Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BX6146

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
30-08-2012
Zaaknummer
451556 / HA ZA 10-580 en 451557 / HA ZA 10-581
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vernietiging borgtocht op basis van artikel 1:88 BW?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 88
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2012/129 met annotatie van B.E. Reinhartz
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 451556 / HA ZA 10-580

Vonnis van 5 oktober 2011

in de zaak van

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK HILVERSUM-VECHT & PLASSEN U.A.,

gevestigd te Breukelen,

eiseres,

advocaat mr. A. van Hees,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. G. Kuijper,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 451557 / HA ZA 10-581 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE LAGE LANDEN FINANCIAL SERVICES B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres,

advocaat mr. A. van Hees,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. G. Kuijper.

Partijen zullen hierna Rabobank, [gedaagde] en DLL genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

in de zaak met rolnummer HA ZA 10-580

- de dagvaarding van 28 januari 2010, met producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 4 augustus 2010 waarbij een comparitie van partijen is gelast, met de daarin vermelde stukken,

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 20 oktober 2010, met de daarin vermelde stukken en/of proceshandelingen,

- de akte van Rabobank en DLL van 9 februari 2011, met producties,

- de akte van [gedaagde] van 6 april 2011, met producties,

- de akte uitlating producties van Rabobank en DLL.

in de zaak met rolnummer HA ZA 10-581

- de dagvaarding van 28 januari 2010, met producties,

- de stukken ingediend door DLL op 3 maart 2010,

- de akte wijziging van eis van 7 juli 2010, met producties,

- de akte dienen producties van 21 juli 2010 van DLL, met producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 4 augustus 2010, waarbij een comparitie van partijen is gelast,

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 20 oktober 2010, met de daarin vermelde stukken en/of proceshandelingen,

- de akte na comparitie van DLL en Rabobank van 9 februari 2011, met producties,

- de antwoordakte van 6 april 2011, met producties,

- de akte uitlating producties van 4 mei 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in beide zaken.

2. De feiten in beide zaken

2.1. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Countrywide Management & Leasing B.V. (hierna: CML) hield zich bezig met het aanschaffen en verhuren (verleasen) van luxeauto’s.

2.2. CML is bij akte van 28 april 2006 opgericht door Stonegate Investments B.V. (hierna: Stonegate) en SENA Investments B.V. (hierna: Sena). Sena werd daarbij vertegenwoordigd door [gedaagde].

2.3. Op 7 juni 2006 heeft [gedaagde] een borgtocht ten gunste van DLL afgegeven voor een maximaal bedrag van € 250.000,=, te vermeerderen met rente en kosten tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen DLL blijkens haar administratie van CML te vorderen heeft of mocht hebben, uit hoofde van de met CML gesloten en/of alsnog te sluiten leaseovereenkomst(en), dan wel uit welke andere hoofde ook. In de overeenkomst van borgtocht is opgenomen dat [gedaagde] de borgtocht heeft gesteld handelend ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf waarvan [gedaagde] middellijk bestuurder is en alleen of met zijn medebestuurder(s) de meerderheid van aandelen houdt.

2.4. In de Algemene Voorwaarden voor Borgtocht van DLL (hierna: AV Borgtocht DLL) is in artikel 3 lid 3 bepaald dat DLL [gedaagde] uit hoofde van de door hem aangegane overeenkomst van borgtocht kan aanspreken zonder dat enige ingebrekestelling van of mededeling aan de debiteur is vereist.

2.5. Op 7 juli 2006 heeft (onder meer) [gedaagde] een vermogensinstandhoudings-verklaring (hierna: VIV) ondertekend. Hiermee heeft [gedaagde] verklaard er jegens DLL voor in te staan dat het garantievermogen van CML te allen tijde minstens 15% van het balanstotaal bedraagt, met een minimum van € 250.000,=. Ingevolge artikel 3 VIV stelt [gedaagde] zich zonder dat hiervoor enige aanzegging van de zijde van DLL is vereist, garant voor de betaling van al hetgeen DLL van CML te vorderen heeft of mocht hebben, ongeacht uit welke hoofde. In artikel 3 van de VIV is bepaald dat het bedrag waarvoor als garant zal kunnen worden aangesproken maximaal bedraagt € 629.600,= te vermeerderen met rente en kosten. In artikel 4 VIV is opgenomen dat [gedaagde] zich garant heeft gesteld handelend ten behoeve van de normale uitoefening van zijn bedrijf waarvan [gedaagde] middellijk bestuurder is en alleen of met zijn medebestuurder(s) de meerderheid van de aandelen houdt.

2.6. In de periode van 30 juli 2006 tot en met 29 januari 2009 zijn CML en DLL 29 financial leaseovereenkomsten (hierna: de leaseovereenkomsten) aangegaan. DLL heeft op grond van de leaseovereenkomsten een bedrag van in hoofdsom € 3.204.596,27 als geldlening aan CML verstrekt. De geldlening is uitsluitend verstrekt ten behoeve van de aanschaf van 61 (luxe) personenauto’s (hierna: de objecten).

2.7. CML heeft tot zekerheid voor de voldoening van al hetgeen DLL van CML blijkens de administratie van DLL te vorderen heeft of mocht hebben uit hoofde van de leaseovereenkomsten, dan wel uit welke andere hoofde dan ook, op de objecten een pandrecht (eerste recht van pand) ten gunste van DLL gevestigd.

2.8. Artikel 9 van de Algemene Voorwaarden Financiële Rabolease 1998 van DLL (hierna: AV Rabolease DLL) en artikel 10 van de Algemene Voorwaarden Financiële Lease 2008 van DLL (hierna: AV Financiële Lease DLL) bepalen dat CML niet bevoegd is om zonder toestemming van DLL de verpande objecten te vervreemden.

2.9. In artikel 12 AV Rabolease DLL en artikel 16 AV Financiële Lease DLL is bepaald dat al hetgeen DLL van CML te vorderen heeft direct opeisbaar is indien CML een op haar rustende verplichting niet nakomt, in strijd handelt met een op haar rustende verplichting of het faillissement van CML wordt uitgesproken.

2.10. Artikel 16 AV Rabolease DLL en artikel 24 AV Financiële Lease DLL bepalen dat CML jegens DLL in verzuim is indien en zodra zij om welke reden dan ook, niet toerekenbare tekortkoming daaronder begrepen, haar verplichtingen jegens DLL niet nakomt zonder dat daartoe een ingebrekestelling zal zijn vereist en ongeacht of nakoming al of niet mogelijk is.

2.11. Bij akte van 29 oktober 2008 is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Wheels to Go B.V. (hierna: Wheels to Go) opgericht. Bij akte van 31 oktober 2009 zijn alle aandelen van CML geleverd aan Wheels to Go. Op diezelfde datum is Wheels to Go benoemd tot enig bevoegd statutair bestuurder van CML. Bij akte van 31 oktober 2009 is 1/3 deel van het geplaatst kapitaal van Wheels to Go geleverd aan Sena.

2.12. Op 11 oktober 2007 heeft Rabobank aan CML een krediet verstrekt. Het krediet bestaat uit een basiskrediet van € 300.000,= dat tot maximaal € 500.000,= zou kunnen oplopen indien de waarde van het daarvoor door CML aan Rabobank gegeven onderpand, in het onderhavige geval (exclusieve) auto’s, deze verhoging van het kredietlimiet zou kunnen dragen. In de kredietovereenkomst is onder meer bepaald dat de Rabobank, tot zekerheid van nakoming van de verplichtingen van CML jegens Rabobank, heeft:

- het eerste recht van pand op alle huidige en toekomstige voorraden van CML;

- het eerste recht van pand op alle huidige en toekomstige transportmiddelen van CML;

- een overeenkomst van borgtocht voor een bedrag van € 150.000,= afgegeven door [gedaagde] voor alle huidige en toekomstige verplichtingen van CML jegens Rabobank.

2.13. Bij akte van 15 oktober 2007 heeft Rabobank een eerste recht van pand gevestigd op alle huidige en toekomstige voorraden en transportmiddelen van CML.

2.14. Artikel 2 onder 7 sub a van de algemene voorwaarden pand van Rabobank (hierna: AV Pand Rabobank) bepaalt dat het zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Rabobank niet is toegestaan om een of meer verpande goederen te vervreemden, anders dan overeenkomstig het in de akte of de algemene voorwaarden bepaalde. Artikel 2 onder 15 AV Pand Rabobank bepaalt dat indien CML tekortschiet in de nakoming van enige verplichtingen uit hoofde van de akte of de algemene voorwaarden, CML in verzuim is door het enkele feit van niet-nakoming, zonder dat daartoe enige ingebrekestelling is vereist. Artikel 2 onder 20 sub a AV Pand Rabobank bepaalt dat indien CML met haar verplichtingen waarvoor het pandrecht is verleend in gebreke blijft, Rabobank zonder nadere kennisgeving aan CML gerechtigd is om tot uitoefening van de aan de verpande vorderingen en rechten verbonden zekerheden over te gaan.

2.15. Bij overeenkomst van borgtocht van 15 oktober 2007 heeft [gedaagde] zich ten gunste van Rabobank borg gesteld voor een maximaal bedrag van € 150.000,=, te vermeerderen met renten, provisies en kosten tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen Rabobank blijkens haar administratie van CML te vorderen heeft of mocht hebben. In de borgtochtovereenkomst is opgenomen dat de borg verklaart de borgtocht te hebben gesteld handelend ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van de debiteur (in dit geval CML).

2.16. Uit de gedeponeerde jaarrekening van CML over het jaar 2007 blijkt een negatief eigen vermogen van € 76.864,= en een schuldenlast van ruim € 3.610.000,=.

2.17. [gedaagde] was per 2 maart 2009 statutair bestuurder van CML. Op 20 oktober 2009 is [gedaagde] teruggetreden als statutair bestuurder van Wheels to Go.

2.18. Bij brief van 23 april 2009 heeft Rabobank aan CML te kennen gegeven een tijdelijke overstand (tot en met 31 mei 2009) van € 100.000,= boven het maximum krediet van € 500.000,= toe te staan. Rabobank stelde daarbij als voorwaarde dat de debetstand uiterlijk op 31 mei 2009 weer diende te zijn teruggebracht onder het maximale kredietlimiet van € 500.000,=.

2.19. Bij brief van 23 april 2009 heeft Rabobank uit hoofde van haar zorgplicht ten aanzien van de borgovereenkomst van 15 oktober 2007 aan [gedaagde] bericht dat zij zich zorgen maakt over de ontstane situatie bij CML. De zorgen hebben onder andere als reden de verlieslatende exploitatie en de opgelopen debetstand op de rekening-courant. Tenslotte heeft Rabobank in de brief erop gewezen dat indien CML haar verplichtingen niet nakomt, [gedaagde] aangesproken kan worden op grond van de overeenkomst van borgtocht.

2.20. Bij brief van 28 oktober 2009 heeft DLL alle leaseovereenkomsten ontbonden omdat CML in strijd handelde met de bepalingen in de algemene voorwaarden, met name in strijd met artikel 9 AV Rabolease DLL en artikel 10 AV Financiële Lease DLL. DLL heeft bij CML aanspraak gemaakt op het op dat moment totaal openstaande bedrag van

€ 1.806.900,45 inclusief achterstallige leasetermijnen, rente en buitengerechtelijke invorderingskosten.

2.21. Bij brief van 2 november 2009 heeft Rabobank de met CML gesloten kredietovereenkomst met onmiddellijke ingang beëindigd.

2.22. CML is bij vonnis van de rechtbank Utrecht op 2 november 2009 in staat van faillissement verklaard.

3. Het geschil in de zaak met rolnummer HA ZA 10-580

3.1. Rabobank vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 150.000,=, vermeerderd met provisies, rente en kosten, waaronder de proceskosten, uit hoofde van de door [gedaagde] afgegeven borgtocht.

3.2. [gedaagde] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in de zaak met rolnummer HA ZA 10-581

4.1. DLL vordert, na wijziging van haar eis, primair veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 250.000,=, vermeerderd met rente en kosten uit hoofde van de door [gedaagde] afgegeven borgtocht alsmede betaling van € 629.600,= vermeerderd met rente en kosten, op grond van de door [gedaagde] afgegeven vermogensinstandhoudingsverklaring.

Subsidiair vordert DLL veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 250.000,=, te vermeerderen met rente en kosten uit hoofde van de door hem afgegeven borgtocht en tot betaling van € 314.800,= vermeerderd met rente en kosten op grond van de door [gedaagde] afgegeven vermogensinstandhoudingsverklaring. Zowel primair als subsidiair met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding. Een en ander -naar de rechtbank begrijpt- met dien verstande dat [gedaagde] niet veroordeeld wordt tot betaling van meer dan volgt uit hoofde van de door [gedaagde] afgegeven borgtocht en de vermogensinstandhoudingsverklaring.

4.2. [gedaagde] voert verweer.

4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

in de zaak met rolnummer HA ZA 10-580

Vernietiging borgtocht op basis van artikel 1:88 BW?

5.1. Als meest verstrekkend verweer heeft [gedaagde] aangevoerd dat de overeenkomst van borgtocht buitengerechtelijk is vernietigd door de brief van de advocaat van zijn echtgenote van 15 juli 2010, omdat zijn echtgenote geen toestemming in de zin van artikel 1:88 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft verleend voor de borgstelling.

5.2. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:88 lid 1 sub c BW behoeft een echtgenoot de toestemming van de andere echtgenoot voor rechtshandelingen die ertoe strekken dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt, of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van de derde verbindt. Op grond van lid 5 van voornoemd artikel is toestemming voor een rechtshandeling als bedoeld in lid 1 onder c niet vereist, indien zij wordt verricht door een bestuurder van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die daarvan alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen houdt en mits zij geschiedt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap. Het debat in de onderhavige zaak spitst zich allereerst toe op de vraag of in het onderhavige geval sprake is van een borgstelling in de normale uitoefening van het beroep of bedrijf van [gedaagde]. Het vereiste dat de zekerheidsstelling geschiedt ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening van de vennootschap ziet mede op de rechtshandeling van de vennootschap waarvoor de zekerheid wordt verstrekt, in het onderhavige geval de kredietovereenkomst. De vraag is derhalve of het aangaan van de kredietovereenkomst tot de normale bedrijfsuitoefening kan worden gerekend, zodat de borgstelling door [gedaagde] is geschied ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening van CML. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Immers, op het moment van het aangaan van de kredietovereenkomst bedroeg het eigen vermogen van CML € 76.864,= negatief en bedroeg de schuldenlast € 3.610.000,=. De materiële vaste activa waren volledig verpand. CML bood derhalve geen enkele zekerheid voor het aanvankelijk door Rabobank verleende krediet van € 500.000,=. Onder deze omstandigheden behoort het aangaan van een kredietovereenkomst niet tot de normale bedrijfsuitoefening van CML, zodat ook de borgstelling door [gedaagde] niet is geschied ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening van de vennootschap. Dat in de overeenkomst van borgstelling is opgenomen dat [gedaagde] verklaart de borgtocht te hebben gesteld handelend ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van CML, maakt het voorgaande -gelet op de bescherming die artikel 1:88 BW beoogd te bieden- niet anders.

5.3. Het voorgaande betekent dat [gedaagde] -als hij toen getrouwd was- voor het aangaan van de borgstellingovereenkomst toestemming nodig had van zijn echtgenote. Dat zulke toestemming zou zijn verleend is gesteld noch gebleken. Niet is betwist door Rabobank dat de echtgenote van [gedaagde] bij brief van haar advocaat van 15 juli 2010 een beroep heeft gedaan op buitengerechtelijk vernietiging van de overeenkomst van borgtocht, zodat ook de rechtbank hiervan zal uitgaan.

[gedaagde] gehuwd?

5.4. Rabobank heeft aangevoerd dat niet is aangetoond dat [gedaagde] ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van borgtocht was getrouwd. Rabobank betoogt dat op de kopie van het trouwboekje van [gedaagde] niet goed leesbaar is wanneer [gedaagde] in het huwelijk is getreden. Bovendien is volgens Rabobank met het trouwboekje niet aangetoond dat [gedaagde] ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van borgtocht nog steeds was getrouwd. De rechtbank is van oordeel dat indien [gedaagde] aantoont dat hij ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van borgtocht was getrouwd, zijn echtgenote deze overeenkomst van borgtocht met de brief van 15 juli 2010 op grond van artikel 1:89 BW buitengerechtelijk heeft vernietigd. Nu [gedaagde] zich beroept op zijn huwelijkse staat en Rabobank zulks betwist, rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) de bewijslast ten aanzien van zijn huwelijkse staat ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van borgtocht bij [gedaagde]. [gedaagde] zal dan ook worden toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat hij op 15 oktober 2007 was getrouwd.

5.5. Slaagt [gedaagde] in deze bewijsopdracht dan is de overeenkomst van borgtocht buitengerechtelijk vernietigd door zijn echtgenote bij brief van haar advocaat van 15 juli 2010 en zal de vordering van Rabobank worden afgewezen. Slaagt [gedaagde] niet in het hem opgedragen bewijs, dan faalt zijn beroep op de buitengerechtelijke vernietiging en zal de rechtbank toekomen aan beoordeling van de overige weren van [gedaagde].

5.6. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

in de zaak met rolnummer HA ZA 10-581

VIV is overeenkomst van borgtocht

5.7. DLL baseert haar vordering op [gedaagde] op de borgtochtovereenkomst van 7 juni 2006 en de VIV van 7 juli 2006. Nu de VIV er toe strekt dat [gedaagde] kan worden aangesproken voor de betaling van al hetgeen DLL van CML te vorderen heeft, zal de rechtbank deze overeenkomst -zoals door [gedaagde] is aangevoerd en door DLL niet is betwist- kwalificeren als overeenkomst van borgtocht (in de zin van artikel 7:850 BW).

Vernietiging borgtocht op basis van artikel 1:88 BW?

5.8. Als meest verstrekkend verweer heeft [gedaagde] aangevoerd dat zowel de overeenkomst van borgtocht als de VIV buitengerechtelijk is vernietigd door de brief van de advocaat van zijn echtgenote van 15 juli 2010, omdat zijn echtgenote geen toestemming in de zin van artikel 1:88 BW heeft verleend voor de borgstellingen.

5.9. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:88 lid 1 sub c BW behoeft een echtgenoot de toestemming van de andere echtgenoot voor rechtshandelingen die ertoe strekken dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt, of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van de derde verbindt. Op grond van lid 5 van voornoemd artikel is toestemming voor een rechtshandeling als bedoeld in lid 1 onder c niet vereist, indien zij wordt verricht door een bestuurder van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die daarvan alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen houdt en mits zij geschiedt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap. Het debat in de onderhavige zaak spitst zich allereerst toe op de vraag of in het onderhavige geval sprake is van borgstellingen in de normale uitoefening van het beroep of bedrijf van [gedaagde]. Gelet op de negatieve financiële positie van CML is de rechtbank van oordeel dat zulks niet het geval is. Immers, zijn alle auto’s (de objecten) die zijn gekocht door CML met de gelden uit de leaseovereenkomsten, door CML verpand aan DLL. Het eigen vermogen van CML bedroeg in 2007 € 76.864,= negatief en de schuldenlast beliep € 3.610.000,=. CML bood derhalve (naast de reeds verpande auto’s) geen enkele zekerheid voor de door DLL aan CML ter beschikking gestelde gelden. Onder deze omstandigheden behoort het aangaan van de borgovereenkomsten niet tot de normale bedrijfsuitoefening van CML. Dat in de overeenkomst van borgstelling en in de VIV is opgenomen dat [gedaagde] verklaart de borgtocht en de VIV te hebben gesteld handelend ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van CML, maakt het voorgaande -gelet op de bescherming die artikel 1:88 BW beoogt te bieden- niet anders.

5.10. Het voorgaande betekent dat [gedaagde] voor het aangaan van de borgstellingover-eenkomst en de VIV (voor zover deze een borgstelling behelst) toestemming nodig had van zijn echtgenote. Dat zulke toestemming zou zijn verleend is gesteld noch gebleken. Niet is betwist door DLL dat de echtgenote van [gedaagde] bij brief van haar advocaat van 15 juli 2010 een beroep heeft gedaan op buitengerechtelijk vernietiging van de overeenkomst van borgtocht en de VIV, zodat ook de rechtbank hiervan zal uitgaan. DLL heeft aangevoerd dat niet is aangetoond dat [gedaagde] ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van borgtocht was getrouwd. DLL betoogt dat op de kopie van het trouwboekje van [gedaagde] niet goed leesbaar is wanneer [gedaagde] in het huwelijk is getreden. Bovendien is volgens DLL met het trouwboekje niet aangetoond dat [gedaagde] ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van borgtocht en de VIV nog steeds was getrouwd.

5.11. De rechtbank is van oordeel dat indien [gedaagde] aantoont dat hij ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van borgtocht en de VIV (voorzover deze een borgstelling behelst) was getrouwd, zijn echtgenote deze overeenkomst van borgtocht met de brief van 15 juli 2010 op grond van artikel 1:89 BW buitengerechtelijk heeft vernietigd.

5.12. Nu [gedaagde] zich beroept op zijn huwelijkse staat en DLL zulks betwist, rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) de bewijslast ten aanzien van zijn huwelijkse staat ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van borgtocht bij [gedaagde]. [gedaagde] zal dan ook worden toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat hij op 7 juni 2006 alsmede op 7 juli 2006 was getrouwd.

5.13. Slaagt [gedaagde] in deze bewijsopdracht dan zijn de overeenkomst van borgtocht en de VIV (voorzover deze een borgstelling behelst) buitengerechtelijk vernietigd door zijn echtgenote bij brief van haar advocaat van 15 juli 2010 en zal de vordering van DLL worden afgewezen. Slaagt [gedaagde] niet in het hem opgedragen bewijs, dan faalt zijn beroep op de buitengerechtelijke vernietiging en zal de rechtbank toekomen aan beoordeling van de overige weren van [gedaagde].

5.14. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6. De beslissing

De rechtbank

in de zaak met rolnummer HA ZA 10-580

6.1. draagt [gedaagde] op te bewijzen dat hij op 15 oktober 2007 was getrouwd met [A],

6.2. verwijst de zaak naar de rol van 19 oktober 2011 opdat [gedaagde] alsdan kan meedelen of hij van de gelegenheid tot bewijslevering gebruik wenst te maken alsmede of hij schriftelijk bewijs wil leveren en/of getuigen wil doen horen. Indien [gedaagde] bewijslevering door getuigen wenst, dient hij daarbij tevens opgave te doen van het aantal getuigen, en van de verhinderdata van alle betrokkenen in de eerstvolgende drie maanden, waarna een dag voor getuigenverhoor dan wel voor het overleggen van bewijsstukken zal worden bepaald dan wel wordt voort geprocedeerd,

6.3. houdt iedere verdere beslissing aan,

in de zaak met rolnummer HA ZA 10-581

6.4. draagt [gedaagde] op te bewijzen dat hij op 7 juni 2006 alsmede op 7 juli 2006 was getrouwd met [A],

6.5. verwijst de zaak naar de rol van 19 oktober 2011 opdat [gedaagde] alsdan kan meedelen of hij van de gelegenheid tot bewijslevering gebruik wenst te maken alsmede of hij schriftelijk bewijs wil leveren en/of getuigen wil doen horen. Indien [gedaagde] bewijslevering door getuigen wenst, dient hij daarbij tevens opgave te doen van het aantal getuigen, en van de verhinderdata van alle betrokkenen in de eerstvolgende drie maanden, waarna een dag voor getuigenverhoor dan wel voor het overleggen van bewijsstukken zal worden bepaald dan wel wordt voort geprocedeerd,

6.6. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A. Brunner en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2011.