Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:9127

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
17-10-2013
Zaaknummer
HA RK 11.380
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Het wrakingsverzoek wordt toegewezen. Aan verzoekster zijn twee feiten ten laste gelegd. Haar wordt verweten dat zij geen gevolg heeft gegeven aan het bevel van een opsporingsambtenaar, gegeven krachtens artikel 8.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening van Amsterdam (verder: APV), om te stoppen met het uitdelen van flyers en dat zij verzet heeft gepleegd bij haar wegens het niet nakomen van dit bevel gevolgde aanhouding. Volgens het proces-verbaal terechtzitting heeft verzoekster verklaard dat zij van oordeel was dat zij wel flyers mocht uitdelen, omdat dit viel onder de vrijheid van meningsuiting. De rechter heeft vervolgens meegedeeld dat hij niet zou oordelen over de vraag of in dit geval het aan verzoekster toekomende grondrecht van vrijheid van meningsuiting al dan niet was geschonden, maar dat de strafzaak ging om de vraag of verzoekster een door een daartoe bevoegde ambtenaar gegeven bevel heeft genegeerd en verzet heeft gepleegd bij haar aanhouding. De rechter heeft daaraan toegevoegd dat indien verzoekster van mening was dat haar grondrecht was geschonden, zij een andere weg zou moeten vinden om daarover haar beklag te doen. De mededeling ter terechtzitting van de politierechter dat hij niet zou oordelen over de vraag of haar recht op vrijheid van meningsuiting al dan niet is geschonden en dat zij elders hierover haar beklag zou kunnen doen, heeft verdachte kennelijk zo begrepen – en ook mogen begrijpen – dat de politierechter niet bereid was dit verweer aan te horen, te meer omdat de politierechter, na haar opmerking dat het haar leek dat de Nederlandse wetgeving moet worden getoetst aan internationale wetten en verdragen, had gezegd bij zijn standpunt te blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

wrakingskamer

Beschikking op het op 10 november 2011 gedane en onder rekestnummer HA RK 11.380 ingeschreven verzoek tot wraking van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

raadsman: mr. G.J. van der Meer,

advocaat te Amsterdam,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. J. Knol, politierechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

 het proces-verbaal terechtzitting van 10 november 2011 inhoudende het wrakingsverzoek,

 de schriftelijke reactie van de rechter op het wrakingsverzoek d.d. 16 november 2011,

 de schriftelijke reactie van de officier van justitie d.d. 2 februari 2012,

 de pleitnotitie van de raadsman van verzoekster in het verzoek tot wraking.

De rechter heeft medegedeeld niet in de wraking te berusten. Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 29 februari 2012 waar de rechtbank de raadsman en de rechter heeft gehoord.

1 Gronden van de beslissing

Van de volgende feiten wordt uitgegaan.

a. Verzoekster is verdachte in een bij deze rechtbank onder parketnummer 13/029821-09 aanhangige strafzaak.

Aan verzoekster zijn twee feiten ten laste gelegd. Haar wordt verweten dat zij geen gevolg heeft gegeven aan het bevel van een opsporingsambtenaar, gegeven krachtens artikel 8.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening van Amsterdam (verder: APV), om te stoppen met het uitdelen van flyers en dat zij verzet heeft gepleegd bij haar wegens het niet nakomen van dit bevel gevolgde aanhouding.

Volgens het proces-verbaal terechtzitting heeft verzoekster verklaard dat zij van oordeel was dat zij wel flyers mocht uitdelen, omdat dit viel onder de vrijheid van meningsuiting. De rechter heeft vervolgens meegedeeld dat hij niet zou oordelen over de vraag of in dit geval het aan verzoekster toekomende grondrecht van vrijheid van meningsuiting al dan niet was geschonden, maar dat de strafzaak ging om de vraag of verzoekster een door een daartoe bevoegde ambtenaar gegeven bevel heeft genegeerd en verzet heeft gepleegd bij haar aanhouding. De rechter heeft daaraan toegevoegd dat indien verzoekster van mening was dat haar grondrecht was geschonden, zij een andere weg zou moeten vinden om daarover haar beklag te doen.

Daarna heeft de raadsman opgemerkt dat de zojuist door de rechter gedane uitlating de indruk zou kunnen wekken dat hij al een standpunt had ingenomen over een punt dat tot vrijspraak kan leiden. Tenzij de uitlating zo zou moeten worden begrepen dat de rechter heeft bedoeld om verzoekster nog eens samengevat uit te leggen wat de tenlastelegging inhield. Nadat verzoekster had meegedeeld dat het haar voorkwam dat Nederlandse wetgeving moet worden getoetst aan internationale wetten en verdragen, heeft de rechter meegedeeld dat hij bleef bij zijn toelichting.

Daarop heeft verzoekster het wrakingsverzoek gedaan.

2 Het verzoek en de gronden daarvan

2.1

Het verzoek tot wraking, zoals ter zitting nog door de raadsman van verzoekster nader toegelicht en aangevuld, is gebaseerd op de volgende zakelijk weergegeven gronden.

2.2

Met zijn opmerking dat hij in de zaak van verzoekster niet zou oordelen over de vrijheid van meningsuiting, heeft de rechter bij verzoekster de indruk gewekt dat sprake is van vooringenomenheid.

2.3

Na de opmerking van de raadsman (welke opmerking ten onrechte niet in het proces-verbaal is opgenomen) dat vastgesteld moest worden dat de vrijheid van meningsuiting doorslaggevend was voor de beantwoording van de vraag of de ten laste gelegde feiten bewezen konden worden verklaard dan wel of ontslag van alle

rechtsvervolging diende plaats te vinden, heeft de rechter niet gereageerd. De rechter heeft bijvoorbeeld niet uitgelegd dat hij slechts bedoelde uit te leggen wat de inhoud van de dagvaarding was of dat hij in het kader van de orde op de zitting een aantal zaken wilde beperken.

2.4

Volgens verzoekster is, zo begrijpt de rechtbank haar standpunt, de APV onverbindend wegens schending van het recht op vrijheid van meningsuiting, hebben de politieambtenaren daarom niet gehandeld krachtens wettelijk voorschrift en waren zij dus niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Dat moet leiden tot ontslag van rechtsvervolging en/of vrijspraak. Door op voorhand geen discussie toe te laten over de vrijheid van meningsuiting heeft de rechter over deze verweren tijdens de zitting indirect reeds een standpunt ingenomen.

2.5

Deze feiten en omstandigheden vormen op zichzelf en in onderlinge samenhang beschouwd aanwijzingen dat de rechter vooringenomen is, althans dat de bij verzoekster bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3. Het verweer van de rechter

3.1

De rechter heeft aangevoerd dat hij ter zitting heeft opgemerkt dat hij niet zou oordelen of verzoekster ten tijde van de ten laste gelegde feiten al dan niet in haar recht op vrije meningsuiting is beperkt dan wel daarvan is afgehouden en dat aan hem de vraag voorlag of bewezen kon worden dat verzoekster de ten laste gelegde feiten al dan niet had begaan. Hij heeft daarmee slechts het kader van de tenlastelegging waarbinnen hij diende te beslissen willen aangeven.

3.2

Bij de mondelinge behandeling van het onderhavige verzoek heeft de rechter hieraan toegevoegd dat zijn opmerking als op zichzelf staand moet worden beschouwd, omdat verzoekster erg geporteerd was voor de vrijheid van meningsuiting en dat op dat moment de verweren van verzoekster nog niet aan de orde waren gekomen, al heeft hij het verweer met betrekking tot de vrijheid van meningsuiting wel zien aankomen. Hij heeft niet de indruk willen wekken dat een dergelijke verweer bij hem geen kans van slagen maakte, en zo moet zijn opmerking ook niet worden begrepen.

4 De reactie van de officier van justitie

Zij kan zich voorstellen dat de opmerkingen van de rechter vragen hebben opgeroepen bij de verdediging. Het gaat erom dat het aan verzoekster door de opsporingsambtenaar gegeven bevel rechtmatig is gegeven. Daarover is in het onderhavige geval discussie mogelijk, die samenhangt met de vrijheid van meningsuiting. Het feit dat de formulering van de rechter vragen opriep, staat echter niet gelijk aan het wekken van de schijn van vooringenomenheid.

5 De beoordeling van het verzoek

5.1

Bij de behandeling van het wrakingsverzoek is gebleken dat partijen van mening verschillen over de juistheid van de inhoud van het proces-verbaal terechtzitting. De rechtbank gaat uit van de tekst van dat proces-verbaal, voor zover hiervoor onder 1 b weergegeven.

5.2

Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert,

althans dat de bij verzoekster dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Aan de hand van deze maatstaf zal de rechtbank het verzoek beoordelen.

5.3

Verzoekster neemt in de zaak die bij de rechter in behandeling is, het standpunt in dat de APV die haar verbood pamfletten uit te delen, wegens strijd met haar recht op vrije meningsuiting onverbindend is, de politieambtenaren haar daarom niet hebben mogen bevelen het flyeren te staken en haar weigering dat bevel op te volgen dus geen strafbaar feit oplevert; de ambtenaren die haar wegens haar genoemde weigering aanhielden, waren dus niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, hetgeen betekent dat zij van het tweede haar ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken.

5.4

De mededeling ter terechtzitting van de politierechter dat hij niet zou oordelen over de vraag of haar recht op vrijheid van meningsuiting al dan niet is geschonden en dat zij elders hierover haar beklag zou kunnen doen, heeft verdachte kennelijk zo begrepen – en ook mogen begrijpen – dat de politierechter niet bereid was dit verweer aan te horen, te meer omdat de politierechter, na haar opmerking dat het haar leek dat de Nederlandse wetgeving moet worden getoetst aan internationale wetten en verdragen, had gezegd bij zijn standpunt te blijven.

5.5

De rechtbank is daarom van oordeel dat de bij verzoekster gerezen vrees, dat niet zonder onpartijdigheid – los van de werkelijke intenties van de rechter – naar haar zaak wordt gekeken, objectief gerechtvaardigd is.

5.6

De rechter heeft ter gelegenheid van de behandeling van het wrakingsverzoek nog aangevoerd dat hij met zijn opmerking slechts heeft bedoeld de kaders aan te duiden, waarbinnen hij had te beslissen, en dat hij nog niets had opgemerkt met betrekking tot de vraag of verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten het recht op vrije meningsuiting toekwam, of zij dit recht al dan niet mocht uitoefenen en of zij haar standpunt al dan niet naar voren zou mogen brengen in het kader van enig verweer. Dit onderscheid tussen afbakening en beoordeling is evenwel van een subtiliteit die verzoekster is, en in redelijkheid ook heeft mogen, ontgaan.

6. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING:

De rechtbank:

 wijst het wrakingsverzoek toe;

 bepaalt dat het aangehouden onderzoek in de strafzaak met parketnummer 13/029821-09 op een nader te bepalen datum wordt heropend en hervat door een andere politierechter.

Aldus gegeven door mr. G.H. Marcus, voorzitter en mrs. M.M. van der Nat en D.J. Cohen Tervaert, leden van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 maart 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat ingevolge het bepaalde in artikel 515 lid 5 Sv geen voorziening open.