Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BW1461

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
10-04-2012
Zaaknummer
13/477015-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenbeslissing Passage. Verzoek om toevoeging conceptverweer aan dossier; nader onderzoek naar getuigenbescherming; fatale termijn voor onderzoekswensen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Tussenbeslissing 13 december 2011 (verzoek om toevoeging conceptverweer [persoon 1] aan dossier; nader onderzoek naar getuigenbescherming; fatale termijn voor onderzoekswensen)

Verzoek toevoeging conceptverklaring [persoon 1] (“de 27 kantjes”)

Bij brief van 5 september 2011 heeft de toenmalige raadsman van verdachte [persoon 1] aan de rechtbank laten weten dat zijn cliënt overwoog een uitgebreide verklaring af te leggen, aangezien er volgens [persoon 1] sprake zou zijn van jegens hem begane onrechtmatigheden binnen het door de rechtbank in haar tussenbeslissing van 27 april 2010 gestelde kader. Daarbij gaf de raadsman aan dat [persoon 1] zijn conceptverklaring en enkele geluidsopnames in verband met de aan [persoon 1] opgelegde beperking van diens verklaringsvrijheid op voorhand had toegezonden aan het Team Getuigenbescherming (TGB).

Na kennisname van de conceptverklaring heeft de officier van justitie belast met getuigenbescherming, mr. Verwiel, bij brief van 14 september 2011 laten weten dat zijn geheimhoudingsverplichting op het gebied van getuigenbescherming [persoon 1] niet in de weg staat om conform zijn voornemen te verklaren over enkele aspecten met betrekking tot de totstandkoming van de kluisverklaringen en de OM-deal, maar dat [persoon 1] de grenzen van zijn geheimhoudingsverplichting wel dient te bewaken. Bij brief van 19 oktober 2011 heeft mr. Verwiel hieraan toegevoegd dat openbaarmaking door [persoon 1] van door hem gemaakte geluidsopnames van gesprekken in het kader van te treffen beschermingsmaatregelen een schending oplevert van zijn geheimhoudingsverplichting. Verder zou [persoon 1] niet mogen spreken over een tweede aspect, waarvan later is gebleken dat dit de mogelijke bescherming van een aanverwant van [persoon 1] betreft.

Ter terechtzitting van 29 september 2011 heeft de toenmalige raadsman van [persoon 1] laten weten dat door het niet afleggen van de verklaring, aan de rechtbank maar ook aan de overige procesdeelnemers informatie zou worden onthouden die volgens de raadsman relevant was voor de rechterlijke toetsing in de strafzaak van [persoon 1] als verdachte en voor de toetsing van diens rol in de strafzaken van medeverdachten.

Ter zitting van 3 november 2011 heeft [persoon 1], onder meer naar aanleiding van vragen van de rechtbank om een nadere toelichting op het vermeend zaaksoverstijgende karakter van zijn conceptverklaring, gesteld dat deze een begin van aannemelijkheid zou kunnen opleveren dat opsporings- dan wel vervolgingsautoriteiten actieve bemoeienis hebben gehad met onrechtmatig handelen van TGB, teneinde daarvan in het kader van opsporing en vervolging te kunnen profiteren. [persoon 1] heeft tijdens die zitting - op eerdere aandrang van de rechtbank- een aantal herinneringen benoemd die naar zijn oordeel zaaksoverstijgend zouden kunnen zijn. Daarbij heeft hij aangegeven de rechtbank en de verdediging van de andere advocaten zoveel mogelijk tegemoet te zijn gekomen, gegeven zijn geheimhoudingsverplichting en zijn eigen strafrechtelijke belang.

