Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BX1999

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-08-2011
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
AWB 11-2785 BESLU
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BX3930, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag ontheffing van het verbod van slapen op of aan de weg (kampeerverbod) op grond van de APV. Verweerder heeft de ontheffing in redelijkheid kunnen weigeren vanwege het gebrek aan voorzieningen voor langdurig verblijf in het Westerpark. Dat sprake was van een gedoogsituatie heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2785 BESLU

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser], woonplaats onbekend, eiser,

gemachtigde: mr. R.S. Pot

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel West, van de gemeente Amsterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Hageman.

Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om ontheffing van artikel 2.20, eerste lid, van de Algemeen Plaatselijke Verordening Amsterdam 2008 (APV) afgewezen.

Bij besluit van 3 mei 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 augustus 2011.

Eiser en verweerder hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiser verblijft in een tipi en een boomhut in het Westerpark in de nabijheid van de buurtboerderij. Bij brief van 8 september 2010 heeft eiser aan verweerder verzocht om aan hem een ontheffing als bedoeld in artikel 2.20, tweede lid, van de APV te verlenen van hetgeen is bepaald in het eerste lid van dat artikel (slapen op of aan de weg).

1.2. Verweerder heeft de ontheffing geweigerd omdat het verboden is te kamperen buiten de aangewezen kampeerterreinen en de ontheffing niet is bedoeld voor individuen die verblijf willen houden buiten de daartoe aangewezen kampeerplaatsen maar voor heel andere situaties. Het gaat bij een ontheffing om de mogelijkheid voor groepen om gedurende een korte periode buiten de formele kampeerterreinen verblijf te houden. Het overnachten van eiser in een tent in het park is in strijd met de doelstellingen van het artikel. Er is geen schoon water, er zijn geen sanitaire voorzieningen, er ontstaat een onveilig gevoel bij derden en het kamperen leidt tot verontreiniging en overlast, zoals op foto’s is te zien. De handhavingcoördinator heeft negatief geadviseerd op 8 december 2010 en er zijn twee negatieve adviezen van de Politie van 3 en 5 oktober 2010. Bovendien is sprake van een aanzuigende werking. Op 30 juli 2011 is handhavend opgetreden en zijn 15 tot 20 tentjes verwijderd.

1.3. Eiser stelt in beroep dat de afwijzingsgronden te algemeen zijn, dat de argumenten over overlast, schoon drinkwater, sanitaire voorzieningen en onveilige situaties geen hout snijden en dat eiser geen overlast veroorzaakt. Er is feitelijk sprake van een lang bestaande situatie die door verweerder is gedoogd.

2. Wettelijk kader

2.1. Ingevolge artikel 2.20, eerste lid, van de APV is het verboden de weg als slaapplaats te gebruiken of op of aan de weg of het openbaar water een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden.

2.2. Ingevolge artikel 2.20, tweede lid, van de APV kan het college van dit verbod ontheffing verlenen.

2.3. Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de APV kan het bevoegde bestuursorgaan een vergunning of ontheffing weigeren ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of de ontheffing is vereist.

3. Beoordeling

3.1. Het verlenen van een ontheffing van het kampeerverbod is een bevoegdheid van verweerder, zodat de rechtbank de toepassing van die bevoegdheid terughoudend dient te toetsen. De rechtbank ziet in hetgeen eiser in beroep heeft gesteld geen grond voor het oordeel dat verweerder de gevraagde ontheffing, gelet op de in het bestreden besluit genoemde gronden, in redelijkheid niet had mogen weigeren. De omstandigheid dat in het Westerpark de voor langdurig verblijf benodigde voorzieningen als water en sanitair ontbreken, levert voldoende grond op om geen ontheffing van het kampeerverbod toe te staan.

3.2. De stelling van eiser ter zitting dat verweerder in strijd met de ex nunc toetsing in het verweerschrift aanvoert dat de ontheffing ook vanwege de precedentwerking of aanzuigende werking had mogen worden geweigerd, leidt niet tot een ander oordeel, omdat verweerder noch in het primaire besluit, noch in het bestreden besluit de precedentwerking als weigeringsgrond heeft aangevoerd. Niet is in te zien waarom verweerder in het verweerschrift niet had mogen aangeven dat er een aanzuigende werking was omdat er op een gegeven moment 15 tot 20 tenten stonden, zodat op 30 juli 2011 ontruiming van alle tenten, waaronder die van eiser, heeft plaatsgevonden.

3.3. Eiser heeft wel gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat hij in het verleden wel een ontheffing heeft gehad dan wel dat dit door verweerder is gedoogd. Gelet op de processen-verbaal die eiser ontvangt voor het verblijven ter plaatse, is niet aannemelijk dat sprake is van een gedoogsituatie, zoals verweerder ook heeft aangevoerd.

3.4. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of om te bepalen dat het griffierecht aan eiser dient te worden vergoed.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. M. Vogel-Frishert, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2011.

de griffier, de rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: C

SBA