Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:9198

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-12-2012
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
HA RK 12-415
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Uit het enkele feit dat de rechter al over de vordering tot inbewaringsstelling van medeverdachten van verzoeker had geoordeeld, kan geen vooringenomenheid worden afgeleid. De bevoegdheid tot het stellen van dergelijke vragen tijdens het verhoor behoort tot het rechterlijk domein. Het stellen van de vraag of de verdachte misschien een soort bodyguard was, levert niet een feit op waarvoor geen andere verklaring kan worden gegeven dan de vrees voor vooringenomenheid van de rechter. Het doen van mededelingen door de rechter over de eventuele mogelijkheid van de raadsman van verzoeker om verzoeker nog te bezoeken in het cellencomplex na afloop van de voorgeleiding evenmin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Beschikking op het op 2 november 2012 gedane en onder rekestnummer HA RK 12-415 ingeschreven verzoek van:

[verzoeker],

woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde te Amsterdam,

verzoeker,

nader te noemen: [verzoeker],

gemachtigde: mr. P.C. Tuinenburg

welk verzoek strekt tot wraking van mr. F.P. Geelhoed, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende stukken:

- een proces-verbaal van bevindingen van 9 november 2012 van de rechter met daarin opgenomen het wrakingsverzoek, met als bijlagen: de vordering tot inbewaringstelling, het proces-verbaal van verhoor van verdachte inbewaringstelling, het bevel tot bewaring, de briefwisseling tussen mr. P.C. Tuinenburg, mr. C. Klomp en de rechter van 7 en 9 november 2012.

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten. Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 23 november 2012, alwaar de raadsman van verzoeker, mr. P.C. Tuinenburg, en de rechter zijn gehoord.

De uitspraak is bepaald op 7 december 2012.

1 Gronden van de beslissing

Van de volgende feiten wordt uitgegaan:

a) Verzoeker is verdachte in een strafzaak, geregistreerd onder parketnummer 13-693029-12. De rechter is rechter-commissaris in die strafzaak.

b) In het kader van de strafzaak is verzoeker op 2 november 2012 aan de rechter voorgeleid om te worden gehoord op de vordering inbewaringstelling.

c) Ten behoeve van het verhoor hebben verzoeker en zijn raadsman het woord gekregen.

d) Voordat de rechter is overgegaan tot het dicteren van het proces-verbaal van verhoor van verdachte aan de griffier, deelde de raadsman aan verzoeker mede voornemens te zijn hem na afloop van de voorgeleiding nog te bezoeken in het cellencomplex van de rechtbank, indien dat op grond van de daarvoor geldende regels mogelijk zou zijn.

e) Daarop heeft de rechter ongevraagd opgemerkt dat een advocaat op de dag van voorgeleiding één keer de gelegenheid krijgt om zijn cliënt te bezoeken en dat als de raadsman verdachte nog niet had bezocht voorafgaand aan de voorgeleiding, hij in beginsel dus nog de gelegenheid zou hebben.

f) Na een korte bedenktijd heeft de raadsman van verzoeker een wrakingsverzoek ingediend. De rechter heeft met instemming van partijen het dicteren van het proces-verbaal van verhoor van verdachte voortgezet. Vervolgens is de voorgeleiding geschorst en voortgezet door ambtgenoot van de rechter, mr. C. Klomp.

g) In het proces-verbaal van het verhoor van verdachte inbewaringstelling staat het volgende opgenomen:

“ (...) U vraagt of ik misschien een soort bodyguard van dhr. [A] ben. Dat ben ik niet en ik hoor mijn raadsman opmerken dat hij dat een suggestieve vraag vindt.”

2 Het verzoek en de gronden daarvan

2.1

Aan het wrakingsverzoek wordt samengevat ten grondslag gelegd dat de gang van zaken in deze procedure feiten en omstandigheden oplevert waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daartoe voert verzoeker ten eerste aan dat er ten tijde van het verhoor van verzoeker sprake was van vooringenomenheid, omdat de rechter de medeverdachten in de strafzaak reeds had verhoord en hen in bewaring had gesteld. Omdat volgens de raadsman van verzoeker alle verdachten hetzelfde verweer voerden, was er ten aanzien van verzoeker al duidelijk wat de rechter zou gaan beslissen.

2.2.

Als tweede grondslag van de wraking voert de raadsman van verzoeker aan dat de rechter tijdens de voorgeleiding een suggestieve vraag heeft gesteld. Die vraag was naar het oordeel van de raadsman van verzoeker te veel in lijn met een voor verdachte ongunstige interpretatie van de verbalisant in het proces-verbaal, zodat daaruit vooringenomenheid blijkt.

2.3.

Ten slotte voert verzoeker ter onderbouwing van het wrakingsverzoek aan dat de rechter met zijn opmerking voorafgaand aan het dicteren van het verhoor, vooruit is gelopen op zijn beslissing ten aanzien van de inbewaringstelling. Hieruit blijkt immers dat de rechter er vanuit ging dat verzoeker na het verhoor in bewaring zou worden gesteld. De rechter had voorafgaand aan het dicteren nog geen blijk mogen geven van zijn beslissing. Tijdens het dicteren kunnen er immers nog aanpassingen en verduidelijkingen ten aanzien van hetgeen is verklaard tot stand komen, die de rechter tot een ander oordeel kunnen brengen.

