Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BY1902

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-10-2011
Datum publicatie
01-11-2012
Zaaknummer
HA RK 11.348
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking van een rechter-commissaris. Verzoeker heeft zich van december 2006 tot en met 28 februari 2008 in voorlopige hechtenis bevonden. Op 28 februari 2008 is hij door de rechtbank in vrijheid gesteld. Volgens het Openbaar Ministerie heeft zich recent een novum voorgedaan. Verzoeker is weer aangehouden en voorgeleid aan de rechter. Volgens verzoeker heeft de rechter de schijn van partijdigheid gewekt door zich bevoegd en in staat te achten om te beslissen over de vordering tot voorlopige hechtenis. Die beslissing hoort echter thuis bij de rechtbank omdat de zaak daar aanhangig is. Het verzoek tot wraking wordt afgewezen. De rechter heeft een juridisch oordeel gegeven. Mede gelet op zijn toelichting is niet gebleken van de schijn van vooringenomenheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

wrakingskamer

Beschikking op het op 20 oktober 2011 gedane en onder rekestnummer

HA RK 11.348 ingeschreven verzoek van:

[ ],

wonende te [ ],

verzoeker,

raadsman: mr. [ ],

advocaat te Amsterdam,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. [ ], rechter-commissaris te Amsterdam, hierna: de rechter-commissaris.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

- een door de rechter-commissaris opgemaakt proces-verbaal verhoor van verdachte inbewaringstelling d.d. 20 oktober 2011 waarin opgenomen het wrakingsverzoek.

De rechter-commissaris heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten. Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 20 oktober 2011, waar de rechtbank verzoeker, zijn gemachtigde, de officier van justitie en de rechter-commissaris heeft gehoord. Na de behandeling van het verzoek is direct uitspraak gedaan. Deze beslissing vormt de uitwerking daarvan.

1. De feiten

Van de volgende feiten wordt uitgegaan.

a) Verzoeker is in december 2006 aangehouden in de zaak [ ] en heeft zich tot en met 28 februari 2008 in voorlopige hechtenis bevonden. Op 28 februari 2008 heeft de rechtbank geoordeeld dat de bezwaren tegen verzoeker niet voldoende onderbouwd waren om de voorlopige hechtenis te continueren en is verzoeker in vrijheid gesteld. Volgens het openbaar ministerie heeft zich recent een novum voorgedaan. Verzoeker is weer aangehouden en voorgeleid aan de rechter-commissaris.

b) De strafzaak van verzoeker is geregistreerd onder parketnummer [ ].

c) Op 20 oktober 2011 is verzoeker voor de rechter-commissaris verschenen om gehoord te worden ter toetsing van de inverzekeringstelling en op de vordering tot inbewaringstelling.

d) Volgens het proces-verbaal heeft verzoeker, nadat de rechter-commissaris hem de vordering tot inbewaringstelling had overhandigd, de rechter-commissaris gewraakt.

e) [ ] heeft daarna de gronden van het verzoek toegelicht.

f) De rechter-commissaris heeft vervolgens meegedeeld dat hij niet in de wraking berustte en dat hij de zitting schorste om te vernemen wanneer het wrakingsverzoek kon worden behandeld.

g) Tot slot heeft de rechter-commissaris meegedeeld dat hij in het geval het wrakingsverzoek niet direct behandeld kon worden, zich nog zou dienen te beraden over noodzakelijke maatregelen met betrekking tot de voorlopige hechtenis die geen nader uitstel duldden.

2. Het verzoek en de gronden daarvan

Het verzoek tot wraking is gebaseerd op de navolgende zakelijk weergegeven gronden.

2.1 De rechter-commissaris heeft een evident verkeerde beslissing genomen door zich in de zaak van een medeverdachte bevoegd te verklaren om van de vordering van de officier van justitie tegen een medeverdachte kennis te nemen. De rechtbank heeft op 28 oktober 2010 het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven. Bij beslissingen omtrent de voorlopige hechtenis in zaken die aanhangig zijn bij de rechtbank, is het de aangewezen weg om die beslissingen door de rechtbank te laten nemen. De rechter-commissaris heeft de schijn van partijdigheid gewekt (zowel subjectief als objectief) door zich bevoegd te achten om te beslissen (en zich daartoe ook in staat te achten ) op de vordering tot voorlopige hechtenis van verzoeker en door de zaak niet naar de rechtbank te verwijzen.

2.2 De rechtbank is indertijd bij de beslissing tot opheffing van de voorlopige hechtenis niet over één nacht ijs gegaan. Het dossier is omvangrijk en er staan grote belangen op het spel. De rechter-commissaris is niet in staat om te beoordelen of er sprake is van een novum. Hij kent immers niet het gehele dossier. Bovendien waren de nieuwe feiten waarop het openbaar ministerie zich beroept begin dit jaar al bekend. Het is dus evident dat het openbaar ministerie zich tot de rechtbank had moeten wenden met haar vordering. [ ] heeft zich in dit verband onder meer beroepen op Het wetboek van strafvordering, A.L. Melai en M.S. Groenhuijsen, de annotatie bij aantekening 14 bij artikel 63 Sv en de uitspraak van de Hoge Raad van 31 oktober 2000, NJ 2001, 239, rechtsoverweging 4.6.

2.3 De rechter-commissaris heeft voorts de schijn van partijdigheid gewekt door zijn mededeling dat hij zich wilde beraden over de voorlopige hechtenis. Hij heeft daartoe in dit geval niet de bevoegdheid.

3. De reactie van de rechter-commissaris

3.1 De rechter-commissaris heeft aangevoerd dat er geen sprake is van partijdigheid dan wel de schijn van partijdigheid en evenmin van een evident onjuiste beslissing in de zaak van de medeverdachte. In de zaak van verzoeker is bovendien nog geen beslissing genomen.

3.2 De rechter-commissaris heeft voorts aangevoerd dat hij ten onrechte wordt gediskwalificeerd. Hij kent het hele dossier. Het standpunt zoals door [ ] verwoord, is voor discussie vatbaar en er bestaan praktische bezwaren tegen.

3.3 Zijn mededeling na de indiening van het wrakingsverzoek is niet verwijtbaar, aldus de rechter-commissaris. Het betreft slechts de aankondiging van een ordemaatregel. Zelfs een rechter die is gewraakt mag zich daarover beraden.

4. De reactie van de officier van justitie.

De rechter-commissaris heeft geen inhoudelijke beslissing gegeven en heeft evenmin de schijn van partijdigheid gewekt. Het betreft slechts een zakelijk verschil van inzicht over een juridisch aspect waarover verschillend wordt gedacht.

5. De beoordeling van het verzoek

5.1 Op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

5.2 Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partij-dig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van verzoeker daarover is belangrijk, maar niet door-slaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

5.3 De rechter-commissaris heeft een juridisch oordeel over zijn bevoegdheid gegeven, waarvan niet kan worden gezegd, gelet op zijn gemotiveerde toelichting, dat het zo onbegrijpelijk is dat het oordeel niet anders kan worden uitgelegd dan vanuit vooringenomenheid genomen.

5.4 Hoewel vast staat dat het wrakingsverzoek is gedaan voordat de rechter-commissaris heeft meegedeeld dat hij zich nog moest beraden over noodzakelijke maatregelen, acht de rechtbank het van belang ook daarover zich nu reeds uit te spre-ken, omdat verzoeker de schijn van vooringenomenheid ook op die mededeling doet berusten. De rechter-commissaris heeft ook deze mededeling gemotiveerd toegelicht en daarmee kan niet worden gezegd dat die mededeling zo onbegrijpelijk is dat deze niet anders kan worden uitgelegd dan vanuit vooringenomenheid genomen.

5.5 Het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.

6. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat de procedure met zaaknummer [ ] wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment dat het wrakingsverzoek werd ingediend.

Aldus gegeven door mrs. J.A.J. Peeters, M. van Walraven en E.D. Bonga-Sigmond, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 oktober 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 515 lid 5 Sv geen voorziening open.