Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:9133

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
18-10-2013
Zaaknummer
HA RK 12-153
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De grondslag van het verzoek komt er in de kern op neer dat de rechter door haar houding ter zitting met betrekking tot de volmacht, de wijze waarop ter zitting met de door de wederpartij overgelegde, niet aan verzoeker bekende, stukken is omgegaan, door haar afwijzingen van het verzoek om de zaak naar de rol te verwijzen voor conclusie na comparitie en het niet beantwoorden van de brief van 26 april 2012, zowel subjectief als objectief de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Naar het oordeel van de wrakingskamer zijn aanwijzingen daarvoor niet gebleken. Toepassing van de anti-misbruikbepaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beschikking op het bij brief van 3 mei 2012 gedane en onder rekestnummer HA RK 12-153 ingeschreven verzoek van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. R. Moszkowicz,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. S.P. Pompe, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

 het schriftelijke verzoek tot wraking met 2 producties van 3 mei 2012;

 een proces-verbaal van comparitie gehouden op 26 april 2012;

 de schriftelijke reactie van de rechter van 14 mei 2012;

 de notities van mr. Moszkowicz ten behoeve van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek.

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten. Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 15 juni 2012, alwaar de rechter is verschenen en gehoord. Kort voorafgaand aan de zitting heeft mr. Moszkowicz per fax aan de rechtbank meegedeeld dat hij fysiek niet in staat is om ter zitting te verschijnen. Hij heeft notities toegestuurd en verzocht deze aan het dossier toe te voegen. De uitspraak is bepaald op 20 juni 2012.

1 Gronden van de beslissing

Van de volgende feiten wordt uitgegaan.

  1. Verzoeker is gedaagde partij in een bij de rechter aanhangige zaak onder nummer 1300902 HA EXPL 11-538.

  2. Bij tussenvonnis van 25 januari 2012 is in deze zaak een comparitie na antwoord bepaald.

  3. De comparitie is gehouden op 26 april 2012. Volgens het proces-verbaal van de comparitie heeft de namens verzoeker verschenen plaatsvervangend gemachtigde mr. M.F. Ziabutt (hierna: de gemachtigde) het woord gevoerd. De rechter heeft de zaak vervolgens verwezen naar de rol van 30 mei 2011 voor vonnis.

2 Het verzoek en de gronden daarvan

2.1

Aan het verzoek -zoals nader toegelicht in de brief van 3 mei 2012 en de ter zitting overgelegde pleitnotities- wordt samengevat het volgende ten grondslag gelegd.

2.2

Bij aanvang van de zitting vroeg de rechter om een volmacht waaruit zou blijken dat de gemachtigde gemachtigd was ter zitting het woord te voeren. De gemachtigde heeft daarop medegedeeld, dat hij op het laatste moment was verzocht ter zitting te verschijnen en daarom geen volmacht bij zich had. De gemachtigde gaf aan dat de volmacht dezelfde dag nog zou worden toegezonden. De rechter begon daarop de zitting hoewel er een gemachtigde was – zo heeft zij gezegd – “met een wankele volmacht”. Al op dat moment merkte de gemachtigde dat de rechter wellicht niet onbevangen tegenover verzoekster stond.

2.3

Vervolgens bleek bij aanvang van de zitting, dat de wederpartij nog stukken had gezonden naar de rechtbank, waarvan de rechter reeds kennis had genomen. De gemachtigde heeft daartegen bezwaar gemaakt, nu deze stukken niet door verzoeker waren ontvangen en de gemachtigde zich daarop niet had kunnen voorbereiden. De rechter heeft dat bezwaar gepasseerd en een kopie van deze stukken aan de gemachtigde overhandigd om deze direct te bestuderen en vervolgde de zitting. Vervolgens heeft de rechter deze stukken ter zitting uitvoerig besproken en behandeld door vragen hierover te stellen aan de wederpartij, die daarop kon en mocht antwoorden.

2.4

Na een korte schorsing, kwam de rechter met het voorstel om de stukken van de wederpartij niet toe te voegen aan het procesdossier en dat de wederpartij deze stukken zou terugnemen. De wederpartij ging daarmee akkoord, waarna de rechter voorstelde om de zaak voor vonnis naar de rol te verwijzen, waarmee de wederpartij akkoord ging. Dit gebaar was loos, aangezien de inhoud van de teruggenomen stukken middels aantekeningen van de rechter en de griffier deel gingen uitmaken van het dossier. Die handelwijze heeft een bres geschoten in het noodzakelijke evenwicht tussen beide partijen richting de rechter. Hierdoor is verzoeker processueel in een nadelige positie gemanoeuvreerd ten opzichte van de wederpartij.

2.5

Dit laatste klemt temeer omdat de rechter heeft geweigerd om op verzoek van de gemachtigde de zaak naar de rol te verwijzen voor het nemen van een conclusie na comparitie. Daaraan vooraf ging een verzoek om nog een akte uitlating producties te mogen nemen. De rechter heeft dat verzoek afgewezen. Vervolgens heeft de rechter voorgesteld de zaak naar de rol te verwijzen voor vonnis. De gemachtigde van verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt omdat verzoeker bij die gang van zaken niet meer in de gelegenheid zou zijn te reageren op de stukken van de wederpartij. Verzoeker heeft de rechter bij brief van 26 april 2012 nog in de gelegenheid gesteld terug te komen op haar beslissing. In haar reactie geeft de rechter aan, dat zij met vakantie was, waardoor zij niet op de brief kon reageren en de in de brief genoemde termijn reeds overschreden was. Dat is in strijd met de waarheid, want de fax was nog op dezelfde dag, waarop de comparitie had plaatsgevonden, aan haar toegezonden. Het feit, dat de rechter meent niet op een fax van verzoeker te hoeven reageren, geeft eens temeer voeding aan de stelling, dat er zowel objectief als subjectief sprake is van vooringenomenheid en partijdigheid.

2.6

Het wrakingsverzoek heeft betrekking op de opmerkingen van de rechter, haar houding, handelen en nalaten ter zitting jegens de gemachtigde van verzoeker. Het gaat hier om de onderliggende beweegredenen, die tot de litigieuze processuele beslissing hebben geleid en niet om de beslissing zelf. De rechter verschuilt zich achter de onaantastbaarheid van processuele beslissingen, maar daar gaat het hier niet om. Het gaat er om, wat er vooraf is gegaan in termen van overwegingen aan de zijde van de rechter, die uiteindelijk tot deze processuele rolbeschikking heeft geleid.

3 De reactie van de rechter

3.1

De rechter heeft aangevoerd dat zij zich niet kan herinneren dat zij de woorden wankele volmacht heeft gebruikt. Zij kende verzoeker en de gemachtigde niet en zij moet de formaliteiten in acht nemen. Ter zitting is besproken dat de volmacht zou worden nagezonden. Vervolgens heeft de rechter medegedeeld welke stukken zij na de conclusie van antwoord nog van partijen had ontvangen. De gemachtigde merkte op dat verzoeker de door de wederpartij ingediende producties, die op voorhand aan de rechtbank (en – volgens de wederpartij – op 19 april jl. ook aan verzoeker) waren verzonden, niet had ontvangen. Daarop heeft de rechter de gemachtigde een kopie van deze stukken overhandigd en is tot verdere behandeling van de zaak overgegaan. Anders dan door verzoeker gesteld zijn die stukken niet uitvoerig besproken. Hooguit is er door haar een vraag over gesteld. Aan het einde van de behandeling verzocht de gemachtigde nog een akte te mogen nemen om zich over deze stukken te mogen uitlaten. De wederpartij heeft daartegen bezwaar gemaakt. De rechter heeft partijen daarop twee mogelijkheden voorgehouden. Verzoeker zou nog een akte mogen nemen, waarbij hij zich uitsluitend over deze stukken zou mogen uitlaten. Een andere mogelijkheid was dat de wederpartij de stukken terug zou nemen. In dat geval zouden deze stukken geen deel uitmaken van het dossier en zou een nadere akte niet nodig zijn. De wederpartij heeft vervolgens gekozen voor die laatste optie. Volgens de wederpartij betrof het stukken ter nadere toelichting op hetgeen al door haar was gesteld en tot het dossier behoorde. De gemachtigde heeft daartegen geen bezwaren geuit. De rechter heeft de stukken vervolgens teruggegeven aan de wederpartij met de mededeling dat de stukken geen deel zouden uitmaken van het dossier. Vervolgens is de zaak naar de rol verwezen voor vonnis.

3.2

De rechter herkent zich niet in de waarneming van de gemachtigde dat haar bejegening jegens hem in negatieve zin afweek van haar bejegening van de wederpartij. Beide partijen zijn op gelijke wijze in de gelegenheid gesteld hun standpunt naar voren te brengen.