Eveneens ter zitting van 3 november 2011 heeft de zaaksofficier van justitie mr. Wind, na afstemming met mr. Verwiel, laten weten dat de verdediging van [persoon 1] zonder negatieve consequenties voor de getuigenbescherming een verweer mag voeren dat door een redelijk oordelend raadsman zinvol kan worden geacht, ongeacht het uiteindelijke oordeel van de rechtbank over dat verweer, en dat de verdediging daarbij ook zaken mag benoemen waarop de geheimhoudingsverplichting betrekking heeft, voor zover de benoeming daarvan ter onderbouwing van het verweer noodzakelijk is. Mr Verwiel heeft bij brief van 28 november 2011 laten weten dat er voor [persoon 1] geen belemmering is om te verklaren over al hetgeen door de rechtbank in het kader van de waarheidsvinding noodzakelijk wordt bevonden, en dat hij alle ruimte heeft om te verklaren over hetgeen hij op grond van zijn verdedigingsrechten als bedoeld in artikel 6 EVRM noodzakelijk acht. Ter zitting van 28 november 2011 heeft de zaaksofficier van justitie hieraan toegevoegd dat slechts ongeveer één van de 27 pagina’s van de verklaring van [persoon 1] wegens strijd met diens geheimhoudingsverplichting in de rechtszaal niet geopenbaard zou kunnen worden.

[persoon 1] heeft aangegeven zich ondanks deze toezeggingen niet vrij te voelen om het verweer geheel of gedeeltelijk te voeren, nu hij bedreigd zou worden door een “derde partij” (de rechtbank begrijpt: een persoon die zeggenschap heeft over de getuigenbescherming van [persoon 1]), en nu zijn civiele raadsman en zijn toenmalige raadsman in zijn strafzaak hem met klem hebben ontraden het verweer te voeren. Met betrekking tot de vermeende dreiging door een “derde partij” heeft mr. Verwiel gesteld dat [persoon 1] vermoedelijk doelt op een telefoongesprek tussen mr. de Haas en de raadsman van [persoon 1] over mogelijke gevolgen van een weigering van [persoon 1] om als getuige verder te verklaren voor het voortbestaan van de (OM)-deal. [persoon 1] heeft ontkend dat hij hierop doelt, maar hij heeft de gestelde bedreiging niet nader geconcretiseerd.

De raadslieden van enkele andere verdachten hebben de rechtbank thans verzocht, het openbaar ministerie op te dragen om de 26 pagina’s van de conceptverklaring van [persoon 1] tegen openbaarmaking waarvan vanuit een oogpunt van getuigenbescherming geen bezwaar bestaat, aan het dossier toe te voegen. [persoon 1] heeft zich hiertegen verzet, nu hij de conceptverklaring vertrouwelijk ter kennis van het TGB heeft gebracht zonder met openbaarmaking daarvan rekening te hebben hoeven houden, en hij openbaarmaking van het verweer niet in zijn strafrechtelijk belang acht. Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat [persoon 1], zoals iedere andere verdachte, het recht heeft om zelf de omvang van het door hem het te voeren verweer te bepalen, en dat een opdracht of verzoek zoals door de verdediging van de andere verdachten voorgestaan een ernstige inbreuk op dit recht zou maken.

De rechtbank overweegt als volgt.

Blijkens het verhandelde ter zitting heeft [persoon 1] door zijn conceptverklaring ter toetsing voor te leggen aan het openbaar ministerie, willen nagaan of en in hoeverre het afleggen van die verklaring in de visie van het openbaar ministerie een schending van zijn civielrechtelijke geheimhoudingsverplichting zou opleveren. Het openbaar ministerie heeft kennis genomen van de conceptverklaring, niet in zijn hoedanigheid van autoriteit belast met de opsporing en vervolging van strafbare feiten, maar in zijn hoedanigheid van wederpartij van [persoon 1] bij de getuigenbeschermingsovereenkomst. De bijzondere positie van [persoon 1] als bedreigde getuige bracht hem ertoe een verweer tot het voeren waarvan hij nog niet had besloten, te delen met het openbaar ministerie. [persoon 1] behoefde er echter naar het oordeel van de rechtbank geen rekening mee te houden dat dit conceptverweer een eigen leven zou gaan leiden in die zin dat het buiten zijn wil om aan het strafdossier van hem en zijn medeverdachten zou worden toegevoegd.

Onder die omstandigheden, en gegeven het feit dat [persoon 1] zoals iedere verdachte het recht heeft om de aard en omvang van zijn verdediging zelf te bepalen, acht de rechtbank zich, hoewel vanuit een oogpunt van getuigenbescherming kennelijk geen bezwaar bestaat tegen openbaarmaking van het overgrote deel van de conceptverklaring van [persoon 1], in beginsel niet vrij om toevoeging hiervan aan het dossier te gelasten.

Van dit uitgangspunt zou de rechtbank mogelijk afwijken, als er sprake zou zijn van duidelijke aanwijzingen dat de conceptverklaring elementen bevat die nog niet ter kennis van de overige procesdeelnemers zijn gebracht en die volgens de criteria zoals geformuleerd in het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2004, NJ 2004, 376 en zoals op het punt van getuigenbescherming nader uitgewerkt in de tussenbeslissing van 27 april 2010, in de strafzaken van de andere verdachten tot gevolgen zouden kunnen leiden. In dit kader merkt de rechtbank het volgende op.

[persoon 1] heeft ter zitting van 3 november 2011 toegelicht op welke gebeurtenissen hij heeft gedoeld, daar waar hij in eerdere verklaringen termen heeft gebruikt als “zaaksoverstijgend”, “op ontoelaatbare wijze bewogen om kroongetuige te worden”, “afspraak met een magistraat”, “bewust achterhouden van relevante informatie’, “aansturing van tactische verhoren” en “meineed”. Een verklaring omtrent de gebeurtenissen die aan deze kwalificaties ten grondslag lagen, heeft hij inmiddels in het proces ingebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank vormt de toelichting van [persoon 1] van 3 november 2011 op zichzelf onvoldoende reden om de overige elementen van de conceptverklaring van [persoon 1] tegen diens wil te doen inbrengen in het proces. De rechtbank stelt vast dat [persoon 1] die overige elementen nog immer niet concreet heeft benoemd en dat hij het vermeende zaaksoverstijgende karakter daarvan niet met feiten en omstandigheden heeft onderbouwd, ondanks de ruimte die het openbaar ministerie hem daartoe herhaaldelijk en uitdrukkelijk heeft geboden.

Een contra-indicatie voor een wezenlijk belang van de andere verdachten ziet de rechtbank in andere uitlatingen van [persoon 1]. Het bezwaar van [persoon 1] ziet vooral op het, naar zijn mening, niet deugdelijk nakomen door het TGB van eerder gedane toezeggingen op het gebied van getuigenbescherming. Ter zitting van 21 november 2011 heeft [persoon 1] expliciet laten weten dat zijn proceshouding primair tot doel heeft druk te zetten achter de onderhandelingen over de uiteindelijke getuigenbeschermingsmaatregelen. [persoon 1] heeft verder op enig moment toegegeven, de kwalificatie “zaaksoverstijgend” vooral te hebben gebruikt om de raadslieden van medeverdachten voor zich te mobiliseren.

Van een duidelijke aanwijzing dat de nog niet ter kennis van de overige procesdeelnemers gebrachte elementen van de conceptverklaring van [persoon 1] duiden op schending van rechtsregels die het belang van de medeverdachten beschermen, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank acht dan ook geen termen aanwezig om het openbaar ministerie te gelasten, het verweer dat [persoon 1] uiteindelijk niet verkiest te voeren, al dan niet via de rechter-commissaris, tegen de wil van [persoon 1] in te brengen in het proces.

Het verzoek wordt derhalve afgewezen.

Overige verzoeken raadslieden verdachte [persoon 2]

Ter zitting van 2 december 2011 heeft de verdediging van verdachte [persoon 2] bepleit dat er inmiddels zwaarwegende aanwijzingen zijn dat aan [persoon 1] onder het mom van getuigenbescherming excessieve of volstrekt niet te onderbouwen voorzieningen zouden kunnen zijn toegezegd in de zin van de tussenbeslissing van 27 april 2010, welke aanwijzingen nader onderzoek rechtvaardigen. De verdediging heeft daarbij met name gewezen op recente uitlatingen van [persoon 1], waarbij hij een bedrag van 300.000 euro heeft genoemd, en op het feit dat nog steeds geen definitieve overeenkomst over de getuigenbescherming van [persoon 1] tot stand is gekomen.

