Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BV1327

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-01-2012
Datum publicatie
19-01-2012
Zaaknummer
13-676501-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BY1475, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens het kwetsend en beledigend uitlaten over joden in e-mails die aan verschillende adressen werden gestuurd, art. 137c Sr.

- E-mailverkeer kan gelezen kan worden en is derhalve te beschouwen als “geschrift” in de zin van de wet.

- Openbare karakter: Verdachte heeft de tenlastegelegde e-mails gericht aan een reeks e-mailadressen van particulieren en organisaties, waaronder politieke partijen. Naar aard en aantal betreft het hierbij een zodanig verspreidingsbereik, dat de rechtbank ervan uitgaat dat verdachte het oog had op een zo breed mogelijke kennisneming van deze berichten. Dit komt ook overeen met de doelstelling die verdachte had om te provoceren dan wel de maatschappelijke discussie op gang te brengen. Verdachte heeft zich met deze e-mails in het openbaar heeft uitgelaten als bedoeld in artikel 137c.

- De uitlatingen van verdachte in de e-mails zoals vermeld in de onder 1, 2 en 5 aan verdachte ten laste gelegde feiten zien op een groep mensen waarvan het gezamenlijke kenmerk het jood zijn is en zij worden collectief getroffen in hetgeen voor hun groep kenmerkend is, namelijk het jood zijn. De uitlatingen stellen de joden in een ongunstig daglicht. Dit volgt uit de feitelijke bewoordingen van de ten laste gelegde uitlatingen. Dit maakt dat de ten laste gelegde uitlatingen een beledigend karakter hebben.

- De uitlatingen van verdachte leveren geenszins een bijdrage aan enig maatschappelijk debat en zijn daar ook volstrekt niet dienstig aan. Zelfs als verdachte moet worden geloofd in zijn verklaring bij de politie, dat zijn doel was de maatschappelijke discussie in de politiek op gang te krijgen, dan zijn de e-mails naar hun taalgebruik, uitdrukkingsvormen en toonzetting van een zodanige aard dat het verband met dit doel in redelijkheid niet meer kan worden gelegd. Uitlatingen leveren geen bijdrage aan of zijn dienstig aan een geloofsovertuiging en evenmin vallen onder de bescherming van de artistieke expressie. Geen sprake van een context die het beledigende karakter daaraan ontneemt.

- De rechtbank gaat ervan uit dat met toepassing van voormeld toetsingskader als hiervoor overwogen, mede is voldaan aan de vereisten die artikel 10 EVRM en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in zijn jurisprudentie stellen aan een geoorloofde beperking van het in dit artikel neergelegde recht van vrijheid van meningsuiting.

- Opzet: Gelet op de (wel)bewustheid waarmee verdachte de bewezenverklaarde passages heeft geschreven en op het objectief beledigende karakter van deze passages gaat de rechtbank ervan uit dat ook verdachte zich van het beledigende karakter van zijn uitlatingen bewust moet zijn geweest ten tijde van het schrijven en verzenden ervan. In ieder geval heeft hij moeten beseffen dat deze passages, gezien de inhoud, bezwaarlijk anders dan als beledigend kunnen worden beschouwd. Verdachte heeft dan ook op zijn minst voorwaardelijke opzet gehad op de onder 1, 2 en 5 bewezenverklaarde feiten.

- Tweede lid van artikel 137c Sr: Per ten laste gelegd feit steeds één e-mail, met een specifieke tekst, verstuurd op één datum. Niet wettig en overtuigend kan bewezen worden dat verdachte zich (tevens) heeft schuldig gemaakt aan “het een gewoonte maken” van een beledigende uitlating, zoals bedoeld onder artikel 137c, lid 2 Sr.

Eenvoudige belediging bewezen (art. 266 WvS)

- Overweging met betrekking tot de rechtvaardigingsgrond als bedoeld in artikel 266 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht: Onder verwijzing naar hetgeen onder 3.3.2.3 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de uitlating van verdachte niet is gedaan in de context van het maatschappelijk debat, zodat de in artikel 266 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bijzondere rechtvaardigingsgrond in het onderhavige geval niet van toepassing is.