3 De reactie van de rechter

3.1

De rechter heeft aangevoerd dat het gebruikelijk is dat een rechter-commissaris samenhangende zaken behandelt. Conform vaste jurisprudentie kan de beslissing in een eerdere zaak niet worden opgevat als een blijk van vooringenomenheid in de volgende zaken. Volgens de rechter waren de verweren van de medeverdachten bovendien niet (allemaal) dezelfde. Door de raadsman van verzoeker zijn ook nieuwe argumenten aangevoerd. Bovendien zat verzoeker tot aan zijn verblijf in het cellencomplex in volledige beperking, zodat hij niet kon weten wat er in de andere zaken was beslist. Ook daarom kon bij de verdachte geen vrees van vooringenomenheid bestaan.

3.2.

Verder voert de rechter aan dat hij met de onder r.o. 1g opgenomen vraag enkel probeerde de in het dossier aanwezige suggestie te toetsen. Van vooringenomenheid was geen sprake.

3.3.

Ten slotte voert de rechter aan dat zijn opmerking vóór het dicteren slechts van huishoudelijke aard was en de strekking had verzoeker en de raadsman van dienst te zijn, nu hem duidelijk was dat bij hen vragen leefden over de mogelijkheid om elkaar nog nader te spreken na afloop van de voorgeleiding. Daarbij liep, aldus nog steeds de rechter, de raadsman vooruit op een mogelijke uitkomst van de beoordeling van het verzoek inbewaringstelling, en in deze gedachte liep de rechter met de raadsman mee bij het doen van de gewraakte mededeling. Op dat moment had de rechter nog geen beslissing genomen, ook niet voor zichzelf. Van vooruitlopen op een beslissing was geen sprake en van vooringenomenheid allerminst. Volgens de rechter wordt een verdachte overigens altijd – ook bij een beslissing tot invrijheidsstelling - terug gebracht naar het cellencomplex voor de verdere administratieve afhandeling. Voorts voert de rechter nog aan – voor het geval uit zijn opmerkingen al enig inhoudelijk oordeel over de zaak bleek – dat hij op dat moment zijn oordeel ook al gevormd had mogen hebben. Het verhoor van de verdachte had immers al plaatsgevonden.

3.4

Het voorgaande brengt volgens de rechter mee dat er geen sprake is van vooringenomenheid en dat het door verzoeker ingediende wrakingsverzoek dient te worden afgewezen.

4 De beoordeling van het verzoek

4.1

Op grond van het bepaalde in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, dient in een wrakingprocedure te worden onderzocht of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

4.2

Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn. De rechtbank zal het wrakingsverzoek dan ook aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf beoordelen.

4.3

Uit het enkele feit dat de rechter reeds over de vordering tot inbewaringsstelling van medeverdachten van verzoeker had geoordeeld, kan geen vooringenomenheid worden afgeleid. Een rechter-commissaris dient bij de beoordeling van een vordering tot inbewaringstelling rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de individuele verweren van (de raadsman van) verdachte. Dat hij reeds een oordeel heeft gegeven over de verweren van medeverdachten doet hieraan niet af. De rechter heeft bovendien onbetwist aangevoerd dat de raadsman van verzoeker ook andere verweren tegen de inbewaringstelling had aangevoerd dan de medeverdachten.

4.4

Ten aanzien van de onder r.o. 1g opgenomen vraag, wordt als volgt overwogen. De bevoegdheid tot het stellen van dergelijke vragen tijdens het verhoor behoort tot het rechterlijk domein. Indien uit het dossier blijkt van een bepaalde verdenking jegens of rol van de verdachte, dan ligt het in de rede de verdachte daarnaar te vragen. Naar het oordeel van de rechtbank levert het stellen van deze vraag niet een feit op waarvoor geen andere verklaring kan worden gegeven dan (de objectief gerechtvaardigde vrees voor) vooringenomenheid van de rechter.

4.5

Naar het oordeel van de rechtbank is het doen van mededelingen door de rechter over de eventuele mogelijkheid van de raadsman van verzoeker om verzoeker nog te bezoeken in het cellencomplex na afloop van de voorgeleiding niet te duiden als een blijk van enige vooringenomenheid. Er is alle aanleiding om aan te nemen dat de rechter in dezelfde veronderstellende zin als waarin de vraag door de raadsman was opgeworpen (vooruitlopend op een mogelijk volgende inbewaringstelling) met zijn opmerkingen voorafgaand aan het dicteren heeft mee willen denken met de raadsman van verzoeker. De door verzoeker gegeven uitleg valt uit de opmerkingen van de rechter niet op te maken. De rechtbank vermag redelijkerwijs niet in te zien dat verzoeker de opmerking anders dan als een blijk van bereidwilligheid heeft kunnen verstaan. Mocht de rechter met zijn opmerkingen al de indruk hebben gewekt op zijn beslissing met betrekking tot de inbewaringstelling te zijn vooruitgelopen, zoals verzoeker hem verwijt, dan zou dat overigens evenmin op enige vooringenomenheid van de rechter hebben gewezen, maar hooguit op een voorlopig oordeel op basis van hetgeen tot dat moment door verdachte en zijn raadsman naar voren was gebracht. Voor het oordeel dat de rechter bij de beoordeling van de vordering inbewaringstelling partijdig is, danwel dat de vrees van verzoeker voor partijdigheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is, bestaat dan ook geen grond.

4.6

Nu feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, niet zijn gebleken, dient het wrakingsverzoek als ongegrond te worden afgewezen.

4.7

Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De rechtbank:

 wijst het verzoek tot wraking af;

 bepaalt dat de procedure geregistreerd onder parketnummer 13-693029-12 wordt voorgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment dat het wrakingverzoek werd ingediend.

Aldus gegeven door mrs. A.W.H. Vink, voorzitter, E.R.S.M. Marres en K. Mans, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Ganzeboom, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 december 2012.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, vijfde lid, Rv, geen voorziening open.