Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BV2741

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-01-2012
Datum publicatie
03-02-2012
Zaaknummer
508846 / KG ZA 12-96 HJ/JWR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De NTR heeft opnamen gemaakt van een minderjarige die op last van de rechter in een opvanghuis zit. Nadat de opnamen zijn verwerkt in een televisieprogramma krijgt de vader - voorafgaand aan uitzending - inzage. Hij weigert namens zijn minderjarige zoon alsnog toestemming. Omdat onduidelijk is onder welke voorwaarden er aanvankelijk medewerking is toegezegd wordt de uitzending verboden, met daaraan verbonden de voorwaarde dat een bodemprocedure aanhangig moet worden gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 508846 / KG ZA 12-96 HJ/JWR

Vonnis in kort geding van 27 januari 2012

in de zaak van

[zoon],

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 24 januari 2012,

advocaat mr. R.J.S. Panday te Leiden,

tegen

de stichting

NTR,

zetelend te Hilversum,

gedaagde,

advocaat mr. F.R. Stoové te Amsterdam.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 27 januari 2012 is opgemerkt dat in verband met de minderjarigheid van [zoon] diens vader, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger, als eiser op dient te treden. De voorzieningenrechter heeft met instemming van partijen verklaard dit als gecorrigeerd te beschouwen. In het navolgende zullen vader en zoon [achternaam vader en zoon] worden aangeduid als respectievelijk [vader] en [zoon]. Gedaagde zal worden aangeduid als de NTR.

Vervolgens heeft [vader] ter terechtzitting gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding en akte wijziging eis. De NTR heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht. De NTR heeft een pleitnota overgelegd. Ter terechtzitting heeft de voorzieningenrechter in aanwezigheid van partijen de documentaire bekeken waarop het geschil betrekking heeft.

Ter terechtzitting waren aanwezig:

- [vader] en [zoon], bijgestaan door mr. Panday;

- namens de stichting NTR de heren [bedrijfsjurist] (bedrijfsjurist), [producent] (eindredacteur/producent) en [persoon], bijgestaan door mr. Stoové.

In verband met de spoedeisendheid van de zaak wordt heden uitspraak gedaan.

2. De feiten

2.1. De NTR heeft in de periode tussen augustus 2011 en november 2011 opnames gemaakt ten behoeve van de televisiedocumentaire “Kinderen van de rekening” (hierna: de documentaire).

2.2. Ten behoeve van de documentaire zijn ook opnamen gemaakt van [zoon]. Deze was ten tijde van de opnamen 16, later 17 jaar. De opnamen zijn gemaakt terwijl [zoon] op last van de rechter in een gesloten jeugdinstelling (hierna aan te duiden als JJC) verbleef.

2.3. Voor het maken van de opnamen is voorafgaande toestemming verkregen van zowel [zoon] als [vader], alsook van JJC. Zowel [zoon], [vader] als medewerkers van JJC komen tijdens de documentaire in beeld.

2.4. Op 29 november 2011 heeft [vader] meegedeeld dat hij geen toestemming gaf om de voor 30 november 2011 geplande opnamen van [zoon] te maken. Deze opnamen hebben toen geen doorgang gevonden.

2.5. Nadat van de gemaakte opnamen de documentaire was samengesteld is deze vertoond aan [vader]. Vervolgens heeft deze verklaard niet in te stemmen met vertoning van de beelden op televisie.

2.6. Op basis van nader contact met [vader] heeft de NTR een aantal wijzigingen in de documentaire aangebracht. Met het oog op het op die basis verlenen van toestemming voor uitzending is een vaststellingsovereenkomst opgesteld, die echter door geen van beide partijen is ondertekend.

2.7. De NTR heeft aangekondigd de (gewijzigde) documentaire op 29 januari 2012 uit te zullen zenden.

3. Het geschil

3.1. [vader] vordert, na eiswijziging – samengevat – dat op straffe van een dwangsom het de NTR wordt verboden primair de documentaire uit te zenden en subsidiair eiser daarin herkenbaar af te beelden.

