Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BX9387

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-10-2011
Datum publicatie
05-10-2012
Zaaknummer
AWB 11/2882 WWB tussenuitspraak
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op artikel 35, vierde lid, van de WWB komt verweerder beleidsvrijheid toe om, in afwijking van het eerste lid, categoriale bijstand te verlenen aan een categorie chronisch zieken en gehandicapten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook een zekere beoordelingsvrijheid om te bepalen welke norm voor de berekening van de aanwezige draagkracht wordt aangelegd.

Op grond van de Beleidsregels aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Atcg) kan verweerder aan belanghebbenden met een laag inkomen (categoriale) bijzondere bijstand verstrekken. Onder laag inkomen wordt verstaan een (gezins)inkomen dat minder dan of gelijk is aan 110% van de van toepassing zijnde bruto IAOW norm. Dit beleid acht de rechtbank niet kennelijk onredelijk dan wel anderszins onjuist. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat het systeem van de WWB in de weg staat aan de door verweerder gehanteerde bruto-berekening. Zie ook de einduitspraak in deze zaak, LJN: BX9388

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2882 WWB

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

gemachtigde mr. M.F. Vermaat,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. J.M. Boegborn.

Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2011 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming op grond van de Beleidsregels aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Atcg), omdat haar inkomen meer bedraagt dan 110% van het voor haar geldende sociaal minimum.

Bij besluit van 4 mei 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 14 februari 2011 niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 20 mei 2011 heeft verweerder de motivering van het besluit van 4 mei 2011 gewijzigd.

Eiseres heeft tegen het besluit van 4 mei 2011 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2011. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 2 maart 2010 heeft verweerder een aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand voor kosten die voortkomen uit een chronische beperking afgewezen, op de grond dat eiseres niet in aanmerking komt voor toepassing van de Beleidsregels Atcg, omdat haar inkomen hoger is dan 110% van het wettelijk sociaal minimum.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.2. Bij besluit van 17 mei 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het besluit van 2 maart 2010 gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen het besluit van 17 mei 2010 (registratienummer AWB 10/3001 WWB).

1.4. Tijdens de beroepsprocedure AWB 10/3001 WWB heeft verweerder bij brief van 24 augustus 2010 meegedeeld dat naar aanleiding van de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 28 juli 2010 een nieuw besluit op bezwaar zal worden genomen. In deze brief heeft verweerder verder meegedeeld dat eiseres vanwege de hoogte van haar inkomen niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand op grond van de Atcg, maar dat zal worden beoordeeld of eiseres, na een draagkrachtberekening, voor aanvullende bijzondere bijstand in aanmerking komt.

1.5. Bij uitspraak van 1 september 2010 heeft de rechtbank het beroep van eiseres in de zaak met registratienummer AWB 10/3001 WWB gegrond verklaard, het besluit van 17 mei 2010 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres.

1.6. Bij besluit van 7 december 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit van 2 maart 2010 gegrond verklaard en eiseres met ingang van 1 november 2009 in aanmerking gebracht voor bijzondere bijstand ter hoogte van € 80,- per maand voor de kosten die voortkomen uit een chronische beperking. Hierbij is tevens meegedeeld dat dit betekent dat het besluit van 2 maart 2010 geen stand houdt.

1.7. Bij brief van 14 februari 2011 heeft verweerder gegevens opgevraagd bij eiseres om het recht op en de hoogte van de individuele bijzondere bijstand per 1 maart 2011 te kunnen vaststellen. In deze brief is tevens meegedeeld dat eiseres niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand op grond van de Atcg, omdat haar inkomen meer bedraagt dan 110% van het voor haar geldende sociaal minimum.

1.8. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de passage in de brief van 14 februari 2011, waarbij haar is meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand op grond van de Atcg, omdat haar inkomen meer bedraagt dan 110% van het voor haar geldende sociaal minimum.

1.9. Bij besluit van 4 mei 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 14 februari 2011 niet-ontvankelijk verklaard, omdat in deze brief slechts gegevens van eiseres zijn opgevraagd, zodat de brief geen rechtsgevolg heeft.

1.10. Bij besluit van 20 mei 2011 heeft verweerder de motivering van het besluit van 4 mei 2011 gewijzigd, in die zin dat is overwogen dat wordt erkend dat in het besluit van 7 december 2010 niet expliciet is vermeld dat eiseres niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand op grond van de Atcg, maar dat eiseres dit, gelet op de brief van 24 augustus 2010, had kunnen begrijpen.

1.11. Bij besluit van 23 maart 2011 heeft verweerder eiseres met ingang van 1 maart 2011 individuele bijzondere bijstand toegekend ter hoogte van € 8,60 per maand voor de kosten die voortkomen uit een chronische beperking.

2. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat het beroep is gericht tegen de besluiten van verweerder van 4 mei 2011 en 20 mei 2011, voor zover daarbij is besloten haar bezwaar tegen de passage in de brief van 14 februari 2011, waarbij haar is meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand op grond van de Atcg, niet-ontvankelijk te verklaren. De omvang van het beroep is dan ook hiertoe beperkt.

2.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij het besluit van 20 mei 2011 de motivering van het besluit van 4 mei 2011 heeft gewijzigd. De rechtbank merkt het besluit van 20 mei 2011 dan ook aan als een wijzigingsbesluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat verweerder met dit besluit niet geheel aan het beroep van eiseres tegemoet is gekomen, wordt het beroep met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 20 mei 2011.

