Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:9266

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-12-2012
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
HA RK 12-395
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Schriftelijk verzoek tot wraking ex art. 36 Rv. Het verzoek berust op de gedachte dat verzoekster meent dat de rechter beslissingen heeft genomen ten gunste van de wedepartij van verzoekster. Volgens verzoekster is de rechter steeds tegemoet gekomen aan de wensen van de wederpartij van verzoekster terwijl stukken van verzoekster telkens buiten het geding of buiten beschouwing zijn gelaten.

De wrakingskamer oordeelt dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de rechter partijdig is, dan wel dat de vrees van verzoekster voor partijdigheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is. Het behoort tot de taak van de rechter om partijen zo nodig om nadere specificaties of inlichtingen (artt. 22 en 88 Rv) te vragen, om een van partijen een bewijsopdracht (149 Rv) te geven of om een eventuele eiswijziging (130 Rv) of aanpassing van het gevoerde verweer - als hiervan al sprake is-, al dan niet toe te staan. Ook de beslissing van de rechter om stukken wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten, behoort tot het rechterlijk domein. Verzoekster is bij tussenvonnis van 13 juni 2012 in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren waarop de wederpartij mocht reageren. Het door de rechter buiten beschouwing laten van de door verzoekster ingediende stukken levert geen (objectief gerechtvaardigde vrees voor) vooringenomenheid van de rechter op. Het feit dat er na het wrakingsverzoek nog een brief naar verzoekster is verzonden met het bericht dat er vonnis zou worden gewezen, wijst veeleer op een kennelijke (administratieve) vergissing ter griffie dan op enige vooringenomenheid van de rechter. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak



beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Beschikking op het op 30 oktober 2012 gedane en onder rekestnummer HA RK 12-395 ingeschreven verzoek van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

nader te noemen: verzoekster,

procederend in persoon

welk verzoek strekt tot wraking van mr. F.M.P.M. Strengers, kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam, locatie Hilversum, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende stukken:

  • -

    het wrakingsverzoek van verzoekster van 30 oktober 2012;

  • -

    de schriftelijke reactie van de rechter bij brief van 1 november 2012.

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten. Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 23 november 2012, waar verzoekster is verschenen. Verzoekster heeft haar verzoek ter zitting nader toegelicht. De rechter had bericht niet aanwezig te kunnen zijn en daarbij verwezen naar het verweerschrift van 1 november 2012.

Ter zitting heeft de wrakingskamer aan verzoekster toegezegd te zullen bevorderen dat de schorsing van de civiele procedure waarin zij het wrakingsincident heeft opgeworpen, alsnog ter griffie zal worden genoteerd. Aldus is ook geschied.

De uitspraak is bepaald op 7 december 2012.

1 Gronden van de beslissing

Van de volgende feiten wordt uitgegaan:

a) Verzoekster is gedaagde in een door de rechter behandelde (civiele) zaak onder nummer CV EXPL 11-1690.

b) In die procedure is verzoekster op 23 maart 2011 gedagvaard door ONVZ Ziektekostenverzekering N.V. (hierna: ONVZ) tot betaling van een tandartsnota.

c) Op 16 november 2011 is er door de rechter in die procedure een tussenvonnis gewezen, waarbij een comparitie van partijen is bepaald. Deze comparitie heeft op 2 maart 2012 plaatsgevonden. Verzoekster is in de gelegenheid gesteld na de comparitie een nadere akte in te dienen. ONVZ heeft hierop bij antwoord-akte gereageerd.

d) Op 13 juni 2012 is er wederom een tussenvonnis gewezen. In dit tussenvonnis is verzoekster in de gelegenheid gesteld om bij akte nadere bewijsstukken over te leggen ter onderbouwing van haar stelling dat de behandeling door de tandarts ondeugdelijk is geweest.

e) Verzoekster heeft op 29 augustus 2012 een akte ingediend, waar ONVZ bij akte van 26 september 2012 op heeft gereageerd.

f) Daarna is vonnis bepaald op 7 november 2012.

g) Verzoekster heeft op 2 oktober 2012 een nadere reactie ingediend. Deze reactie is bij brief van 4 oktober 2012 aan verzoekster retour gezonden met de mededeling dat deze buiten de procesorde valt.

h) Bij brief d.d. 8 oktober 2012, op de griffie binnengekomen op 9 oktober 2012, heeft verzoekster aan de rechter bericht dat haar akte ten onrechte retour is gezonden. Zij heeft nogmaals verzocht haar nadere reactie in behandeling te nemen.

i) Bij (fax)brieven van 9 oktober 2012 heeft verzoekster aan de rechter verzocht om haar een proces-verbaal van de comparitie d.d. 2 maart 2012 toe te zenden en om het vonnis van 13 juni 2012 te rectificeren, omdat daarin volgens haar ten onrechte nog staat vermeld dat zij bij gemachtigde procedeert.

j) In een telefoongesprek op 26 oktober 2012 heeft een medewerker van de griffie aan verzoekster medegedeeld dat door de rechter is besloten de brieven van 2 en 9 oktober 2012 buiten beschouwing te laten.