Ten aanzien van de benadeelde partij:

Met inachtneming van de overweging van de Hoge Raad uit het arrest HR 16 april 1996, LJN AD 2525, NJ 1996, 527, is de rechtbank van oordeel dat in het geval van deze e-mails wel sprake is van een rechtstreeks verband tussen het bewezenverklaarde feit en door de benadeelde partij geleden schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/676501-11 (Promis)

Datum uitspraak: 19 januari 2012

verstek

VONNIS

van de rechtbank [geboorteplaats], meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

5 januari 2011.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 05 maart 2011 tot en met 05 april 2011 te Amsterdam en/of elders in Nederland, in elk geval in Nederland, zich in het openbaar, bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, (te weten Joden,) wegens hun ras en/of godsdienst, door een e-mail te verzenden naar [naam 1] en/of [naam 2] en/of het CIDI en/of 45 andere geadresseerden met daarin (ondermeer) de tekst (uitlating 2):

"opdat jullie de joden duidelijk kunnen maken dat er geen plaats is in onze christelijke samenleving voor criminele misdadigers", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl verdachte hiervan een beroep of gewoonte heeft gemaakt.

2.

hij op of omstreeks 06 maart 2011 tot en met 06 april 2011 te Amsterdam en/of elders in Nederland, in elk geval in Nederland, zich in het openbaar, bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, (te weten Joden,) wegens hun ras en/of godsdienst, door een e-mail te verzenden naar [naam 1] en/of [naam 2] en/of het CIDI en/of 44 andere geadresseerden met daarin (ondermeer) de tekst (uitlating 1):

"verdom de joden en schop ze het land uit", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl verdachte hiervan een beroep of gewoonte heeft gemaakt.

3.

hij op of omstreeks 11 maart 2011 tot en met 11 april 2011 te Amsterdam en/of elders in Nederland, in elk geval in Nederland, zich in het openbaar, bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, (te weten Joden,) wegens hun ras en/of godsdienst, door een e-mail te verzenden naar [naam 1] en/of [naam 3] en/of 23 andere geadresseerden met daarin (ondermeer) de tekst (uitlating 3 en 4): "waarom heb ik deze beelden niet op de tv in Nederland gezien??????????????????? omdat het jodentuig onze media beheerst!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!! het wordt tijd dat wij Nederlanders van christus geboren erkennen een fout gemaakt te hebben toen wij onze samenleving open hebben gesteld voor die achterbakse, drammerige joden (..)", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl verdachte hiervan een beroep of gewoonte heeft gemaakt.

4.

hij op of omstreeks 11 maart 2011 tot en met 11 april 2011 te Amsterdam en/of elders in Nederland, in elk geval in Nederland, zich in het openbaar, bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, (te weten Joden,) wegens hun ras en/of godsdienst, door een e-mail te verzenden naar [naam 1] en/of [naam 3] en/of het CIDI en/of 23 andere geadresseerden met daarin (ondermeer) de tekst (uitlating 5):

"WORDT WAKKER EN SCHOP DE JODEN DIE ONS SCHULD AANPRATEN HET LAND UIT EN SLOOP ALLE INSTITUTEN DIE DIT SCHULDGEVOEL CULTIVEREN. ANNE FUCK HUIS, WESTERBORK FUCK, JOODS HISTORISCH FUCK ETC..ETC", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl verdachte hiervan een beroep of gewoonte heeft gemaakt.

5.

hij op of omstreeks 13 maart 2011 tot en met 13 april 2011 te Amsterdam en/of elders in Nederland, in elk geval in Nederland, zich in het openbaar, bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, (te weten Joden,) wegens hun godsdienst en/of ras, door een e-mail te verzenden aan [naam 1] en/of [naam 2] en/of het CIDI en/of 44 andere geadresseerden met daarin de tekst (uitlating 6):

"DEPROGRAMMEER JEZELF EN KOOP NIET MEER BIJ DE JODEN, BESPUUG ZE EN LAAT ZE WETEN DAT WIJ VIES ZIJN VAN DE JODEN.", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl verdachte hiervan een beroep of gewoonte heeft gemaakt.

6.

hij op of omstreeks 12 mei 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk beledigend [naam 4], door toezending en/of aanbieding van een geschrift (een e-mail) heeft toegevoegd de woorden "he fucking Amsterdamse Jood, jij moet mijn anti Joodse troep videos accepteren, als jij ziojoodsefucker dit niet accepteert zal ik een klacht indienen dat jij kritiek op jouw proziojoodse standpunten niet accepteert, dat jij ziojood moet een ding niet vergeten, ik betaal jouw salaris en als keuze aan mijn zou zijn, dan sodemieter ik jullie eerst de stad uit, dan het land uit en dan uit deze wereld, jullie zijn van een soort om uit te kotsen", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het hem onder 3 en 4 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken en dat verdachte dient te worden veroordeeld voor het hem onder 1, 2, 5 en 6 ten laste gelegde.

3.2. Standpunt van de verdediging

Verdachte is niet ter terechtzitting van 5 januari 2011 verschenen en heeft zich ook niet laten vertegenwoordigen door een raadsman of raadsvrouw. Er is derhalve ter terechtzitting geen verdediging gevoerd. Hierna heeft de rechtbank bij haar overwegingen de verklaring van verdachte bij de politie – voor zover van belang – betrokken.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

3.3.1 Vrijspraak van het onder 3 en 4 ten laste gelegde

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit de zich in het dossier bevindende stukken niet blijkt dat er op de in feit 3 en 4 ten laste gelegde data een e-mail is gestuurd met de in de tenlasteleggingen van deze feiten opgenomen tekst. Verdachte dient hiervan dan ook te worden vrijgesproken.

3.3.2. Ten aanzien van het onder 1, 2 en 5 ten laste gelegde

3.3.2.1 Redengevende feiten en omstandigheden

Op 11 maart 2011 doet [naam 1] aangifte. Hij is Arabist en Islam deskundige. Vanaf 15 februari 2011 tot en met 11 maart 2011 heeft hij diverse e-mails ontvangen op zijn persoonlijke e-mail verstuurd d[roepnaam verdachte][verdachte] met als e-mailverzendadres: [naam verdachte]@hotmail.com. In de verstuurde e-mails kan hij zien dat [verdachte] zijn e-mails vaak ook naar andere personen verstuurt. Deze personen zijn voornamelijk politici en nieuwsredacties. Het e-mailadres van aangever is [naam 1]@gmail.com. Vanaf 1 maart 2011 tot en met 11 maart 2011 heeft hij 26 e-mails van [naam verdachte]@hotmail.com ontvangen.

Op 5 maart 2011 ontvangt aangever [naam 1] een e-mail die tevens aan cidi@cidi.nl, info@[naam].nl en 45 andere geadresseerden is gezonden met (onder meer) de inhoud: “opdat jullie de joden duidelijk kunnen maken dat er geen plaats is in onze christelijke samenleving voor criminele misdadigers”.

Op 6 maart 2011 ontvangt aangever [naam 1] een e-mail die tevens aan cidi@cidi.nl, info@[naam].nl, en 44 andere geadresseerden is gezonden met (onder meer) de inhoud: “verdom de joden en schop ze het land uit”.

Op 13 maart 2011 ontvangt aangever [naam 1] een e-mail die tevens aan cidi@cidi.nl, info@[naam].nl en 44 andere geadresseerden is gezonden met de inhoud: “DEPROGRAMMEER JEZELF EN KOOP NIET MEER BIJ DE JODEN, BESPUUG ZE EN LAAT ZE WETEN DAT WIJ VIES ZIJN VAN DE JODEN”.

