Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BW8589

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-12-2011
Datum publicatie
18-06-2012
Zaaknummer
AWB 11/2224 VEROR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat een Besluit van het college van B. en W. uit 1992 het hier geldende beleidskader zou zijn. Uit het nadien gepubliceerde beleid (de Nota Amsterdam te water van 1995 en het Instellingsbesluit van 18 december 1996) blijkt niet dat het besluit uit 1992 zijn gelding zou hebben behouden. Ook uit verweerders bestendige handelwijze in zaken als de onderhavige blijkt dat verweerder zich altijd op het standpunt heeft gesteld dat de Nota Amsterdam te Water 1995 en het Instellingsbesluit het relevante beleidskader vormen. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2224 VEROR

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eisers],

wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde mr. J.C. Klompé,

en

het dagelijks bestuur van stadsdeel West van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. A. Weijenberg.

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers om een ligplaatsvergunning aan de Van Diemenkade voor het bedrijfsvaartuig “Avontuur” (hierna: de Avontuur) afgewezen. Voorts heeft verweerder eisers een last onder bestuursdwang opgelegd.

Bij besluit van 29 maart 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit gegrond verklaard en het primaire besluit ingetrokken. Verweerder heeft de gevraagde ligplaatsvergunning opnieuw geweigerd omdat er volgens hem aan de Van Diemenkade voor de Avontuur geen vergunningplicht bestaat.

Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 2011.

Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde bijgestaan door [M].

Overwegingen

1. feiten en omstandigheden

1.1. In mei 2008 hebben eisers de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Avontuur B.V. (hierna: Avontuur B.V) en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Plezierig Varen B.V. (hierna: Plezierig Varen B.V.) van [A] (hierna: [A]) overgenomen. Het bedrijfsvaartuig de Avontuur is ondergebracht in Avontuur B.V. Met de Avontuur worden voornamelijk dagtochten met betalende passagiers vanuit Amsterdam ondernomen. De exploitatie van de Avontuur is ondergebracht in Plezierig Varen B.V.

1.2. Op 16 oktober 2008 hebben eisers een aanvraag voor een ligplaatsvergunning aan de Van Diemenkade ingediend voor de Avontuur.

1.3. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen en een last onder bestuursdwang opgelegd. Het is op grond van artikel 2.4.1 van de Verordening op het binnenwater 2010 (Vob) verboden om zonder vergunning ligplaats in te nemen aan de Van Diemenkade. Op grond van het besluit Instelling beëindiging vergunningverlening bedrijfsvaartuigen binnenstad en Havenatlasgebied (hierna: het Instellingsbesluit, Gemeenteblad 103, 20 december 1996) komen volgens verweerder alleen aanvragen voor ligplaats van bedrijfsvaartuigen die op 18 december 1996 ligplaats hadden ingenomen eventueel in aanmerking voor een ligplaatsvergunning. Het is niet aannemelijk geworden dat de Avontuur op deze datum ligplaats had in het Havenatlasgebied of de binnenstad, aldus verweerder.

1.4. Eisers hebben bezwaar gemaakt.

1.5. Op 17 september 2010 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden van verweerders bezwaarschriftencommissie. Partijen hebben bij die gelegenheid hun standpunt toegelicht.

1.6. Op 5 november 2010 heeft de bezwaarschriftencommissie een advies uitgebracht waarin zij stelt dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen omdat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de Avontuur ligplaats innam op de peildatum van 18 december 1996. Geadviseerd is de aanvraag alsnog te honoreren.

1.7. Op 27 januari 2011 heeft de portefeuillehouder van het stadsdeel een contrair advies aan verweerder uitgebracht. Hij stelt - voor zover hier van belang - dat uit het Besluit nr. 91/300.1 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam van 28 februari 1992 (hierna: het Besluit 1992) volgt dat aan de Van Diemenkade geen vergunningplicht bestaat voor chartervaartuigen zoals de Avontuur. Het Besluit 1992 is als bijlage bij het contrair advies gevoegd.

