Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BV3608

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-02-2012
Datum publicatie
10-02-2012
Zaaknummer
13/651043-10 (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van medeplichtigheid aan brandstichting.

Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de strafzaak bestonden tegen verdachte voldoende ernstige bezwaren voor strafbare betrokkenheid bij de brandstichting. Langere tijd is het voor haar belastende materiaal door verdachte onweersproken gebleven als gevolg van haar keuze om zich op het zwijgrecht te beroepen. Hoewel het niet goed voorstelbaar is dat verdachte niet heeft begrepen wat haar medeverdachte op het adres van plan was, kan de rechtbank niet boven redelijke twijfel vaststellen dat verdachte wetenschap heeft gehad van het voornemen om toen en daar brand te stichten, nog los van de vraag of zij in dat geval bij de brandstichting een actieve of passieve rol van betekenis heeft gehad. Dit betekent dat de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op medeplichtigheid aan de brandstichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/651043-10 (PROMIS)

Datum uitspraak: 9 februari 2012

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1991],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] te [woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16, 17, 19, 23 en 26 januari 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.C. Kramer en van wat verdachte en haar raadsman, mr. D. Fontein, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd, zoals op de zitting van 16 januari 2012 is gewijzigd, dat

Primair:

Zij op of omstreeks 08 december 2009 te [plaats], gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning op het adres [A-straat nr. 1] aldaar en/of de in die woning aanwezige inboedel, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s) toen aldaar opzettelijk in (een slaapkamer en/of de badkamer en/of de toiletruimte van) die woning een hoeveelheid van één of meer brandversnellend(e) middel(en) verspreid en/of gedeponeerd en/of gesprenkeld op en/of nabij één of meer voorwerp(en) en/of de vloer(bedekking) van (die slaapkamer en/of die badkamer en/of die toiletruimte van) die woning en/of dit/deze middel(en) en/of één of meer in die woning aanwezige voorwerp(en) aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een/dat/die brandversnellend(e) middel(en) en/of die/dat voorwerp(en), althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan diverse (andere) in die woning aanwezige voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor één of meer in die woning aanwezige (overige) voorwerp(en) en/of één of meer belendende woning(en) en/of in die belendende woning(en) aanwezige voorwerp(en) en/of één of meer zich in de (directe) nabijheid van die woning bevindende voorwerp(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor één of meer in die woning(en) aanwezige bewoner(s) van die belendende woning(en) en/of één of meer zich in de (directe) nabijheid van die woning bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

Artikel 157 juncto 47 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair:

[medeverdachte 1] op of omstreeks 08 december 2009 te [plaats], gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning op het adres [A-straat nr. 1] aldaar en/of de in die woning aanwezige inboedel, immers heeft/hebben die [medeverdachte 1] en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk in (een slaapkamer en/of de badkamer en/of de toiletruimte van) die woning een hoeveelheid van één of meer brandversnellend(e) middel(en) verspreid en/of gedeponeerd en/of gesprenkeld op en/of nabij één of meer voorwerp(en) en/of de vloer(bedekking) van (die slaapkamer en/of die badkamer en/of die toiletruimte van) die woning en/of dit/deze middel(en) en/of één of meer in die woning aanwezige voorwerp(en) aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een/dat/die brandversnellend(e) middel(en) en/of die dat voorwerp(en), althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan diverse (andere) in die woning aanwezige voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in eik geval brand is ontstaan. terwijl daarvan gemeen gevaar voor één of meer in die woning aanwezige (overige) voorwerp(en) en/of één of meer belendende woning(en) en/of in die belendende woning(en) aanwezige voorwerp(en) en/of één of meer zich in de (directe) nabijheid van die woning bevindende voorwerp(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor één of meer in die woning(en) aanwezige bewoner(s) van die belendende woning(en) en/of één of meer zich in de (directe) nabijheid van die woning bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, in of omstreeks de periode van 07 december 2009 tot en met 08 december 2009 te [plaats], gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of gelegenheid heeft verschaft door met haar mededader(s), althans alleen, die [medeverdachte 1] te vergezellen naar die woning en/of op de uitkijk te staan en/of een of meer andere handeling(en) te verrichten en/of niet op enig moment de politie en/of (een) ander(e) perso(o)n(en) te waarschuwen en/of op de hoogte te brengen van het voornemen van die [medeverdachte 1] om in voornoemde woning brand te stichten en/of van de omstandigheid dat die [medeverdachte 1] in voornoemde woning brand aan het stichten was;

