Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BW2557

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-11-2011
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
446477 - HA ZA 09-4050
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag statutair directeur. Begroting schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0384
RAR 2012/101

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 446477 / HA ZA 09-4050

Vonnis van 2 november 2011

in de zaak van

[A],

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B] B.V.,

gevestigd te Aalsmeer,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FLORIMEX NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Aalsmeer,

gedaagden,

advocaat mr. A.J. Quant.

Eiser zal hierna [A] worden genoemd. Gedaagden zullen gezamenlijk [B] c.s. worden genoemd en afzonderlijk [B] en Florimex Netherlands.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 15 oktober 2009, met producties,

- het herstelexploit van 15 december 2009,

- de akte tot aanvullen gronden en wijziging eis, met producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- de conclusie van repliek tevens akte aanvulling eis, met producties,

- de conclusie van dupliek tevens akte uitlating, met producties,

- de akte uitlating producties (inclusief eisvermindering),

- het proces-verbaal van comparitie, met de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [B] c.s. maken deel uit van de Florimex groep, die zich bezig houdt met de (internationale) handel in sierplanten. Aan het hoofd van de Florimex groep staat de houdstermaatschappij Florimex Group B.V. (hierna: Florimex Group). Florimex Netherlands is enig aandeelhouder van [B].

2.2. [A] is op 1 februari 1994 in dienst getreden van [B] in de functie van directeur (hierna: arbeidsovereenkomst A). In november 1997 is [A] benoemd tot statutair bestuurder van [B].

2.3. Op 28 februari 2005 is tussen [A] en Florimex International B.V., een andere groepsmaatschappij van de Florimex groep (hierna: Florimex International), een arbeidsovereenkomst gesloten op grond waarvan [A] is aangesteld als CEO van de Florimex groep (hierna: arbeidsovereenkomst B). Arbeidsovereenkomst B bevat, voor zover relevant, de volgende bepalingen:

“(…)

OVERWEGENDE DAT:

- tussen de werknemer en [B] B.V., een 100% dochter van de werkgeefster, sinds 1 februari 1994 een arbeidsovereenkomst bestaat,

- de werknemer, als directeur van [B] B.V., met ingang van 20 februari 2003 tevens tot Chairman en President van de Florimex Groep is benoemd,

- partijen met behoud van de dienstjaren en functie bij [B] B.V. een schriftelijke arbeidsovereenkomst wensen aan te gaan,

VERKLAREN ALS VOLGT TE ZIJN OVEREENGEKOMEN:

1. Functie en plaats van de werkzaamheden

De werknemer wordt als directeur van de vennootschap aangesteld in de positie van CEO van de Florimex Groep.

(…)

2. Ingangsdatum, duur en einde

Deze overeenkomst vangt aan op 16 februari 2005 en wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. (…) De dienstbetrekking kan door beide partijen worden opgezegd. Voor de werkgeefster geldt een opzegtermijn van 12 maanden, voor de werknemer een opzegtermijn van 6 maanden.

(…)

Indien werkgeefster gebruik maakt van de mogelijkheid de dienstbetrekking op te zeggen zal werkgeefster aan de werknemer een vergoeding verschuldigd zijn van één op dat moment geldend bruto jaarsalaris.

(…)

4. Salaris

Het bruto jaarsalaris bedraagt € 367.500,- inclusief de vakantietoeslag en de gratificatie als genoemd in artikel 5 en 6.

(…)”

2.4. Op 17 mei 2005 heeft [A] een aandelenpakket in Florimex Group verworven voor een koopprijs van € 151.617,00.

2.5. Op 4 oktober 2006 heeft [C] (hierna: [C]), die voorzitter is van de raad van commissarissen van een vennootschap binnen de Florimex groep (hierna: de RvC), een e-mail aan [A] gestuurd met, voor zover relevant, de volgende inhoud.

“Beste [A],

Bijgaand stuur ik je in concept de overeenkomst waarin de afspraken tussen partijen zijn neergelegd naar aanleiding van jouw ontslag als statutair directeur van Florimex International, Florimex Groep, Florimex Nederland, Florimex Global, Westcom en Florimex B.V.

We zijn overeengekomen dat jij met behoud van salaris, en overige arbeidsvoorwaarden zoals overeengekomen in jouw arbeidsovereenkomst met Florimex International naast je werkzaamheden als statutair directeur bij [B] B.V. en [D] op ons verzoek advieswerkzaamheden zal gaan verrichten voor de aankomende periode tot en met 1 november 2007, immers op die datum eindigt jouw arbeidsovereenkomst met Florimex International B.V.

Zoals afgesproken zal de overeengekomen afvloeiingsregeling eerst in november 2007 worden betaald, echter de wijze waarop betaling zal geschieden dienen wij nog nader uit te werken. Graag ook ontvang ik je input daarop.

Tevens bevestig ik hierbij dat jij voorlopig, en in principe tot uiterlijk 1 november 2007 als statutair directeur van [B] B.V. en [D] zal aanblijven.

Tenslotte is onze wederzijdse intentie, zoals besproken, ook na 1 november 2007 de relatie tussen jou en Florimex voor te zetten in de vorm van een adviseurschap te tegen nader overeen te komen voorwaarden.

(…)”

2.6. Een e-mail van 26 oktober 2006 van [C] aan [A] bevat, voor zover van belang, de volgende passage.

“Beste [A],

Zoals vorige week besproken zullen we jouw aandelen kopen voor een bedrag van EUR 300k (in principe begin 2007, maar nog nader te overleggen) tegen wegvallen van de “schadeloosstelling”” ad EUR 367.500. Tevens zullen partijen vanaf 1 november 2007 een managementovereenkomst aangaan. Mijn voorstel is om dit tegen een vergoeding van EUR 150k per jaar te doen.

(…)”

2.7. In een e-mail van 16 november 2006 aan [A] schrijft [C] onder meer het volgende.

“[A],

We hebben naar elkaar uitgesproken dat het de wederzijdse intentie is om na afloop en financiële afwikkeling (via de aandelenterugkoop ad EUR 300k) van jouw contract (per 1 november 2007) met elkaar verder te gaan. De intentie om met elkaar verder te gaan hebben we nu concreet gemaakt in een managementcontract. Ik denk dat de discussie primair zit in de hoogte van de fee en de opzegtermijn en de duur van de overeenkomst.

- De duur van de overeenkomst hebben we ingestoken op het bereiken van de 60-jarige leeftijd van jou.

- De voorgestelde opzegtermijn van 3 maanden is een gebruikelijke in een situatie waar geen sprake is van een vaste arbeidscontract.

- De fee ad EUR 150k verneem ik graag je reactie over.

(…)”

In reactie hierop heeft [A] per e-mail onder meer het volgende aan [C] geschreven.

“(…)

Het is beter dat wij een keer praten over een overeenkomst voor bepaalde tijd.

De managementovereenkomst zoals voorgesteld door Allen en Overy is absoluut niet in overeenstemming met wat ik mij ervan had voorgesteld (…) We kunnen de afkoopsom en de overeenkomst voor de toekomst niet los van elkaar zien.

(…)”

2.8. Een e-mail van [C] aan advocatenkantoor Allen & Overy van 28 november 2006 bevat, voor zover van belang, de volgende passage.

“(…)

We hebben zojuist een akkoord bereikt met [A].

- koop aandelen ad EUR 350k (was 300k) nog in 2006

- per 01/11/07 gaat [A] een arbeidscontract aan met een van Florimex dochters (waarschijnlijk [B] B.V.) voor EUR 150k per jaar.

(…)”

2.9. In december 2006 is tussen [A] en Florimex International een vaststellingsovereenkomst gesloten (hierna: de vaststellingsovereenkomst). Daarin is, voor zover relevant, het volgende opgenomen.

“(…)

OVERWEGENDE DAT:

(A) Partijen op 18 februari 2005 voor onbepaalde tijd een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan op grond waarvan [A] de functie van statutair directeur heeft bekleed en die is aangehecht als Bijlage 2 (Arbeidsovereenkomst);

(B) [A] tevens statutair bestuurder was van de in Bijlage 3 genoemde vennootschappen, behorende tot de Florimex Groep;

(C) Partijen als gevolg van de beëindiging van de onder (A) en (B) genoemde werkzaamheden hebben onderhandeld de afspraken terzake wensen vast te leggen in deze overeenkomst.

VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN:

1. Ontslag statutair bestuurder en beëindiging dienstverband

[A] is met ingang van 1 december 2006 ontslagen uit zijn functie van statutair bestuurder van Florimex alsmede als statutair bestuurde van de in Bijlage 3 genoemde vennootschappen. (…)

De Arbeidsovereenkomst eindigt op 1 november 2007 (de “Einddatum”). [A] blijft tot de Einddatum gerechtigd tot zijn huidige salaris en overige emolumenten. (…)

2. Schadeloosstelling

[A] doet afstand van zijn vordering genoemd onder artikel 2 Arbeidsovereenkomst, tweede alinea.

