strafrecht)

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde,

[medeverdachte] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 januari 2009 tot en met 21 januari 2009 te [plaats 1], in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door [medeverdachte] voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, Interpolis Schadeverzekeringen N.V. te bewegen tot de afgifte van een bedrag aan geld, in elk geval van enig goed, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en / of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid met een of meer van haar mededader(s), althans alleen, een (gewapende) overval op kledingwinkel [kledingwinkel] te [plaats 1] in scene heeft gezet en/of (vervolgens) van die (in scene gezette) overval aangifte heeft

gedaan bij een of meer medewerker(s) van de politie [regio] en/of een of meer medewerkers van de Rabobank (tussenpersoon van genoemde verzekeringsmaatschappij Interpolis Schadeverzekeringen N.V.) in kennis heeft gesteld van genoemde (in scene gezette) overval,

tot het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2008 tot en met 21 januari 2009 te [plaats 1] en/of [plaats 4], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door met een of meer van haar mededader(s), althans alleen, met genoemde [medeverdachte], een of meermalen, het in scene zetten van genoemde overval op [medeverdachte] en/of haar winkelbedrijf ([kledingwinkel]) te bespreken en/of een (bestel)auto te huren ten behoeve van het transport van de bij de in scene gezette overval weg te nemen goederen en/of genoemde in scene gezette overval uit te voeren en/of de (zogenaamd gestolen) goederen uit genoemde winkel te transporteren en/of op te slaan en/of te bewaren.

(artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht in verband met artikel 48 van het

Wetboek van Strafrecht)

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde,

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 januari 2009 tot en met 21 januari 2009 te [plaats 1] en/of [plaats 2], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte en/of een of meer van haar mededader(s) toen aldaar ten overstaan van [verbalisant 1], hoofdagent van politie

en/of [verbalisant 2], aspirant van politie en/of [verbalisant 3], inspecteur van politie opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van diefstal met geweldpleging.

(artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht)

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde,

[medeverdachte] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 januari 2009 tot en met 21 januari 2009 te [plaats 1] en/of [plaats 2], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft genoemde [medeverdachte] toen aldaar ten overstaan van [verbalisant 1], hoofdagent van politie en/of [verbalisant 2], aspirant

van politie en/of [verbalisant 3], inspecteur van politie opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van diefstal met geweldpleging,

tot het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2008 tot en met 21 januari 2009 te [plaats 1] en/of [plaats 4] in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen een of meermalen, met genoemde [medeverdachte] het in scene zetten van genoemde overval op [medeverdachte] en/of haar winkelbedrijf ([kledingwinkel]) te bespreken en/of een (bestel)auto te huren ten behoeve van het transport van de bij de in scene gezette overval weg te nemen goederen en/of genoemde in scene gezette overval uit te voeren en/of de (zogenaamd gestolen) goederen uit genoemde winkel te transporteren en/of op te slaan en/of te bewaren.

(artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht in verband met artikel 48 van het

Wetboek van Strafrecht)

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft als standpunt naar voren gebracht dat bewezen kan worden dat verdachte de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan. Verdachte en haar medeverdachten hadden voor wat betreft het plegen van deze strafbare feiten een verschillende rol, maar waren ieder voor zich een onmisbare schakel in het geheel. Het plan om een nepoverval op de kledingwinkel te plegen is bedacht door [medeverdachte], [medeverdachte 4] en verdachte en de in scene gezette overval is uitgevoerd door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Zij hebben de kleding vervolgens naar de woning van [medeverdachte 4] gebracht, alwaar verdachte heeft geholpen de kleding te sorteren.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Door de raadsman is bepleit dat de ten laste gelegde feiten niet bewezen kunnen worden verklaard. Daartoe ontbreekt concreet en direct bewijs. Verdachte heeft een consistente verklaring afgelegd. Zij heeft zich verzet tegen het plan om een overval op de kledingwinkel van [medeverdachte] in scene te zetten. Verdachte heeft het gesprek daarover tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte] als dronkenmanspraat aangemerkt en ging er vanuit dat het plan niet zou worden uitgevoerd. Als getuige bij de rechter-commissaris heeft [medeverdachte 4] verklaard terug te willen komen op zijn eerdere verklaring dat verdachte het plan bedacht had en dat verdachte er juist niets mee te maken heeft. De raadsman verzoekt verdachte vrij te spreken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat bij haar beslissing dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten uit van de volgende in samenvattende vorm weergegeven redengevende feiten en omstandigheden, zoals vervat in de als voetnoten gebezigde bewijsmiddeleni, en betrekt in haar overwegingen, voor zover relevant en van toepassing, de door de officier van justitie en de raadsman aangevoerde standpunten.