3. Overwegingen ten aanzien van het besluit van 4 mei 2011

3.1. Nu verweerder de motivering van het besluit van 4 mei 2011 niet heeft gehandhaafd, heeft eiseres geen belang meer bij een beoordeling van dit besluit. Het beroep tegen het besluit van 4 mei 2011 zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

3.2. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank, voor zover gericht tegen het besluit van 4 mei 2011, redelijkerwijs heeft moeten maken. Die kosten worden, onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 437,- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt x factor 1 x € 437,-). Hierbij heeft de rechtbank 1 punt gerekend voor het indienen van het beroepschrift. Het door eiseres betaalde griffierecht wordt geacht mede te zijn voldaan ten behoeve van het besluit van 20 mei 2011.

4. Overwegingen ten aanzien van het besluit van 20 mei 2011.

4.1. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat het besluit van 20 mei 2011 zo moet worden gelezen dat de mededeling in de brief van 14 februari 2011, dat eiseres niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand op grond van de Atcg, geen rechtsgevolg heeft, omdat sprake is van een ‘herhaald besluit’. Verweerder heeft er hierbij op gewezen dat in het besluit van 7 december 2010 reeds impliciet is besloten dat eiseres niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand op grond van de Atcg, en dat eiseres dit, in combinatie met de brief van 24 augustus 2010, had moeten begrijpen.

4.2. Het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat helder en duidelijk uit een besluit blijkt wat het besluit inhoudt en wat het rechtsgevolg van het besluit is. De rechtbank stelt vast dat in het besluit van 7 december 2010 niet uitdrukkelijk is meegedeeld dat eiseres niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand op grond van de Atcg. Verweerder heeft dit ook erkend. Verder is ook niet anderszins, uit de tekst of uit de motivering van dat besluit, af te leiden dat verweerder zulks zou hebben besloten. Voor zover verweerder bij het besluit van

7 december 2010 heeft bedoeld te beslissen dat eiseres niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand op grond van de Atcg vanwege de hoogte van haar inkomen, is dat niet helder en duidelijk in het besluit verwoord.

4.3. Dat in het besluit van 7 december 2010 impliciet zou zijn besloten dat eiseres niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand op grond van de Atcg vanwege de hoogte van haar inkomen, en dat eiseres dit, in combinatie met de brief van 24 augustus 2010, had moeten begrijpen, ziet de rechtbank niet in. In het besluit op bezwaar van 7 december 2010 staat dat het besluit van 2 maart 2010 niet wordt gehandhaafd. Aangezien in het besluit van 2 maart 2010 was meegedeeld dat eiseres niet in aanmerking kwam voor bijzondere bijstand op grond van de Atcg, wees het niet-handhaven van dit besluit erop dat verweerder het standpunt had verlaten dat eiseres vanwege de hoogte van haar inkomen niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand op grond van de Atcg. Dat verweerder ook bij brief van 24 augustus 2010 aan eiseres heeft meegedeeld dat zij vanwege de hoogte van haar inkomen niet in aanmerking komt voor de bijzondere bijstand op grond van de Atcg, maakt dit niet anders. De inhoud van deze brief is in lijn met het besluit van 2 maart 2010 maar dateert van vóór het besluit op bezwaar van 7 december 2010 waarin het besluit van 2 maart 2010 niet is gehandhaafd. De brief van 24 augustus 2010 heeft dus niet de betekenis die verweerder daaraan toekent.

4.4. Er kan kortom niet worden gezegd dat verweerder bij besluit van 7 december 2010 reeds heeft beslist dat eiseres niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand op grond van de Atcg. Dit betekent dat verweerder eerst in de hier in geding zijnde passage in de brief van

14 februari 2011 heeft besloten dat eiseres niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand op grond van de Atcg vanwege de hoogte van haar inkomen. De desbetreffende passage in de brief van 14 februari 2011 heeft dan ook rechtsgevolg en moet daarom worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

5.1. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder bij het besluit van 20 mei 2011 het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 14 februari 2011 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

5.2. De rechtbank is momenteel niet in staat om het geschil tussen partijen definitief te beslechten. Verweerder heeft immers vooralsnog niet inhoudelijk gereageerd op de bezwaar- en beroepsgrond van eiseres, dat zij wel recht heeft op bijzondere bijstand op grond van de Atcg, omdat verweerder bij de bepaling van de hoogte van haar inkomen ten onrechte is uitgegaan van haar bruto inkomen.

5.3. Gelet hierop zal de rechtbank, mede gezien het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil, verweerder met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid stellen om inhoudelijk (al dan niet in besluitvorm) te reageren op de bezwaargrond van eiseres, zoals die in hiervoor is weergegeven.

5.4. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

Beslissing

De rechtbank:

ten aanzien van het besluit van 4 mei 2011:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 437,-, te

betalen aan de griffier van de rechtbank.

ten aanzien van het besluit van 20 mei 2011:

- heropent het vooronderzoek;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na deze uitspraak inhoudelijk

te reageren op de bezwaargrond van eiseres, zoals die is weergegeven in r.o. 5.2.

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Raat, rechter,

in aanwezigheid van mr. T.E. Bouwmeester, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2011.

de griffier, de rechter,

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak kunnen partijen en belanghebbenden géén hoger beroep instellen (artikel 18, derde lid van de Beroepswet).

Hoger beroep is slechts mogelijk tegelijk met het hoger beroep tegen de nog te wijzen einduitspraak.

Afschrift verzonden op:

D: C

SB