Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BV1254

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-01-2012
Datum publicatie
18-01-2012
Zaaknummer
AWB 11-5840 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Integriteitskwestie ambtenaar werkzaam voor de gemeente Amsterdam.

Verzoeker was laatstelijk werkzaam als magazijnmedewerker bij het stadsdeel Oost van de gemeente Amsterdam. Hij is op 14 april 2009 in voorlopige hechtenis gesteld wegens verdenking van betrokkenheid bij een moord in Almere. Het stadsdeel moest hier via derden achterkomen. Na de opheffing van de voorlopige hechtenis is verzoeker door het stadsdeel geschorst zonder bezoldiging. Hiertegen loopt nog een beroepsprocedure.

De meervoudige strafkamer van de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft verzoeker bij vonnis van 6 mei 2010 vrijgesproken van het tezamen met anderen opzettelijk doden van het slachtoffer en het verbergen van het lijk.

Het stadsdeel heeft verzoeker op 31 oktober 2011 strafontslag verleend wegens ernstig plichtsverzuim. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en heeft een verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank ingediend. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek afgewezen, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niets van doen heeft gehad met de dood van het slachtoffer, terwijl de werkgever hem uitgebreid de gelegenheid heeft gegeven de uit de strafzaak ontstane indruk te weerleggen. De rechter heeft verwezen naar het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad, waarin verklaringen zijn opgenomen waaruit verzoekers betrokkenheid blijkt. Dat die rechtbank verzoeker heeft vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, maakt dit niet anders. In het bestuursrecht gelden andere bewijsregels en daarbij is ‘medeplegen aan de moord en het wegmaken van het lijk’, wat in de strafzaak ten laste was gelegd, iets anders dan ‘betrokken zijn bij’. Daarbij had verzoeker het stadsdeel aanvankelijk niet de waarheid verteld over zijn periode van afwezigheid in verband met de detentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/5840 AW

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. M.H. Horst

en

het dagelijks bestuur van het Stadsdeel Oost van de gemeente Amsterdam,

verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoeker ingediende bezwaar tegen het besluit van verweerder van 31 oktober 2011.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 januari 2011.

Verzoeker is verschenen, bijgestaan zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door I.C. Holtkamp. Aan de zijde van verweerder zijn tevens verschenen [persoon 1] en [persoon 2].

Overwegingen

1. inleidende bepalingen

1.1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

2. feiten en standpunten van verzoeker

2.1. Verzoeker was laatstelijk werkzaam als magazijnmedewerker bij het stadsdeel Oost van de gemeente Amsterdam.

2.2. Verzoeker is 14 april 2009 aangehouden en in voorlopige hechtenis gesteld wegens verdenking van betrokkenheid bij een moord te Almere. De voorlopige hechtenis is op

2 juni 2009 opgeheven. Verzoeker heeft de werkgever er niet van op de hoogte gesteld dat hij gedetineerd was. Zijn echtgenote heeft aanvankelijk vermeld dat hij ziek dan wel naar het buitenland was. Verweerder heeft na korte tijd via derden vernomen van eisers detentie.

2.3. Na de opheffing van de voorlopige hechtenis heeft verzoeker zich gemeld om het werk te hervatten. Daarop heeft op 2 juli 2009 een onderzoeksgesprek plaatsgevonden om van verzoeker gegevens over het gebeurde te verkrijgen. Nadat op 23 juli 2009 een voornemen tot schorsing zonder bezoldiging is uitgebracht, heeft verweerder verzoeker met ingang van 2 september 2009 zonder bezoldiging geschorst omdat hij strafrechtelijk werd vervolgd voor het plegen van een misdrijf en voorts omdat het voornemen bestond om hem onvoorwaardelijk strafontslag op te leggen. Tevens is aan verzoeker de toegang tot de werkplek en de gebouwen van het stadsdeel ontzegd. Tegen het schorsingsbesluit is bezwaar en beroep ingesteld. Dit beroep is nog aanhangig bij deze rechtbank.

2.4. Bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

6 mei 2010 is verzoeker vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, te weten het tezamen met anderen opzettelijk van het leven beroven van het slachtoffer K. en van het tezamen met anderen verbergen van het lijk van het slachtoffer. Omdat het strafvonnis bij verweerder vragen opriep ten aanzien van de integriteit van verzoeker, heeft op 23 juni 2010 een gesprek plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van verweerder, verzoeker en zijn (toenmalige) raadsvrouwen. Volgens het verslag van dat gesprek zou de toenmalige raadsvrouwe

mr. Engels hebben toegezegd dat verweerder inzage zou krijgen in de processen-verbaal van de strafzaak om zich een beeld over de rol van verzoeker te kunnen vormen.