Op 19 januari 2009 werd er bij de politie [regio] melding gedaan dat er een gewapende overval was gepleegd op de kledingzaak [kledingwinkel] te [plaats 1]. Deze overval is gepleegd door twee mannen. Zij hebben eigenaresse [medeverdachte] onder bedreiging van een vuurwapen vastgebonden op een stoel in de paskamer, waarbij haar mond werd dichtgetaped en alle kleding uit de kledingwinkel in een witte bestelbus ontvreemdii. Medeverdachte [medeverdachte] heeft hiervan op 20 januari 2009 te [plaats 2] bij [verbalisant 3], inspecteur van politie [regio], aangifte gedaaniii. [medeverdachte] heeft nadien bij de politie verklaard dat deze overval niet echt was en in scene was gezet om de verzekering op te lichteniv. In de weken voorafgaand aan de overval zijn er door [medeverdachte], [medeverdachte 4]v en verdachte afspraken gemaakt om een overval in scene te zetten. Het plan hield in dat [medeverdachte 2]vi en [medeverdachte 3]vii de kledingwinkel zouden leeghalen. [medeverdachte 4], verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zouden de kleding verkopen en verdachte heeft ter terechtzitting op 25 januari 2012 verklaard dat zij op de dag na de overval in de woning van [medeverdachte 4] heeft geholpen met het sorteren van de bij de in scene gezette overval weggenomen kleding. [medeverdachte] zou van de in scene gezette overval een valse aangifte doen bij de politie en het doorgeven aan haar verzekering om zo een uitkering door haar verzekering te bewerkstelligen. Na onderzoek van de politie is de kleding op 20 januari 2009 aangetroffen in de woning van [medeverdachte 4]viii. Uit de aangifte van Interpolisix en uit de verklaring van de verzekeringsspecialist van de Rabobankx blijkt dat kennis is genomen van de gewapende overval op de kledingwinkel [kledingwinkel], dat een lege winkel is aangetroffen en dat [medeverdachte] op 20 januari 2009 als slachtoffer van een deze overval een oriënterend gesprek heeft gehad met de verzekeringsspecialist van de Rabobank.

Voor zover door de raadsman is aangevoerd dat verdachte er vanuit ging dat het plan om de in scene gezette overval op de kledingswinkel niet zou worden uitgevoerd en verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken vanwege het ontbreken van concreet en direct bewijs overweegt de rechtbank als volgt. Uit de verklaringen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte] blijkt dat verdachte betrokken is geweest bij het beramen van het plan om een overval op de winkel in scene te zetten. Deze verklaringen worden ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 3] en ook de verklaring van verdachte. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij bij het gesprek met [medeverdachte 4] en [medeverdachte] aanwezig is geweest, waarbij het plan om een overval op de winkel in scene te zetten is besproken. Verdachte heeft verder ter terechtzitting verklaard dat zij op 19 januari 2009 als klant in de kledingwinkel is geweest en later op die middag tegen sluitingstijd een afspraak had met [medeverdachte] om wat te gaan eten. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij niet wist dat op die dag de in scene gezette overval zou plaatsvinden en dat zij verrast was toen zij terug kwam bij de winkel dat de straat was afgezet door de politie. De rechtbank is van oordeel dat verdachte met deze verklaringen geen geloofwaardig beeld heeft gecreëerd en bovendien geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven voor de omstandigheid dat zij op en voorafgaand aan de dag van de in scene gezette overval hierover niet meer zou hebben gesproken met [medeverdachte] en [medeverdachte 4], te meer nu verdachte de dag na de overval de gehele dag in de woning van [medeverdachte 4] heeft geholpen met het sorteren van de bij de in scene gezette overval weggenomen kledingxi. De rechtbank verwerpt dan ook het bewijsverweer van de raadsman.