1.8. In het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat op grond van het Besluit 1992 aan de Van Diemenkade voor chartervaartuigen zoals de Avontuur geen vergunningplicht bestaat. Omdat ter plaatse geen vergunningplicht bestaat, heeft verweerder de door eisers gevraagde ligplaatsvergunning geweigerd.

1.9. Eisers hebben in beroep het bestreden besluit gemotiveerd betwist.

2. wettelijk kader

2.1. Op grond van artikel 1.2.7 van de Vob kan een vergunning of ontheffing worden geweigerd in geval van strijd met het bestemmingsplan, onverminderd de elders in deze verordening genoemde weigeringsgronden.

2.2. Op grond van artikel 2.4.1, eerste lid, van de Vob is het verboden, zonder of in afwijking van vergunning van het college van burgemeester en wethouders (lees: het dagelijks bestuur van het stadsdeel) met een bedrijfsvaartuig ligplaats in te nemen. In artikel 2.4.1, tweede lid, aanhef onder a, van de Vob is bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is voor het innemen van een ligplaats die het college van burgemeester en wethouders (lees: het dagelijks bestuur van het stadsdeel) heeft aangewezen ten behoeve van een specifieke categorie bedrijfsvaartuigen.

2.3. Op grond van de relevante bepalingen uit de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

2.4. Op grond van de relevante artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder bestuursdwang verstaan het feitelijk door een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met, bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

3. inhoudelijke beoordeling

3.1. Eisers stellen dat verweerder artikel 7:9 van de Awb heeft geschonden door eisers niet in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het contrair advies en de bijlagen waaronder het Besluit 1992, terwijl verweerder het contrair advies aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd.

3.2. Artikel 7:9 van de Awb bepaalt dat wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden wordt meegedeeld en zij in de gelegenheid worden gesteld daarover te worden gehoord.

3.3. De rechtbank stelt vast dat de grondslag van verweerders afwijzing van de aanvraag van eisers in het bestreden besluit een andere is dan in het primaire besluit. Waar verweerder zich in het primaire besluit op het standpunt stelt dat niet aannemelijk is geworden dat de Avontuur op de peildatum ligplaats had in het Havenatlasgebied of de binnenstad, stelt verweerder thans dat aan de Van Diemenkade voor de Avontuur geen vergunningplicht geldt en (dus) geen vergunning wordt verleend. Of de Avontuur op de peildatum ligplaats had in verweerders beheersgebied is volgens verweerder niet meer van belang.

Verweerder baseert zich op het contrair advies en de bijlagen daarbij. De inhoud van het contrair advies is voor verweerder dus van aanmerkelijk belang geweest voor het bestreden besluit. Eisers hebben het contrair advies en de bijlagen eerst ontvangen nadat verweerder het bestreden besluit had genomen. Verweerder had eisers echter in de gelegenheid moeten stellen kennis te nemen van het contrair advies en de bijlagen en daarop desgewenst te reageren voordat hij op het bezwaar van eisers besliste. Verweerder heeft dus in strijd met het beginsel van hoor- en wederhoor gehandeld zoals dat in deze bepaling tot uitdrukking komt.

3.4. De opmerking van de heer [B] (van de inspectie van de Dienst Binnenwaterbeheer) tijdens de hoorzitting dat het wel of niet voldoen aan de peildatum er niet toe doet en dat de Avontuur geen vaste ligplaats hoort te krijgen, omdat chartervaartuigen daarvoor - zakelijk weergegeven - niet in aanmerking komen, doet aan het voorgaande niet af. Op basis van deze enkele opmerking - aan het einde van een hoorzitting die grotendeels in het teken stond van de vraag of de Avontuur op de peildatum ligplaats had in verweerders beheersgebied - had het voor eisers op geen enkele wijze duidelijk kunnen zijn dat verweerder van plan was om op deze (gewijzigde) grondslag de gevraagde ligplaatsvergunning te weigeren. Niet gebleken is immers dat één van de namens verweerder aanwezige personen toen iets van die strekking heeft gezegd. Dit is eisers dus pas bij lezing van het bestreden besluit duidelijk geworden.