2.5. Na een verzoek om voorlopige voorziening heeft de voorzieningenrechter de voorziening getroffen tot hervatten van de bezoldiging van verzoeker met ingang van

15 februari 2011, te weten de datum van de indiening van het verzoek om voorlopige voorziening.

2.6. Het voornemen tot het opleggen van onvoorwaardelijk strafontslag is op

15 maart 2011 aan verzoeker bekend gemaakt. Bij besluit van 31 oktober 2011 heeft verweerder aan verzoeker met onmiddellijke ingang strafontslag als bedoeld in artikel

13.6, eerste lid, onder f, van de Nieuwe Rechtspositieregeling van de gemeente Amsterdam (NRGA) opgelegd omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige vorm van plichtsverzuim. Subsidiair is verzoeker ontslagen op grond van ongeschiktheid voor de functie, anders dan door ziekte of gebreken in de zin van artikel 12.12 aanhef onder a, van de NRGA, met ingang van 1 oktober 2012. Voor het geval beide ontslaggronden geen stand houden is meer subsidiair om ander redenen als bedoeld in artikel 12.12, aanhef en onder b, van de NRGA ontslag verleend met ingang van 2 januari 2012.

2.7. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan. Hij voert aan dat het besluit niet in rechte kan standhouden. Verzoeker voert verder aan dat het vonnis van 6 mei 2010 van de rechtbank Zwolle-Lelystad, waarin hij is vrijgesproken van de hem ten laste gelegde strafbare feiten als leidraad moet gelden voor de afweging die het bestuursorgaan moet maken. Verzoeker stelt dat hij niets van doen heeft gehad met de dood van het slachtoffer en daarbij op geen enkele wijze bij betrokken geweest. Verzoeker is van mening dat verweerder niet op deugdelijke wijze heeft aangetoond dat dit wel het geval is. Daarbij staat volgens verzoeker niet vast dat hij de hem verweten gedragingen heeft verricht, zodat er geen sprake is van plichtsverzuim. Daarmee ontbreekt volgens verzoeker een toereikende grondslag voor het strafontslag.

2.8. Voorts voert verzoeker aan dat de omstandigheid dat zijn verklaringen wellicht niet altijd eenduidig zijn geweest, hem niet zodanig kan worden aangerekend dat slechts de ultieme straf van ontslag gerechtvaardigd is. Zijn proceshouding in de strafzaak, te weten zijn beroep op zwijgrecht, kan hem niet zo zwaar worden aangerekend dat deze houding het disciplinair ontslag rechtvaardigt. Aan de wens van het bevoegd gezag dat verzoeker delen van het strafdossier zou dienen te verstrekken heeft verzoeker niet kunnen voldoen, omdat dit dossier privacygevoelige informatie met betrekking tot derden bevat.

2.9. Ten slotte voert verzoeker aan dat een meer dan redelijke termijn is verstreken tussen het moment van bekend worden van de vermeende feiten en het voornemen tot strafontslag en nadien tot het moment van het strafontslag. Hierom dient het tijdsverloop te worden meegewogen bij de strafmaat.

3. juridisch kader

3.1. Artikel 11.1 van de NRGA bepaalt dat de ambtenaar de hem gegeven voorschriften opvolgt en in het algemeen alles behoort te doen of na te laten wat van een goed ambtenaar wordt verwacht.

3.2. Artikel 13.4 van de NRGA bepaalt dat de ambtenaar kan worden gestraft als hij zich niet gedraagt overeenkomst artikel 11.1 en zich daarmee schuldig maakt aan plichtsverzuim.

3.3. Artikel 13.6 van de NRGA bepaalt dat strafontslag één van de straffen is die de ambtenaar kan worden opgelegd. In de toelichting bij dit artikel wordt bepaald dat er sprake moet zijn van evenredigheid tussen de opgelegde straf en het geconstateerde plichtsverzuim.