Op 7 juni 2011 wordt aangeefster [naam 2] door de politie gehoord. Aangeefster is directeur/grootaandeelhouder van het mediabedrijf [naam] BV. Sinds begin 2011 ontvangt zij e-mail berichten van [verdachte]. Hij laat zich discriminerend uit over joden als volk of groep in deze mails. Ze ontvangt vanaf begin 2011 tot 7 juni 2011 een groot aantal

e-mails op haar e-mailadres info@[naam].nl. Deze mails worden verzonden vanaf het e-mailadres [naam verdachte]@hotmail.com. Aan de adressen in de kop van het e-mailbericht kan ze zien dat ze naar een groot aantal mensen worden gestuurd. De overige mensen zijn actief in de politiek, alsmede advocaten en journalisten. Deze mails hebben allemaal dezelfde strekking. Het gaat over de Joden en het Zionisme. De mails bevatten allemaal anti-semitische teksten. Ze vindt dat de afzender zich beledigend en discriminerend uitlaat over de joden als volk of groep.

Op 5 juli 2011 wordt verdachte door de politie gehoord.

Verdachte verklaart dat zijn juiste voornamen zijn [voornamen verdachte]. Hij gebruikt de naam [roepnaam verdachte]. Zijn moeder heeft hem [roepnaam verdachte] genoemd. Dat is ook sinds zijn jeugd zijn roepnaam.

Het klopt dat hij e-mails heeft rondgestuurd waar mensen aanstoot aan hebben genomen. Het klopt dat deze vanaf zijn computer zijn verzonden. Hij woonde op het adres [adres]. Hij gebruikt het e-mailadres [naam verdachte]@hotmail.com. Hij is de enige gebruiker van dit e-mailadres. Hij stuurde de e-mails aan best veel mensen. Hij stuurde ze aan politici, bijvoorbeeld aan 2e Kamerleden, journalisten e.d. Het werden er steeds meer. Hij kan zich voorstellen dat mensen aanstoot hebben genomen aan de e-mails die hij heeft verstuurd. Hij heeft niets persoonlijks tegen de joden. Hij wilde provoceren. Hij stuurde ook wel eens e-mails naar het CIDI. Hij heeft ook e-mails verstuurd naar arabist [naam 1]. Hij kan zich niet herinneren waar hij het e-mailadres van [naam 2] vandaan heeft. Mogelijk vanwege het feit dat zij en [naam 1] aan elkaar gelieerd waren. Zijn achterliggende gedachte was om de maatschappelijke discussie in de politiek op gang te krijgen. Hij wilde de joodse gemeenschap hetzelfde gevoel geven als het gevoel dat [naam 5] over de moslims afroept.

3.3.2.2. Het juridisch kader

Artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) vereist voor strafbaarstelling voor zover hier van belang dat sprake is van een beledigende uitlating die in het openbaar plaatsvindt. Voorts moet het gaan om een geschrift, waaronder kan worden verstaan alles wat gelezen kan worden .

De Hoge Raad heeft voorts in zijn jurisprudentie met betrekking tot artikel 137c Sr een toetsingskader ontwikkeld om te beoordelen in hoeverre uitlatingen strafbaar zijn op grond van deze bepaling.

In de eerste plaats dient te worden beoordeeld in hoeverre de uitlatingen, op zichzelf beschouwd, beledigend zijn voor een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke psychische of verstandelijke handicap. Hierbij wordt gekeken naar de feitelijke bewoordingen, als ook naar de samenhang met de rest van de tekst. Om te beoordelen of een uitlating woordelijk beledigend is, dient een objectieve toets plaats te vinden: is de uitspraak naar algemeen spraakgebruik beledigend. De Hoge Raad heeft overwogen dat een uitlating beledigend is wanneer zij de strekking heeft een ander bij het publiek in een kwaad daglicht te stellen. Bovendien moet de uitlating over een groep mensen en haar kenmerk gaan. Het beledigen van een groep mensen wegens hun godsdienst valt alleen onder art. 137c Sr als men de mensen behorend tot die groep collectief treft in hetgeen voor die groep kenmerkend is, namelijk in hun godsdienst, en men hen beledigt juist omdat zij van dat geloof zijn. De rechtbank gaat ervan uit dat deze overwegingen in dezelfde mate gelden voor ras, seksuele gerichtheid of handicap.

De tweede toets is de context waarin de uitlating is gedaan.

Uit de arresten waarin de Hoge Raad het toetsingskader heeft geformuleerd, blijkt dat de context het beledigend karakter van de uitlating weg kan nemen. Deze context kan bestaan indien de uitlating een bijdrage is aan en dienstig is aan een publiek maatschappelijk debat, een geloofsopvatting of als de uitlatingen onder de bescherming van de artistieke expressie vallen.

De derde toets is de beoordeling of de beledigende uitlating die een bijdrage levert aan of dienstig is aan een publiek maatschappelijk debat of een geloofsopvatting of indien deze uitlating onder bescherming van de artistieke expressie valt, onnodig grievend is.

3.3.2.3. Toepassing van het juridisch kader in dit geval.

Nu e-mailverkeer gelezen kan worden, is het te beschouwen als “geschrift” in de zin van de wet.

Ten aanzien van het openbare karakter van het aan verdachte verweten e-mailverkeer overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte heeft de tenlastegelegde e-mails gericht aan een reeks e-mailadressen van particulieren en organisaties, waaronder politieke partijen. Naar aard en aantal betreft het hierbij een zodanig verspreidingsbereik, dat de rechtbank ervan uitgaat dat verdachte het oog had op een zo breed mogelijke kennisneming van deze berichten. Dit komt ook overeen met de doelstelling die verdachte had om te provoceren dan wel de maatschappelijke discussie op gang te brengen. Op deze gronden komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte zich met deze e-mails in het openbaar heeft uitgelaten als bedoeld in artikel 137c.

Naar het oordeel van de rechtbank zien de uitlatingen van verdachte in de e-mails zoals vermeld in de onder 1, 2 en 5 aan verdachte ten laste gelegde feiten, op een groep mensen waarvan het gezamenlijke kenmerk het jood zijn is en worden zij collectief getroffen in hetgeen voor hun groep kenmerkend is, namelijk het jood zijn. De uitlatingen stellen de joden in een ongunstig daglicht. Dit volgt uit de feitelijke bewoordingen van de ten laste gelegde uitlatingen. Dit maakt dat de ten laste gelegde uitlatingen een beledigend karakter hebben, zodat aan de eerste door de Hoge Raad geformuleerde toets is voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank leveren de uitlatingen van verdachte geenszins een bijdrage aan enig maatschappelijk debat en zijn deze daar ook volstrekt niet dienstig aan. Zelfs als verdachte moet worden geloofd in zijn verklaring bij de politie, dat zijn doel was de maatschappelijke discussie in de politiek op gang te krijgen, dan zijn de e-mails naar hun taalgebruik, uitdrukkingsvormen en toonzetting van een zodanige aard dat het verband met dit doel naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet meer kan worden gelegd. Nu de uitlatingen ook geen bijdrage leveren aan of dienstig zijn aan een geloofsovertuiging en evenmin vallen onder de bescherming van de artistieke expressie, is geen sprake van een context die het beledigende karakter daaraan ontneemt.

Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat de aan verdachte in de feiten 1, 2 en 5 ten laste gelegde uitlatingen niet zijn gedaan in de context van een maatschappelijk debat kan de derde door de Hoge Raad geformuleerde toets onbesproken blijven.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door verdachte onder feiten 1, 2 en 5 ten laste gelegde uitlatingen strafbaar zijn op grond van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank gaat ervan uit dat met toepassing van voormeld toetsingskader als hiervoor overwogen, mede is voldaan aan de vereisten die artikel 10 EVRM en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in zijn jurisprudentie stellen aan een geoorloofde beperking van het in dit artikel neergelegde recht van vrijheid van meningsuiting.

3.3.2.4. Bewijs

Op grond van de aangifte van [naam 1], de verklaring van aangeefster [naam 2], de e-mail verzonden vanaf het e-mailadres [naam verdachte]@hotmail.com opgenomen op bladzijde 15 van het dossier en de bekennende verklaring van verdachte is bewezen dat verdachte het hem onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

Op grond van de aangifte van [naam 1], de verklaring van aangeefster [naam 2], de e-mail verzonden vanaf het e-mailadres [naam verdachte]@hotmail.com opgenomen op bladzijde 16 van het dossier en de bekennende verklaring van verdachte is bewezen dat verdachte het hem onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Op grond van de aangifte van [naam 1], de verklaring van aangeefster [naam 2], de e-mail verzonden vanaf het e-mailadres [naam verdachte]@hotmail.com opgenomen op bladzijde 19 van het dossier en de bekennende verklaring van verdachte is bewezen dat verdachte het hem onder 5 tenlastegelegde heeft begaan.

3.3.2.5. Opzet

Gelet op de (wel)bewustheid waarmee verdachte de bewezenverklaarde passages heeft geschreven en op het objectief beledigende karakter van deze passages gaat de rechtbank ervan uit dat ook verdachte zich van het beledigende karakter van zijn uitlatingen bewust moet zijn geweest ten tijde van het schrijven en verzenden ervan. In ieder geval heeft hij moeten beseffen dat deze passages, gezien de inhoud, bezwaarlijk anders dan als beledigend kunnen worden beschouwd. Hij heeft, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook op zijn minst voorwaardelijke opzet gehad op de onder 1, 2 en 5 bewezenverklaarde feiten.

3.3.2.6. Overweging met betrekking tot het tweede lid van artikel 137c Sr

Ten laste is gelegd “het een gewoonte maken van zich in het openbaar schriftelijk opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras”. De rechtbank stelt vast dat per ten laste gelegd feit steeds één e-mail, met een specifieke tekst, verstuurd op één datum, is ten laste gelegd. Om deze reden kan naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte zich (tevens) heeft schuldig gemaakt aan “het een gewoonte maken” van een beledigende uitlating, zoals bedoeld onder artikel 137c, lid 2 Sr.

3.3.3. Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde

3.3.3.1. Redengevende feiten en omstandigheden

Op 18 mei 2011 doet [naam 4] aangifte. Aangever is wethouder in de Gemeente Amsterdam. Voor zijn werkzaamheden heeft hij het e-mailadres [e-mailadres].amsterdam.nl. Op 12 mei 2011 krijgt hij op dit e-mailadres een e-mail van afzender [naam verdachte]@hotmail.com met de inhoud: “he fucking amsterdamse [naam 4] jood, jij moet mijn anti joodse troep videos accepteren, als jij ziojoodsefucker dit niet accepteert zal ik een klacht indienen dat jij kritiek op jouw proziojoodse standpunten niet accepteert, dat jij ziojood moet een ding niet vergeten, ik betaal jouw salaris en als de keuze aan mij zou zijn, dan sodemieter ik jullie eerst de stad uit, dan het land uit en dan uit deze wereld, jullie zijn van een soort om uit te kotsen”. Aangever voelt zich in zijn eer en goede naam aangetast. Hij doet aangifte van belediging. Hij dient een klacht tegen [verdachte] in.

Verdachte verklaart tegenover de politie dat hij de in de aangifte genoemde e-mail vanaf zijn computer heeft verstuurd naar [naam 4], wethouder van Amsterdam. Hij stuurde [naam 4] meerdere e-mails met links naar Youtube films, maar deze reageerde niet. Hij wilde een reactie uitlokken. Hij woonde op het adres [adres]. Hij gebruikt het e-mailadres [naam verdachte]@hotmail.com. Hij is de enige gebruiker van dit e-mailadres.

3.3.3.2. Bewijs

Op grond van de aangifte van [naam 4], de door [naam 4] ingediende klacht en de bekennende verklaring van verdachte is bewezen dat verdachte het hem onder 6 tenlastegelegde heeft begaan.

3.3.3.3. Opzet

Onder verwijzing naar de hiervoor onder 3.3.2.5. opgenomen overweging is de rechtbank van oordeel dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet had op het onder 6 bewezenverklaarde feit.

3.3.3.4 Nadere overweging met betrekking tot de rechtvaardigingsgrond als bedoeld in artikel 266 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 3.3.2.3 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de uitlating van verdachte niet is gedaan in de context van het maatschappelijk debat, zodat de in artikel 266 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bijzondere rechtvaardigingsgrond in het onderhavige geval niet van toepassing is.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 05 maart 2011 te Amsterdam zich in het openbaar bij geschrift opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, (te weten Joden,) wegens hun ras en/of godsdienst, door een e-mail te verzenden naar [naam 1] en [naam 2] en het CIDI en 45 andere geadresseerden met daarin (ondermeer) de tekst:"opdat jullie de joden duidelijk kunnen maken dat er geen plaats is in onze christelijke samenleving voor criminele misdadigers”.

2.

op 06 maart 2011 te Amsterdam zich in het openbaar bij geschrift opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, (te weten Joden,) wegens hun ras en/of godsdienst, door een e-mail te verzenden naar [naam 1] en [naam 2] en het CIDI en 44 andere geadresseerden met daarin (ondermeer) de tekst:"verdom de joden en schop ze het land uit".

5.

op 13 maart 2011 te Amsterdam zich in het openbaar bij geschrift opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, (te weten Joden,) wegens hun godsdienst en/of ras, door een e-mail te verzenden aan [naam 1] en [naam 2] en het CIDI en 44 andere geadresseerden met daarin de tekst:"DEPROGRAMMEER JEZELF EN KOOP NIET MEER BIJ DE JODEN, BESPUUG ZE EN LAAT ZE WETEN DAT WIJ VIES ZIJN VAN DE JODEN.".

6.

op 12 mei 2011 te Amsterdam opzettelijk beledigend [naam 4], door toezending van een geschrift (een e-mail) heeft toegevoegd de woorden "he fucking Amsterdamse Jood, jij moet mijn anti Joodse troep videos accepteren, als jij ziojoodsefucker dit niet accepteert zal ik een klacht indienen dat jij kritiek op jouw proziojoodse standpunten niet accepteert, dat jij ziojood moet een ding niet vergeten, ik betaal jouw salaris en als keuze aan mijn zou zijn, dan sodemieter ik jullie eerst de stad uit, dan het land uit en dan uit deze wereld, jullie zijn van een soort om uit te kotsen".

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van de straf

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 2 en 3 ten laste gelegde en ter zake van de door haar onder 1, 2, 5 en 6 bewezen geachte feiten en zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 40 uur, subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De officier van justitie heeft gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering omdat zij niet rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich in diverse e-mails zeer kwetsend en beledigend uitgelaten over joden. Hij heeft deze e-mails in een periode van enkele maanden naar veel verschillende

e-mailadressen gestuurd van mensen met zowel een joodse als een niet-joodse achtergrond. De gebezigde uitlatingen dienen geen enkel redelijk doel en zijn van een grof kwetsend en beledigend karakter. Dit geldt voor joodse overlevenden van de vernietigingskampen en hun nabestaanden, voor andere mensen met een joodse achtergrond, doch evenzeer voor

niet-joden. Het is om die reden schokkend dat verwerpelijke antisemitische uitingen, zoals verdachte heeft geproduceerd, in Nederland nog altijd worden gedaan. Uitlatingen als die van verdachte kunnen dan ook persoonlijk leed teweegbrengen bij joden en niet-joden. Verdachte heeft bovendien bijgedragen aan gevoelens van onrust in de maatschappij. Daarnaast heeft verdachte middels een e-mail, met een vergelijkbare kwetsende en beledigende inhoud, de wethouder van Amsterdam beledigd.

Bij het bepalen van de op te leggen straf is acht geslagen op het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister op naam van verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder ter zake van het plegen van een misdrijf is veroordeeld.

In de omstandigheid dat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, tot een vrijspraak komt van de in feiten 1, 2 en 5 aan verdachte (tevens) ten laste gelegde “het een gewoonte maken van zich in het openbaar schriftelijk opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras”, ziet de rechtbank aanleiding af te wijken van de door de officier van justitie geformuleerde eis en zal de rechtbank aan verdachte een andere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank geeft met het opleggen van deze lagere onvoorwaardelijke straf de verdachte de gelegenheid zijn leven te beteren. De rechtbank ziet hiertoe aanleiding nu het lijkt of de verdachte na zijn aanhouding in juli 2011 is gestopt met het verzenden van e-mails met een dergelijk beledigend karakter.

Anderzijds ziet de rechtbank de noodzaak tot preventie. Ten einde de verdachte ervan te trachten te weerhouden zich in de toekomst schuldig te maken aan het plegen van een strafbaar feit, zal de rechtbank, bij matiging van de door de officier van justitie geformuleerde werkstraf, aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 2 weken.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, nu zij geen rechtstreekse schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde. De officier van justitie heeft ter onderbouwing van dit standpunt een overweging van de Hoge Raad uit het arrest HR 16 april 1996, LJN AD 2525, NJ 1996, 527 aangehaald, te weten:

“Mede gelet op de bewoordingen van de bewezenverklaarde feiten is niet voldoende aannemelijk gemaakt of geworden dat deze uitlatingen nu juist tegen de beledigde partijen, haar leden of “achterbannen” waren gericht of voor deze(n) waren bestemd en kan dus niet worden geoordeeld dat de beledigde partijen of degenen voor wie zij opkomen door die uitlatingen rechtstreeks schade hebben geleden. Daargelaten of de beledigde partijen, voor zover ze natuurlijk persoon zijn of rechtspersoonlijkheid bezitten, overigens in hun

-civielrechtelijke- vorderingen ontvankelijk zouden zijn, dient reeds op grond van het ontbreken van evenbedoeld verband tussen feit en schade, een niet-ontvankelijkverklaring te volgen”.

In het onderhavige geval is de situatie in die zin anders dat de rechtbank, blijkens het onder 1, 2 en 5, bewezenverklaarde, van oordeel is dat de verdachte zijn beledigende uitlatingen mede en – door adressering van de e-mails aan haar – in het bijzonder tegen de benadeelde partij heeft gericht. Gelet op de geformuleerde overweging van de Hoge Raad is derhalve in het onderhavige geval wel sprake van een rechtstreeks verband tussen de bewezenverklaarde feiten en de schade.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij [naam 2], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor 1, 2 en 5 bewezengeachte feiten, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 250,- (tweehonderdvijfig euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [naam 2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op artikel 14a, 14b, 14c, 22a, 22b, 57, 137c en 266 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

8. Beslissing

Verklaart het onder 3 en 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1, 2 en 5 bewezen verklaarde:

Van het zich in het openbaar bij geschrift opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun godsdienst en/of ras een gewoonte maken.

Ten aanzien van het onder 6 bewezen verklaarde:

Eenvoudige belediging

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van

60 (zestig) uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen.

Veroordeelt verdachte tevens tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Beveelt dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 2], wonende op het adres [adres] toe tot een bedrag van € 250,-- (tweehonderdvijftig euro), ter zake van geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 5 maart 2011, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [naam 2] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij

[naam 2], te betalen de som van € 250,-- (tweehonderdvijftig euro), ter zake van geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 5 maart 2011, tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 (vijf) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.J. Bade, voorzitter,

mrs. H.J. Bunjes en J.J. Wirken, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 januari 2011.