Gelet op het vorengaande overweegt de rechtbank tenslotte dat de verklaring van getuige [medeverdachte 4], zoals afgelegd bij de rechter-commissaris op 8 april 2010, niet voor het bewijs zal worden gebezigd, nu de verklaring van [medeverdachte 4] zoals afgelegd bij politie voldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van [medeverdachte] en [medeverdachte 3].

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte,

ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde,

in de periode van 19 januari 2009 tot en met 21 januari 2009 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om een ander wederrechtelijk te bevoordelen door een listige kunstgreep en door een samenweefsel van verdichtsels Interpolis te bewegen tot de afgifte van een bedrag aan geld, met dat oogmerk opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid met haar mededaders een gewapende overval op kledingwinkel [kledingwinkel] te [plaats 1] in scene heeft gezet en vervolgens van die in scene gezette overval aangifte heeft gedaan bij de politie [regio] en medewerkers van de Rabobank, tussenpersoon van genoemde verzekeringsmaatschappij Interpolis, in kennis heeft gesteld van genoemde in scene gezette overval.

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde,

op 20 januari 2009 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met anderen aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft een van haar mededaders toen aldaar ten overstaan van [verbalisant 3], inspecteur van politie opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van diefstal met geweld.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 primair en 2 primair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren. Bij het formuleren van zijn eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de omstandigheid dat de feiten drie jaar geleden zijn gepleegd.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft als strafmaatverweer naar voren gebracht dat verdachte een alleenstaande vrouw is. Zij heeft een bijstandsuitkering en kan daar met moeite van rondkomen.

De raadsman verzoekt rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

8.3.1. Strafmotivering

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij het opleggen van de straf laten meewegen dat verdachte zich met haar mededaders heeft schuldig gemaakt aan een poging tot oplichting, zoals hiervoor in rubriek 5 bewezen is verklaard. Verdachte heeft met haar mededaders in een kledingwinkel een gewapende overval in scene gezet en zich vervolgens schuldig gemaakt aan het doen van een valse aangifte met het oogmerk om de verzekeringsmaatschappij op te lichten. Als gevolg van het gedrag van verdachte en haar mededaders heeft de politie een grootschalig onderzoek verricht en is zonder noodzaak veel kostbare politiecapaciteit ingezet. Ook is door aldus te handelen veel beroering bij omstanders veroorzaakt en zijn gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving teweeggebracht.

De rechtbank heeft voorts bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf rekening gehouden met de ernst van de bewezen verklaarde feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Anderzijds heeft de rechtbank laten meewegen dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest voor soortgelijke feiten.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten en de hoogte van de straffen die in vergelijkbare gevallen plegen te worden opgelegd er aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd en zal een hogere straf opleggen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte en haar mededaders op de hoogte waren van het plan en elk een bepaald en essentieel onderdeel van het plan hebben uitgevoerd. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte en haar mededaders dezelfde straffen op te leggen.

8.3.2. Overschrijding redelijke termijn

Verdachte is op 2 februari 2009 in verzekering gesteld. Vanaf die dag kon verdachte daaraan in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen haar terzake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. Wat de berechting van de zaak in eerste aanleg betreft, heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. In de onderhavige zaak wordt heden vonnis gewezen. De rechtbank constateert dat de behandeling van de strafzaak tegen verdachte niet binnen een redelijke termijn is afgerond, maar dat deze termijn met meer dan 12 maanden is overschreden. De officier van justitie heeft in zijn eis niet doen blijken in hoeverre rekening is gehouden met het overschrijden van de redelijke termijn. De rechtbank zal wegens de overschrijding van de redelijke termijn de duur van de door de rechtbank passend geachte werkstraf met 20 uren verminderen.

8.3.3. Ten aanzien van de benadeelde partij regiopolitie [regio]

8.3.3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de regiopolitie [regio] voor een gedeelte van € 11.489,83 kan worden toegewezen, met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. Voor wat betreft de overhead kosten dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te worden verklaard, nu deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd.

8.3.3.2. Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de vordering van de regiopolitie [regio] heeft de raadsman naar voren gebracht dat deze vordering dient te worden afgewezen, nu de schade niet eenvoudig is vast te stellen.