3.5. Als het al juist zou zijn dat - zoals verweerder stelt - verweerder (op enig moment na de hoorzitting) eisers heeft gevraagd of zij een gesprek wilden hebben voordat het bestreden besluit zou worden genomen en eisers dat aanbod hebben afgeslagen, dan maakt ook dat het voorgaande niet anders. Eisers konden niet weten dat verweerder een nieuwe koers had ingezet, nu gesteld noch gebleken is dat verweerder dat na de hoorzitting aan eisers heeft gezegd. Dat eisers geen aanleiding zagen om met verweerder in gesprek te gaan, kan hen dan ook niet worden tegengeworpen.

De beroepsgrond van eisers slaagt.

4.1. Tussen partijen is in geschil of verweerder het juiste toetsingskader heeft gehanteerd.

4.2. Vast staat dat verweerder op grond van artikel 2.4.1, eerste lid, van de Vob bevoegd is om eisers een ligplaatsvergunning te weigeren dan wel te verlenen. Vast staat ook dat verweerder op grond van het tweede lid van die bepaling een ligplaats kan aanwijzen ten behoeve van een specifieke categorie bedrijfsvaartuigen waarvoor het verbod van het eerste lid niet geldt. Met artikel 2.7 en artikel 2.4.1 kenden de voorgangers van de Vob, de Verordening op de haven en het binnenwater van 1995 (hierna: Vhb 1995) en de Vhb 2006 eenzelfde bepaling als artikel 2.4.1 van de Vob.

4.3. Vóór 1995 was verweerders bevoegdheid om een ligplaatsvergunning te weigeren dan wel te verlenen neergelegd in een APV. Volgens verweerder is van de in die APV neergelegde bevoegdheid gebruik gemaakt door bij het Besluit 1992 te bepalen dat de vergunningplicht aan de Van Diemenkade niet geldt voor chartervoertuigen zoals de Avontuur. Die schepen mogen daar tijdelijk afmeren. Verweerder stelt dat het Besluit 1992 op de aanvraag van eisers van toepassing is (gebleven) en de aanvraag (dus) daaraan is getoetst. Volgens eisers heeft verweerder tot aan het bestreden besluit hieraan niet getoetst en hanteert verweerder in het bestreden besluit een onjuist toetsingskader. De rechtbank overweegt ten aanzien van deze beroepsgrond als volgt.

4.4. In de Nota Amsterdam te water 1995 wordt - voor zover hier van belang - vermeld dat er voor bedrijfsvaartuigen een strikt verbod bestaat om ligplaats in te nemen. Slechts in enkele gevallen wordt een vergunning verleend als de aan boord ontplooide activiteit watergebonden is. Voorgesteld wordt om een verordening op te stellen. Deze verordening, de Vhb 1995, zal voor de gehele stad en de haven gelden en vormt het raamwerk waarin het college, respectievelijk de dagelijkse besturen van de stadsdelen hun eigen beleid kunnen invullen.

4.5. Het van 1996 daterende Instellingsbesluit bepaalt - voor zover hier van belang - dat burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam doende zijn een beleid te formuleren inzake het verlenen van ligplaatsvergunningen voor bedrijfsvaartuigen. In verband hiermee is het vooralsnog noodzakelijk eerst over te gaan tot (eventuele) legalisering van momenteel aanwezige bedrijfsvaartuigen en tot beoordeling van reeds ingediende aanvragen om een ligplaatsvergunning. Pas na de ordening op het water kan worden bezien in hoeverre uitbreiding van de bedrijfsfunctie (op het water) te realiseren is. Het is daarom – zo blijkt uit het Instellingsbesluit – zowel in het belang van de gemeente als van potentiële aanvragers om duidelijkheid te verschaffen in die zin dat voorlopig nieuwe aanvragen worden afgewezen. De eventuele rechten van de liggende aanvragen en liggende vaartuigen worden door dit besluit ongemoeid gelaten. Er is besloten:

I. te bepalen dat de positie van slechts die bedrijfsvaartuigen die op 18 december 1996 ligplaats hebben in de binnenstad of het Havenatlasgebied, door hen zal worden beoordeeld op de vraag of er sprake kan zijn van vergunningverlening;

II. te bepalen dat aanvragen voor een ligplaatsvergunning voor een nieuw neer te leggen bedrijfsvaartuig die zijn ingediend na 18 december 1996 worden afgewezen.

5.1. De rechtbank stelt met partijen vast dat het Besluit 1992 beleid is. De Nota Amsterdam te water 1995 en het Instellingsbesluit (van 1996) zijn dat ook. De rechtbank leidt uit zowel de Nota Amsterdam te water 1995 als het Instellingsbesluit, zoals hiervoor is weergegeven, af dat destijds bij het college de wil aanwezig was om een (allesomvattend) beleid voor bedrijfsvaartuigen te formuleren waaraan toekomstige aanvragen zouden worden getoetst. Er diende duidelijkheid te worden verschaft. Dit werd (en wordt) in het belang geacht van de gemeente en van potentiële aanvragers. Gesteld noch gebleken is dat in de Nota Amsterdam te water 1995 of in het Instellingsbesluit melding is gemaakt van het Besluit 1992, laat staan dat zou zijn bepaald dat het in het Besluit 1992 neergelegde beleid zijn gelding zal behouden naast het nieuw ontwikkelde beleid. Dit ligt ook niet in de rede, omdat daarmee de wens van het college zou zijn doorkruist om het bestaande beleid voor bedrijfsvaartuigen te uniformeren.

5.2. Verweerder heeft betoogd dat het Besluit 1992 een voorbeeld vormt van de in artikel 2.4.1, tweede lid, van de Vob (en zijn voorgangers in Vhb 1995 en Vhb 2006) aan het college gegeven bevoegdheid een ligplaats aan te wijzen ten behoeve van een specifieke categorie bedrijfsvaartuigen waarvoor het verbod van het eerste lid niet geldt. De rechtbank begrijpt het standpunt van verweerder aldus dat hij hierin een bevestiging ziet dat het Besluit 1992 nog zijn gelding heeft en dat chartervaartuigen aan de Van Diemenkade niet vergunningsplichtig zijn.

De rechtbank volgt verweerder niet in dit standpunt, gelet op de toelichting op artikel 2.4.1, tweede lid, van de Vob (en de toelichting op zijn voorgangers). In de toelichting leest de rechtbank namelijk dat om voor een vergunning in aanmerking te komen bedrijfsvaartuigen gericht moeten zijn op het uitoefenen van watergebonden activiteiten, maar dat in het tweede lid de mogelijkheid is opgenomen dat het college voor een specifieke categorie een concrete locatie kan aanwijzen, waar de eis van ‘watergebondenheid’ niet behoeft te gelden. Hiermee kan volgens de toelichting elke gewenste economische activiteit die ook in de omgeving past, mogelijk worden gemaakt zonder afhankelijk te zijn van het criterium watergebonden.

In artikel 2.2.1, aanhef en onder f, van de Vob is een watergebonden activiteit gedefinieerd als een activiteit die ter uitoefening van het beroep of bedrijf noodzakelijkerwijs op het water plaatsvindt en met het water een aanwijsbare en vanzelfsprekende binding heeft. De rechtbank is van oordeel dat uit deze toelichting volgt dat de in artikel 2.4.1, tweede lid, van de Vob geboden mogelijkheid ziet op een andere situatie dan de situatie zoals geregeld in Besluit 1992. Niet valt in te zien dat verweerder met het aanwijzen van de Van Diemenkade voor chartervaartuigen bij het Besluit 1992, chartervaart vanaf die locatie mogelijk heeft willen maken zonder afhankelijk te zijn van het criterium watergebonden. Bij chartervaart gaat het immers om een watergebonden activiteit. Het college hoeft in dat geval geen gebruik te maken van de hem gegeven bevoegdheid om (bij uitzondering) een ligplaats aan te wijzen ten behoeve van een specifieke categorie bedrijfsvaartuigen. De rechtbank volgt verweerders betoog dus niet.

5.3. De rechtbank acht verder van belang dat verweerder ter zitting desgevraagd niet heeft kunnen uitleggen hoe vanaf 1996 uitvoering is gegeven aan het volgens hem van toepassing gebleven Besluit 1992. Zo kon verweerders gemachtigde niet zeggen wat in de jaren na 1996 onder het ‘tijdelijk ligplaats innemen’ aan de Van Diemenkade werd verstaan, hoe dat werd gecontroleerd en of en hoe handhavend werd opgetreden bij eventuele overtredingen. Van een inventarisatie door verweerder waarin is vastgelegd welke charterschepen ligplaats innamen aan de Van Diemenkade en voor welke periode dit werd toegestaan, is niet gebleken. Door vanaf 2008 aan de Van Diemenkade algemene verbodsborden te plaatsen - zonder daarbij een uitzondering te maken voor het tijdelijk afmeren door chartervaartuigen - en ook handhavend op te treden bij overtreding van dat verbod, heeft verweerder juist gehandeld naar de inhoud van het Instellingsbesluit en niet naar de inhoud van het volgens hem van toepassing gebleven Besluit 1992.

5.4. Uit verweerders handelwijze in de onderhavige zaak tot aan het bestreden besluit en in andere zaken (bijvoorbeeld de zaak [X], met zaaknummer 11/2224 VEROR) blijkt bovendien dat verweerder zich altijd op het standpunt heeft gesteld dat de Nota Amsterdam te Water 1995 en het Instellingsbesluit het relevante beleidskader vormen. Het Besluit 1992 heeft verweerder nooit genoemd. Evenmin heeft verweerder betrokkenen of de rechtbank er in meer algemene zin op gewezen dat er volgens hem buiten de Nota Amsterdam te water 1995 en het Instellingsbesluit nog ander geldend beleid is.

6.1. De rechtbank komt op basis van het voorgaande tot de conclusie dat de Nota Amsterdam te water 1995 en het Instellingsbesluit het beleidskader vormen waaraan verweerder de aanvraag van eisers om een ligplaatsvergunning voor de Avontuur had moeten toetsen. Verweerder heeft dat miskend, zodat de daartegen aangevoerde beroepsgrond van eisers slaagt.

6.2. Of het Besluit 1992 al dan niet in 1999 (bevoegdelijk) is ingetrokken, kan in het midden blijven, aangezien aan het daarin neergelegde beleid geen betekenis toekomt.

6.3. Verweerders besluitvorming die dateert van ná het bestreden besluit (zoals het besluit tot het instellen van een meerverbod achter de Van Diemenkade van 24 juni 2011) is voor de beoordeling van dit geschil niet relevant en blijft daarom eveneens buiten beschouwing.

7.1. Nu de Nota Amsterdam te water 1995 en het Instellingsbesluit het relevante beleidskader zijn, dient de rechtbank te beoordelen of eisers, zoals in beroep is aangevoerd, met de Avontuur op de peildatum van 18 december 1996 ligplaats hadden in het Havenatlasgebied.