[A] zal met ingang van de Einddatum een arbeidsovereenkomst aangaan met [B] B.V.

(…)

4. Pensioen

Florimex handelt ten aanzien van de pensioenvoorziening van [A] overeenkomstig de wet en regelgeving bij einde dienstverband.

(…)

8. Overige bepalingen

(…)

Partijen stellen vast dat zij alle tussen hen bestaande discussiepunten hebben besproken en voorzover er enig onderwerp nog een regeling behoefde, met het bovenstaande alle tussen hen bestaande punten hebben afgewikkeld. Behoudens nakoming van bovengenoemde verplichtingen verlenen zij elkaar na Einddatum finale kwijting over en weer.

(…)”

2.10. Op 22 januari 2007 heeft Florimex Group het aandelenpakket van [A] in dezelfde vennootschap gekocht en geleverd gekregen voor een bedrag van € 350.000,00.

2.11. Per 1 november 2007 is [A] als statutair directeur in dienst getreden van [B] (hierna: arbeidsovereenkomst C). In arbeidsovereenkomst C zijn, voor zover relevant, de volgende bepalingen opgenomen.

“(…)

1. Indiensttreding

De werknemer treedt bij de werkgeefster in dienst in de functie van Directeur

De werkzaamheden bestaan ondermeer uit het besturen van [B] B.V. en [D] B.V. (…)

Ingangsdatum, duur en einde

De arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd met ingang van 1 november 2007. De dienstbetrekking kan tussentijds door beide partijen worden opgezegd met een wederzijdse inachtneming van 6 maanden opzegtermijn.

(…)

3. Salaris

Het bruto jaarsalaris bedraagt € 150.000,--.

(…)

4. Bonus

De werknemer komt in aanmerking voor een bonusregeling. Deze bonus zal maximaal 40% van het bruto jaarsalaris zijn en conform het beleid bepaald door de Raad van Bestuur worden toegepast.

(…)

6. Pensioenregeling

De werknemer wordt opgenomen in de pensioenregeling van de werkgeefster.

(…)”

2.12. Bij e-mail van 16 februari 2009 heeft [E] (hierna: [E]), voorzitter van de directie van Florimex International en lid van de raad van commissarissen van [B], aan [A], voor zover relevant, het volgende medegedeeld.

“Beste [A],

Zoals vandaag besproken nog eens ter bevestiging hetgeen we op 10 maart verwachten:

1. Vandaag hebben we uitgebreid besproken waar we staan mbt

a. Nieuwe klanten ontwikkeling

b. Groei met bestaande klanten

c. We stemmen overeen dat op dit moment het zoeken van nieuwe klanten en het uitbreiden van bestaande klanten prioriteit moet hebben (…)

2. Echter baart ons zorgen dat in een negatief scenario we vanaf 1 mei met een duidelijk budget tekort moeten rekenen als er in tegenstrijd van onze planning geen nieuwe klanten erbij komen.

3. Daarom willen we in een vervolg op 10 maart uitgebreid spreken over een plan B, een soort Fall Back scenario.

(…)”

2.13. Bij brief van 31 maart 2009 heeft [E] aan [A] het volgende medegedeeld.

“Beste [A],

Het EBIT resultaat van [B] voor het tweede halfjaar is € 601 K, hetgeen overeenkomt met 84,4% van de gebudgetteerde EBIT voor deze periode.

Dit betekent dat jouw bonus voor het tweede halfjaar € 19.320,00 bedraagt. In verband met de krappe liquiditeitspositie wordt de uitbetaling hiervan tot nader bericht uitgesteld. Wij hopen dat je hier begrip voor hebt.

(…)”

2.14. In een e-mail van 29 april 2009 schrijft [E] aan [A] onder meer het volgende.

“Beste [A],

Tijdens ons overleg op 21 april j.l. gaf je aan dat de leveringen aan IKEA definitief eind mei eindigen.

Gezien het feit dat IKEA in het budget van [B] planten in de maanden juni en juli nog is meegenomen voor €1.2M en €0.6M respectieve en daarnaast nog nieuwe omzet van €1.0M per maand in het budget is opgenomen vraag ik me af wat voor resultaat te verwachten valt. Daarom zou ik op prijs stellen als je door [F] en forecast voor juni en juli laat maken waarin je ook mogelijke extra omzet bij Migros (tov budget) en nieuwe klanten meeneemt.

(…)

Ik vrees dat ik jou positieve beeldvorming voor de toekomst niet kan delen ondanks dat we tot dusver cumulatief rond het budget uitkomen.

Naar aanleiding van de nieuwe cijfers zou ik met jou op 13 mei weer om tafel willen.

(…)”

2.15. In reactie hierop heeft [A] op 1 mei 2009, voor zover relevant, het volgende aan [E] gemaild.

“Beste [E],

Zoals bekend was met Ikea een bedrag afgesproken en geen tijdslimiet.

Inderdaad bereikt Ikea met de huidige omzet eerder dan verwacht het bedrag dat afgesproken was. Dit was voor ons moeilijk in te schatten bij het maken van het budget omdat er toen nog geen overzicht van de landen bekend was en een tijd waarop ze de samenwerking wilden beëindigen .

We zullen een nieuwe forecast maken voor juni en juli.

(…)

De positieve uitstraling die wij als MT van [B] planten hebben wordt mede gevoed door de groei die wij zien bij bestaande klanten en de contacten die er zijn

Met nieuwe grote en kleine ketens. We hebben reeds enkele van deze mogen beleveren en met succes. De nieuwe werkwijze die we hebben met b.v. Migros en ICA Sweden is een goede ervaring naar de toekomst (groei ongeveer 20%)

Ook in Oost-Europa liggen er kansen bij onze bestaande klanten, hier zijn we in onderhandeling met twee grote klanten om als een soort agent voor kleinere klanten te gaan werken.

We gaan voor de tweede keer op uitnodiging van Carrefour praten over de invulling van hun behoefte om centraal te gaan inkopen voor 4 grote landen (10.000 winkels)

Deze week hebben wij gesproken met het hoofdkantoor, volgende week praten wij over de invulling met Carrefour Frankrijk.

Op 7 mei hebben we een afspraak in Aalsmeer met de inkoper van EDEKA Duitsland.

Maandag begint bij ons een verkoper Italië. Deze hebben wij ingeschat op 3,5 miljoen per jaar.

Er liggen dus voldoende kansen voor [B] planten.

Dit naast de cijfers die wij de eerste 4 maanden kunnen laten zien (we verwachten in april ruim boven het budget uit te komen) ,maken het beeld positief.

Het is lastig om in deze tijd positief te blijven, maar het is de enige manier om door deze roerige tijd heen te komen.

(…)”

2.16. In reactie hierop heeft [E] op 1 mei 2009, voor zover hier van belang, de volgende e-mail aan [A] verstuurd.

“(…)

Beste [A],

De situatie rond IKEA is duidelijk net zoals de ontwikkeling van het resultaat tot dusver. Echter gaat het niet om de resultaten tot april want nieuwe omzet was pas vanaf mei in de planning opgenomen. T/m april hadden we ook geen problemen verwacht vanwege IKEA. Echter vanaf juni ontbreekt de dekking van IKEA. In brutowinst maakt dat een verschil van € 250K (april!). Dat betekend op basis van de april cijfers dat er €330K brutowinst zonder IKEA blijft (ook gezien de positieve ontwikkeling bij sommige bestaande klanten).

Gemiddeld zijn de operatieve kosten rond €420K (+/-). Dus we praten over een structureel te kort vanaf 1 juni van rond €70K op EBITDA niveau. In budget staat echter een EBITDA van +78K dus een verschil van bijna €150K! Dat is mijn zorg! En ik wil graag kunnen beoordelen of er een kans bestaat of wanneer om het verschil te compenseren. Je gaf eerder aan dat je nog steeds achter het jaarbudget staat. De toelichtingen beneden (rechtbank: bedoeld wordt de hiervoor onder 2.15 genoemde e-mail van [A]) helpen hierbij al een stuk maar net zoals bij de worst case is de onderbouwing vaak mager en ontbreken schriftelijke toelichtingen. Maar goed we praten op 13 mei verder.

(…)”

2.17. Bij brief van 13 mei 2009 is [A] door de raad van commissarissen van [B], in de persoon [E] in zijn hoedanigheid van commissaris van [B], uitgenodigd om op 29 mei 2009 een algemene vergadering van aandeelhouders van [B] bij te wonen, met als enige agendapunt het voorgenomen ontslag van [A] als statutair directeur en werknemer van [B]. De redenen voor het voorgenomen ontslag zijn als volgt omschreven.

(…)

Toelichting

- De omzet van [B] BV loopt terug als gevolg van het verdwijnen van de IKEA omzet. De aandeelhouder alsmede de Raad van commissarissen zien onvoldoende resultaten in het kader van de afgesproken vervangende omzet.

- Het verwachte bedrijfsresultaat komt hierdoor sterk onder druk en er zijn geen maatregelen zichtbaar die dit kunnen gaan voorkomen.

