Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BV2778

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-01-2012
Datum publicatie
03-02-2012
Zaaknummer
13-670274-11 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een rekeninghouder is via internetphishing geld afhandig gemaakt en dit geld is op de rekening van het slachtoffer gestort. Het slachtoffer is in een auto gelokt, waar hij met een vuurwapen bedreigd is en gedwongen om geldbedragen op te nemen van zijn rekening. Verdachte wordt veroordeeld voor vrijheidsberoving en diefstal met geweld in vereniging tot 15 maanden gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/670274-11 (Promis)

Datum uitspraak: 27 januari 2012

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1986],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres], [woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 januari 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Vriezen-Buist en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.M. Kurvers, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 22 maart 2011 te [woonplaats] en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, op een of meerdere openbare weg(en) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij, verdachte, en/of (een of meer) van zijn mededader(s) die [slachtoffer 1] gevraagd in een (personen)auto te gaan zitten en/of (vervolgens) de deur(en) van voornoemde auto op slot gedaan en/of voornoemde [slachtoffer 1] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, getoond en/of voorgehouden en/of gedurende enige tijd met voornoemde auto gereden en/of die [slachtoffer 1] meegenomen naar een of meer pinautoma(a)t(en), in elk geval die [slachtoffer 1] belet te gaan waarheen hij wilde;

(artikel 282 jo 47 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 22 maart 2011 te [woonplaats] en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, op een of meer openbare weg(en), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee en/of een identiteitskaart en/of een of meerdere geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij verdachte en/of zijn mededader(s),

- voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben gevraagd in een auto (Volkswagen Golf) te stappen en/of (vervolgens) de deur(en) van voornoemde auto op slot heeft/hebben gedaan en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] (dreigend) de woorden toegevoegd: "heb je je portemonnee" en/of "je gaat zo dingen doen en als je speelt heb je een probleem", althans woorden van dergelijke (dreigende) aard of strekking en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] een of meerdere malen uit voornoemde auto heeft/hebben laten stappen en/of (vervolgens) voornoemde [slachtoffer 1] (met zijn (bank)pas) een of meerdere malen een of meerdere geldbedrag(en) bij een of meerdere postkanto(o)r(en) en/of pinautoma(a)t(en) heeft/hebben laten opnemen en/of (vervolgens) voornoemde geldbedrag(en) van die [slachtoffer 1] heeft/hebben afgepakt;

(artikel 312 jo 47 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op of omstreeks 22 maart 2011 te [woonplaats] en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een portemonnee en/of identiteitskaart en/of een of meerdere geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij verdachte, en/of zijn mededader(s),

- voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben gevraagd in een auto (Volkswagen Golf) te laten stappen en/of (vervolgens) de deur(en) van voornoemde auto op slot heeft/hebben gedaan en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] de woorden toegevoegd: "heb je je portemonnee" en/of "je gaat zo dingen doen en als je speelt heb je een probleem", althans woorden van dergelijke (dreigende) aard of strekking en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] een of meerdere malen uit voornoemde auto heeft/hebben laten stappen en/of (vervolgens) voornoemde [slachtoffer 1] (met zijn (bank)pas) een of meerdere malen een of meerdere geldbedrag(en) bij een of meerdere postkanto(o)r(en) en/of pinautoma(a)t(en) heeft/hebben laten opnemen en/of (vervolgens) voornoemde geldbedrag(en) door die [slachtoffer 1] heeft/hebben laten afgeven;

(artikel 317 jo 47 Wetboek van Strafrecht)

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Feiten en omstandigheden

4.1.1. De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.i

4.1.2 De heer [slachtoffer 3] heeft aangifte gedaan van oplichting. De oplichting bestond eruit dat hij op 21 maart 2011 een e-mail van de ING-bank binnen kreeg op zijn e-mailadres. In de e-mail stond dat zijn account van 'Mijn ING' zou verlopen als hij niet de nodige gegevens door zou geven. Hij heeft op de link gedrukt die in beeld stond en vervolgens de gegevens ingevuld die hem gevraagd werden, waaronder zijn gebruikersnaam en het wachtwoord van 'Mijn ING'.