2 Het verzoek en de gronden daarvan

2.1.

Aan het wrakingsverzoek wordt - samengevat - ten grondslag gelegd dat de gang van zaken in deze procedure de vrees rechtvaardigt dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daartoe voert verzoekster ten eerste aan dat de rechter door middel van het tussenvonnis van 16 november 2011 geprobeerd heeft de gebreken in de dagvaarding van ONVZ te herstellen. Zo heeft hij, in plaats van de vordering meteen af te wijzen, ONVZ in de gelegenheid gesteld om de gevorderde hoofdsom en de verrekeningen hierop tijdens de comparitie nader toe te lichten en te specificeren. Volgens verzoekster blijkt hieruit vooringenomenheid van de rechter.

2.2.

Als tweede grondslag van de wraking voert verzoekster aan dat de rechter in zijn tussenvonnis van 13 juni 2012 ten onrechte heeft ingestemd met een wijziging van eis door ONVZ. Als gevolg hiervan heeft de rechter ten onrechte de bewijslast op verzoekster gelegd door haar bewijsstukken over te laten leggen ter onderbouwing van haar stelling dat de behandelingen door de tandarts ondeugdelijk zijn geweest. De rechter had in de plaats daarvan een onafhankelijke deskundige in moeten schakelen.

2.3.

Voorts voert verzoekster aan dat zij het opmerkelijk vindt dat zij na de wraking nog een brief van de Rechtbank Amsterdam heeft ontvangen, waarbij haar is bericht dat er op 5 december 2012 vonnis zal worden gewezen. Daaruit blijkt dat de rechter haar wrakingsverzoek niet serieus neemt, dat de zaak ten onrechte niet is geschorst en dat er op 5 december 2012 ten onrechte vonnis zal worden gewezen.

2.4.

Ten slotte voert verzoekster ter onderbouwing van het wrakingsverzoek aan dat haar brief van 2 oktober 2012 ten onrechte naar haar is terug gezonden en dat haar brieven van 9 oktober 2012 ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten. Omdat verzoekster gedaagde in de procedure bij de rechter is, moet zij altijd het laatste woord krijgen. Dit beginsel is door de beslissingen van de rechter geschonden.

2.5.

Volgens verzoekster hebben deze grondslagen tezamen bij haar twijfels over de onpartijdigheid van de rechter opgeroepen. De handelingen en beslissingen van de rechter ten gunste van ONVZ hebben de schijn van partijdigheid en vooringenomenheid opgewekt. Aan de wensen van ONVZ is meerdere malen tegemoet gekomen, terwijl stukken van verzoekster telkens buiten het geding of buiten beschouwing zijn gelaten. De rechter heeft zich in allerlei bochten gewrongen om de vordering van ONVZ toe te kunnen wijzen, aldus steeds verzoekster.

3 De reactie van de rechter

3.1.

De rechter heeft aangevoerd dat hij verzoekster tijdens de comparitie op 2 maart 2012 heeft medegedeeld dat zij nog nadere stukken mocht indienen en dat ONVZ hierop mocht reageren. Ook is haar medegedeeld dat er vervolgens direct vonnis zou worden gewezen, indien ONVZ bij haar laatste reactie geen producties zou indienen. Dit blijkt ook uit de aantekeningen van de griffier van die zitting.

3.2.

Verder betwist de rechter dat hij bij tussenvonnis van 13 juni 2012 heeft ingestemd met een wijziging van eis. Van een wijziging van eis was immers geen sprake. Volgens de rechter was er enkel sprake van een wijziging van het verweer van verzoekster. De rechter heeft de stelling van verzoekster dat de behandelingen van tandarts ondeugdelijk waren, als verweer opgevat. Omdat zij deze stelling niet nader had onderbouwd, is verzoekster daartoe bij tussenvonnis van 13 juni 2012 alsnog in de gelegenheid gesteld. In de akte en brieven heeft verzoekster haar visie op de zaak gegeven, maar niet de onderbouwing verstrekt waartoe zij in de gelegenheid was gesteld.

3.3.

Het voorgaande brengt volgens de rechter mee dat er geen sprake is enige schijn van vooringenomenheid en dat het door verzoekster ingediende wrakingsverzoek dient te worden afgewezen.

4 De ontvankelijkheid van het verzoek

4.1.

Op grond van artikel 37 van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) wordt het wrakingsverzoek gedaan zodra feiten of omstandigheden waarop het berust aan de verzoekster bekend zijn geworden.

4.2.

Het tijdsverloop tussen (een aantal van) de door verzoekster opgevoerde feiten en de indiening van het wrakingsverzoek werpt allereerst de vraag op of het verzoek wel tijdig is gedaan. Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft verzoekster tijdens de zitting echter voldoende onderbouwd dat zij de opeenstapeling van beslissingen van de rechter aan haar wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd. Het telefoongesprek van 26 oktober 2012, waarin haar werd medegedeeld dat haar brieven van 2 en 9 oktober niet in behandeling zouden worden genomen, was naar haar eigen zeggen voor haar de spreekwoordelijke druppel. Die toelichting laat zich goed begrijpen. Nu verzoekster het wrakingsverzoek op 30 oktober 2012 heeft ingediend is dat derhalve tijdig gebeurd. Verzoekster kan in haar verzoek worden ontvangen en ook de wrakingsgronden die betrekking hebben op eerdere beslissingen van de rechter zullen beoordeeld worden.