De raadslieden van [persoon 2] en enkele andere verdachten hebben in dat kader verzocht om het horen van de officieren van justitie De Haas, Verwiel en Van der Bel, alsmede van de advocaat Boonstra. De verdediging heeft voorts verzocht dat opnamen van de onderhandelingen van officier van justitie De Haas met [persoon 1] op 12 en 22 december 2006 ter beschikking worden gesteld van de rechter-commissaris ter toetsing op een mogelijk belang voor de door de rechtbank te beantwoorden vragen.

Het openbaar ministerie heeft onder verwijzing naar het proces-verbaal van mr De Haas van 9 april 2010 benadrukt dat er van een financiële toezegging door De Haas geen sprake is geweest.

De rechtbank ziet in hetgeen door de verdediging is gesteld en aangevoerd geen zwaarwegende aanwijzing om aan te nemen dat inderdaad sprake is van een excessieve of volstrekt niet te onderbouwen voorziening of toezegging hiertoe aan [persoon 1], waartoe geen redelijk handelend officier van justitie met het oog op de gerechtvaardigde veiligheidsbelangen van [persoon 1] had kunnen komen. De verzoeken strekkende tot nader onderzoek hiernaar worden derhalve afgewezen. De rechtbank merkt hierbij nog op dat het overgrote deel van de aangevoerde feiten en argumenten overigens al bekend was en is meegewogen bij het nemen van de tussenbeslissing van 27 april 2010, en dat er ook nu geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de processen-verbaal die over dit onderwerp door mr De Haas zijn gesteld.

Ambtshalve beslissing van de rechtbank betreffende de voortgang van het proces; verdere beoordeling van onderzoekswensen

De eerste openbare zitting binnen het proces Passage vond plaats op 3 juli 2007. De inhoudelijke behandeling van het proces is gestart op 9 februari 2009. Het proces loopt derhalve bijna 4 ½ jaar, waarvan inmiddels bijna drie jaren zijn besteed aan de inhoudelijke behandeling van de zaak. Met het oog op de zeer grote belangen die voor alle partijen op het spel staan, heeft de rechtbank gedurende die ongekend lange periode partijen in de gelegenheid gesteld om nader onderzoek te doen en stukken aan het dossier toe te (laten) voegen zonder de voortgang van de zaak hieraan in beslissende mate in de weg te laten staan.

Op grond van artikel 6 EVRM is de rechtbank echter ook verantwoordelijk voor afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn. Ook diverse partijen hebben het belang van de voortgang van het proces vandaag nog eens benadrukt. Naar het oordeel van de rechtbank dient dit belang thans in beginsel te gaan prevaleren boven het belang van iedere partij, het eigen standpunt nader te kunnen onderbouwen. Om die reden acht de rechtbank het moment aangebroken om zodanige kaders uit te zetten voor de beoordeling van verdere onderzoekswensen en nader toe te voegen stukken, dat daadwerkelijke afdoening van de zaak in zicht komt.

Deze kaders luiden als volgt.

Vanaf heden tot 4 weken voor het requisitoir zal de rechtbank nieuwe onderzoekswensen van beide partijen slechts honoreren als het gevraagde onderzoek noodzakelijk is, in die zin dat het daadwerkelijk en wezenlijk kan bijdragen aan het uiteindelijke eindoordeel over de vragen als bedoeld in de artikelen 348 en 350 Sv. De rechtbank gaat ervan uit dat ook het openbaar ministerie nog slechts eigener beweging nieuwe stukken aan het dossier zal toevoegen indien deze aan dit zelfde criterium voldoen.

Vanaf 4 weken voor het requisitoir zal de rechtbank in beginsel geen onderzoekswensen meer honoreren. De rechtbank gaat ervan uit dat het openbaar ministerie vanaf die datum geen nieuwe stukken meer aan het dossier zal toevoegen. Een uitzondering zal slechts worden gemaakt als er sprake is van zo wezenlijke nieuwe ontwikkelingen dat hantering van deze gedragslijn en dit uitgangspunt een schending van het recht op een eerlijk proces van één of meer partijen tot gevolg zou hebben.

De rechtbank zal deze week een nieuw schema verspreiden.

De hiervoor geformuleerde kaders gelden ten slotte (uiteraard) niet voor onderzoekshandelingen die de rechtbank al eerder heeft toegewezen en documenten waarover zij al eerder heeft beslist.