3.3

De volgende dag is de rechter door de griffier van de zitting op de hoogte gesteld van het ingediende verzoek tot wraking. De rechter heeft de griffier verzocht het verzoek door te sturen naar de wrakingskamer. Eerst na haar vakantie heeft de rechter de tekst van het (abusievelijk aan een andere rechter gerichte) faxbericht van 26 april 2012 gezien, met daarin een verzoek om terug te komen op haar beslissing de zaak naar de rol te verwijzen voor vonnis. Mede gelet op de daarin gestelde termijn, die al was verstreken, heeft de rechter gemeend daarop niet meer te hoeven reageren.

4 De beoordeling van het verzoek

4.1

Op grond van het bepaalde in artikel 36 Rv, dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2

Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

4.4

De grondslag van het verzoek komt er in de kern op neer dat de rechter door haar houding ter zitting met betrekking tot de volmacht, de wijze waarop ter zitting met de door de wederpartij overgelegde, niet aan verzoeker bekende, stukken is omgegaan, door haar afwijzingen van het verzoek om de zaak naar de rol te verwijzen voor conclusie na comparitie en het niet beantwoorden van de brief van 26 april 2012, zowel subjectief als objectief de schijn van partijdigheid heeft gewekt.

4.5

Ten aanzien van de door verzoeker gewraakte wijze waarop de rechter met de ter zitting overgelegde stukken is omgegaan geldt dat de wrakingskamer geen aanleiding heeft te twijfelen aan hetgeen de rechter daarover ter zitting heeft opgemerkt en als hiervoor onder 3.1 is weergegeven. Met name wordt hier belang gehecht aan haar opmerking dat ter zitting niet uitvoerig gesproken is over de nader door eiser ingediende stukken. Om die reden kan hier niet worden uitgegaan van de juistheid van de andersluidende stelling van verzoeker. Hetgeen door verzoeker terzake verder is aangevoerd behoeft geen nadere bespreking omdat vast staat dat de door de wederpartij overgelegde stukken ter zitting zijn teruggenomen en dus geen onderdeel uitmaken van het dossier. Enige vooringenomenheid van de rechter is in dit verband niet gebleken. Met betrekking tot de volmacht is niet vast komen te staan dat de rechter het over een wankele volmacht heeft gehad. Zelfs al zou de rechter het woord “wankel” in de mond hebben genomen, dan nog lijdt de rechterlijke onpartijdigheid daardoor geen schade.

4.6

De afwijzende beslissing op het verzoek de zaak naar de rol te verwijzen voor het nemen van een conclusie na comparitie, is een rechterlijke beslissing. Volgens vaste jurisprudentie is het instrument van wraking niet bedoeld om als rechtsmiddel tegen een dergelijke beslissing te worden aangewend. Grond voor wraking bestaat alleen als deze beslissing een feit oplevert waarvoor geen andere redelijke verklaring kan worden gegeven dan dat deze voortvloeit uit vooringenomenheid van de rechtbank. Uit hetgeen door verzoeker daartoe is aangevoerd kan dat niet worden afgeleid. Voor het oordeel dat de rechter bij de beoordeling van de vordering jegens verzoeker partijdig is, dan wel dat de vrees van verzoekster voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, bestaat dan ook geen grond.

4.7

Uit het niet beantwoorden van een brief kan geen vooringenomenheid van de rechter worden afgeleid. De brief van 26 april 2012 is weliswaar dezelfde dag per fax verzonden, echter na kantoortijd (volgens de fax om 18:23 uur). Bovendien was de brief (naar naderhand is gebleken) abusievelijk gericht aan een andere rechter. Dat is de reden dat de rechter daar eerst na haar vakantie kennis van heeft genomen.

4.8

Er zijn evenmin aanwijzingen dat de rechter subjectief partijdig was. Deze wrakingsgrond is in het geheel niet onderbouwd.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoeker geen enkel rechtens te respecteren belang gehad bij indiening van het onderhavige verzoek. De rechtbank is daarom van oordeel dat verzoeker misbruik maakt van de bevoegdheid om een verzoek tot wraking te doen. De rechtbank zal daarom op de voet van artikel 39 lid 4 (Rv) bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de onderhavige zaak niet in behandeling wordt genomen.

6. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De rechtbank:

 wijst het verzoek tot wraking af;

 bepaalt dat de procedure met rolnummer HA EXPL 11-538 wordt voorgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment dat het wrakingsverzoek werd ingediend;

 bepaalt dat een volgend verzoek van verzoekster en haar gemachtigde tot wraking van de rechter in deze zaak niet in behandeling genomen zal worden.

Aldus gegeven door mrs. E.R.S.M. Marres, M. van Walraven en C.M. Degenaar, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juni 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, vijfde lid, Rv, geen voorziening open.