3.2. [vader] stelt dat hij aanvankelijk zijn instemming heeft verleend, maar dat hij deze al na de eerste opnamen heeft ingetrokken. Verder stelt hij dat is afgesproken dat nadat de documentaire zou zijn samengesteld, het eindresultaat ter beoordeling zou worden voorgelegd en dat alsdan door hem besloten zou kunnen worden om al dan niet toestemming voor uitzending te geven. Gelet op die voorwaarde heeft hij ingestemd met het maken van filmopnamen. Nadat hij het resultaat ervan heeft gezien wenst hij echter geen toestemming te geven voor uitzending.

3.3. De NTR voert verweer. Zij voert aan dat voorafgaand aan de opnamen toestemming voor de samenstelling en uitzending van de documentaire is verkregen. Wel is toegezegd dat de documentaire voorafgaand aan de uitzending nog aan [zoon] en [vader] zou worden vertoond, zodat zij in de gelegenheid zouden worden gesteld om eventuele feitelijke onjuistheden te corrigeren. Toestemming voor het uitzenden van de documentaire was echter reeds verkregen en kon op dat moment niet meer worden ingetrokken.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) - waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. Het uitzenden van een documentaire waarin een portret van [zoon] wordt getoond is zonder diens toestemming niet geoorloofd voor zover een redelijk belang van [zoon] zich daartegen verzet (artikel 21 Aw). Als de openbaarmaking van een portret een schending van het in artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer oplevert, is daarin in beginsel een redelijk belang gelegen als bedoeld in artikel 21 Aw. In de documentaire wordt [zoon] getoond terwijl hij is opgenomen in JJC. Uit de documentaire wordt duidelijk dat hij hierin is opgenomen in verband met het plegen van strafbare feiten en is te zien hoe hij zich in deze instelling gedraagt en op zeker moment in een verzwaard regime wordt geplaatst, nadat hij is weggelopen. Dit kan als een schending van zijn persoonlijke levenssfeer worden aangemerkt. Het portretrecht van [zoon] is echter niet absoluut. Het dient te worden afgewogen tegen, in dit geval, het recht van de NTR op vrijheid van meningsuiting, zoals neergelegd in artikel 10 EVRM. Om te beoordelen aan welke van beide grondrechten, die in beginsel van gelijke rangorde zijn, in een concreet geval voorrang toekomt, dienen aan de hand van alle omstandigheden van het geval de belangen van partijen tegen elkaar te worden afgewogen.

4.3. Ter terechtzitting is de documentaire zoals de NTR deze wil uitzenden bekeken. Het inhoudelijke verwijt dat de film schadelijk is voor de beeldvorming van [zoon] treft naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen doel. De film geeft een indringend, maar respectvol beeld van het leven van [zoon] in JJC, met de ups en downs die daar bij horen, en eindigt zeer positief.

4.4. Ten aanzien van twee concrete bezwaren die ten tijde van het bekijken van de film zijn genoemd wordt als volgt geoordeeld.

In de film is het paspoort van [zoon] te zien. De opname vertoont echter niet diens foto of persoonsgegevens, zodat een buitenstaander dit beeld niet met [zoon] in verband zal brengen. Het paspoortnummer is deels te lezen, maar is kort in beeld, zodat onaannemelijk is dat dit tot identificatie van [zoon] zou kunnen leiden. Bovendien heeft de NTR ter zitting verklaard bereid te zijn het paspoortnummer alsnog onleesbaar te maken.

Verder legt één van de in de documentaire aan het woord komende personen een verband tussen de opname van [zoon] en diens thuissituatie. Nu over de thuissituatie geen details worden prijsgegeven acht de voorzieningenrechter dit een bezwaar van relatief licht gewicht. De NTR heeft zich echter bereid verklaard ook deze opmerking uit de documentaire te verwijderen.

4.5. Het voorgaande laat onverlet dat het maken van de documentaire (in zijn huidige vorm) slechts mogelijk is indien er voor het maken van de betreffende opnamen toestemming is gegeven.

