Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BV0459

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-01-2012
Datum publicatie
10-01-2012
Zaaknummer
501414 / KG ZA 11-1591 MvW/MRSB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN:BU6172. Erfrecht. Tot de nalatenschap van de ouders van partijen behoort een viertal zogenaamde pendanten, bestaande uit in totaal acht schilderijen. Eiseres sub 1 is benoemd tot executeur testementair. Zij heeft voor een bepaalde periode aan gedaagde sub 1 een volmacht verstrekt om de pendanten voor een minimumprijs van EUR 650.000,00 te verkopen. Gedaagde sub 1 heeft op enig moment de pendanten voor de door de executeur bepaalde minimumprijs verkocht, waarna de koopprijs is gestort op de derdengeldrekening van de notaris van gedaagde sub 1. Eiseressen vermoeden dat gedaagde sub 1 de pendanten in werkelijkheid voor een veel hogere prijs heeft doorverkocht en dat daarmee de erven zijn benadeeld. Geoordeeld wordt dat gedaagde sub 1 in dat geval in strijd zou handelen met hetgeen van hem als gevolmachtige van de executeur mag worden verwacht. Gedaagde sub 1 ontkent dat hij de schilderijen zelf heeft gekocht om ze door te verkopen voor een hogere prijs aan een derde partij. Gedaagden hebben met het overleggen van een geanonimiseerde koopovereenkomst onvoldoende aannemelijk gemaakt dat gedaagde sub 1 de pendanten niet zelf heeft gekocht. Gedaagde sub 1 is bij tussenvonnis veroordeeld de originele koopovereenkomst over te leggen en de notaris opdracht te geven de onder de notaris gestorte koopsom door te betalen op de ervenrekening. De procedure wordt aangehouden met betrekking tot de vordering tot het verstrekken van bankafschriften door gedaagde sub 1 . Na het tussenvonnis heeft gedaagde sub 1 een aantal stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij de pendanten, na verkoop aan een kunsthandelaar van die handelaar bij overeenkomst van dezelfde dag voor dezelfde prijs heeft teruggekocht. Vervolgens heeft hij de pendanten in consignatie gegeven aan de kunsthandelaar ter verkoop. In het eindvonnis wordt geoordeeld dat gedaagde sub 1 eiseressen en de voorzieningenrechter heeft misleid omdat hij eerder in de procedure heeft ontkend de pendanten zelf te hebben gekocht. Door de pendanten zelf te kopen handelt hij echter niet in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid die hij als gevolmachigde van de executeur testementair jegens de erven in acht behoorde te nemen, nu niet aannemelijk is geworden dat hij ten tijde van de koop al een derde koper had gevonden die voor de pendanten een hogere prijs wilde betalen. Wel wordt in de misleiding aanleiding gevonden gedaagde sub 1 in de proceskosten te veroordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 501414 / KG ZA 11-1591 MvW/MRSB

Vonnis in kort geding van 6 januari 2012

in de zaak van

1. [zus 1],

wonende te [woonplaats],

2. [zus 2],

wonende te [woonplaats],

eiseressen bij dagvaarding van 27 oktober 2011,

advocaat mr. J.W. Damstra te Apeldoorn,

tegen

1. [broer],

wonende te [woonplaats],

2. [zus 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. H.W. Prillevitz te Bussum.

Partijen zullen hierna, waar afzonderlijk bedoeld [zus 1], [zus 2], [broer] en [zus 3] worden genoemd.

1. De procedure

De voorzieningenrechter heeft op 25 november 2011 een tussenvonnis gewezen. Voor het procesverloop tot dan toe wordt verwezen naar hetgeen daaromtrent in dat vonnis is opgenomen. Na het tussenvonnis hebben beide partijen nadere stukken overgelegd, in beide gevallen voorzien van een schriftelijke toelichting, waarin partijen hebben verzocht vonnis te wijzen. Daarop heeft de voorzieningenrechter vonnis bepaald op heden.

2. De feiten

In aanvulling op de feiten zoals die in het tussenvonnis van 25 november 2011 zijn opgenomen, en waarnaar hier wordt verwezen, staat tussen partijen het volgende als niet of onvoldoende betwist vast.

