Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BX9590

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-11-2011
Datum publicatie
09-10-2012
Zaaknummer
AWB 11-2548 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ingezetenschap in volksverzekeringszaken. Anders dan in belastingzaken, is de consequentie van de mogelijkheid dat iemand een dubbele woonplaats heeft in volksverzekeringzaken niet houdbaar, aldus verweerder. De rechtbank stelt vast dat de uitspraak van de Hoge Raad, zoals genoemd in overweging 4.1, een cassatieberoep inhoudt tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep betreffende een besluit ingevolge de AKW. Voorts heeft de Hoge Raad expliciet overwogen dat moet worden vooropgesteld dat de wetgever met het woonplaatsbegrip in de volksverzekeringswetten heeft beoogd aan te sluiten bij het fiscale woonplaatsbegrip. Hetgeen verweerder heeft aangevoerd omtrent het andere karakter van volksverzekeringszaken, vormt voor de rechtbank dan ook geen aanleiding om in onderhavige zaak anders te oordelen dan de Hoge Raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2548 AKW

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. N.H.G. Beltman,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank,

verweerder,

gemachtigde mr. A.P. van den Berg.

Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers recht op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) vanaf het tweede kwartaal van 2007 ingetrokken.

Bij besluit van 11 april 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2011. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman. Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiser heeft twee minderjarige kinderen: een zoon [A] (geboren op [2001]) en een dochter [B] (geboren op [1995]). De moeder van deze kinderen is op 14 februari 2007 overleden. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit, heeft de beschikking over een koophuis in [plaats] en ontvangt een uitkering op grond van de Algemene Nabestaandenwet (ANW).

1.2. Eiser heeft op 5 maart 2007 een aanvraag om kinderbijslag bij verweerder ingediend. Bij besluit van 14 maart 2007 heeft verweerder aan eiser kinderbijslag toegekend met ingang van het tweede kwartaal van 2007 voor zijn beide kinderen.

1.3. Bij wijzigingsformulier van 11 december 2009 heeft eiser aan verweerder doorgegeven dat zijn dochter met ingang van 1 september 2007 uitwonend is bij een familielid in [plaats]. Zij gaat daar ook naar school.

1.4. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de feitelijke woon- en leefsituatie van eiser en zijn kinderen en de bijdrage die eiser levert in het onderhoud van zijn dochter. Op 10 maart 2010 heeft verweerder een huisbezoek afgelegd aan eisers woning in [plaats]. De resultaten van dit huisbezoek zijn neergelegd in de handhavingsrapportage van 11 maart 2010. Hieruit blijkt dat de woning er onbewoond uitzag en dat er geen personen bij of in de woning zijn waargenomen.

1.5. Voorts heeft verweerder met eiser telefonisch contact opgenomen op 14 april 2010. Uit dit gesprek is naar voren gekomen dat de zoon van eiser sinds het overlijden van zijn moeder in Marokko verblijft. Vervolgens heeft verweerder ook een onderzoek ingesteld naar de bijdragen van eiser in het levensonderhoud van zijn in Marokko verblijvende zoon.

1.6. Op 4 augustus 2010 heeft verweerder een buitendienstopdracht verzonden om te laten onderzoeken of eiser in Marokko woont bij zijn daar woonachtige zoon. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van de Attaché voor Sociale Zaken van de ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden te Rabat van 31 augustus 2010. In deze rapportage is geconcludeerd dat eiser merendeels op een adres in Marokko woont met zijn huidige echtgenote en zijn zoon.

1.7. Bij primair besluit heeft verweerder de aan eiser toegekende kinderbijslag met ingang van het tweede kwartaal van 2007 ingetrokken, omdat eiser op de peildatum geen ingezetene is van Nederland. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2. Standpunten van partijen

2.1. Bij bestreden besluit wordt het primaire besluit gehandhaafd. Eiser heeft geen recht op kinderbijslag over het tweede kwartaal van 2007 tot en met het vierde kwartaal van 2010. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser een sterke juridische binding en een zwakke economische en sociale binding met Nederland heeft. Voorts heeft eiser een sterke juridische en sociale binding met Marokko. Het middelpunt van eisers maatschappelijk bestaan ligt niet in Nederland. Daarom kan eiser niet als ingezetene van Nederland worden beschouwd, aldus verweerder.

2.2. In beroep heeft eiser het bestreden besluit gemotiveerd betwist.

3. Wettelijk kader

3.1. In artikel 2 van de AKW is bepaald dat ingezetene in de zin van deze wet degene is die in Nederland woont.

3.2. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AKW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet degene, die

a. ingezetene is;

b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

3.3. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de AKW heeft de verzekerde overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op kinderbijslag voor een kind dat:

a. jonger is dan 16 jaar en tot zijn huishouden behoort, of

b. jonger is dan 18 jaar en door hem in belangrijke mate wordt onderhouden.

4. Inhoudelijke beoordeling

4.1. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 21 januari 2011, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BP1466, geoordeeld dat de wetgever met het woonplaatsbegrip in de volksverzekeringen heeft beoogd aan te sluiten bij het fiscale woonplaatsbegrip. Degene die in Nederland woont wordt op grond van artikel 2 van de AKW voor de toepassing van die wet als ingezetene aangemerkt. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de omstandigheden beoordeeld. Daarbij moet acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt er volgens vaste rechtspraak op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 20 december 1995, nr. 30452, BNB 1996/161).

4.2. Naar aanleiding van dit arrest heeft verweerder nader aangevoerd dat het standpunt dat eiser geen ingezetene is van Nederland wordt gehandhaafd. Weliswaar kan niet getoetst worden aan de hand van de begrippen sociale, juridische en economische binding met Nederland; op grond van alle feiten en omstandigheden in dit geval kan niet anders dan worden vastgesteld dat eiser geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft. Daartoe acht verweerder doorslaggevend dat eiser het merendeel van zijn tijd in Marokko doorbrengt.

4.3. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Op grond van alle bekende feiten en omstandigheden kan het volgende worden vastgesteld. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit, heeft beschikking over een koophuis in [plaats] (op naam van zijn kinderen), waar hij verblijft als hij in Nederland is. Hij ontvangt een ANW-uitkering. Zijn dochter woont in Nederland en uit pinbetalingen blijkt dat deze ook veelal in Nederland worden gedaan, waaruit kan worden afgeleid dat hij in ieder geval ook nog vaak in Nederland verblijft. De door verweerder ter zitting toegelichte stelling dat eiser het middelpunt van zijn maatschappelijk leven niet in Nederland heeft, omdat hij vaker in Marokko verblijft, doet aan het voorgaande niets af. Uit het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad kan dit met zoveel woorden worden afgeleid, waar de Hoge Raad overweegt:

“Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt (zie Hoge Raad 22 december 1971, nr. 16650, BNB 1973/120)”.

4.4. Voorts heeft verweerder ter zitting aangevoerd dat gelet op de aard van de volksverzekeringen het arrest van de Hoge Raad – zoals weergegeven in overweging 4.1 –anders moet worden uitgelegd ten aanzien van volksverzekeringzaken. Anders dan in belastingzaken, is de consequentie van de mogelijkheid dat iemand een dubbele woonplaats heeft in volksverzekeringzaken niet houdbaar, aldus verweerder. De rechtbank stelt vast dat de uitspraak van de Hoge Raad, zoals genoemd in overweging 4.1, een cassatieberoep inhoudt tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep betreffende een besluit ingevolge de AKW. Voorts heeft de Hoge Raad expliciet overwogen dat moet worden vooropgesteld dat de wetgever met het woonplaatsbegrip in de volksverzekeringswetten heeft beoogd aan te sluiten bij het fiscale woonplaatsbegrip. Hetgeen verweerder heeft aangevoerd omtrent het andere karakter van volksverzekeringszaken, vormt voor de rechtbank dan ook geen aanleiding om in onderhavige zaak anders te oordelen dan de Hoge Raad.

4.5. Gelet op het voorgaande kan het bestreden besluit niet standhouden. Het beroep van eiser zal dan ook gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. In het kader van de finale geschilbeslechting, zal de rechtbank echter ook thans reeds het subsidiaire standpunt van verweerder beoordelen.

4.6. In het verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat bij het aannemen van ingezetenschap van eiser, de vervolgvraag is of eiser voldoet aan de overige voorwaarden voor het recht op kinderbijslag. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aan zijn onderhoudsplicht ten aanzien van zijn zoon heeft voldaan over de periode in geding. Dit geldt evenzeer ten aanzien van de dochter van eiser, echter met uitzondering van het tweede en vierde kwartaal van 2008 en het eerste en tweede kwartaal van 2009.

4.7. Allereerst is de vraag aan de orde of de kinderen van eiser tot zijn huishouden behoorden over de periode in geding. De rechtbank is van oordeel dat [A] in ieder geval sinds het overlijden van zijn moeder in februari 2007 en [B] sinds 1 september 2007 niet (meer) tot het huishouden van eiser hebben behoord. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.8. Ten aanzien van [A] heeft eiser erkend dat deze niet tot zijn huishouden behoord, nu hij zich op het standpunt stelt zijn huishouden nog in Nederland te hebben samen met [B]. Daarnaast is van belang dat uit de gedingstukken is gebleken dat eiser aan verweerder telefonisch heeft verklaard dat zijn zoon sinds het overlijden van zijn moeder in Marokko woont bij eisers huidige echtgenote. Voorts heeft eiser in Marokko verklaard dat zijn zoon al voor het overlijden van zijn moeder in Marokko woont, namelijk sinds september 2006. Ter zitting heeft eiser verklaard dat zijn zoon in april 2007 nog op school in [plaats] zat en dat hij begin 2008 naar school in Marokko ging. Gezien de tegenstrijdige verklaringen van eiser welke niet in onderlinge samenhang zijn onderbouwd, gaat de rechtbank uit van eisers eerste verklaring, inhoudende dat eisers zoon in Marokko woonde vanaf het moment van overlijden van zijn moeder.

4.9. Ten aanzien van [B] blijkt uit de gedingstukken dat eiser aan verweerder heeft doorgegeven dat zij sinds 1 september 2007 bij een familielid in [plaats] woont en daar naar school gaat. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat zijn dochter in de weekenden altijd bij hem verblijft en dat zij dus tot zijn huishouden moet worden gerekend. De rechtbank overweegt hiertoe dat het verblijf in de weekenden onvoldoende is om aan te nemen dat eisers dochter tot zijn huishouden heeft behoord. Bovendien blijkt uit de gedingstukken dat eiser ook vaak in Marokko heeft verbleven, waardoor eisers dochter ook grote delen van het jaar ook in de weekenden niet bij hem kon verblijven in Almere.

4.10. Vervolgens is de vraag aan de orde of eiser heeft voldaan aan zijn onderhoudsplicht ten aanzien van zijn kinderen. Blijkens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dient een verzekerde desgevraagd op een voor het uitvoeringsorgaan eenvoudig te controleren wijze - met name door middel van bankoverschrijvingen ten name van de persoon die het kind verzorgt of van het kind zelf - aan te tonen dan wel aannemelijk te maken dat hij voor zijn niet in Nederland verblijvende kinderen heeft voldaan aan de voor hem geldende onderhoudsbijdrage (zie onder meer de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 8 november 1983 en 28 februari 1984, RSV 1984, 34 en 161).

4.11. Met betrekking tot [A] heeft eiser bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat er geldopnamen in Marokko zijn verricht. Eiser heeft aangevoerd dat deze geldopnamen ten behoeve van het onderhoud van [A] waren. Het enkele feit dat er geldopnamen zijn verricht in Marokko, kan echter zonder nadere onderbouwing – die ontbreekt – niet tot de conclusie leiden dat deze betalingen zijn verricht ten behoeve van het onderhoud van [A]. Niet uitgesloten is immers dat met deze geldopnamen andere betalingen zijn gedaan. Met betrekking tot [B] is de rechtbank met verweerder van oordeel dat over het tweede en vierde kwartaal van 2008 en het eerste en tweede kwartaal van 2009 wel is voldaan aan de onderhoudsplicht, maar over de overige kwartalen niet. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit de door eiser overgelegde bankafschriften niet valt af te leiden dat eiser heeft voldaan aan de voor hem geldende onderhoudsbijdrage over de overige kwartalen. De rechtbank is van oordeel op basis van de thans bekende bewijsmiddelen de onderhavige zaak kan worden beslecht. Daartoe is van belang dat verweerder in het onder 1.4. en 1.5. genoemde onderzoek eiser voldoende in de gelegenheid heeft gesteld aan te tonen dat hij in het onderhoud van zijn kinderen heeft voorzien. Deze bewijsmiddelen leveren niet het vereiste eenvoudig te controleren bewijs van onderhoud over de relevante kwartalen.

4.12. Gelet op het voorgaande kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in zoverre in stand blijven dat eiser vanaf het tweede kwartaal van 2007 geen recht op kinderbijslag heeft voor [A]. Omdat [B] sinds het vierde kwartaal van 2007 niet meer tot eisers huishouden behoorde en hij ook onvoldoende bewijs heeft geleverd van bijdragen in haar levensonderhoud, met uitzondering van het tweede en vierde kwartaal van 2008 en het eerste en tweede kwartaal van 2009, bestond voor haar over de overige kwartalen ook geen recht op kinderbijslag.

4.13. Gelet op het vorenoverwogene zal de rechtbank onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het bestreden besluit vernietigen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Nu het beroep gegrond is verklaard, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten van het ingestelde beroep en verweerder opdragen het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 41,- (zegge: éénenveertig euro) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 874,- (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. Rombouts, rechter,

in aanwezigheid van mr. R.J.R. van Broekhoven, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2011.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB