Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:9129

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-02-2012
Datum publicatie
17-10-2013
Zaaknummer
HA RK 12.12
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De rechter heeft een processuele beslissing genomen en heeft geen inhoudelijk oordeel over de zaak van verzoekster gegeven. Het beginsel van hoor en wederhoor is niet geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

wrakingskamer

Beschikking op het op 18 januari 2012 ingekomen en onder rekestnummer 12.12 ingeschreven verzoek tot wraking van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. J.P. Smit, rechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

 het wrakingsverzoek met producties van 18 januari 2012,

 het proces-verbaal van de zitting van de voorzieningenrechter van 4 januari 2012,

 de pleitnotities in het verzoek om voorlopige voorziening d.d. 4 januari 2012,

 de beslissing van de rechter d.d. 16 januari 2012 tot heropening van de zaak van verzoekster,

 de schriftelijke reactie van de rechter op het wrakingsverzoek d.d. 23 januari 2012,

 de pleitnotitie van verzoekster in het verzoek tot wraking.

De rechter heeft medegedeeld niet in de wraking te berusten. Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 3 februari 2012 waar de rechtbank verzoekster en de rechter heeft gehoord. Na de behandeling van het wrakingsverzoek is op 3 februari 2012 mondeling uitspraak gedaan. De uitspraak is direct telefonisch meegedeeld door de griffier aan verzoekster en per e-mail aan de rechter. Deze beschikking vormt de uitwerking van de uitspraak.

1 Gronden van de beslissing

Van de volgende feiten wordt uitgegaan.

  1. Bij de sector bestuursrecht van de Rechtbank Amsterdam is een zaak van verzoekster aanhangig tegen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen met nummer AWB 11/5853. Het betreft het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

  2. Het UWV heeft op 25 augustus 2011 het besluit genomen om maandelijks € 200,00 in te houden op de uitkering van verzoekster. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

  3. De rechter heeft het verzoek om de voorlopige voorziening op 4 januari 2012 behandeld. Het betreft een voorlopige voorziening hangende het bezwaar tegen inhoudingen op de WIA-uitkering van verzoekster. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de rechter het onderzoek gesloten en aan verzoekster meegedeeld dat uitspraak zou worden gedaan op 18 januari 2012. Volgens het proces-verbaal heeft verzoekster aan de rechter toestemming verleend om op een eerdere datum uitspraak te doen.

  4. Bij beslissing van 16 januari 2012 heeft de rechter het onderzoek heropend. Hij heeft daartoe overwogen dat het UWV op 9 januari 2012 een beslissing op het bezwaar van verzoekster heeft genomen. Daarom heeft verzoekster geen belang meer bij het al dan niet treffen van een voorlopige voorziening hangende de bezwaarprocedure. De rechter heeft verzoekster in de gelegenheid gesteld om beroep in te stellen tegen het besluit van 9 januari 2012 en tevens aan te geven of zij haar verzoek handhaaft.

2 Het verzoek en de gronden daarvan

2.1

Het verzoek tot wraking, zoals ter zitting nog door verzoekster nader toegelicht en aangevuld, is gebaseerd op de navolgende zakelijk weergegeven gronden, die volgens verzoekster in samenhang moeten worden bezien.

2.2

Tijdens de mondelinge behandeling van de voorlopige voorziening heeft de rechter toegezegd dat hij zeer snel en eerder dan binnen twee weken uitspraak zou doen. De beslissing van 16 januari 2012 is in strijd met deze toezegging, bevat geen verwijzing naar de wettelijke grondslag en is in strijd met artikel 8:81 lid 5 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechter heeft op deze wijze een veroordeling van het Uwv voor de onterechte inhouding vermeden en zich door deze beslissing vooringenomen en partijdig getoond. Zijn beslissing komt neer op een weigering uitspraak te doen op het verzoek tot de voorlopige voorziening. Ten onrechte heeft de rechter beslist dat verzoekster geen belang meer zou hebben bij de voorlopige voorziening.