4. inhoudelijke beoordeling

4.1. Wat betreft de vaststelling van de feiten kent de voorzieningenrechter in het bijzonder betekenis toe aan de overwegingen van het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 6 mei 2010. Daaruit blijkt dat verzoeker tegenover een (politiële) stelselmatige informatie-inwinner, genaamd A-3130 heeft verklaard dat hij samen met twee anderen door zijn baas, de medeverdachte J, in de toko werd geroepen om een lijk in de auto te tillen. Tevens blijkt uit dat vonnis dat een medeverdachte van verzoeker heeft verklaard dat alle in de toko aanwezige personen, waaronder verzoeker, hebben meegeholpen met het in de auto tillen van het stoffelijk overschot.

4.2. De voorzieningenrechter hecht betekenis aan het feit dat verweerder aan verzoeker de gelegenheid heeft geboden om hetzij door middel van een eigen verklaring, hetzij door middel van het overleggen van processen-verbaal uit de strafzaak tegenover verweerder aannemelijk te maken dat hij – zoals hij tegenover verweerder heeft gesteld – in het geheel niet betrokken is geweest bij de hierboven onder 4.1 beschreven gebeurtenis. Verzoeker heeft dat nagelaten.

4.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker zijn stelling dat hij niets van doen heeft gehad met de dood van het slachtoffer van moord gelet op de overwegingen in eerder genoemd vonnis niet aannemelijk heeft weten te maken. Aan het gegeven dat verzoeker door de strafrechter is vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, te weten het medeplegen van het verbergen, wegvoeren of wegmaken van het lijk van K, hecht de voorzieningenrechter niet de betekenis die verzoeker daaraan toegekend wil zien. Naar vaste jurisprudentie (van de Centrale Raad van Beroep, 14 oktober 1999, LJN AA4696, TAR 1999, 155) gelden in het ambtenarentuchtrecht niet de in het strafrecht van toepassing zijnde zeer strikte bewijsregels. Wel geldt dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de betreffende ambtenaar zich heeft schuldig gemaakt aan de hem verweten gedraging. De voorzieningenrechter merkt hierbij nog op dat de vrijspraak in dit geval samenhing met de uitleg van het begrip medeplegen. De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft in het strafvonnis overwogen dat er ontoereikend strafrechtelijk bewijs was voor het oordeel dat verzoeker uitvoeringshandelingen heeft verricht en evenmin dat hij op een andere wijze een substantiële bijdrage aan het wegmaken van sporen en/of het wegvoeren van het stoffelijk overschot van K. heeft geleverd. De rechtbank Zwolle-Lelystad overweegt daarbij dat het louter aanwezig zijn bij- en het zich niet distantiëren van een door een ander gepleegd misdrijf in dit geval onvoldoende is voor een veroordeling voor medeplegen. Voor de verkregen overtuiging in deze bestuursrechtelijke procedure acht de voorzieningenrechter toereikend dat uit het strafvonnis voldoende blijkt dat verzoeker aanwezig was in de toko en wetenschap had van het misdrijf en tegenover zijn werkgever ook desgevraagd hieromtrent geen passende verklaring heeft kunnen geven. De rechter acht dit ernstig plichtsverzuim. Daarbij komt, zoals ook in het bestreden besluit is overwogen, dat verzoeker over de reden van zijn afwezigheid vanwege detentie in de periode van

14 april 2009 tot 2 juni 2009 tegenover zijn werkgever (aanvankelijk) niet de waarheid heeft verteld.

4.4. Gelet op het vorenstaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat verzoeker zich aan het hem verweten plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt. Nu voorts niet is gebleken dat de gedragingen niet ten volle aan verzoeker kunnen worden toegerekend was verweerder bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf. Dat er een te lange termijn zou zijn verstreken sinds de aanhouding van verzoeker in 2009 en het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad om nog tot ontslag over te kunnen gaan, kan de rechter niet inzien. Het tijdsverloop is immers mede het gevolg geweest van het feit dat verweerder verzoeker op diens verzoek in de gelegenheid heeft gesteld om een verklaring te geven of bewijsstukken te leveren op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat wat in het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad stond niettemin geen plichtsverzuim betekende.

4.5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het ontslagbesluit in strijd is met het beginsel dat geen onevenredigheid mag bestaan tussen een getroffen sanctie en de ernst van het handelen op grond waarvan de sanctie is getroffen. De door verzoeker verweten gedraging raakt de kern van de integriteit van verweerders ambtenarenkorps.

4.6. Nu naar verwachting het bestreden besluit in bezwaar zal standhouden, bestaat geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

4.7. Voor een veroordeling in de proceskosten en vergoeding van het griffierecht ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter, in aanwezigheid

van R.E. Toonen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2012.

de griffier de voorzieningenrechter

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

D: C

SB