2.1. Bij overeenkomst van 23 augustus 2011 heeft [broer] de pendanten verkocht aan een kunsthandelaar, [kunsthandelaar] (hierna: [kunsthandelaar]), te London, Verenigd Koninkrijk, voor een koopprijs van EUR 650.000,00, welk bedrag binnen vier weken op de derdengeldrekening van de notaris van [broer] diende te worden betaald.

2.2. Bij overeenkomst van 23 augustus 2011 heeft [kunsthandelaar] de pendanten verkocht aan HEAS B.V., een vennootschap van [broer], voor een koopprijs van EUR 650.000,00. In deze overeenkomst staat voor zover voor deze procedure van belang het volgende:

“Heas BV will, simultaneously with depositing € 650.000 in said escrow account (van de notaris van [broer], vzr) take over the existing commitment of seller to pay out € 650.000 to the estate of [moeder], thereby releasing seller of all his existing commitments towards the estate.

HEAS BV will instruct the notary to pay out to the estate within at most two weeks of the receipt of the deposit by HEAS BV into said escrow account. No further payments are then due anymore by seller to the estate.”

2.3. Bij overeenkomst van 24 augustus 2011, getiteld “Consignment Agreement”, zijn HEAS BV en [kunsthandelaar] overeengekomen dat [kunsthandelaar] de pendanten voor HEAS BV zal verkopen en daarbij een vraagprijs van EUR 850.000,00 zal hanteren, waarvan 15% als commissie verschuldigd zal zijn.

2.4. In een e-mail van 1 december 2011 van [broer] aan - onder anderen - [zus 1] en [zus 2] staat voor zover voor deze procedure van belang het volgende:

“De maximum verkoopprijs is 950 k (niet 1 miljoen) maar dat is bruto. Netto wordt dat na aftrek 15% consignment fee, restauratie kosten en flyer bijdrage 750 k. Dat zou 100 k Euro winst op leveren. Gaat het wat heel goed mogelijk is voor zeg 650 k, dan resulteert er volgens dezelfde formule een verlies van 150.000 Euro. Daarnaast is er nog een korting van 100.000 voor de koper die de collectie toegankelijk houdt in Nederland. Al met al moet je rekenen op een substantieel verwacht verlies, dat was waarom ik aangaf dat de boedel een uitstekende deal gekregen heeft: de verwachte netto opbrengst van Christies, maar zonder het verkooprisico. (…)”

2.5. In een e-mail van 15 december 2011 schrijft [kunsthandelaar] aan [broer] onder meer:

“I am very happy to confirm our discussions back in August which was a detailed dialogue concerning the possible disposal of the set of 8 Adrichem van Dorp Portraits. I told you that I would be interested in buying them outright, and offered you € 500.000 for the group. That was the maximum I felt was right for me to offer, as I had to leave a margin for myself and knew that there would be considerable expenditure in terms of transport, restoration and refurbishment of the frames, and in the case of the pair of de Brays, relining costs as well. You did not want tot take this offer and we agreed that I would take them on consignment as I was fairly reluctant to take on the resale risk. I then accepted that € 650.000 was a fair price because HEAS BV accepted to take on most (85%) of the resale risk and indeed all of the restoration expenses. (…)

3. De verdere beoordeling

3.1. Ter beoordeling staat thans nog het door eiseressen onder II. van het petitum van de uitgebrachte dagvaarding gevorderde, strekkende tot veroordeling van [broer] tot het verschaffen van inzage in de transacties aangaande de verkoop van de pendanten door middel van het verstrekken van bankafschriften van zijn rekening(en).