2.3

Op 12 januari 2012 heeft verzoekster contact opgenomen met de afdeling voorlopige voorzieningen en heeft zij laten weten dat zij beroep had ingesteld tegen de beslissing van het UWV van 9 januari 2012. Aan haar is meegedeeld dat haar beroep niet relevant is in de voorlopige voorzieningprocedure omdat na sluiting van het onderzoek ter zitting geen nieuwe stukken aan het dossier kunnen worden toegevoegd. De rechter heeft kennelijk na de zitting de beslissing op bezwaar van het Uwv wel aan het dossier toegevoegd, zonder verzoekster hiervan in kennis te stellen. Aldus is aan het Uwv toegestaan wat aan verzoekster is geweigerd, en is het beginsel van hoor en wederhoor geschonden.

3 Het verweer van de rechter

3.1

De rechter heeft aangevoerd dat de aangevoerde gronden niet tot wraking kunnen leiden. Hij heeft zich niet bezondigd aan vooringenomenheid dan wel partijdigheid.

3.2

Enkele dagen na het sluiten van het onderzoek ter zitting ontving hij een beslissing op bezwaar genomen door het UWV. Indien na het sluiten van het onderzoek ter zitting nadere stukken worden ingediend, dient de bestuursrechter te onderzoeken of deze nader ingediende stukken aanleiding vormen tot heropening van het onderzoek. Een voorlopige voorziening op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan slechts worden getroffen als bezwaar of beroep tegen een besluit van het bestuursorgaan aanhangig is. Zodra de beslissing op bezwaar was genomen, werd niet meer aan deze eis voldaan. De heropening van het onderzoek was bedoeld om verzoekster in de gelegenheid te stellen tegen de beslissing van het UWV beroep in te stellen. Nu verzoekster dat inderdaad heeft gedaan, is het mogelijk om op korte termijn het onderzoek ter zitting voort te zetten en tot een beslissing te komen, zowel op het verzoek als in de hoofdzaak.

4 De beoordeling van het verzoek

4.1

Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert,

althans dat de bij verzoekster dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Aan de hand van deze maatstaf zal de rechtbank het verzoek beoordelen.

4.2

De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve criterium en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een specifieke rechter dat de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of onafhankelijk van het gedrag van een specifieke rechter, vastgesteld moet worden dat er sprake is van een bij verzoeker objectief gerechtvaardigde vrees dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt.

4.3

Naar het oordeel van de rechtbank leveren de door verzoekster genoemde omstandigheden, op zichzelf beschouwd noch in onderling verband bezien, een grond op voor de stelling dat de rechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert of dat de dienaangaande bij haar bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

4.4

De beslissing van de rechter tot heropening van het onderzoek ter terechtzitting is een gebruikelijke processuele beslissing, die als zodanig niet ter beoordeling staat in een wrakingsprocedure. Dit betekent dat een verzoek tot wraking niet is bedoeld om onwelgevallige beslissingen ter discussie te stellen.

4.5

Ter zitting heeft de rechter uitgelegd dat hij met de heropening van het onderzoek heeft beoogd, verzoekster de gelegenheid te bieden om beroep in te stellen tegen de beslissing op bezwaar, waarna hij inhoudelijk op het verzoek om een voorlopige voorziening zou kunnen beslissen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de rechter daarmee geen inhoudelijk oordeel over de zaak van verzoekster gegeven. Evenmin zijn hierdoor de belangen van klaagster geschaad. De rechter heeft nu juist in het belang van verzoekster bij wijze van service een procedurele situatie willen scheppen waarin hij inhoudelijk op het verzoek om een voorlopige voorziening zou kunnen beslissen. Voorts is verzoekster door de heropening in de gelegenheid gesteld om te reageren op de nader ingekomen stukken. Het beginsel van hoor en wederhoor is derhalve niet geschonden.

5. Nu feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden zijn gesteld noch gebleken, dient het wrakingsverzoek als ongegrond te worden afgewezen.

6. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING:

De rechtbank:

 wijst het wrakingsverzoek af;

 bepaalt dat de zaak met het nummer AWB 11/5853 wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek.

Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, R.H. de Vries en M.A.H. van Dalen-van Bekkum, leden van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat ingevolge het bepaalde in artikel 8:18 lid 5 AWB geen voorziening open.