Artikel 157 ahf en onder 2 juncto 48 Wetboek van Strafrecht

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Vrijspraak

4.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair ten laste gelegde feit bewezen dient te worden verklaard. Zij heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft na lang zwijgen uiteindelijk over haar rol bij de brand verklaard. Zij verklaarde dat zij met [medeverdachte 1] – de rechtbank begrijpt: “[medeverdachte 1]” – is meegelopen naar de [A-straat]. Hij had een tasje bij zich. Zij bleef onderaan de trap staan, hij ging naar boven. Ze bleef beneden staan totdat ze een klap hoorde en [medeverdachte 1] weer naar beneden kwam.

[medeverdachte 4] heeft verklaard dat er door [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 5] en hemzelf luid en duidelijk is gesproken over het feit dat [medeverdachte 1] de woning in brand zou steken. Hij heeft verklaard dat verdachte tijdens dat gesprek op 8 december 2009 onder een deken lag te huilen. Verdachte heeft zelf ook verklaard dat de jongens op 7 december 2009 weggingen en later ongerust terugkwamen, waarbij het haar vooral opviel dat [medeverdachte 2] verdrietig was. Ze heeft gehoord dat er werd gesproken over “iets wissen”. Op grond van de verklaringen van [medeverdachte 4] en van haar eigen verklaringen is het aannemelijk dat zij op de hoogte was van wat er op 7 december 2009 was gebeurd in de woning en dat zij er ook van op de hoogte was dat [medeverdachte 1] van plan was om sporen te wissen door brand te stichten. We kunnen er dus ook van uitgaan dat zij ook wist dat er nogal wat verbrand moest worden in de woning en dat [medeverdachte 1] geen halve maatregelen zou nemen. Het was immers nogal belangrijk dat die sporen zouden verdwijnen. Daarom had verdachte in ieder geval voorwaardelijke opzet op medeplichtigheid aan de ten laste gelegde brandstichting. Ze heeft [medeverdachte 1] immers naar de woning vergezeld en niets ondernomen om te voorkomen dat hij brand ging stichten.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair en het subsidiair ten laste gelegde. De raadsman heeft ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

Medeplichtigheid kan bestaan uit behulpzaam zijn bij of het opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van een misdrijf. Onder ‘behulpzaam zijn’ kunnen allerlei vormen van hulp worden gebracht. Verdachte heeft echter geen enkele uitvoeringshandeling verricht. Dit wordt ook erkend door de officier van justitie. Zij stelt daarentegen dat verdachte wetenschap had van de intentie van [medeverdachte 1] om brand te stichten en dat zij had moeten ingrijpen. Verdachte zou zich dus schuldig hebben gemaakt aan passieve medeplichtigheid.

Het enkele niet beletten van een misdrijf vormt doorgaans op zichzelf nog geen medeplichtigheid. Van iemand die een misdrijf ziet plegen laat geschieden of, bespeurende dat een ander zich van een werktuig voorziet, hem dat laat meenemen, kan nog niet gezegd worden dat hij behulpzaam is geweest bij het plegen van dat misdrijf of daartoe middelen heeft verschaft. De uitdrukkingen behulpzaam zijn en verschaffen wijzen beide op actief optreden. Onder sommige omstandigheden kan het opzettelijk niet beletten echter medeplichtigheid opleveren. Een plicht tot ingrijpen kan voortvloeien uit:

1. de wet;

2. een overeenkomst;

3. een bijzondere plicht op grond van feiten en omstandigheden.

In casu is in ieder geval geen sprake van de eerste twee omstandigheden. Uit de beperkte jurisprudentie op het gebied van passieve medeplichtigheid volgt dat voor het ontstaan een plicht uit de laatstgenoemde categorie niet zonder meer voldoende is dat een verdachte kennis heeft omtrent het voornemen van een ander tot het plegen van een misdrijf. In het Preadvies voor de Vereniging voor de Vergelijkende Studie van het Recht van België en Nederland wordt op basis van de geldende jurisprudentie de volgende regel uit de jurisprudentie afgeleid:

“Enerzijds wordt de zorgplicht immers zorgvuldig gedistilleerd uit een bijzondere rechtspositie of verhouding (werknemer, ouder-kindrelatie). Anderzijds vloeit de plicht tot ingrijpen voort uit eerdere - actievere - betrokkenheid van de medeplichtige.”

Enkel de wetenschap dat er een strafbaar feit plaatsvindt, is dus niet voldoende. Tekenend voor de onderhavige casus is dat niet is vastgesteld dat cliënte voorafgaand aan de aanwezigheid beneden bij de deur een actieve bijdrage heeft geleverd. Daarnaast is van belang dat er meer personen zijn geweest die op de hoogte waren van een eventuele brandstichting, maar die hiervoor niet worden vervolgd.

Nu niet is vast te stellen dat een eventuele wetenschap van verdachte werd aangevuld met een actieve bijdrage vooraf, kan zij niet worden veroordeeld als passieve medeplichtige.

4.3.1. Ten aanzien van het primair ten laste gelegde

De rechtbank acht - met de officier van justitie en de raadsman - het primair ten laste gelegde niet bewezen. Verdachte dient daarvan dus te worden vrijgesproken.

4.3.2. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank acht - anders dan de officier van justitie - het subsidiair ten laste gelegde evenmin bewezen. Verdachte dient ook daarvan te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de strafzaak bestonden tegen verdachte voldoende ernstige bezwaren voor strafbare betrokkenheid bij de brandstichting. Langere tijd is het voor haar belastende materiaal door verdachte onweersproken gebleven als gevolg van haar keuze om zich op het zwijgrecht te beroepen. Hoewel het niet goed voorstelbaar is dat verdachte niet heeft begrepen wat [medeverdachte 1] op de [A-straat] van plan was, kan de rechtbank niet boven redelijke twijfel vaststellen dat verdachte wetenschap heeft gehad van het voornemen om toen en daar brand te stichten, nog los van de vraag of zij in dat geval bij de brandstichting een actieve of passieve rol van betekenis heeft gehad. Dit betekent dat de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op medeplichtigheid aan de brandstichting.

5. Beslissingen ten aanzien van het beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

1 1.00 STK Kantoorbenodigheden

SCHRIJFGEREI

(3881074);

2 1.00 STK Kaart

T-MOBILE sim

(3881077);

3 1.00 STK Poststuk

BRIEFPOST

(3881112);

4 1.00 STK Zaktelefoon Kl: w

LG 02

3881158.

Deze voorwerpen behoren aan verdachte toe. Zij zullen derhalve aan verdachte worden teruggegeven.

6. Beslissingen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij

Nu aan verdachte - zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht - geen straf of maatregel is opgelegd, is [benadeelde partij] in de vordering niet-ontvankelijk.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

7. Beslissing

Verklaart het primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

• Gelast de teruggave aan [verdachte] van de onder 1 t/m 4 op de beslaglijst genummerde goederen.

• Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering.

• Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.A. van Eijk, voorzitter,

mrs. H.P.H.I. Cleerdin en P. Sloot, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Spliet, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 februari 2012.