Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BY1928

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
01-11-2012
Zaaknummer
HA RK 11-352
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking van leden van de Internationale Rechtshulp Kamer wordt afgewezen, omdat de motivering om het verzoek tot aanhouding van de behandeling van verzoeker af te wijzen niet onbegrijpelijk is. De stelling dat de rechtbank bij haar beslissing onvoldoende waarde heeft gehecht aan het aanwezigheidsrecht van verzoeker treft reeds geen doel, omdat dit recht niet aan het verzoek om aanhouding ten grondslag is gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beschikking op het onder rekestnummer HA RK 11-352 ingeschreven verzoek van:

[ ],

verzoeker,

raadsman mr. [ ]

welk verzoek strekt tot wraking van mrs. [ ], [ ] en [ ] , leden van de Internationale Rechtshulp Kamer, hierna: de rechtbank, dan wel de rechters.

Verloop van de procedure

De wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

? het proces-verbaal van de zitting van 28 oktober 2011;

? een schriftelijke reactie van de rechters d.d. 7 november 2011;

? een schriftelijke toelichting van de raadsman van verzoeker d.d. 10 november 2011.

De rechters hebben meegedeeld niet in de wraking te berusten. Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van 11 november 2011 alwaar zijn verschenen en gehoord mr. [ ] namens de raadsman van verzoeker, mrs. [ ] en [ ], leden van de rechtbank en mr. [ ], officier van justitie. De uitspraak is (nader) bepaald op 16 november 2011.

1. De feiten

Van de volgende feiten wordt uitgegaan.

a) Naar aanleiding van een door de Britse justitiële autoriteiten ingediend ver-zoek tot rechtshulp d.d. 17 augustus 2011 heeft de officier van justitie op 4 oktober 2011 een vordering ex artikel 552p van het Wetboek van Strafvorde-ring gedaan.

b) De vordering is behandeld ter zitting van 11 oktober 2011 gelijktijdig met de overleveringszaak van verzoeker. In de overleveringszaak is door de recht-bank op 25 oktober 2011 uitspraak gedaan.

c) De vordering ex artikel 552p Sv is ter zitting van 11 oktober 2011 aangehou-den tot 28 oktober 2011. Daarbij zijn de onderliggende stukken aan de raadsman ter beschikking gesteld.

d) Op de zitting van 28 oktober 2011 heeft de raadsman van verzoeker aanhou-ding verzocht omdat hij de zaak nog niet met zijn cliënt had kunnen bespre-ken, aangezien deze in verband met een suïcidepoging op 25 oktober 2011 in het ziekenhuis was opgenomen. Dit verzoek is door de rechtbank afgewezen met de overweging dat er geen sprake was van een juridisch ingewikkelde procedure en dat de raadsman tussen 11 oktober en 25 oktober 2011 voldoen-de tijd heeft gehad om de zaak met verzoeker te bespreken.

2. Het verzoek en de gronden daarvan

2.1 Aan zijn verzoek heeft verzoeker blijkens het van de zitting van 28 oktober 2011 opgemaakte proces-verbaal en zijn nadere reactie samengevat het volgende ten grondslag gelegd.

2.2 In de eerste plaats heeft de rechtbank door haar beslissing om de behandeling niet aan te houden de keuze van de verdediging om de stukken in de 552p-zaak na afloop van de behandeling van de overleveringszaak met verzoeker te bespreken, niet gerespecteerd. De raadsman ging er van uit dat na de uitspraak van de rechtbank in de overleveringszaak, verzoeker zou worden gevangen gehouden, hetgeen gebruikelijk is bij personen die geschorst zijn geweest. De rechtbank gaf de indruk het standpunt van verzoeker en de mogelijkheid om verweer te voeren niet serieus te nemen. De rechtbank wekte de indruk de procedure als een formaliteit te beschouwen.

2.3 Daarnaast is door de beslissing van de rechtbank het recht op een behoorlijke verdediging en een eerlijk proces geschonden, alsmede het aanwezigheidsrecht van verzoeker. Dat hij door zijn suïcidepoging niet aanwezig kon zijn, realiseert de rechtbank zich onvoldoende en daarmee wordt de schijn van partijdigheid gewekt.

2.4 Verzoeker stelt zich dan ook op het standpunt dat op grond van al deze feiten en omstandigheden de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, reden waarom het wrakingsverzoek gegrond dient te worden verklaard

3. De reactie van de rechters

De rechters hebben aangevoerd dat zij de afwijzing van het verzoek om de behandeling van deze procedure voor de tweede maal aan te houden zien als een procesbeslissing, die geen feit of omstandigheid oplevert waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uit de gang van zaken als in het proces-verbaal verwoord, blijkt dat de raadsman verzocht om uitstel om de zaak met zijn cliënt te bespreken. De rechtbank heeft geoordeeld dat de tijdsperiode van veertien dagen voordat zijn cliënt in het ziekenhuis werd opgenomen, voldoende is geweest om het weinig omvangrijke dossier met zijn cliënt te bespreken. Bewaking van de voortgang van de procedure, gezien het dringende verzoek van de Britse justitiële autoriteiten, ligt aan deze beslissing ten grondslag. Tijdens de behandeling in raadkamer hebben de rechters hieraan nog toegevoegd dat de raadsman aan zijn verzoek om aanhouding op 28 oktober 2011 niet mede ten grondslag heeft gelegd dat verzoeker bij de behandeling aanwezig zou willen zijn.

4. Het standpunt van de officier van justitie

Voor de feitelijke gang van zaken heeft de officier van justitie naar het proces-verbaal ter zitting verwezen. Verzoeker heeft tegen de feitelijke overlevering een kort geding aangespannen. Het woord formaliteit is niet gevallen. Uit de beslissing van de rechtbank om geen aanhouding te verlenen kan geen partijdigheid of vooringenomenheid van de rechters worden afgeleid.

5. Gronden van de beslissing

5.1 Op grond van het bepaalde in artikel 512 Sv dient in een wrakingsprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2 Volgens vaste jurisprudentie is het instrument van wraking niet bedoeld om als rechtsmiddel tegen processuele beslissingen te worden aangewend. Zodanige beslissingen kunnen slechts leiden tot inwilliging van een wrakingsverzoek, indien deze op zich dan wel in onderlinge samenhang bezien zo onbegrijpelijk zijn dat daaruit een zwaarwegende aanwijzing moet worden afgeleid voor het oordeel dat sprake is van partijdigheid van de rechters die de betrokken beslissing hebben genomen.

5.3 De rechters hebben hun beslissing tot afwijzing van het verzoek om de zaak aan te houden gemotiveerd met de overweging dat de raadsman na zijn eerdere aanhou-dingsverzoek voldoende tijd (te weten 14 dagen vóór de ziekenhuisopname) heeft gehad om de stukken met zijn cliënt te bespreken. Deze motivering is niet zo onbe-grijpelijk dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor partijdigheid van de rechters. Met name valt hieruit niet af te leiden dat de rechters de procedure hebben beschouwd als een formaliteit waarbij het standpunt van verzoeker er niet toe doet. De stelling dat de rechtbank bij haar beslissing onvoldoende waarde heeft gehecht aan het aanwezigheidsrecht van verzoeker treft reeds hierom geen doel, omdat de raadsman dit aanwezigheidsrecht niet aan het verzoek om aanhouding ten grondslag heeft gelegd.

5.4 Op grond van het voorgaande is de wrakingskamer van oordeel dat er geen gronden zijn het verzoek toe te wijzen.

6. Beslist wordt daarom als volgt.

BESLISSING:

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat de zaak wordt voortgezet in de stand waarin de procedure zich bevond ten tijde van indiening van het verzoek.

Aldus gegeven door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, R.H. de Vries en M.A.H. van Dalen – van Bekkum, leden van genoemde kamer, en uitgespro¬ken ter open¬bare terecht¬zitting van woensdag 16 november 2011 in tegen¬woor¬dig¬heid van de grif¬fier.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 515 lid 5 Sv geen voorziening open.