Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BV6347

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
21-02-2012
Zaaknummer
AWB 11-6232 VERROR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking exploitatievergunning van coffeeshop terecht. De exploitant van de coffeeshop had meer dan 8 kilo softdrugs in voorraad gegeven bij één van zijn medewerkers.

Het voorhanden hebben van zo'n hoeveelheid softdrugs is een strafbaar feit. De coffeeshophouder heeft zijn werknemer bovendien willens en wetens opgezadeld met de problemen en risico's die het hebben van een dergelijke grote voorraad drugs met zich brengt. De voorzieningenrechter oordeelde dat burgemeester de coffeeshop kon sluiten omdat een dergelijk gedrag getuigt van slecht levensgedrag dan wel slechte bedrijfsvoering en dit een gevaar kan zijn voor de openbare orde dan wel leefklimaat rondom de coffeeshop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 11/6232 VERROR

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker],

eigenaar van de coffeeshop Extase

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde mr. M. Veldman,

en

de burgemeester van Amsterdam, verweerder,

gemachtigde mr. M. Boermans.

Procesverloop

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het bezwaar tegen het besluit van verweerder van 20 december 2011.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 februari 2012. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. M. Boermans. Aan de zijde van verweerder is verder nog verschenen [persoon].

Overwegingen

1. Inleidende overwegingen.

Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

2. De besluitvorming van verweerder.

2.1. Verzoeker exploiteert de coffeeshop Extase, aan de Oude Hoogstraat 2 te Amsterdam.

2.2. Bij besluit van 20 december 2011 heeft verweerder de exploitatievergunning (en de gedoogverklaring) voor coffeeshop Extase ingetrokken. Verweerder heeft verzoekster bevolen de exploitatie binnen vier weken na het bestreden besluit te beëindigen. De begunstigingstermijn heeft verweerder hangende deze procedure opgeschort.

2.3. De intrekking van de exploitatievergunning is gebaseerd op artikelen 3.16, derde lid, en 3.24, aanhef en onder b, van de Algemene plaatselijke verordening (APV). Verweerder vindt de wijze van bedrijfsvoering en het levensgedrag van verzoeker zodanig dat gevreesd moet worden voor nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat, respectievelijk de openbare orde in de omgeving van de door hem geëxploiteerde coffeeshop.

3. Beoordeling van het verzoek door de voorzieningenrechter.

3.1. Op 7 maart 2011 is in de woning van [schoonmaker] aan de [adres] een hoeveelheid van 8683 gram hennep/hasj aangetroffen en 754 voorgedraaide joints. [schoonmaker] is schoonmaker van de coffeeshop van verzoeker. [schoonmaker] bewaart de softdrugs voor verzoeker. Daarnaast voorziet hij de coffeeshop van verzoeker van softdrugs in opdracht van verzoeker.

Verzoeker bestrijdt dat hem slechte bedrijfsvoering en slecht levensgedrag kan worden verweten. De softdrugs die zijn aangetroffen behoren volgens verzoeker niet tot de handelsvoorraad waarvoor een maximale hoeveelheid van 500 gram geldt. Daarnaast is het gebruikelijk dat een coffeeshopeigenaar zelf een voorraad softdrugs heeft om de handelsvoorraad in de coffeeshop aan te vullen. Dat is nooit eerder door verweerder aangemerkt als slechte bedrijfsvoering of slecht levensgedrag.

3.2. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan de bij [schoonmaker] aangetroffen hoeveelheid softdrugs van verzoeker niet worden gerekend tot de handelsvoorraad van verzoekers coffeeeshop. Gelet op de definitiebepaling die verweerder heeft neergelegd in artikel III van het Coffeeshopbeleid, gepubliceerd op 9 juli 1999, in het Gemeenteblad 58, moet intergraal tot de handelsvoorraad worden gerekend alle voorraden die nagenoeg direct beschikbaar zijn voor de verkoop vanuit de coffeeshop. De softdrugs die zijn aangetroffen bij [schoonmaker] behoren weliswaar aan verzoeker toe, maar kunnen bezwaarlijk worden aangemerkt als nagenoeg direct beschikbaar. De afstand tussen de coffeeshop en de woning acht de voorzieningenrechter daarvoor te groot.

3.4. De voorzieningenrechter ziet echter geen aanleiding om het verzoek toe te wijzen. De voorzieningenrechter acht het besluit tot sluiting vooralsnog rechtmatig. In dat geval legt het algemene belang van verweerder bij sluiting van de coffeeshop meer gewicht in de schaal dan het belang van verzoeker bij voortzetting van de exploitatie. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.

3.1. Bij de exploitatie van een coffeeshop is sprake van een gedoogsituatie. Om te voorkomen dat een coffeeshop ongewenste effecten voor woon- en leefmilieu, openbare orde en veiligheid meebrengt, zijn strenge (gedoog)voorwaarden gesteld onder andere aan levensgedrag van en bedrijfsvoering door de exploitant.

3.4.1. Verzoeker heeft ruim acht kilo softdrugs voorhanden gehad en heeft daarmee een strafbaar feit begaan. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze hoeveelheid de gebruikelijke voorraad voor een coffeeshop niet ver te boven gaat. Daarnaast heeft verzoeker deze softdrugs in bewaring gegeven bij een werknemer, als gevolg waarvan deze werknemer zich ook schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Bovendien heeft verzoeker zijn werknemer willens en wetens opgezadeld met de risico’s, de problemen en de overlast die het voorhanden hebben en vervoeren van een dergelijke grote voorraad softdrugs met zich brengt. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder deze feiten en omstandigheden ten grondslag kunnen en mogen leggen aan het oordeel dat de wijze van bedrijfsvoering en het levensgedrag van verzoeker een gevaar voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon-en leefklimaat in de omgeving van de coffeeshop, zodat verweerder bevoegd is tot intrekking van de vergunning.

3.5. De voorzieningenrechter is daarbij van oordeel dat verzoekers beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder in vergelijkbare gevallen niet is opgetreden door de exploitatievergunning in te trekken. Gelet op het algemeen belang dat met het onderhavige besluit is gemoeid, is de maatregel van sluiting die verweerder meent te moeten treffen, niet disproportioneel en heeft verweerder in redelijkheid tot intrekking van de vergunning kunnen overgaan.

3.6. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal het bestreden besluit in bezwaar daarom gehandhaafd kunnen worden. Ondanks het gestelde belang bestaat er dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorziening.

3.7. Voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht ziet de rechter eveneens geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.E. Mildner, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.E. Toonen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2012.

de griffier de voorzieningenrechter

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

D:

SB