5 Beoordeling van het verzoek

5.1.

Op grond van het bepaalde in artikel 36 Rv, dient in een wrakingprocedure te worden onderzocht of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

5.2.

Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van verzoekster daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

5.3

Uitgangspunt bij de beoordeling is dat een verzoek tot wraking niet is bedoeld om onwelgevallige rechterlijke beslissingen ter discussie te stellen. Het gesloten systeem van rechtsmiddelen staat daaraan in de weg. Zelfs als een beslissing als onjuist zou moeten worden aangemerkt, vormt dat op zichzelf beschouwd nog geen grond om te veronderstellen dat de betrokken rechter vooringenomen is. Het is niet de taak van de wrakingskamer om te beoordelen of een beslissing en de daaraan ten grondslag liggende motivering inhoudelijk juist zijn, maar om te onderzoeken of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

5.4.

Dat laatste kan naar het oordeel van de wrakingskamer slechts het geval zijn als in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval een beslissing, waaronder begrepen de motivering, redelijkerwijze niet anders kan worden verklaard dan door vooringenomenheid van de rechter.

5.5.

Dat is in deze procedure niet het geval. Het behoort tot de taak van de rechter om partijen zo nodig om nadere specificaties of inlichtingen (artt 22 en 88 Rv) te vragen, om een van partijen een bewijsopdracht (149 Rv) te geven of om een eventuele eiswijziging (130 Rv) – als daarvan al sprake zou zijn – of aanpassing van het gevoerde verweer al dan niet toe te staan. De beslissing van de rechter om de wederpartij van verzoekster in de gelegenheid te stellen om haar vordering nader te onderbouwen of om verzoekster na de comparitie van 2 maart 2012 in de gelegenheid te stellen bij akte nadere gegevens over te leggen en de beslissing van 13 juni 2012 om verzoekster het bewijs op te dragen van haar stelling dat de behandelingen van de tandarts ondeugdelijk zijn geweest, zijn voor verzoekster misschien teleurstellend geweest, maar dat levert niet een feit op waarvoor geen andere verklaring kan worden gegeven dan vooringenomenheid van de rechter.

5.6.

Ook de beslissing van de rechter om stukken wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten, behoort tot het rechterlijk domein. Verzoekster is bij tussenvonnis in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren, waarna ONVZ hierop heeft mogen reageren. Dat de rechter vervolgens van oordeel was voldoende voorgelicht te zijn om over te kunnen gaan tot het wijzen van vonnis, levert geen (objectief gerechtvaardigde vrees voor) vooringenomenheid op.

5.7.

Het standpunt van verzoekster dat er sprake is van vooringenomenheid bij de rechter omdat haar door de Rechtbank Amsterdam (na het wrakingsverzoek) is medegedeeld dat er vonnis zou worden gewezen op 5 december 2012, levert evenmin grond op voor wraking. Het feit dat er na het wrakingsverzoek nog een brief naar verzoekster is verzonden, wijst veeleer op een kennelijke (administratieve) vergissing ter griffie dan op enige vooringenomenheid van de rechter.

5.8.

Vanuit de optiek van verzoekster is het te begrijpen dat zij verwacht had antwoord te krijgen op haar brieven van 9 oktober 2012 aan de rechter met het verzoek het vonnis van 13 juni 2012 te rectificeren en om haar een proces-verbaal van de comparitie d.d. 2 maart 2012 toe te zenden. Dat deze brieven door de rechter buiten beschouwing zijn gelaten, levert echter niet een feit op waarvoor geen andere verklaring kan worden gegeven dan vooringenomenheid van de rechter. Voor het oordeel dat de rechter partijdig is, dan wel dat de vrees van verzoekster voor partijdigheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is, bestaat dan ook geen grond.

5.9.

Ook indien de aangevoerde gronden niet afzonderlijk worden beoordeeld, maar in samenhang worden bezien (door bijvoorbeeld de verhouding voor verzoekster gunstige dan wel ongunstige beslissingen en handelingen in kaart te brengen), is hierin onvoldoende grond te vinden voor enige vrees van vooringenomenheid. Nu feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, niet zijn gebleken, dient het wrakingsverzoek als ongegrond te worden afgewezen.

5.10.

Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De rechtbank:

 wijst het verzoek tot wraking af;

 bepaalt dat de procedure geregistreerd onder nummer CV EXPL 11-1690 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment dat het wrakingverzoek werd ingediend.

Aldus gegeven door mrs. A.W.H. Vink, voorzitter, E.R.S.M. Marres en K. Mans, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Ganzeboom, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 december 2012.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, vijfde lid, Rv, geen voorziening open.