4.6. Voldoende aannemelijk is dat deze toestemming aanvankelijk is gegeven. Uit hetgeen partijen over en weer hebben gesteld blijkt verder dat deze kort voor de voor 30 november 2011 geplande opnamen is ingetrokken. Dat [vader] dan wel [zoon] deze toestemming al eerder hebben ingetrokken is voorshands niet aannemelijk geworden. [zoon] wordt in de documentaire vrij intensief gevolgd en spreekt door een opgespelde microfoon. Hij is zich duidelijk bewust van het feit dat hij wordt gefilmd en verleend daaraan zijn medewerking. Het is verder onaannemelijk dat dit buiten medeweten en zonder instemming van [vader] is gebeurd. Niet valt in te zien waarom de NTR diens eerdere bezwaren zou hebben genegeerd, terwijl zij later (rond 30 november 2011) deze wel heeft gehonoreerd. Er dient derhalve van te worden uitgegaan dat de NTR tot 30 november 2011 toestemming had om filmopnamen te maken.

4.7. Ter terechtzitting hebben [zoon] en [vader] verklaard dat zij voorafgaand aan de opnamen een gesprek hebben gehad met de heer [onderdirecteur] (onderdirecteur CJJ) en de heer [programmamaker] (programmamaker). In dat gesprek is volgens hen toegezegd dat zij het programma voor uitzending zouden kunnen zien en dat het alleen uitgezonden zou worden als zij daarmee in zouden stemmen. Gelet daarop is akkoord gegaan met het maken van de opnamen, aldus [zoon] en [vader].

4.8. De NTR betwist echter dat [zoon] en zijn vader een ‘vetorecht’ zou zijn toegezegd; dit gebeurt nooit in dit soort situaties, aldus NTR.

4.9. De voorzieningenrechter stelt vast dat er geen verklaring van de heer [onderdirecteur] in het dossier is opgenomen en dat de verklaring van de heer [programmamaker] betrekking heeft op latere contacten van hem met [vader]. Genoemde personen waren niet ter zitting aanwezig. De NTR heeft gewezen op schriftelijke toestemming van [zoon]. Deze schriftelijke toestemming is geplaatst op papier van CJJ en ter zitting is verklaard dat de toestemmingverlening in eerste instantie is geregeld door CJJ. De verklaring is zeer summier en bevat geen rechtstreekse verwijzing naar het maken van opnamen en eventueel in dat kader gemaakte afspraken.

4.10. Hoewel de voorzieningenrechter de stelling van de NTR dat een vetorecht in situaties als de onderhavige niet wordt toegezegd in het algemeen aannemelijk acht, is daarmee niet uit te sluiten dat een dergelijke toezegging in dit geval wel zou kunnen zijn gedaan. Nu de personen die een dergelijke toezegging mogelijk hebben gedaan over de inhoud van het gesprek waarin dat mogelijk zou zijn gebeurd niets hebben verklaard, zal nader onderzoek moeten plaatsvinden, waarvoor in kort geding geen plaats is. Dit leidt tot het oordeel dat de uitzending thans verboden moet worden, maar dat op dat verbod niet langer een beroep zal kunnen worden gedaan indien niet binnen twee weken na heden een bodemprocedure wordt gestart met dezelfde vorderingen. In die procedure zal dan een definitief oordeel gegeven kunnen worden.

4.11. Volledigheidshalve merkt de voorzieningenrechter nog op dat de minder vergaande maatregel om het gezicht van [zoon] in de documentaire onherkenbaar te maken, in dit geval, zoals ook door de NTR aangegeven, niet werkbaar is, nu het gezicht van [zoon] gedurende de documentaire zeer veelvuldig in beeld wordt gebracht.

4.12. De NTR zal als in de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [vader] worden begroot op:

- griffierecht EUR 575,00

- dagvaarding 90,64

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.481,64

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. verbiedt de NTR om de aflevering van de documentaire “Kinderen van de rekening” welke betrekking heeft op [zoon] te vertonen, welk verbod geldt totdat in de onder 5.3 bedoelde bodemprocedure is beslist;

5.2. bepaalt dat de NTR aan [vader] een dwangsom verbeurt van EUR 5.000,00 indien zij in strijd met de onder 5.1 vermelde veroordeling handelt;

5.3. bepaalt dat aan deze veroordeling geen rechten kunnen worden ontleend indien [vader] niet binnen veertien dagen na heden bij de bodemrechter een procedure aanhangig maakt met een gelijke vordering als in dit kort geding;

5.4. veroordeelt de NTR in de proceskosten aan de zijde van [vader], tot op heden begroot op EUR 1.481,64 aan griffierecht;

5.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.6. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.W. Rouwendal, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2012.