7.2. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben eisers stukken overgelegd, met - zakelijk weergegeven - de volgende inhoud:

- een verklaring van [C], bewoner van de Oude Houthaven, van 31 oktober 2009 dat de Avontuur sinds 1991 onafgebroken ligplaats heeft aan de Van Diemenkade;

- afschriften van de door [C] handgeschreven administratie van de stroomrekening vanaf 1993 tot en met 1997;

- een verklaring van [D], schipper van de drinkwaterboot, van 30 november 2009 dat de Avontuur van 1993 tot 2009 geregeld water bij hem heeft afgenomen;

- een verklaring van [E], sinds 1993 matroos en sinds 1994 schipper van de Avontuur, van 27 november 2009 dat de Avontuur vanaf 1992 ligplaats heeft in de Oude Houthaven aan de Van Diemenkade;

- een e-mail van oud-eigenaar (via zijn vennootschap) [A] van 24 november 2009 dat de Avontuur sinds 1991 vaste afmeerplaats heeft aan de Van Diemenkade;

- een brief van [A] 30 oktober 2009 dat de Avontuur sinds 1992 vaste afmeerplaats in de Oude Houthaven heeft en steevast is afgemeerd aan de Van Diemenkade;

- een aantal foto’s waarop de Avontuur is afgebeeld, waaronder een foto uit het Stadsarchief van 10 maart 1993 van de Van Diemenstraat [nummer] (nu: Van Diemenkade [nummer]);

- kopieën uit het boekje “Hoe kom je nu eigenlijk aan dit schip”, waarin is vermeld dat [A] in 1993 naar Amsterdam gaat en dat ook de Avontuur naar Amsterdam werd verplaatst;

- een verklaring van [F], sinds 1987 navigator en sinds 1996 freelance schipper van de Avontuur, van 1 mei 2010 dat de Avontuur sinds 1993 ligplaats heeft in de Oude Houthaven aan de Van Diemenkade;

- een verklaring van [G], matroos van de Avontuur, van 5 mei 2010 dat hij de Avontuur kent sinds de grote verbouwing in 1994 en dat het schip toen al gelegen was aan de Van Diemenkade;

- een verklaring van [H] van 5 mei 2010 dat hij persoonlijk het onderhoud heeft gedaan aan de Avontuur en dat dit onderhoud na 1992 is gedaan aan de Van Diemenkade in Amsterdam;

- een e-mail van [J] van 7 mei 2010 dat hij de Avontuur sinds 1996 bevoorraadt op de ligplaats in de Oude Houthaven in Amsterdam;

- een verklaring [K], matroos/stuurman op de Avontuur van 1 mei 1995 tot en met 25 augustus 1997, van 20 mei 2010 dat de Avontuur in de gehele periode dat zij op het schip gevaren heeft ligplaats heeft gehad aan de Van Diemenkade;

- afschriften uit het vaartijdenboekje van [K], waarin vaartijden zijn opgenomen met de Avontuur in 1995, 1996 en 1997 en waarin bij de plaats bij aanvang en einde telkens “Amsterdam” is vermeld.

7.3. Hiertegenover heeft verweerder ingebracht dat de door eisers aangevoerde bewijzen van subjectieve aard zijn en geen (objectief) onweerlegbaar bewijs vormen voor het hebben van ligplaats op de peildatum.

8.1. De rechtbank stelt voorop dat uit de toepasselijke regelgeving niet volgt dat voorwaarden zijn gesteld aan de wijze van bewijslevering. Dat betekent dat artikel 4:2, tweede lid, van de Awb in dit geval het relevante wettelijke kader vormt. Op grond hiervan is een aanvrager tot niet meer gehouden dan het verstrekken van de gegevens en bescheiden waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Dat brengt mee dat het standpunt van verweerder dat enkel met “objectief bewijs” zou kunnen worden aangetoond dat is voldaan aan de criteria in het Instellingsbesluit, zonder dat verweerder duidelijk heeft gemaakt welke bewijsmiddelen dit “objectief bewijs” betreffen en zonder dat verweerder heeft onderzocht of het geleverde bewijs de stukken betreffen waarover eisers redelijkerwijs de beschikking konden krijgen, in strijd is met artikel 4:2, tweede lid, van de Awb. De rechtbank is niet gebleken dat eisers hebben nagelaten stukken of gegevens te overleggen waarover zij redelijkerwijs konden beschikken. Daarbij weegt de rechtbank mee dat bewijs geleverd dient te worden over een peildatum die is gelegen ongeveer 12 jaar vóór de aanvraag. Verder acht de rechtbank van belang dat eisers herhaaldelijk hebben verzocht om bewijsstukken die zich in verweerders archief zouden moeten bevinden, althans in dat van de Dienst Binnenwater Beheer Amsterdam of de Haven Amsterdam, maar dat op deze verzoeken niet is gereageerd, anders dan met de mededeling dat er niets was aangetroffen of dat stukken reeds waren vernietigd.