- De noodzakelijke transparantie en actieve communicatie vanuit de onderneming richting de Raad van Commissarissen ontbreekt.

- Ook zijn onvoldoende maatregelen zichtbaar die zouden moeten leiden tot het genereren van (alternatieve) inkomsten.

- De Raad van Commissarissen meent dat er onvoldoende “sense of urgency”aan de kant van [A] bestaat om de noodzakelijke maatregelen te treffen.

- Tot slot meent de Raad van Commissarissen dat er in het algemeen onvoldoende vertrouwen is om samen te werken.

Mede om die redenen zijn de aandeelhouder en de Raad van Commissarissen van mening dat gegeven de huidige economische situatie, de heer [A] niet de juiste persoon is om in de huidige fase waar de Vennootschap zich in bevindt, de noodzakelijke maatregelen te nemen om een snelle turnaround te realiseren.

(…)”

2.18. Een soortgelijke uitnodiging is op 13 mei 2009 door [E] in zijn hoedanigheid van directielid van Florimex Netherlands aan [A] gestuurd ter zake van het voorgenomen ontslag van [A] als statutair bestuurder van [D] B.V. (hierna: [D]).

2.19. Gelijktijdig met voornoemde uitnodigingen is [A] door Florimex Netherlands geschorst als statutair bestuurder van [B] en [D].

2.20. Bij brief van 28 mei 2009 aan [E] heeft [A], samengevat, medegedeeld het niet eens te zijn met de voorgenomen ontslagen en de daarvoor opgevoerde redenen.

2.21. Op 29 mei 2009 heeft een (gecombineerde) aandeelhoudersvergadering van [B] en [D] plaatsgevonden ter zake van de voorgenomen ontslagbesluiten. [A] is in de gelegenheid gesteld om zijn raadgevende stem uit te brengen. [A] heeft medegedeeld het niet eens te zijn met de ontslagbesluiten en voor het overige verwezen naar eerder door hem verstuurde brieven. Florimex Netherlands heeft vervolgens besloten tot het ontslag van [A] als statutair bestuurder van beide vennootschappen. Tevens is besloten tot het ontslag van [A] als werknemer van [B] met inachtneming van de contractuele opzegtermijn van 6 maanden, derhalve per 1 december 2009.

2.22. [A] krijgt thans een WW-uitkering.

2.23. Op het polisblad van 19 augustus 2009 van een ten behoeve van [A] bij Nationale Nederlanden afgesloten verzekeringspolis met nummer 9412309 (hierna: de NN-polis) is, voor zover relevant, het volgende vermeld.

“(…)

Premie

1 € 14.776,50 te voldoen op 01-11-2007.

2 € 41.073,00 per jaar, te voldoen op (vervaldag) 1 januari in het tijdvak van 01-01-2008 tot 01-01-2015, als de verzekerde op de vervaldag in leven is.

(…)”

3. Het geschil

3.1. [A] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat de op 13 mei 2009 door [B] c.s. aan [A] opgelegde schorsing onrechtmatig/nietig is dan wel dat de rechtbank de vernietiging daarvan uit spreekt en deswege ten aanzien van [B] c.s. vaststelt dat zij hoofdelijk, des de een betalende, de ander zal zijn bevrijd, dan wel [B], dan wel Florimex Netherlands, schadeplichtig jegens [A] zijn geworden en [B] c.s. veroordeelt de door [A] terzake geleden schade te vergoeden, de schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

II. voor recht verklaart dat de door [B] c.s. aan [A] gedane opzegging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk is als bedoeld in art. 7:681 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en [B] c.s., hoofdelijk, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, dan wel [B], dan wel Florimex Netherlands, veroordeelt aan [A] een schadevergoeding te betalen, groot € 1.296.893,67, te vermeerden met de wettelijke vertragingsrente over vermeld bedrag vanaf de datum van het instellen dezer vordering tot aan de dag der algehele voldoening en te verminderen met de bedragen, die [A] uit hoofde van de wettelijke sociale verzekeringsuitkeringen heeft c.q. nog zal ontvangen,

III. [B] c.s., hoofdelijk, des de een betalende, de ander zal zijn bevrijd, dan wel [B], dan wel Florimex Netherlands, veroordeelt om de met [A] overeengekomen pensioenovereenkomst, ondergebracht bij de Nationale Nederlanden onder polisnummer 9412309, volledig na te komen,

primair in dier voege dat de premie ad € 41.000,00 per jaar vanaf 1 november 2007 volledig aan Nationale Nederlanden Verzekeringen N.V. wordt voldaan tot aan de pensioenleeftijd, 65 jaar, van [A], zulks overeenkomstig de aan [A] gedane pensioentoezeggingen, zijnde het premietotaal, berekend vanaf 2007 tot en met 2015, 8 x € 41.000,00 = € 328.000,00, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente over voormeld bedrag vanaf de datum van het instellen dezer vordering tot aan de dag der algehele voldoening, zulks op straffe van een telkenmale te verbeuren dwangsom van € 50.000,00 per gebeurtenis, indien [B] c.s. niet c.q. niet tijdig op de daartoe aangewezen tijdstippen de jaarlijkse verschuldigde pensioenpremie ten behoeve van [A] ad € 41.000,00 aan Nationale Nederlanden Verzekeringen N.V. voldoen tot aan de toegezegde pensioendatum in 2015,

subsidiair in dier voege dat de premie ad € 41.000,00 per jaar vanaf 1 november 2007 volledig aan Nationale Nederlanden Verzekeringen N.V. wordt voldaan tot aan de datum van beëindiging van het onderhavige dienstverband met inachtneming van hetgeen over de opgebouwde rechten en de doorloop daarvan is overeengekomen, zijnde het aan Nationale Nederlanden N.V. te betalen premietotaal tenminste een bedrag van 3 x € 41.000,00 = € 123.000,00, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente over voormeld bedrag vanaf de datum van instellen dezer vordering tot aan de dag der algehele voldoening, zulks op straffe van een telkenmale te verbeuren dwangsom van € 50.000,00 per gebeurtenis indien [B] c.s. niet c.q. niet tijdig op de daartoe aangewezen tijdstippen de jaarlijkse verschuldigde pensioenpremie ten behoeve van [A] ad € 41.000,00 aan Nationale Nederlanden Verzekeringen N.V. voldoen tot aan de toegezegde beëindigingsdatum,

IV. [B] c.s., hoofdelijk, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, dan wel [B], dan wel Florimex Netherlands, veroordeelt aan [A] te betalen de aan hem toekomende bonus over de tweede helft 2008 ad € 19.320,00, te vermeerderen met de wettelijke boete ad € 9.660,00 als bedoeld in artikel 7:625 BW, zijnde 50% van het hiervoor gemelde bedrag, totaal derhalve € 28.980,00 alles te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente vanaf de datum van het instellen dezer vordering tot aan de dag der algehele voldoening,

V. [B] c.s., hoofdelijk, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, dan wel [B], dan wel Florimex Netherlands, veroordeelt aan [A] een opgave te verstrekken van de aan [A] toekomende bonus over de eerste helft van het kalenderjaar 2009, welke bonus is gekoppeld aan de lokale EBIT per jaar, en [B] c.s. te veroordelen nadat deze opgave zal zijn verstrekt en door [A] is geaccordeerd, het dienovereenkomstige bedrag aan [A] uit te betalen, zulks te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente over voormeld bedrag vanaf de datum van het instellen dezer vordering tot aan de dag der algehele voldoening, zulks op straffe van een dwangsom van € 20.000,00, dan wel € 1.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat [B] c.s., na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, weigeren te voldoen om opgave te verstrekken aan de aan [A] toekomende bonus over de eerste helft van het kalenderjaar van 2009,

VI. na vermindering van eis bij akte uitlating producties: [B] c.s., hoofdelijk, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, dan wel [B], dan wel Florimex Netherlands, veroordeelt aan [A] uit te betalen een vergoeding wegens niet opgenomen vakantiedagen, zijnde 28 x € 807,53,00 per dag = € 22.610,85 , te vermeerderen met de wettelijke boete ad € 14.522,50,00 (de rechtbank begrijpt gelet op de vermindering van eis: € 11.305,42) als bedoeld in artikel 7:625 BW, zijnde 50% van het hiervoor gemelde bedrag ad € 22.610,85, totaal derhalve € 43,567,50 (de rechtbank begrijpt gelet op de vermindering van eis: € 33.916,27), alles te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente vanaf de datum van het instellen dezer vordering tot aan de dag der algehele voldoening,

VII. [B] c.s., hoofdelijk, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, dan wel [B], dan wel Florimex Netherlands, veroordeelt aan [A] te betalen wegens de onregelmatige opzegging de gefixeerde schadeloosstelling als bedoeld in art. 7:680 BW, zijnde 6 maanden x € 17.065,00 = € 106.594,00, zulks te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente over voormeld bedrag vanaf datum van het instellen deze vordering tot aan de dag der algehele voldoening,

VIII. [B] c.s., hoofdelijk, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2. Bij conclusie van repliek tevens akte aanvulling eis heeft [A] zijn eis aangevuld met een bedrag van € 25.000,00 ter zake van reputatieschade en € 15.000,00 ter zake van juridische kosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.3. [B] c.s. voeren verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1. [B] c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat [A] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in vorderingen I en III t/m VII, althans dat deze dienen te worden afgewezen, omdat deze geen betrekking hebben op de vermeende kennelijke onredelijkheid van het ontslag. De bedoelde vorderingen zien op nakoming van regelingen die golden tijdens het dienstverband en horen derhalve niet thuis in een kennelijk onredelijk ontslagprocedure. Dit geldt in het bijzonder voor de vorderingen jegens Florimex Netherlands, die niet de werkgever van [A] is, aldus [B] c.s.

4.2. Het verweer ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid faalt. Bij gebreke van een wettelijk beletsel daarvoor valt niet in te zien waarom het [A] niet vrij zou staan om in één en dezelfde procedure, naast een vordering op grond van kennelijk onredelijk ontslag, ook andere vorderingen ter zake van het dienstverband aanhangig te maken. Evenmin staat enig wettelijk voorschrift eraan in de weg dat niet alleen [B] als werkgever, maar ook diens enig aandeelhouder Florimex Netherlands wordt aangesproken ter zake van haar rol bij het ontslag van [A].

Ten aanzien van de vorderingen jegens Florimex Netherlands

4.3. Met [B] c.s. concludeert de rechtbank dat de vorderingen II t/m VII van [A] zijn gegrond op de arbeidsovereenkomst met [B]. Dat betekent dat deze vorderingen, voor zover gericht tegen Florimex Netherlands, niet toewijsbaar zijn.

4.4. Het voorgaande geldt niet voor vordering I en hetgeen gevorderd onder 3.2. [A] stelt ter onderbouwing hiervan (onder meer) dat Florimex Netherlands onrechtmatig heeft gehandeld door hem te schorsen als statutair bestuurder van [B] en [D]. Vordering I heeft dus, in tegenstelling tot de overige vorderingen, mede betrekking op Florimex Netherlands.

Toetsing van de rechtmatigheid van de schorsing (vordering I)

4.5. [A] vordert dat wordt verklaard voor recht dat de aan hem opgelegde schorsing onrechtmatig/nietig is dan wel dat de vernietiging daarvan wordt uitgesproken, met verwijzing naar de schadestaatprocedure.

4.6. [A] heeft echter geen concrete - specifiek op het schorsingsbesluit betrekking hebbende - bezwaren aangevoerd. De bezwaren van [A] richten zich veeleer tegen het ontslagbesluit (waarvan de geldigheid als zodanig niet wordt betwist) en de daaruit voor hem voortvloeiende gevolgen. Deze bezwaren zullen worden besproken in het kader van de beoordeling op grond van artikel 7:681 BW. Vordering I zal als onvoldoende onderbouwd worden verworpen.

Beoordeling kennelijke onredelijkheid van het ontslag (vordering II)

4.7. [A] heeft aan zijn stelling dat het ontslag kennelijk onredelijk is ten grondslag gelegd dat het ontslag is aangezegd zonder opgave van reden c.q. onder opgave van een voorgewende of valse reden en dat de gevolgen voor [A] te ernstig zijn in vergelijking met het belang van [B] bij het ontslag.

De reden voor het ontslag

4.8. [B] c.s. hebben aangevoerd dat de reden voor het ontslag tweeërlei was. Enerzijds was die gelegen in de wijze van communiceren door [A] naar de stakeholders (commissarissen en aandeelhouders). In dit verband zijn interne e-mails van [A] overgelegd uit 2007 en 2008 waarin [A] volgens [B] c.s. een ongepaste toon aanslaat tegenover de bestuurders van de holding. Daarnaast zijn interne e-mails uit 2007 van het hoofd HR van de Florimex groep overgelegd waarin kritiek wordt geuit op het functioneren van [A].

4.9. De tweede reden voor het ontslag was, zo voeren [B] c.s. aan, dat [A] onvoldoende adequaat reageerde op de slechte vooruitzichten waarmee [B] zich geconfronteerd zag. Na het wegvallen van IKEA als grote klant van [B] ontstond er een gat in de begroting en [A] heeft zich onvoldoende ingespannen om vervangende omzet te realiseren. Het ontbrak hem, aldus [B] c.s., aan een “sense of urgency”, wat heeft geleid tot een gebrek aan vertrouwen in [A] bij de RvC. [B] c.s. hebben deze stelling onder meer onderbouwd door te verwijzen naar de e-mails tussen [A] en [E] van 16 februari 2009 (zie 2.12) en eind april/begin mei 2009 (zie 2.14 t/m 2.16). Daarnaast hebben [B] c.s. een gespreksnotitie van [E] van februari 2009 overgelegd waaruit volgens [B] c.s. blijkt dat [A] toen al is aangesproken op de achterblijvende omzet en is aangespoord om maatregelen te nemen. Ten slotte hebben [B] c.s. een “rolling profit & loss account” overgelegd waaruit blijkt dat [B] vanaf mei 2009 verlieslatend is geworden.

4.10. Naast de hiervoor genoemde redenen hebben [B] c.s. aangevoerd dat de RvC al in 2006 onvoldoende vertrouwen in [A] had als CEO van de Florimex groep.

4.11. Volgens [A] bestaat er geen correlatie tussen zijn vermeende disfunctioneren en zijn ontslag. [A] is van mening dat zijn ontslag het resultaat is van geschuif van pionnen binnen de Florimex groep en dat hij het veld heeft moeten ruimen om plaats te maken voor een ander. Met betrekking tot zijn manier van communiceren heeft [A] gesteld dat deze niet uitzonderlijk is binnen een concern en dat hij slechts heeft beoogd het vennootschapsrechtelijk belang van [B] te behartigen, hetgeen zijn taak was als directeur van [B]. Hij is hier destijds nooit op aangesproken. Hij is evenmin aangesproken op de door de HR-directeur geuite kritiek en is daarmee eerst in deze procedure bekend geraakt. Met betrekking tot het gestelde gebrek aan “sense of urgency” voert [A] aan dat hem niet wordt verweten dat [B] c.s. IKEA heeft verloren als klant en dat dit hem ook niet valt te verwijten. Dit was het gevolg van een strategische beslissing van IKEA. Dat hij onvoldoende heeft gedaan om flankerende maatregelen te nemen is volgens [A] niet juist. Hij heeft allerlei initiatieven genomen om meer omzet te genereren. [A] verwijst in dit verband onder meer naar de e-mails eind april/begin mei 2009 (zie 2.14 t/m 2.16). [A] is van mening dat hem geen reële gelegenheid is geboden om de terugval in inkomsten als gevolg van het wegvallen van IKEA te compenseren en dat zijn ontslag dus prematuur was.

4.12. De rechtbank overweegt als volgt. Aan hetgeen door [B] c.s. is aangevoerd omtrent de wijze van communiceren door [A] richting de stakeholders zal worden voorbijgegaan. Dit betreft immers een verwijt dat, blijkens de uitnodiging voor de aandeelhoudersvergadering (zie 2.17), niet aan het ontslagbesluit ten grondslag is gelegd. In de toelichting op het voorgenomen ontslag wordt weliswaar gemeld dat “de noodzakelijke transparantie en actieve communicatie vanuit de onderneming richting de Raad van Commissarissen ontbreekt”, maar dit heeft specifiek betrekking op de communicatie met betrekking tot het verlies van IKEA als klant en de gevolgen daarvan. Overigens heeft [A] met betrekking tot zijn manier van communiceren terecht aangevoerd dat de e-mails waarop [B] c.s. zich beroepen zijn gedateerd en dat hij daar destijds, zoals door [B] c.s. onweersproken is gelaten, niet op is aangesproken. Ook de stelling van [B] c.s. dat [A] reeds in 2006 ongeschikt werd geacht als CEO van de Florimex groep is ten slotte niet relevant, aangezien het in deze procedure niet gaat om het ontslag van [A] als CEO van de Florimex groep, maar om zijn ontslag als bestuurder van [B].