8.3.3.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, gelet op een arrest van de civiele kamer van het gerechtshof te Amsterdam van 26 juli 2011 (LJN: BR3958), dat de kosten die verband houden met het op 19 en 20 januari 2009 gedane onderzoek op basis van een valse aangifte door de politie mogen worden verhaald op verdachte en haar mededaders.

De rechtbank overweegt dat het doen van valse aangifte van een strafbaar feit, met het oogmerk om daarvan zelf financieel beter te worden, jegens de regiopolitie [regio] onrechtmatig en aan verdachte en haar mededaders toerekenbaar is. Het is niet de taak van de regiopolitie om verdachte en haar mededaders behulpzaam te zijn bij het langs deze weg verkrijgen van financieel voordeel. Verdachte en haar mededaders wisten of hadden moeten weten dat de regiopolitie [regio] kosten zou maken in verband met het onderzoek naar een gewapende overval op een kledingwinkel te [plaats 1], zonder dat daarmee een belang was gediend dat de politie zich moest aantrekken. Dat is een schending van een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm die mede strekt tot bescherming van het belang van de regiopolitie [regio], zodat aan het relativiteitsvereiste is voldaan.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat slechts de behandeling van een deel van de vordering van de benadeelde partij regiopolitie [regio] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dat betreft de schade die is gemaakt op 19 en 20 januari 2009 toen de regiopolitie [regio] in de veronderstelling verkeerde dat de melding en de aangifte van de gewapende overval juist waren. De rechtbank gaat daarbij uit van de opgave van de regiopolitie [regio] en is van oordeel dat de volgende kosten terzake van rechtstreeks geleden schade ten gevolge van het onder 2 primair bewezen geachte feit voor vergoeding in aanmerking komen.

Uren Aantal Kosten

Kosten uren volgens BZK-norm genomen 252,15 € 5.421.25

Overwerktoeslag € 6,00 per uur 194,5 € 1.167,00

Inconviententoeslag € 3,20 per uur 115,5 € 369,60

€ 6.957,85

Kosten overhead 20% € 1.391,57

Totaal € 8.349,42

De aard van de berekening brengt met zich mee dat ook de kosten voor overhead moeten worden meegerekend en dat het naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk is om bij de som van het aantal uren 20% op te tellen.

De rechtbank waardeert gelet op het voorgaande de rechtstreeks geleden schade op

€ 8.349,42. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het restant van de vordering levert wel een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan het bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte en haar mededaders niet verplichten de schade te betalen aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij regiopolitie [regio], omdat de regiopolitie [regio], anders dan een burger, zelf de ontstane schade kan verhalen op de verdachte en haar mededaders. De schadevergoedingsmaatregel zal derhalve niet worden opgelegd.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b (oud), 14c (oud), 22c, 22d, 45, 47, 57, 188 en 326 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde:

Poging tot medeplegen van oplichting.

Ten aanzien van het onder 2 primair bewezen verklaarde:

Medeplegen van aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 180 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Ten aanzien van de benadeelde partij regiopolitie [regio]

Wijst de vordering van de benadeelde partij regiopolitie [regio], domicilie kiezende op het adres van mr. J.J. Geertsema, Postbus 75510, 1070 AM Amsterdam, ten aanzien van het onder 2 primair bewezen geachte feit, toe tot € 8.349,42, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 20 januari 2009, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij regiopolitie [regio] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij regiopolitie [regio] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,

mrs. J.O. Rutten en T.H. van Voorst Vader, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 februari 2012.

De voorzitter is buiten staat

mede te ondertekenen

i Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar de wettige bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

ii P. 1012-0113 proces-verbaal van bevindingen.

iii P. 1000-1011 proces-verbaal van aangifte [medeverdachte].

iv P. 114-117 proces-verbaal van verhoor [medeverdachte].

v P. 322-325 en 326-327 processen-verbaal van verhoor [medeverdachte 4].

vi P. 209-215 proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 2].

vii P. 404-406 proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3].

viii P. 3-9a proces-verbaal relaas onderzoek (met name blz. 6)

ix P. 20-23 proces-verbaal van aangifte [aangever].

x P. 1075-1077 proces-verbaal van getuige [getuige].

xi P. 604-606 proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 5].