3.2. Vooropgesteld wordt dat [broer] de betrokkenen in deze procedure alsmede de voorzieningenrechter heeft misleid. Onder punt 18 van de pleitnotitie van mr. Prillevitz wordt immers uitdrukkelijk betwist dat [broer] de pendanten zelf heeft gekocht. Met de overlegging van de koopovereenkomst tussen [kunsthandelaar] en [broer] staat vast dat dit niet waar is. Hierdoor heeft [broer] een onjuiste voorstelling van zaken gegeven en is deze procedure onnodig vertraagd. Dit neemt echter niet weg dat [zus 1] aan [broer] met betrekking tot de koper van de pendanten geen beperkingen heeft opgelegd en het [broer] derhalve in beginsel vrij stond de pendanten ook zelf te kopen, voor zover hij daarvoor het door [zus 1] vastgestelde (minimum)bedrag van EUR 650.000,00 zou betalen. Met de koopovereenkomst van 23 augustus 2011 tussen [broer] als gevolmachtigde van [zus 1] en [kunsthandelaar] als koper voor EUR 650.000,00, is voldoende aannemelijk dat [broer] binnen de grenzen van de aan hem verstrekte volmacht gebleven. Dat [broer] de pendanten onmiddellijk van [kunsthandelaar] heeft teruggekocht, kan [broer] gelet op het bovenstaande in beginsel niet worden tegengeworpen. Dat is slechts anders indien voldoende aannemelijk is dat deze constructie ten doel heeft gehad de pendanten aan het zicht van de erven te onttrekken en door te verkopen aan een derde die zich op het moment van de verkoop van de pendanten aan [kunsthandelaar] reeds bij [broer] had gemeld en voor de pendanten bereid was een hogere prijs te betalen. Dit is echter - anders dan eiseressen menen - ook na overlegging van de koopovereenkomsten van 23 augustus 2011, de consignment agreement van 24 augustus 2011 en de tussen partijen en met [kunsthandelaar] gevoerde correspondentie onvoldoende gebleken. Uit de e-mails van [broer] en [kunsthandelaar] kan niet worden geconcludeerd dat zich op het moment van verkoop van de pendanten aan [kunsthandelaar] al een koper bij [broer] had gemeld. Bovendien heeft mr. Prillevitz in zijn begeleidend schrijven van 16 december 2011 meegedeeld dat de pendanten ten tijde van zijn schrijven nog steeds niet waren verkocht. Aldus moet het ervoor worden gehouden dat [broer] de pendanten heeft gekocht in de hoop dat deze meer zullen opbrengen dan hij ervoor aan de boedel heeft betaald. Hiermee handelt [broer], afgezien van het feit dat hij ten onrechte niet van meet af aan openheid van zaken heeft gegeven, niet in strijd met hetgeen de eisen van redelijkheid en billijkheid in zijn verhouding tot de overige erven van hem verlangen. Tegenover de kans dat de pendanten meer zullen opbrengen dan [broer] daarvoor aan de boedel heeft betaald, staat immers het - niet ondenkbeeldige - risico dat de pendanten (na aftrek van kosten van restauratie en verkoopkosten) uiteindelijk verliesgevend zullen blijken te zijn. Het bovenstaande leidt ertoe dat [zus 1] voorshands onvoldoende belang heeft bij overlegging van de bankafschriften die betrekking hebben op de transacties van de pendanten zodat deze vordering zal worden afgewezen.

3.3. De voorzieningenrechter heeft in het tussenvonnis overwogen dat de proceskosten zullen worden gecompenseerd. Echter, gebleken is thans dat [broer] [zus 1] en [zus 2] met betrekking tot de (ver)koop van de pendanten heeft misleid, en dat dit de procedure nodig heeft gemaakt en heeft vertraagd. Daarin wordt aanleiding gevonden terug te komen van hetgeen in het tussenvonnis met betrekking tot de proceskosten is overwogen. [broer] zal worden veroordeeld in de proceskosten van [zus 1] en [zus 2]. Deze veroordeling zal niet aan [zus 3] worden opgelegd, van wie onvoldoende aannemelijk is dat zij aan het handelen van [broer] in enige mate van belang heeft bijgedragen.

De kosten aan de zijde van eiseressen worden begroot op:

- dagvaarding EUR 90,80

- griffierecht 260,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.166,80.

4. De verdere beslissing

De voorzieningenrechter

4.1. wijst het meer of anders gevorderde af,

4.2. veroordeelt [broer] in de proceskosten aan de zijde van eiseressen gevallen, tot op heden begroot op EUR 1.166,80,

4.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.R.S. Bacon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2012.