8.2. De rechtbank is van oordeel dat eisers met de door hen overgelegde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, aannemelijk hebben gemaakt dat de Avontuur op de peildatum van 18 december 1996 ligplaats innam in de Oude Houthaven aan de Van Diemenkade en daarmee in het Havenatlasgebied. Daartoe acht de rechtbank relevant dat niet alleen de voormalige eigenaar heeft verklaard dat de Avontuur vóór de peildatum ligplaats innam in de Oude Houthaven aan de Van Diemenkade, maar dat ook een buurman, diverse bemanningsleden en diverse leveranciers van de Avontuur in gelijke zin hebben verklaard. Deze verklaringen worden ondersteund door foto’s waarop de Avontuur is afgebeeld, die - zo is niet betwist - dateren van vóór 1996. Een verdere ondersteuning van het standpunt van eisers, kan worden gevonden in de door eisers overgelegde afschriften van administratie van de stroomrekening, van een boekje over de Avontuur en van een vaartijdenboekje. Ook uit deze stukken kan immers worden afgeleid dat de Avontuur op de peildatum ligplaats innam in de Oude Houthaven aan de Van Diemenkade.

8.3. Verweerder heeft erop gewezen dat [L], voormalig nautisch inspecteur van de Haven Amsterdam (hierna: [L]), zich de Avontuur nog kan herinneren. Volgens [L] was de Avontuur eigendom van architect [architect], overwinterde de Avontuur in Monnickendam en kwam de Avontuur rond 1999 met enige regelmaat in de Oude Houthaven en vertrok na enige dagen weer. De rechtbank stelt vast dat eisers onweersproken naar voren hebben gebracht dat [A] (via zijn vennootschap) tot mei 2008 eigenaar is geweest van de Avontuur. In het advies van de bezwaarschriftencommissie staat bovendien dat de commissie met verschillende jachthavens in Monnickendam contact heeft opgenomen en dat geen van de jachthavens schepen met afmetingen als die van de Avontuur een overwinteringsplaats bieden. Gegeven deze omstandigheden gaat de rechtbank ervan uit dat [L] een ander vaartuig op het oog moet hebben gehad. De rechtbank hecht aan de verklaring van [L] dan ook geen waarde.

8.4. Eventueel door verweerder te verrichten nader onderzoek naar jaarverslagen en/of uittreksels uit het handelsregister van de kamer van koophandel in de periode 1990-1997 van Avontuur B.V. en/of van Plezierig Varen B.V. kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin afdoen aan deze conclusie. Ook als daarin niet staat waar de vennootschappen van (toen nog) [A] waren gevestigd en/of daarin een ander vestigingsadres dan Amsterdam wordt genoemd, betekent dat niet dat de feitelijke ligplaats van de Avontuur op 18 december 1996 een andere was dan in de Oude Houthaven aan de Van Diemenkade.

8.5. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De beroepsgrond van eisers slaagt.

9.1. Eisers hebben verder aangevoerd dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (hierna: EVRM), omdat zowel de aanvraag als het bezwaar niet binnen de gestelde termijn zijn behandeld.