4.13. Met betrekking tot het door [B] c.s. gestelde gebrek aan vertrouwen als gevolg van de reactie van [A] op het vertrek van Ikea overweegt de rechtbank als volgt. Vooropgesteld wordt dat een gebrek aan vertrouwen bij de aandeelhouder of de raad van commissarissen in een statutair bestuurder een legitieme reden kan zijn om tot ontslag over te gaan. Het is niet aan de rechter om, voor zover dit al mogelijk zou zijn, inhoudelijk te toetsen of dit gebrek aan vertrouwen al dan niet terecht is. Dit neemt echter niet weg dat door de vennootschap als goed werkgever de nodige zorgvuldigheidseisen jegens de statutair bestuurder in acht dienen te worden genomen. Hoe ver die zorgvuldigheidseisen gaan hangt (telkens) af van de omstandigheden van het geval. In het onderhavige geval is het volgende van belang. Niet het wegvallen van IKEA als klant wordt [A] verweten, maar de in de ogen van de RvC onvoldoende adequate reactie van [A] daarop. Onbetwist is dat [A] in ieder geval vanaf februari 2009 is verzocht om met alternatieven te komen om het gat van IKEA op te vangen. [A] stelt dat hij dit ook heeft gedaan. Dit wordt bevestigd door de e-mails van eind april/begin mei 2009, waarin [A] refereert aan beoogde omzetgroei bij bestaande klanten als gevolg van een nieuwe werkwijze (Migros en AC Sweden), aan nieuwe potentiële klanten (Carrefour, EDEKA) en een nieuwe verkoper voor Italië van wie, volgens [A], aanzienlijke extra omzet kon worden verwacht. Weliswaar blijkt uit dezelfde mailwisseling dat [E] van mening was dat de plannen van [A] nog onvoldoende onderbouwd waren, maar tegelijkertijd heeft [E] bij herhaling aangegeven dat de door [A] geopperde mogelijkheden tijdens een vergadering op 13 mei 2009 zouden worden besproken. Daar is het echter nooit van gekomen, aangezien [A] op die dag ontslag is aangezegd. [A] hoefde daar, gezien de mailwisseling met [E], geenszins rekening mee te houden. Hem is aldus onvoldoende concreet te kennen gegeven dat er klachten waren over zijn functioneren en hem is (daarmee) evenmin de gelegenheid gegund eventueel disfunctioneren te verbeteren. De rechtbank acht deze gang van zaken dermate onzorgvuldig jegens [A] dat het ontslag als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat [A] ruim 15 jaar werkzaam is geweest voor de Florimex groep in verschillende directiefuncties. Het had op de weg van de RvC gelegen om [A], met zijn staat van dienst, in ieder geval de gelegenheid te geven om zijn plannen om extra omzet te realiseren conform de toezegging nader toe te lichten in plaats van hem per direct ontslag aan te zeggen. Dat was alleen anders geweest indien de plannen van [A] evident onrealistisch waren geweest en reeds om die reden het vertrouwen van de RvC in hem was verdwenen. Dit laatste is echter gesteld noch gebleken. De onder 3.1 II gevorderde verklaring voor recht zal dan ook als hierna vermeld worden toegewezen.

4.14. Hiervoor is geoordeeld dat het ontslag van [A] kennelijk onredelijk is vanwege de prematuurheid daarvan. De door [A] aangevoerde inhoudelijke bezwaren tegen zijn ontslag hebben vooral op deze prematuurheid betrekking. De stellingen van [A] dat zijn ontslag is geschied onder opgave van een voorgewende of valse reden en dat zijn ontslag het gevolg is van geschuif van pionnen binnen de Florimex groep, zijn onvoldoende onderbouwd.

4.15. [A] heeft voorts betoogt dat het ontslag kennelijk onredelijk is, omdat de gevolgen van het ontslag voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van [B] bij het ontslag. De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende. Hierna zal in het kader van de door [B] te betalen schadevergoeding onder meer worden geconcludeerd dat [A] reeds in 2006/2007 is gecompenseerd voor zijn ontslag als CEO van de Florimex groep, waarbij zijn gehele dienstverband tot dat moment in aanmerking is genomen (zie 4.21 t/m 4.25). Voorts zal worden geconcludeerd dat de situatie van [A] op de arbeidsmarkt ten tijde van het ontslag weliswaar moeilijk was, doch dat onvoldoende is gesteld om te kunnen concluderen dat [A] (vrijwel) kansloos was op de arbeidsmarkt (zie 4.19 t/m 4.20). Gezien deze twee conclusies, alsmede de omstandigheid dat [B] een bovenwettelijke opzegtermijn van zes maanden (zoals opgenomen in arbeidsovereenkomst C) in acht heeft genomen, is de rechtbank van oordeel dat het ontslag niet kennelijk onredelijk is vanwege discrepantie tussen de gevolgen daarvan voor [A] en het belang van [B] bij het ontslag.

De aan [A] te betalen schadevergoeding

4.16. [A] heeft een bedrag va € 1.296.893,67 aan schadevergoeding gevorderd, bestaande uit gemiste inkomsten tot aan de beoogde pensioenleeftijd van 65 jaar, te verminderen met de bedragen die [A] uit hoofde van zijn WW-uitkering heeft en nog zal ontvangen.

4.17. Nu vast staat dat het ontslag kennelijk onredelijk is, kan de rechtbank op grond van artikel 7:681 lid 1 BW aan [A] een schadevergoeding toekennen. De hoogte daarvan dient te worden vastgesteld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waaronder in het bijzonder de aard en de ernst van het tekortschieten van de werkgever in zijn verplichting als goed werkgever te handelen en de uit het kennelijk onredelijk ontslag voortvloeiende (materiële en immateriële) nadelen voor de werknemer. Dit laat onverlet dat artikel 6:97 BW de rechter vrij laat om de hoogte van de vergoeding uiteindelijk naar billijkheid op een bedrag te begroten. De rechtbank acht bij deze beoordeling de volgende feiten en omstandigheden van belang.

4.18. Het tekortschieten van [B] in haar verplichtingen als goed werkgever bestaat eruit dat het ontslag van [A] prematuur was. Bedacht moet worden dat, indien [A] wel de gelegenheid had gekregen om zijn plannen nader toe te lichten, de RvC mogelijk nog steeds onvoldoende vertrouwen in [A] had gehad en hem alsnog had ontslagen. Een dergelijk ontslag zou niet, althans niet vanwege prematuurheid, kennelijk onredelijk zijn geweest. Indien wordt uitgegaan van dit hypothetische doch denkbare scenario is de schade als gevolg van de kennelijke onredelijkheid van het ontslag (die enkel is gelegen in de prematuurheid daarvan) beperkt tot enige maanden salaris. De tekortkoming van [B] moet in zoverre dus worden gerelativeerd en dit heeft een neerwaarts effect op de te begroten schadevergoeding.

4.19. Met betrekking tot de voor hem uit het ontslag voortvloeiende nadelen heeft [A] gesteld dat, gezien zijn leeftijd (59 jaar ten tijde van het ontslag), de door hem geleden reputatieschade en de slechts economische situatie in het algemeen, zijn kansen op de arbeidsmarkt vrijwel nihil zijn. Bovendien heeft [B] hem ook nog een jaar lang aan zijn concurrentiebeding gehouden, aldus [A]. [B] c.s. betwisten dat [A] kansloos is op de arbeidsmarkt en voeren aan dat [A] niet heeft aangetoond welke inspanningen hij heeft verricht om een nieuwe baan te vinden. Het concurrentiebeding was feitelijk niet meer dan een relatiebeding en met [B] viel best te praten over verval of matiging van dat beding. [A] is daar echter nooit over begonnen, aldus [B] c.s.

4.20. De rechtbank overweegt op dit punt dat het is een feit van algemene bekendheid is dat werkgevers terughoudend zijn met het aannemen van oudere werknemers. Aan [A] kan dan ook worden toegegeven dat het gezien zijn leeftijd lastig voor hem moet zijn geweest en nog steeds is om nieuw werk te vinden. Het gaat naar het oordeel van de rechtbank echter te ver om te stellen dat de kansen van [A] op de arbeidsmarkt vrijwel nihil zijn. [A] was ten tijde van zijn ontslag 59 jaar oud en had dus nog zes jaar om een nieuwe baan te vinden. Nu is gesteld noch gebleken dat [A] tevergeefs heeft gesolliciteerd naar ander werk, is zijn conclusie dat hij (vrijwel) kansloos is op de arbeidsmarkt onvoldoende onderbouwd. Evenmin is gebleken of en in welke mate [A] daarbij is gehinderd door de door hem gestelde reputatieschade. Hetzelfde geldt voor het concurrentiebeding. Gesteld noch gebleken is dat [A] in het eerste jaar na zijn ontslag interesse had in een potentiële baan maar daarbij door het concurrentiebeding werd gehinderd. En indien dat al het geval zou zijn geweest viel daar met [B], zoals onweersproken is gesteld, over te praten. De slechte economische situatie in het algemeen ten tijde van het ontslag, waardoor [A] naar hij stelt is belemmerd in het vinden van nieuw werk, kan ten slotte niet aan [B] worden toegerekend. Al met al leidt dit tot de conclusie dat de arbeidsmarktpositie van [A] weliswaar moeilijk was en is, doch dat onvoldoende vast is komen te staan dat zijn kansen op de arbeidsmarkt vrijwel nihil zijn en dat dit mede aan [B] is toe te rekenen.

4.21. Er is daarnaast nog één discussiepunt tussen partijen dat voor de begroting van de schade van wezenlijk belang is. Dat betreft de vraag of in 2007, toen [A] is teruggetreden als CEO van de Florimex groep, is afgerekend over zijn dienstverband tot dat moment. Volgens [B] c.s. is dit het geval en volgens [A] niet.

4.22. De rechtbank overweegt dat, indien in 2006/2007 met [A] is afgerekend in het kader van zijn ontslag als CEO van de Florimex groep in die zin dat hij op dat moment daarvoor geldelijke compensatie heeft ontvangen, het niet voor de hand ligt dat op [B] thans (opnieuw) de verplichting rust om [A] volledig te compenseren voor de gevolgen van ontslag. De billijkheid brengt dit met zich mee.

4.23. [A] stelt dat hij op eigen initiatief is teruggetreden als CEO van de Florimex groep, omdat hij een minder belastende functie wilde. Daarover is toen onderhandeld met de RvC. [A] heeft geen aanspraak gemaakt op de contractuele ontslagvergoeding van één jaarsalaris zoals opgenomen in artikel 2 van arbeidsovereenkomst B, omdat er voor hem een ander arbeidsperspectief binnen de groep was, namelijk het statutair bestuurschap van [B]. Zijn terugtreden als CEO was voor [A] een logisch moment om zijn aandelen in Florimex Group te verkopen, aangezien hijzelf niet meer achter het stuur kon zitten van het bedrijf. De prijs van € 350.000,00 is, bij gebreke van concrete aanknopingspunten om de waarde van het bedrijf te bepalen, na onderhandeling daarover bepaald, aldus steeds [A].

4.24. [B] c.s. voeren aan dat door middel van de vaststellingsovereenkomst is afgerekend met [A] ten aanzien van zijn gehele dienstverband tot dat moment. Met de vaststellingsovereenkomst is immers een einde gekomen aan arbeidsovereenkomst B, waarnaar alle voorheen opgebouwd anciënniteit (dus ook de eerder bij [B] (arbeidsovereenkomst A) opgebouwde anciënniteit) was overgeheveld. [A] kon bij beëindiging van arbeidsovereenkomst B aanspraak maken op een contractuele ontslagvergoeding van één jaarsalaris. Tussen partijen is onderhandeld over de afkoopsom voor [A]. [E] heeft ter comparitie toegelicht dat [A] aanvankelijk het volgende voorstel heeft gedaan: twee maal zijn jaarsalaris van € 367.500,00 (opzegtermijn en contractuele ontslagvergoeding), terugkoop van zijn aandelenpakket voor € 150.000,00 en bonus van € 100.000,00. Daarnaast wilde hij een arbeidsovereenkomst van drie jaar bij [B]. [A] heeft ter comparitie verklaard dat hij zich deels kan vinden in voornoemde verklaring van [E], met dien verstande dat er ook gesproken is over arbeidsverleden, pensioen, de emolumenten en hoe tot een financiële oplossing kon worden gekomen. [B] c.s. betogen dat uiteindelijk is besloten dat [A] in plaats van zijn contractuele ontslagvergoeding zou worden gecompenseerd doordat Florimex Group. zijn aandelenpakket in diezelfde vennootschap zou inkopen voor € 350.000,00, een prijs die veel hoger lag dan de daadwerkelijke waarde van de aandelen. Door te kiezen voor deze constructie kwam [A] in een fiscaal vriendelijker situatie dan het geval was geweest bij uitbetaling van de contractuele ontslagvergoeding. Voorts is volgens [B] c.s. afgesproken dat [A], die per direct werd ontslagen als CEO, gedurende de opzegtermijn van 12 maanden aanspraak bleef behouden op zijn oude jaarsalaris van € 367.500,00. Daarna zou [A] bij [B] € 150.000,00 per jaar gaan verdienen. Dit alles is vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst. Het was aanvankelijk de bedoeling, ook die van [A], dat hij op basis van een managementovereenkomst bij [B] aan de slag zou gaan. Daaruit volgt dat ook voor [A] duidelijk moet zijn geweest dat er een “knip” in de arbeidsrelatie kwam, aldus nog steeds [B]. [B] c.s. hebben ter ondersteuning van hun betoog onder meer verwezen naar de in 2.5 t/m 2.8 genoemde e-mails.

4.25. Uit de wederzijdse stellingen, de in 2.5 t/m 2.8 genoemde e-mails, hetgeen door [A] en [E] ter comparitie is verklaard en de tekst van de vaststellingsovereenkomst, leidt de rechtbank het volgende af. In 2006 hebben [A] en de RvC in onderling overleg besloten dat [A] zijn functie als CEO zou opgeven. Bij wie het initiatief daartoe lag en wat de reden daarvoor was, is voor de onderhavige beoordeling niet relevant. Partijen hebben voorts de intentie uitgesproken dat [A] op enigerlei wijze aan [B] en [D] verbonden zou blijven. Daarbij is in eerste instantie gedacht aan een arbeidsovereenkomst voor de duur van drie jaar dan wel aan een managementovereenkomst. Het is uiteindelijk een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd geworden (arbeidsovereenkomst C). De rechtbank is met [B] c.s. van oordeel dat partijen wel degelijk hebben beoogd om door middel van de vaststellingsovereenkomst af te rekenen over het dienstverband tot dat moment. In haar mail van 26 oktober 2006 aan [A] schrijft [C] expliciet dat in onderling overleg is gekozen voor de aandelentransactie tegen het wegvallen van de schadeloosstelling. Hieruit kan niet anders worden afgeleid dan dat [A] afstand heeft gedaan van zijn contractuele ontslagvergoeding in ruil voor de verkoop van zijn aandelen tegen een prijs van (uiteindelijk) € 350.000,00. Dat [A] daar ook zelf van uit gaat blijkt uit zijn e-mail van 16 november 2006, waarin hij schrijft dat de afkoopsom niet los kan worden gezien van het toekomstige management- dan wel arbeidscontract. Voorts volgt uit de verklaringen van [E] en [A] ter comparitie, die elkaar op dit punt niet tegenspreken, dat tussen partijen is onderhandeld over een financiële afwikkeling van het gehele dienstverband. Dit is vervolgens vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst, waarin partijen elkaar finale kwijting hebben verleend. Er is dus afgerekend over het gehele dienstverband tot dan toe. Nu [A] reeds in 2006/2007 is gecompenseerd voor ontslag, waarbij mede rekening is gehouden met de anciënniteit zoals is opgebouwd onder arbeidsovereenkomst A, ligt het, zoals hiervoor is overwogen, minder in de rede dat hij na relatief korte tijd opnieuw daarvoor (volledig) wordt gecompenseerd, ook al is het ontslag kennelijk onredelijk. Dit heeft een drukkend effect op de door [B] te betalen schadevergoeding.

4.26. Het voorgaande, te weten de relativering van de tekortkoming aan de zijde van [B], de moeilijke doch niet kansloze positie van [A] op de arbeidsmarkt en de omstandigheid dat [A] kort geleden reeds is gecompenseerd voor de nadelige gevolgen van ontslag, brengt de rechtbank tot de conclusie dat [B] een schadevergoeding naar billijkheid ter grootte van drie maandsalarissen aan [A] dient te betalen. Vordering II is dus toewijsbaar tot een bedrag van € 37.500,00 (3 x € 12.500,00). De rechtbank ziet geen aanleiding om, conform het petitum onder II, op de schadevergoeding de door [A] ontvangen WW-uitkering in mindering te brengen.

4.27. Voor het toekennen van een separate vergoeding voor reputatieschade, zoals is gevorderd onder 3.2, is onvoldoende gesteld.

4.28. [B] c.s. hebben ten slotte aangekondigd dat, indien een ontslagvergoeding wordt toegekend, het niet onwaarschijnlijk is dat de moedermaatschappij [B], dat al jaren verlieslatend is, zal laten failleren. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen ten aanzien van de door [B] te betalen schadevergoeding.

4.29. Over de schadevergoeding is, conform het gevorderde, de wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum van de dagvaarding, te weten 15 oktober 2009.

Pensioen (vordering III)

4.30. [A] legt aan vordering III het volgende ten grondslag. De NN-polis is met ingang van 1 januari 1999 (tijdens arbeidsovereenkomst A) door [B] afgesloten als aanvullende pensioenvoorziening voor [A]. Deze polis is altijd voortgezet, ook nadat [A] bij Florimex International in dienst was getreden en eveneens na zijn terugkeer bij [B]. Gedurende laatstgenoemde periode (arbeidsovereenkomst C) heeft [B]. de premie ad € 41.000,00 op jaarbasis betaald. [A] heeft ter comparitie verklaard dat bij de onderhandelingen over de vaststellingsovereenkomst de bedoeling was dat de NN-polis zou worden gecontinueerd. Op 24 maart 2010 is hem door ASR Verzekeringen medegedeeld dat zijn pensioen per 1 november 2007 in het collectief van [B] bij ASR Verzekeringen is ondergebracht. De eenzijdige beëindiging door [B] van de NN-polis met terugwerkende kracht tot 1 november 2007 is onrechtmatig en in strijd met de aan [A] gedane pensioentoezeggingen. [A] heeft daardoor (pensioen)schade geleden. Primair vordert [A] - kort gezegd - dat [B] de jaarpremie voor de NN-polis ad € 41.000,00 tot de pensioengerechtigde leeftijd doorbetaald en subsidiair tot de datum van zijn ontslag.

4.31. [B] c.s. stellen zich - kort gezegd - op het standpunt dat [A] vanaf zijn terugkeer bij [B] is opgenomen in het collectief van [B], althans dat dit van meet af aan de bedoeling van partijen is geweest. Dit is expliciet opgenomen in artikel 6 van arbeidsovereenkomst C. In artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst is voorts opgenomen dat Florimex International ten aanzien van de pensioenvoorziening overeenkomstig de wet- en regelgeving bij einde dienstverband zal handelen, hetgeen volgens [B] c.s. betekent dat de NN-polis zou worden stopgezet. [B] c.s. betwisten dat bij de vaststellingsovereenkomst is afgesproken dat de NN-polis zou worden voortgezet. [B] heeft na de terugkeer van [A] bij [B] per abuis de premiebetalingen voor de NN-polis voortgezet. [B] is daar na het ontslag van [A] achtergekomen en heeft [A] alsnog, conform artikel 6 van arbeidsovereenkomst C, ondergebracht in haar collectieve pensioenplan bij ASR Verzekeringen. [B] heeft de premies die zij voor de NN-polis heeft afgedragen terecht van Nationale Nederlanden teruggevorderd. Ten slotte betwisten [B] c.s. dat een jaarlijkse premie van € 41.000,00 verschuldigd zou zijn.

4.32. De rechtbank overweegt als volgt. Of partijen ten tijde van de vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen dat de NN-polis zou worden voortgezet, zoals [A] stelt en [B] c.s. betwisten, kan in het midden blijven, nu [A], ook indien er geen sprake was van een afspraak, er op mocht vertrouwen dat de polis zou worden gecontinueerd. Uit het feit dat partijen blijkens artikel 6 van arbeidsovereenkomst C kennelijk de intentie hadden om [A] op te nemen in de collectieve pensioenregeling van [B] volgt immers nog niet, althans niet zonder meer, dat de NN-polis zou worden stopgezet. Denkbaar is dat de NN-polis naast de collectieve regeling zou blijven bestaan, temeer nu deze, zoals door [A] onweersproken is gesteld, aanvankelijk als aanvullende pensioenvoorziening is afgesloten. Ook uit artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst volgt, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet, althans niet zonder meer dat de NN-polis zou worden stopgezet. [B] heeft tot aan het ontslag van [A] de premiebetaling voor de NN-polis voortgezet. Daarmee heeft [B] bij [A] de gerechtvaardigde verwachting gewekt dat zij de NN-polis zou continueren. Dat de premiebetaling, zoals [B] c.s. stellen, per abuis is voortgezet kan niet aan [A] worden tegengeworpen. Gesteld noch gebleken is dat hij daarmee rekening hoefde te houden of anderszins met de mogelijkheid dat de NN-polis met terugwerkende kracht zou worden beëindigd per 1 november 2007. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [B], gezien het door haar opgewekte vertrouwen, is gehouden om tot het einde van het dienstverband van [A] de premiebetaling voor de NN-polis voort te zetten (zoals zij aanvankelijk ook heeft gedaan). In zoverre is het onder III subsidiair gevorderde toewijsbaar. Voor een voortzetting van de NN-polis na de ontslagdatum, zoals primair is gevorderd, bestaat geen rechtsgrond.

4.33. De rechtbank is van oordeel dat de verschuldigde premie genoegzaam volgt uit het polisblad genoemd in 2.23. [B] c.s. hebben geen concrete argumenten aangevoerd waarom de daarin genoemde bedragen niet juist zouden zijn. Hieruit volgt dat de verschuldigde premie per 1 november 2007 € 14.776,50 bedroeg en per 1 januari 2008 en 2009 telkens € 41.073,00, in totaal derhalve € 96.922,50. [B] dient dit bedrag alsnog aan Nationale Nederlanden te betalen.

4.34. De vordering tot vergoeding van de wettelijke vertragingsrente over het toegewezen bedrag vanaf de dag der dagvaarding, te weten 15 oktober 2009, zal als onbetwist worden toegewezen.

4.35. De vordering tot het opleggen van een dwangsom zal worden afgewezen. De wet biedt geen mogelijkheid tot het opleggen van een dwangsom in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom.

Bonus tweede helft 2008

4.36. [A] heeft aanspraak gemaakt op de hem bij brief van 13 maart 2009 toegezegde bonus van € 19.320,00 (zie 2.12), te vermeerderen met de wettelijke boete op grond van artikel 7:625 lid 1 BW van € 9.660,00.

4.37. [B] c.s. hebben aangevoerd dat nadat de bonustoezegging aan [A] was gedaan, is gebleken dat de EBIT over de tweede helft van 2008 moest worden bijgesteld van € 601.000,00 naar € 301.000,00, hetgeen ver onder de minimumgrens voor het uitkeren van bonussen ligt. Dit kwam omdat (op groepsniveau) een voorziening van € 2.000.000,00 moest worden getroffen voor dubieuze debiteuren in Italië. Het betrof klanten die werden vertegenwoordigd door de Italiaanse agent [G]. [B] c.s. houden [A] ervoor verantwoordelijk dat voornoemde voorziening moest worden getroffen. [A] was vaag geweest over [G] en had steeds aangegeven dat [G] garant stond voor zijn klanten, hetgeen achteraf bezien onjuist bleek. De directie heeft aan andere managers aan wie (op basis van de aanvankelijk geprojecteerde EBIT) bonustoezeggingen waren gedaan, wel de bonus uitbetaald. De directie heeft deze managers niet willen “straffen” omdat zij buiten de affaire [G] stonden, aldus [B] c.s..

4.38. De rechtbank overweegt het volgende. Uit de stellingen van partijen leid de rechtbank af dat de vraag of bonussen worden uitgekeerd en zo ja, de hoogte daarvan, wordt bepaald door de winstgevendheid van de onderneming. Gesteld noch gebleken is dat de bonus (mede) afhankelijk is van de individuele prestaties van de werknemer. De directie van de Florimex groep heeft ervoor gekozen om met betrekking tot de tweede helft van 2008 de reeds toegezegde bonussen wel uit te keren, hoewel de EBIT dit achteraf bezien niet rechtvaardigde. Alleen [A] is zijn reeds toegezegde bonus onthouden. Dit is in strijd met de verplichting van [B] uit hoofde van goedwerkgeverschap om werknemers in gelijke gevallen gelijk te behandelen. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gesteld om de ongelijke behandeling van [A] te kunnen rechtvaardigen. Zelfs als juist is dat [A] vaag is geweest over [G] of dat hij ten onrechte heeft aangenomen dat [G] garant stond voor zijn klanten (dit wordt uitdrukkelijk door [A] betwist), dan komt het verwijt aan het adres van [A] in de kern neer op een inschattingsfout. De rechtbank acht dit verwijt onvoldoende ernstig, te meer nu (voor zover is gebleken) slechts de winstgevendheid van de onderneming en niet de individuele prestaties van de werknemer bepalend zijn voor het al dan niet toekennen van een bonus, om [A] als enige zijn bonus te ontzeggen.

4.39. [B] is gezien het voorgaande gehouden om de bonus van € 19.320,00 alsnog aan [A] uit te betalen. Ook de gevorderde wettelijke boete op grond van artikel 7:625 lid 1 BW ten bedrage van € 9.660,00 is toewijsbaar. [B] is over het totale bedrag van € 28.980,00 de wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum van de dagvaarding, te weten 15 oktober 2009. Vordering IV zal worden toegewezen.

Bonus 2009 (vordering V)

4.40. [A] vordert dat [B] c.s. opgave doet van de aan hem uit te betalen bonus over 2009, die is gekoppeld aan de lokale EBIT per jaar, en maakt aanspraak op deze bonus, te vermeerderen met rente.

4.41. [B] c.s. hebben, onder overlegging van een financieel overzicht, aangevoerd dat de EBIT over 2009 negatief was en dat over 2009 in het geheel geen bonussen zijn uitgekeerd. Ook [A] kan dus geen aanspraak maken op een bonus, aldus [B] c.s..

4.42. De rechtbank overweegt dat nu [A] de stelling dat [B] in 2009 geen winst heeft gemaakt slechts bij gebrek aan wetenschap heeft betwist, terwijl deze stelling wordt bevestigd door het door [B] c.s. overgelegde financiële overzicht waarin is vermeld dat [B] in 2009 verlies heeft geleden, het ervoor moet worden gehouden dat aan [A] geen bonus toekomt met betrekking tot dat jaar. Vordering V zal dan ook worden afgewezen.

Vakantiedagen (vordering VI)

4.43. [A] vordert dat de door hem niet opgenomen vakantiedagen door [B] worden uitbetaald. Ter comparitie heeft [A] gesteld dat het om 30 dagen gaat, tegen een dagloon van € 807,53, hetgeen resulteert in een bedrag van € 24.225,90, waarop in mindering dient te worden gebracht het bedrag van € 4.820,32 dat door [B] bij eindafrekening is uitgekeerd, zodat een bedrag van € 19.405,58 resteert. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke boete van 50% op grond van artikel 7:625 BW, aldus [A].

4.44. [B] c.s. stellen daar het volgende tegenover. [A] beschikte per 1 januari 2009 over een saldo van 24,3 dagen. [A] had voor zijn ontslag reeds acht vakantiedagen aangevraagd dan wel genoten, te weten 8 mei 2009, de periode 5 juni 2009 t/m 12 juni 2009 en 26 juni 2009. Na de zomermaanden is [A] ook nog zeven dagen weggeweest, zodat van het beginsaldo van 24,3 dagen in totaal 15 dagen dienen te worden afgetrokken, resulterend in een tegoed van 9,3 dagen. Dit staat gelijk aan 75,2 uur. Uitgaande van een uurloon van € 64,10 komt dit neer op een bedrag van € 4.820,32. Dit bedrag is reeds aan [A] uitbetaald, waardoor er thans geen betalingsverplichting meer op [B] rust. Ten aanzien van het uurloon stellen [B] c.s. dat in januari 2009 over 2008 opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen aan [A] zijn uitbetaald tegen een uurloon van € 64,10 en dat [A] daar toen niet tegen heeft geprotesteerd. [B] c.s. hebben ter onderbouwing van het voorgaande (onder meer) overgelegd: een verlofoverzicht van 2007 t/m 2009, de verlofaanvraag van [A] voor 2009 en een loonstrook d.d. 22 januari 2009 waarin de uitbetaling van de vakantiedagen over 2008 tegen een uurtarief van € 64,10 is vermeld.

4.45. De rechtbank overweegt het volgende. [A] heeft op grond van artikel 7:641 lid 1 BW bij het einde van zijn dienstverband recht op uitbetaling van door hem opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen. Het stond [B] niet vrij om ten aanzien van het tijdvak gelegen na de schorsing van [A] de vakantiedagen die [A] reeds voor de schorsing had aangevraagd in mindering te brengen op het verlofsaldo van [A]. Aangezien [A] tegen zijn wil geschorst was kunnen deze dagen niet worden geacht door hem te zijn opgenomen, ongeacht of deze reeds waren aangevraagd of niet. [A] gaat uit van een beginsaldo van 30 dagen, terwijl [B] c.s. uitgaan van 24,3 dagen. Nu [A] het door [B] c.s. overgelegde verlofoverzicht niet heeft betwist wordt met [B] c.s. uitgegaan van een saldo van 24,3 dagen. Daarop dient in mindering te worden gebracht de vóór de schorsing van [A] op 8 mei 2009 door hem genoten vakantiedag, zodat 23,3 dagen resteren. Tevens dient in mindering te worden gebracht de 9,3 dagen die reeds bij de eindafrekening zijn uitbetaald. In totaal dienen derhalve nog 14 dagen dienen te worden uitbetaald. Dit staat gelijk aan 112 uren. Uitgegaan dient te worden van een uurloon van € 64,10. Uit de door [B] c.s. overgelegde loonstrook blijkt dat in 2008 opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen tegen dit uurloon zijn uitbetaald. Dit is niet betwist door [A], die van zijn kant heeft nagelaten om het door hem genoemde dagloon van € 807,53 (hetgeen neerkomt op een veel hoger uurloon) nader te onderbouwen. Uit het voorgaande volgt dat [B] nog een bedrag van € 7.179,20 (112 x € 64,10) aan [A] is verschuldigd. Over dit bedrag is wettelijke boete op grond van artikel 7:625 lid 1 BW verschuldigd tot 50%, te weten € 3.589,60. Over het totale bedrag van € 10.768,80 is de wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum van de dagvaarding, te weten 15 oktober 2009. Vordering VI zal overeenkomstig het voorgaande worden toegewezen.

Onregelmatige opzegging (vordering VII)

4.46. [A] stelt zich op het standpunt dat [B] een opzegtermijn van 12 maanden jegens hem in acht had moeten nemen. De wederzijdse opzegtermijn van zes maanden zoals opgenomen in artikel 1 van arbeidsovereenkomst C betreft een verschrijving. De juiste opzeggingsbepalingen waren wel opgenomen in de voorgaande arbeidscontracten en partijen hebben met arbeidsovereenkomst C niet een wezenlijke wijziging beoogd in de arbeidsvoorwaarden, aldus [A]. [B] c.s. hebben betwist dat de wederzijdse opzegtermijn van zes maanden berust op een verschrijving.

4.47. De rechtbank overweegt dat [A] niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat partijen met arbeidsovereenkomst C niet een wezenlijke wijziging hebben beoogd in zijn arbeidsvoorwaarden. Arbeidsovereenkomst C verschilt op wezenlijke punten van arbeidsovereenkomst B, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van het loon en het (ontbreken van) een contractuele ontslagvergoeding. Voor het overige heeft [A] geen concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat het opzeggingsbeding op een verschrijving berust. Deze stelling wordt dan ook verworpen.

4.48. [A] stelt voort dat de wederzijdse opzegtermijn van zes maanden gezien het bepaalde in artikel 7:672 lid 6 BW dient te worden geconverteerd in een opzeggingstermijn van twaalf maanden voor [B] als werkgever. [A] vordert de gefixeerde schadeloosstelling als bedoeld in artikel 7:680 lid BW, zijnde zes maanden loon.

4.49. Deze vordering zal worden afgewezen. In artikel 7:672 lid 6 BW is bepaald dat, wanneer wordt afgeweken van de wettelijke opzegtermijn, de termijn voor de werknemer bij verlenging niet langer mag zijn dan zes maanden en voor de werkgever niet korter dan het dubbele van die voor de werknemer. [B] c.s. hebben met recht betoogd dat dit een beschermingsbepaling betreft in het belang van de werknemer en dat een beding in strijd daarmee, gezien het bepaalde in artikel 3:40 lid 2 BW, niet nietig is doch slechts vernietigbaar is door de werknemer. Nu [A] uitdrukkelijk geen beroep heeft gedaan op de vernietigbaarheid van het opzeggingsbeding kan van conversie van de opzegtermijn van [B] van zes in twaalf maanden geen sprake zijn. Voor conversie is op grond van artikel 3:42 BW immers vereist dat het (opzeggings)beding nietig dan wel vernietigd is. [B] heeft dus terecht de contractuele opzegtermijn van zes maanden in acht genomen.

Buitengerechtelijke incasso-kosten

4.50. In de akte tot aanvullen gronden en wijziging eis heeft [A] gesteld dat hij voor een bedrag van € 21.500,00 aan buitengerechtelijke incasso-kosten heeft gemaakt. Dit bedrag komt echter niet terug in het petitum zoals opgenomen in voornoemde akte en zoals weergegeven in 3.1. In de conclusie van repliek tevens akte aanvulling eis heeft [A] gesteld dat hij een bedrag van € 15.000,00 aan juridische kosten, niet verband houdende met het opstellen van de processtukken, heeft moeten maken. Hij heeft zijn eis met dit bedrag verhoogd. De rechtbank houdt het ervoor dat [A] een bedrag van € 15.000,00 aan buitengerechtelijke incasso-kosten vordert.

4.51. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke buitengerechtelijke incasso-kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voor-werk II - worden afgewezen. Uit de door [A] gegeven omschrijving van de verrichte werkzaamheden blijkt niet dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [A] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

Proceskosten

4.52. [B] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [A] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 85,98

- griffierecht € 4.938,00

- salaris advocaat € 5.684,00 (4 punten × tarief V ad € 1.421,00)

Totaal € 10.707,98

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat de door [B] aan [A] gedane opzegging kennelijk onredelijk is als bedoeld in artikel 7:681 lid 1 BW en veroordeeld [B] een schadevergoeding te betalen van € 37.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2009,

5.2. veroordeelt [B] om de premieverplichtingen uit hoofde van de NN-polis na te komen, in die zin dat zij de premie vanaf 1 november 2007 tot aan de datum van het einde dienstverband van [A] aan Nationale Nederlanden dient te betalen, te weten een bedrag van in totaal € 96.922,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2009,

5.3. veroordeelt [B] om aan [A] te betalen de aan hem toekomende bonus over de tweede helft van 2008 van € 19.320, 00, te vermeerderen met de op grond van artikel 7:625 lid 1 BW verschuldigde boete van € 9.660,00, in totaal derhalve € 28.980,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2009,

5.4. veroordeelt [B] om aan [A] uit te betalen een vergoeding wegens niet opgenomen vakantiedagen van € 7.179,20, te vermeerderen met de op grond van artikel 7:625 lid 1 BW verschuldigde boete van € 3.589,60, in totaal derhalve € 10.768,80, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2009,

5.5. veroordeelt [B] in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op € 10.707,98,

5.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Voetelink, mr. R.M. Troost en mr. H.C. Bijleveld en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2011.?