Op 22 maart 2011 omstreeks 13.15 uur had de heer [slachtoffer 3] geen bereik meer met zijn BlackBerry. Een medewerker van een T-mobile winkel vertelde hem dat de simkaart uit zijn telefoon niet bij zijn BlackBerry hoorde. Op 22 maart 2011 omstreeks 13:18:29 uur bleek een telefonische "sim swap" te hebben plaatsgevonden. Er was een telefoontje binnengekomen uit naam van de heer [slachtoffer 3] dat zijn telefoon niet meer werkte en dat de informatie die hij op zijn simkaart binnen moest krijgen, overgeboekt moest worden naar een ander simkaartnummer. Als klant van de ING-bank, krijgt de heer [slachtoffer 3] zijn tancodes via zijn telefoon opgestuurd voor een overboeking. Thuis aangekomen bleek hij niet meer te kunnen inloggen op 'Mijn ING'.ii

4.1.3 De ING-bank heeft onderzoek verricht, waaruit gebleken is dat de heer [slachtoffer 3] een phishing e-mail heeft ontvangen. Controle van de bankrekening van de heer [slachtoffer 3] heeft uitgewezen dat een aantal frauduleuze transacties was verricht ten laste van diens bankrekening. In totaal is ten laste van de rekening van benadeelde [slachtoffer 3] een bedrag van € 35.100,- overgeboekt naar de rekeningen van vijf verschillende begunstigden, onder wie de heer [slachtoffer 1]. Op 22 maart 2011 zijn een bedrag van € 4.000,- en een bedrag van

€ 6.000,- bijgeschreven op rekening [rek.nr.] van de heer [slachtoffer 1]. Voorts zijn op 22 maart 2011 een bedrag van € 1.000,-, een bedrag van € 5.000,- en een bedrag van € 4.000,- van de rekening van [slachtoffer 1] opgenomen. Blijkens een rekeningafschrift betreft eerstbedoeld bedrag een opname in 'Utrecht Neude' en betreffen laatstgenoemde bedragen geldopnamen bij een 'postkantoor' onderscheidenlijk 'PKT UT-NEU'.iii

4.1.4. Aangever [slachtoffer 1] heeft op 22 maart 2011 aan de politie telefonisch een kenteken doorgegeven van de Mazda waarover hij heeft verklaard.iv Dit betrof het kenteken [kenteken 1]. Deze Mazda is op 22 maart 2011 in beslag genomen door de politie.v vi

Op 22 maart 2011, omstreeks 21.00 uur, heeft verdachte zich bij het politiebureau [politiebureau] gemeld en verklaard dat hij zijn auto kwam ophalen. Het bleek te gaan om de in beslag genomen auto van het merk Mazda.vii

4.1.5. Aangever [slachtoffer 1] heeft op 22 maart 2011 telefonisch aan de politie een kenteken doorgegeven van de zwarte Volkswagen Golf waarover hij heeft verklaard.viii Het kenteken was [kenteken 2].ix De zwarte Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 2] bleek op naam te staan van medeverdachte [medeverdachte].x

4.1.6. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] staan op hetzelfde adres ingeschreven: [adres] te [woonplaats]. xi

4.1.7 Op 24 maart 2011 heeft een doorzoeking plaatsgevonden op het perceel [adres] te [woonplaats]. De slaapkamer van medeverdachte [medeverdachte] is doorzocht. Onder het matras van het bed van [medeverdachte] werd een sok aangetroffen. Hierin zat een strak opgerold pakketje van bankbiljetten.xii Het bleek om een bedrag van in totaal € 1.900,- te gaan, bestaande uit 2 keer € 200,- en 15 keer € 100,-. xiii

[4.1.8 [slachtoffer 1] heeft tijdens een meervoudige fotobewijsconfrontatie op 2 augustus 2011 de foto van medeverdachte [medeverdachte] aangewezen en daarbij verklaard dat dit de persoon betrof die de auto bestuurde, degene die de pasjes en ID in handen kreeg en daarover ging bellen en die door de anderen [naam] genoemd werd.xiv ]

4.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft bewezen verklaring gevorderd van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

De bewezen verklaring kan volgens de officier van justitie onder meer worden gestoeld op de verklaring van [slachtoffer 1]. De verklaring van [slachtoffer 1] als aangever is niet precies hetzelfde als zijn verklaring als getuige ter terechtzitting. De 'body' van de verklaring blijft echter overeind. [slachtoffer 1] kan goed uitleggen wat er is gebeurd en waarom hij op sommige punten anders heeft verklaard. De verschillen maken de verklaring van [slachtoffer 1] niet onbetrouwbaar. Andere bewijsmiddelen in het dossier ondersteunen zijn verklaring. Dit betreffen de ING-afschriften, de herkenning van verdachte en zijn medeverdachte op de foto's en het aantreffen van het geld bij medeverdachte [medeverdachte]. Ook de gegevens die naar voren kwamen naar aanleiding van de door [slachtoffer 1] doorgegeven kentekengegevens van de Volkswagen Golf en de Mazda, leiden tot betrokkenheid van de verdachten [verdachte] en [medeverdachte], en vormen steun voor de verklaring van [slachtoffer 1]. Voor een bewezenverklaring hoeven geen twee of meer verklaringen per onderdeel van de tenlastelegging in het dossier aanwezig te zijn. Eén verklaring kan voldoende zijn, mits sprake is van voldoende steunbewijs.

De officier van justitie heeft voorts gewezen op de omstandigheid dat [slachtoffer 1] werd gedwongen om geld te pinnen en dat hij niet kan worden aangemerkt als katvanger. Een katvanger wordt van tevoren geronseld. In het onderhavige geval werden de zaken pas in de auto geregeld. Toen het geld eenmaal op de rekening van [slachtoffer 1] stond, werd het er onmiddellijk weer afgehaald.

De officier van justitie heeft in het volgende steun gevonden voor haar stelling dat verdachte is aan te merken als medepleger. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte in de Volkswagen Golf is gaan zitten en is meegegaan. De rol van verdachte gaat verder dan alleen het zich niet distantiëren. Hij is fysiek aanwezig geweest in de auto. Hierdoor heeft hij er een bijdrage aan geleverd dat [slachtoffer 1] niet weg kon komen uit de auto.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit.

Zij heeft erop gewezen dat de verklaringen van [slachtoffer 1] als onbetrouwbaar moeten worden gekwalificeerd. Deze verklaringen bevatten verschillende tegenstrijdigheden. Ook heeft hij verklaard dat de jongens in de auto aan het bellen waren. Na onderzoek aan de telefoon van verdachte is gebleken dat er op 22 maart 2011 tussen 10.45 uur en 14.45 uur geen enkel contact is gemaakt met zijn telefoon. Verder valt op dat aangever, op het moment dat hij alleen in het postkantoor is, de baliemedewerker niet waarschuwt.

Verdachte heeft direct een gedetailleerde verklaring afgelegd en daarin een alternatief scenario aangedragen dat strookt met de bewijsmiddelen. Volgens verdachte zijn ze met twee auto's naar Utrecht gereden en zat hij niet in dezelfde auto als aangever. Hij heeft ook geen vuurwapen gezien. Niet uitgesloten kan worden dat de verklaring van verdachte klopt, aldus de raadsvrouw.

Zelfs als de verklaringen van [slachtoffer 1] worden gevolgd, dan is sprake van onvoldoende bewijs voor de betrokkenheid van verdachte. De rekeningafschriften van de ING-bank als steunbewijs voor de verklaring van aangever, zeggen niets over de betrokkenheid van verdachte bij de feiten. Bovendien doet dit steunbewijs geen afbreuk aan de verklaring van verdachte. Wie aanwezig zijn geweest bij de feiten, kan alleen worden afgeleid uit de verklaring van aangever. Steunbewijs voor de betrokkenheid van verdachte ontbreekt.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

De verklaringen van [slachtoffer 1]

4.4.1 Getuige [slachtoffer 1] is ter terechtzitting gehoord en heeft - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard.

Op 22 maart 2011 ontmoette [slachtoffer 1] in de buurt van de moskee bij [A-straat] in [woonplaats] vier jongens. Hij raakte aan de praat met deze jongens en ze vroegen of hij bij hen in de auto kwam zitten. Dit was een zwarte Volkswagen Golf. Hij kende een aantal van die jongens uit de buurt van gezicht. Deze auto stond naast een paarse Mazda. Op verzoek van de jongens is [slachtoffer 1] achter in de Golf gaan zitten. Rechts van hem zat een kleine jongen, en een van de andere jongens van wie hij nu weet dat hij [verdachte] heet, zat links van hem. Voordat [verdachte] in de auto stapte was [verdachte] bij de paarse Mazda. Eenmaal in de auto was [verdachte] aan het pingen, hij was met zijn telefoon bezig. Een jongen die [naam] genoemd werd, was de bestuurder van de auto. [slachtoffer 1] kende hem niet. Een jongen in een trainingspak zat op de bijrijdersstoel. De kleine jongen die naast [slachtoffer 1] zat pakte opeens een pistool en richtte deze op de borst van [slachtoffer 1]. Hij zei: "Je moet je portemonnee pakken". [slachtoffer 1] was heel erg bang door het wapen. Hij zat in het midden en kon er niet uit. [slachtoffer 1] pakte zijn portemonnee uit zijn zak. De kleine jongen pakte de portemonnee van hem af. Uit de portemonnee pakte de kleine jongen het ING-pasje en zijn identiteitskaart. Het pasje en de identiteitskaart gaf hij aan de bijrijder af. De bestuurder kreeg de pasjes vervolgens in handen van de bijrijder. De bestuurder is gaan bellen en heeft in het telefoongesprek informatie doorgegeven over de identiteit en bankrekening van [slachtoffer 1]. Toen zijn ze in de zwarte Volkswagen naar Utrecht gereden. Het pistool is hierbij de hele tijd op de borst van [slachtoffer 1] gericht geweest.

In Utrecht moest [slachtoffer 1] met de bijrijder meelopen naar een pinautomaat en daar met zijn pinpas € 1.000,- pinnen. De bijrijder heeft het geld uit de automaat gepakt. [slachtoffer 1] zag dat de bijrijder het vuurwapen bij zich had op het moment dat ze gingen pinnen. Vervolgens moest [slachtoffer 1] van de bijrijder bij het postkantoor om de hoek een bedrag opnemen van

€ 5000, in coupures van € 100,-. Dit bedrag moest hij aan de bijrijder afgeven. Vervolgens moest [slachtoffer 1] weer in de auto gaan zitten en zijn ze naar een ander postkantoor gereden. [slachtoffer 1] zat weer achterin in het midden. Bij dit postkantoor moest hij € 4.000,- opnemen. Dat moest op dezelfde manier gebeuren als daarvoor. De bijrijder liep weer met [slachtoffer 1] mee maar bleef buiten wachten. [slachtoffer 1] heeft het geld weer moeten afgeven aan de bijrijder. Een volgende poging om te pinnen mislukte en [slachtoffer 1] werd bij de pinautomaat achtergelaten.

Hij is door een vriend teruggebracht naar [woonplaats]. Aangekomen in [woonplaats] zag hij dat de Mazda er nog stond. Bij de Mazda belde hij de politie. Hij gaf het kenteken van de Mazda door. Toen hij daar stond zag hij de zwarte Volkswagen Golf aan komen rijden. Op dat moment had [slachtoffer 1] de politie nog aan de telefoon en heeft hij het kenteken van deze auto ook doorgegeven.xv

4.4.2. [slachtoffer 1] heeft ter terechtzitting verklaard dat tijdens het verhoor verschillende keren verwarring ontstond over de voor de verschillende betrokkenen gebezigde aanduidingen NN1, NN2, NN3 en NN4.xvi

4.4.3. Getuige [slachtoffer 1] heeft eerder bij de politie aangifte gedaan waarin hij nog heeft verklaard dat toen hij achterin zat de deuren ineens allemaal op slot gingen. Voorts heeft [slachtoffer 1] in zijn aangifte verklaard dat, nadat ze in Utrecht aangekomen waren, degene die in zijn verklaring wordt aangeduid als NN3 (degene die rechts achterin zat) tegen hem zei: "Je gaat zo dingen voor ons doen en als je speelt dan heb je een probleem."xvii

De betrouwbaarheid van de verklaringen en het bewijsminimum

4.4.4. De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer 1] geloofwaardig. Zij licht dit als volgt toe.

Allereerst is de getuige in zijn verklaring ter terechtzitting geloofwaardig op de rechtbank overgekomen.

Voorts wordt zijn verklaring op onderdelen ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals de overboekingen en opnames van de door [slachtoffer 1] genoemde geldbedragen Dit blijkt uit het hiervoor onder 4.1.3. genoemde bewijsmiddel. Hieruit leidt de rechtbank in ieder geval af dat er een totaal bedrag van - voor zover voor deze zaak van belang - € 10.000 is weggenomen van de bankrekeningen van [slachtoffer 3] door wederrechtelijke overboeking op de rekening van [slachtoffer 1] waarna [slachtoffer 1] gedwongen is om van dit bedrag € 9.000 contant op te nemen op een postkantoor en af te geven en een bedrag van € 1.000 te pinnen. Dit laatste bedrag is uit de pinautomaat weggenomen door een van de jongens in de auto, te weten de bijrijder. Hieraan voorafgaand is [slachtoffer 1] door de daders van zijn vrijheid beroofd en enige tijd van zijn vrijheid beroofd gehouden.

4.4.5. Het door verdachte geschetste scenario acht de rechtbank niet geloofwaardig. In dit scenario zat [slachtoffer 1] in het complot en is hij vrijwillig in een andere auto dan waarin verdachte zat, meegegaan naar Utrecht om het geld op te nemen. Verdachte heeft verklaard dat hij wel aanwezig is geweest op de plaats waar de feiten zich afspeelden maar dat hij niet betrokken was. Voorts heeft verdachte verklaard dat de auto waarin hij zat niet een zwarte Volkswagen Golf was. Verdachte heeft gesuggereerd dat [slachtoffer 1] een verhaal heeft verzonnen omdat hij was opgelicht. Medeverdachte [medeverdachte] was volgens verdachte bij dit alles niet aanwezig.

Indien echter wordt uitgegaan van dit scenario, dan is, naar het oordeel van de rechtbank, niet verklaard en evenmin verklaarbaar waarom [slachtoffer 1] in een fotoconfrontatie [medeverdachte] met overtuiging herkent en aanwijst als één van de betrokken personen. Uit niets is immers gebleken dat [slachtoffer 1] en [medeverdachte] een conflict hadden, dan wel dat er anderszins een reden was voor [slachtoffer 1] om [medeverdachte] te beschuldigen. Daar komt bij dat [medeverdachte] zelf heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] niet kent.

Voorts is de verklaring die verdachte heeft afgelegd weinig specifiek en gedetailleerd. Verdachte zou volgens zijn verklaring voornamelijk in de auto geslapen hebben. Bovendien geeft verdachte weinig aanknopingspunten waaraan zijn verklaring kan worden getoetst.

4.4.6. [slachtoffer 1] heeft daarentegen veel details genoemd. Verschillende onderdelen van de verklaring van [slachtoffer 1] zijn aantoonbaar juist en worden gesteund door de onder 4.1. genoemde bewijsmiddelen, zoals de opgenomen bedragen en de plaatsen waar de bedragen zijn opgenomen. Voorts heeft [slachtoffer 1] verdachte bij de politie op een getoonde foto van verdachte herkend als één van de betrokken personen. Hij heeft verklaard dat dit de persoon betreft die hij bij moskee bij de paarse Mazda heeft gezien en die naast hem achter in de auto zat.xviii De Mazda blijkt inderdaad in gebruik te zijn geweest bij verdachte.

Een belangrijke ondersteuning van de verklaring van [slachtoffer 1] ziet de rechtbank voorts in het gegeven dat [slachtoffer 1] het kenteken heeft doorgegeven van een zwarte Volkswagen Golf op het moment dat deze bij de moskee aan kwam rijden. Volgens de verklaring van [slachtoffer 1] reed de auto snel weg richting [buurt].xix Dit onderdeel komt min of meer overeen met de verklaring van verdachte bij de politie. Verdachte heeft verklaard dat toen ze bij [A-straat] aan kwamen rijden de blanke jongen met een telefoon aan zijn oor op hen af kwam rennen en dat de auto waar verdachte in zat toen draaide.xx

Uit niets blijkt echter dat [slachtoffer 1] op het moment dat hij het kenteken aan de politie doorgaf, wist dat [medeverdachte] een zwarte Volkswagen Golf op zijn naam had staan, laat staan dat hij het kenteken van deze auto uit zijn hoofd kende. Nu het door hem doorgegeven kenteken, inderdaad blijkt te horen bij een zwarte Volkswagen Golf en [slachtoffer 1] in zijn verklaring ook heeft gesproken over de betrokkenheid van een dergelijke auto, acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer 1] ook op dit punt geloofwaardig.

De verklaring van verdachte daarentegen dat hij niet in een zwarte Volkswagen Golf heeft gezeten kan gelet op deze omstandigheid niet kloppen en is dus op dit punt ook ongeloofwaardig.

In het licht van het voorgaande draagt aan de geloofwaardigheid van de verklaring van [slachtoffer 1] nog bij dat hij, op een, naar het oordeel van de rechtbank, overtuigende wijze bij de meervoudige fotoconfrontatie [medeverdachte] heeft aangewezen als de bestuurder van de zwarte Golf. Dit in combinatie met het gegeven dat, naar zijn eigen verklaring, verdachte en [medeverdachte] zwagers van elkaar zijn, dat zij op hetzelfde adres wonen en dat onder het matras van [medeverdachte] een groot geldbedrag is aangetroffen dat grotendeels bestond uit coupures van 100 euro, maakt dat de rechtbank de verklaring van [slachtoffer 1] in z'n geheel geloofwaardig acht.

4.4.7. De door de verdediging gesignaleerde verschillen tussen de verklaringen van [slachtoffer 1] die de politie heeft opgetekend en de verklaring die hij ter terechtzitting heeft afgelegd zijn zo ondergeschikt en deels - zoals bij de verwisseling van NN2 met NN3 - verklaarbaar door verwarring bij de politie bij het opnemen van de verklaring van [slachtoffer 1], dat deze naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen aan de geloofwaardigheid hiervan.

4.4.8. De rechtbank gaat derhalve uit van de verklaring van [slachtoffer 1]. De rechtbank acht deze verklaring betrouwbaar, gelet op voorgaande overwegingen en de genoemde bewijsmiddelen. Nu deze gegevens, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende steun bieden aan de verklaring van [slachtoffer 1], wordt het verweer dat niet wordt voldaan aan het bewijsminimum verworpen.

Medeplegen

4.4.9. De rechtbank is van oordeel dat tussen verdachte en zijn mededaders sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking. In de auto heeft [slachtoffer 1] op de achterbank tussen verdachte en een medeverdachte in gezeten. Doordat verdachte op deze wijze [slachtoffer 1] fysiek belemmerde in zijn vrijheid, heeft hij een belangrijke rol gespeeld bij de vrijheidsberoving. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte heeft gezien dat [slachtoffer 1] werd bedreigd met een vuurwapen. Doordat verdachte in de auto aanwezig is geweest, moet hij bovendien hebben gehoord dat onder meer de persoonsgegevens en het rekeningnummer van [slachtoffer 1] telefonisch werden doorgegeven. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte wist wat er gaande was. Niet alleen heeft verdachte anderen niet bewogen om deze gedragingen te staken en zich hiervan niet gedistantieerd, door zijn fysieke aanwezigheid heeft verdachte bovendien een belangrijk aandeel in de bedreigingen gehad. Verdachte heeft zich derhalve schuldig gemaakt aan medeplegen van de ten laste gelegde feiten.

4.4.10. De rechtbank is voorts van oordeel dat de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd het aannemelijk maken dat [slachtoffer 1], eenmaal in het postkantoor, geen actie heeft durven ondernemen, door bijvoorbeeld een baliemedewerker te waarschuwen. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de bedreiging is gepaard gegaan met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en dat telkens als [slachtoffer 1] de auto moest verlaten om geld te pinnen of om geld op te nemen, de bijrijder met hem meeliep. Ook dient het aantal daders dat bij de feiten betrokken is geweest in ogenschouw te worden genomen. De rechtbank passeert hetgeen de raadsvrouw hierover naar voren heeft gebracht.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

op 22 maart 2011 in Nederland op een of meerdere openbare wegen tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededaders die [slachtoffer 1] gevraagd in een personenauto te gaan zitten en vervolgens de deuren van voornoemde auto op slot gedaan en voornoemde [slachtoffer 1] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, getoond en/of voorgehouden en gedurende enige tijd met voornoemde auto gereden en die [slachtoffer 1] meegenomen naar pinautomaten;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

op 22 maart 2011 te [woonplaats] en Utrecht, op een openbare weg, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee en een identiteitskaart en een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 1], of aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat hij verdachte en/of zijn mededaders,

- voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben gevraagd in een auto, Volkswagen Golf, te stappen en vervolgens de deuren van voornoemde auto op slot heeft/hebben gedaan en

- voornoemde [slachtoffer 1] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en

- voornoemde [slachtoffer 1] de woorden toegevoegd: "je gaat zo dingen doen en als je speelt heb je een probleem";

en

op 22 maart 2011 te [woonplaats] en Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van geldbedragen, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededaders,

- voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben gevraagd in een auto, Volkswagen Golf, te stappen en vervolgens de deuren van voornoemde auto op slot heeft/hebben gedaan en

- voornoemde [slachtoffer 1] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en

- voornoemde [slachtoffer 1] de woorden toegevoegd: "je gaat zo dingen doen en als je speelt heb je een probleem".

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] hoofdelijk toe te wijzen, verhoogd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht verdachte niet te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte heeft een baan en woning. Ook heeft hij een vriendin en een jong kind. Gelet op het primair ingenomen standpunt heeft de verdediging verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, subsidiair de vordering te matigen.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte en zijn mededaders hebben voorafgaand aan de ten laste gelegde feiten, een geraffineerd plan ten uitvoer gebracht. Op slinkse wijze is geld afhandig gemaakt van een rekeninghouder van de ING-bank en gestort op de rekening van [slachtoffer 1]. Vervolgens heeft verdachte zich - tezamen en in vereniging met anderen - schuldig gemaakt aan diefstal met geweld, afpersing en wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 1]. Daarbij hebben zij niet geschuwd een vuurwapen, althans een daarop lijkend voorwerp, ter hand te nemen. Door aldus te handelen hebben verdachte en zijn mededaders de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer in ernstige mate aangetast en [slachtoffer 1], zo blijkt onder meer uit zijn verklaring ter zitting en de vrees die klaarblijkelijk met het afleggen van die verklaring gepaard ging, grote angst aangejaagd. Ook in financiële zin hebben de gedragingen ingrijpende gevolgen voor [slachtoffer 1], die thans geen toegang (meer) heeft tot een bankrekening en kennelijk mogelijk geconfronteerd wordt met een vordering van de bank. Daarnaast hebben verdachte en zijn mededaders inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat de maatschappij heeft in het betalingsverkeer waarbij zij slechts hun eigen financiële belangen voor ogen hebben gehad zonder zich te bekommeren om de gevolgen van hun handelen voor derden.

De rechtbank neemt bij de strafoplegging nog in aanmerking dat verdachte bij de uitvoering van de feiten een minder pregnante rol lijkt te hebben gespeeld dan medeverdachte [medeverdachte] en de andere mededaders.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat om deze redenen aanleiding bestaat een hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de officier van justitie heeft gevorderd.

Mede gelet op de ernst van het feit en de duur van de op te leggen straf, ziet de rechtbank geen aanleiding om, zoals de raadsvrouw heeft verzocht, een gedeelte van deze straf voorwaardelijk op te leggen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1] en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [slachtoffer 1] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor onder 1 en 2 bewezen geachte feiten rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 1.500,- (vijftienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer 1] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 47, 57, 282, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven

en

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden;

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats], toe tot € 1.500,- (vijftienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1], aan de Staat € 1.500,- (vijftienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van 25 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.W. Bianchi, voorzitter,

mrs. C.F. de Lemos Benvindo en K.M. van Hassel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. den Toom, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 januari 2012.

i Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

ii Pag. B16 - B20 (proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 3], d.d. 23 maart 2011)

iii Pag. B1 - B30 (een proces verbaal van aangifte van [medewerker ING] namens ING bank d.d. 11 april 2011 met als bijlage een onderzoeksrapport met bijlagen)

iv Verklaring van getuige [slachtoffer 1] ter terechtzitting van 13 januari 2012.

v Pag. M3 (proces-verbaal van relaas, d.d. 24 maart 2011)

vi Pag. M51-M53 (kennisgeving van inbeslagneming, d.d. 22 maart 2011)

vii Pag. M10, M11 (proces-verbaal van bevindingen, d.d. 22 maart 2011) alsmede pag. 39-41 (proces-verbaal van verhoor verdachte).

viii Verklaring van getuige [slachtoffer 1] ter terechtzitting van 13 januari 2012.

ix Pag. M7 - M9 (proces-verbaal van bevindingen, d.d. 22 maart 2011)

x Pag. 28 (een geschrift, te weten een uitdraai van NL-RDW, d.d. 15 augustus 2011)

xi Pag. A1 - A5 (proces-verbaal van relaas, d.d. 17 augustus 2011)

xii Pag. M47, M48 (proces-verbaal doorzoeking, d.d. 24 maart 2011)

xiii Pag. M61, M62 (kennisgeving van inbeslagneming, d.d. 24 maart 2011)

xiv Pag. 037-043 (processen-verbaal in verband met simultane fotobewijsconfrontatie, d.d. 2 augustus 2011)

xv Verklaring van getuige [slachtoffer 1] ter terechtzitting van 13 januari 2012.

xvi Verklaring van getuige [slachtoffer 1] ter terechtzitting van 13 januari 2012.

xvii Pag. M12 - M17 (proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1], d.d. 22 maart 2011)

xviii Pag. M10 (proces-verbaal van bevindingen, d.d. 22 maart 2011).

xix Pag. M15 (proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1], d.d. 22 maart 2011)

xx Pag.M39 (proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] d.d. 23 maart 2011)