9.2. In een zaak zoals deze, die uit een bezwaarschriftprocedure en een rechterlijke instantie bestaat, is in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn vangt aan op de datum waarop het bezwaarschrift door verweerder is ontvangen en eindigt op de datum waarop de rechtbank uitspraak doet. De rechtbank stelt vast dat tussen de ontvangst van het bezwaarschrift op 7 juni 2010 en de datum van deze uitspraak een periode van minder dan twee jaar is gelegen, zodat geen sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

De beroepsgrond faalt.

Finale geschilbeslechting en dwangsom

10.1. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Anders dan eisers ter zitting hebben betoogd, ziet de rechtbank in (enkel) de omstandigheid dat eisers ten onrechte niet nader zijn gehoord over het contraire advies met bijlagen, niet reeds aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat eisers een ligplaatsvergunning toekomt. De rechtbank ziet in deze zaak geen mogelijkheden om het geschil finaal te beslechten. Verweerder dient daarom een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

10.2. Met betrekking tot het nieuw te nemen besluit overweegt de rechtbank als volgt. In een uitspraak van deze rechtbank van 1 juni 2010 (voornoemde zaak [X]) is vermeld dat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft toegelicht dat het criterium in het Instellingsbesluit aldus wordt uitgelegd dat vereist is dat aannemelijk wordt gemaakt dat een reëel bedrijf werd uitgeoefend met bedrijfsvaartuigen die hun ligplaats hadden in het Havenatlasgebied op de peildatum. Nu hiervoor is vastgesteld dat aannemelijk is dat de Avontuur op de peildatum ligplaats had aan de Van Diemenkade en verder tussen partijen niet in geschil is dat eisers daarmee een reëel bedrijf uitoefenden, komt het de rechtbank voor dat de aanvraag van eisers om een ligplaatsvergunning voor inwilliging in aanmerking kan komen.

11.1. Eisers hebben daarnaast verzocht om verweerder een dwangsom op te leggen.

11.2. De rechtbank wijst dit verzoek af, nu de rechtbank onvoldoende aanleiding heeft te veronderstellen dat verweerder zonder een dergelijke dwangsom niet of niet tijdig gevolg zal geven aan deze uitspraak om - met inachtneming van deze uitspraak - een nieuwe beslissing te nemen.

12.1. Gelet op het hiervoor overwogene behoeven de overige beroepsgronden van eisers met betrekking tot de vergunningverlening geen bespreking meer.

Proceskostenveroordeling en griffierecht

13.1. Eisers hebben verzocht om een volledige proceskostenveroordeling.

13.2. De rechtbank overweegt dat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en ter zitting is verschenen, zodat proceshandelingen als bedoeld in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) zijn verricht door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bpb geldt voor de kosten van professionele rechtsbijstand een forfaitair tarief, dat is uitgewerkt in de bijlage bij het Bpb. Nu sprake is van een forfaitair tarief, zijn de werkelijk gemaakte kosten niet relevant (zie in gelijke zin bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 juli 2008, LJN: BD8321). Op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb kan in bijzondere omstandigheden van het eerste lid worden afgeweken. De hierin opgenomen afwijkingsmogelijkheid is naar het oordeel van de rechtbank bedoeld voor zeer uitzonderlijke, schrijnende gevallen, waarbij strikte toepassing van de regeling evident onrechtvaardig zou zijn. De rechtbank ziet in het door eisers aangevoerde onvoldoende aanleiding om toepassing te geven aan deze afwijkingsmogelijkheid. De rechtbank wijst het verzoek om een volledige proceskostenveroordeling dus af.

13.3. Nu de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder, overeenkomstig het Bpb, te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van eiser begroot op € 874,- ( 1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting maal € 437,-).

13.4. Voorts dient verweerder het door eisers betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 152,-(honderdtweeëenvijftig euro) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 874,- (achthonderdvierenzeventig euro) te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Raat, voorzitter en mrs. H.G. Schoots en C. Bakker, leden, in aanwezigheid van mr. I.H.H. Krajenbrink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 december 2011.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB