Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BV8486

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-12-2011
Datum publicatie
09-03-2012
Zaaknummer
495279 - HA RK 11-223
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beschikking. Letselschade. Toewijzing verzoek slachtoffer verkeersongeval om voorlopige deskundigenrapportage door psychiater (en indien deze zulks nodig acht, een neuropsycholoog) alsmede een reumatoloog. IWMD-vraagstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 495279 / HA RK 11-223

Beschikking van 15 december 2011

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [plaats],

verzoekster,

advocaat mr. M.C. Hoogendam te Leusden,

tegen

de naamloze vennootschap

AMLIN CORPORATE INSURANCE N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

verweerster,

advocaat mr. L.C. Dufour te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [verzoekster] en Amlin genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht met producties, ingekomen ter griffie op 14 juli 2011;

- de beschikking van 15 september 2011, waarin een mondelinge behandeling is gelast;

- het verweerschrift met producties;

- het proces-verbaal van behandeling van een verzoekschrift, gehouden op 15 november 2011, met de daaraan gehechte stukken;

- het faxbericht van 23 november 2011 van de zijde van Amlin;

- het faxbericht van 24 november 2011 van de zijde van [verzoekster];

- het faxbericht van 1 december 2011 van de zijde van Amlin.

1.2. De beschikking is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. [verzoekster] is op 11 oktober 1999 betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Zij is zijdelings aangereden door een verzekerde van (een rechtsvoorgangster van) Amlin.

2.2. [verzoekster] is naar het Atrium Medisch Centrum te Heerlen gebracht alwaar zij anderhalve dag heeft doorgebracht ter observatie. De arts op de spoedeisende hulp heeft geen amnesie na het ongeval geconstateerd. Op 21 oktober 1999 heeft [verzoekster] zich voor het eerst tot haar huisarts gewend met nekklachten, hoofdpijn en duizeligheid.

2.3. Amlin heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend.

2.4. Psycholoog drs. [A] en klinisch psycholoog drs. [B] hebben op (eenzijdig) verzoek van [verzoekster] een neuropsychologisch onderzoek verricht bij [verzoekster]. Het bijbehorende rapport, gedateerd 25 oktober 2000, vermeldt, voor zover hier van belang:

“(…) Samenvatting en conclusies

Pt. [Rb: patiënt] is een op ruim bovengemiddeld intelligentieniveau functionerende vrouw. Er zijn geen aanwijzingen voor ernstig of gegeneraliseerd verlies van inzicht en redeneervermogen.

Bij verder neuropsychologisch onderzoek vinden wij geen harde afwijkingen. Wel is er een duidelijke moeite met langdurig concentreren (…) en heeft zowel visuele aanbieding alsook informatie-overload een lichte negatieve invloed op haar geheugenfuncties. (…)”

2.5. Neuroloog dr. [C] heeft [verzoekster] op haar (eenzijdige) verzoek onderzocht en zijn rapport, gedateerd 10 juni 2005, vermeldt, voor zover hier van belang:

“(…) Beschouwing

Ik vind bij mijn neurologisch onderzoek geen aanwijzingen voor een gestoorde functie van de cervicale wervelkolom waardoor de diagnose postwhiplash syndroom niet gesteld kan worden. Ook zijn er mijns inziens onvoldoende objectieve criteria om tot de diagnose commotio cerebri te komen gezien het feit dat het EHBO formulier duidelijk vermeldt dat er geen amnesie of misselijkheid aanwezig was na het ongeval, twee uiterst wezenlijke criteria voor de diagnose commotio cerebri. In deze zin door redenerend kan ook niet gesproken worden van een postcommotioneel syndroom. (…)

Neurologisch onderzoek liet verder wel tijdens de anamnese oedeem van het rechter boven ooglid zien met tranenvloed van het rechter oog tijdens een periode waarbij betrokkene aangaf hoofdpijn te krijgen. Deze hoofdpijnvorm zou zeer wel kunnen passen bij een paroxysmale hemicrania of hemicrania continua. De hoofdpijnklachten met misselijkheid en braken zijn te beschouwen als migraine aanvallen (…) De relatie van deze hoofdpijnklachten met het ongeval is echter zeer twijfelachtig, de migraineklachten bestonden ook al voor het ongeval. (…)

Vraag 6

(…) De door betrokkene ervaren cognitieve klachten zouden nogmaals neuropsychologisch of psychiatrisch verder in kaart gebracht kunnen worden waarop verdere behandeling van deze klachten kan worden ingesteld. (…)”

2.6. Amlin heeft een bedrag van EUR 21.524,73 aan voorschotten aan [verzoekster] betaald en in maart 2011 heeft Amlin (onverplicht) een (slot)uitkering van EUR 11.962,36 gedaan.

3. Het verzoek en het verweer

3.1. Het verzoekschrift van [verzoekster] strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht zal bevelen. [verzoekster] legt hieraan ten grondslag dat de rechter zich in de bodemprocedure waarschijnlijk door een medisch deskundige zal willen laten voorlichten, nu de medisch adviseurs van de rechtsbijstandverzekeraar van [verzoekster], Arag en Amlin lijnrecht tegenover elkaar staan in de medische discussie. Om een bodemprocedure te voorkomen althans om een goede inschatting te maken van haar kansen in een eventuele bodemprocedure stelt [verzoekster] reeds nu belang te hebben bij benoeming van een deskundige.

3.2. [verzoekster] verzoekt de rechtbank in dit kader een psychiater te benoemen.

3.3. Amlin verzet zich tegen inwilliging van het verzoek van [verzoekster] en voert daartoe ten eerste aan dat [verzoekster] reeds door verschillende specialisten, waaronder een neuroloog en neuropsycholoog, is onderzocht en dat deze specialisten geen objectiveerbare ongevalgevolgen hebben vastgesteld. Amlin verbindt hieraan de conclusie dat er geen causaal verband bestaat tussen het ongeval en de klachten en beperkingen die [verzoekster] ondervindt. Een nader onderzoek in het kader van een voorlopig deskundigenbericht is daarom niet aan de orde, aldus Amlin. Daarnaast is volgens Amlin sinds het ongeval teveel tijd verstreken, hetgeen het moeilijk, zo niet onmogelijk, maakt voor een deskundige om eventueel gevonden afwijkingen in verband te brengen met het ongeval. Toewijzing van het verzoek is volgens Amlin op grond van het voorgaande in strijd met de eisen van een goede procesorde. Gelet op de reeds verstreken tijd na het ongeval en de reeds uitgevoerde expertises heeft [verzoekster] ook geen belang bij een hernieuwd deskundigenonderzoek, aldus Amlin. Voorts stelt Amlin zich op het standpunt dat zij met de reeds door haar betaalde voorschotten en de (coulancehalve) betaalde (slot)uitkering heeft voldaan aan al haar verplichtingen voortvloeiend uit het ongeval.

3.4. Amlin maakt bezwaar tegen het benoemen van een psychiater, nu uit de stukken niet blijkt dat sprake is van psychische afwijkingen bij [verzoekster]. Wanneer toch een deskundige benoemd zou moeten worden, dient dat volgens Amlin een reumatoloog te zijn, nu er wel aanwijzingen bestaan voor pre-existente reumatologische aandoeningen die een deel van de huidige klachten en beperkingen van [verzoekster] kunnen verklaren.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank stelt voorop dat zij geen discretionaire bevoegdheid heeft bij de beoordeling van een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenonderzoek. Dit onderzoek moet in beginsel worden gelast, indien hiermee aan verzoeker de mogelijkheid wordt verschaft aan de hand van het uit te brengen deskundigenbericht zekerheid te verkrijgen over de voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden, waardoor hij zijn procespositie beter kan beoordelen. Dit is slechts anders indien de rechtbank van oordeel is dat het verzoek in strijd is met een goede procesorde, dat misbruik wordt gemaakt van de bevoegdheid toepassing van dit middel te verlangen of dat het verzoek moet afstuiten op een ander zwaarwichtig belang.

4.2. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van [verzoekster] voldoet aan de hiervoor genoemde criteria. Amlin heeft onvoldoende aangevoerd om tot het oordeel te komen dat sprake is van strijd met de eisen van een goede procesorde althans van een ander zodanig zwaarwichtig belang dat het verzoek zou moeten worden afgewezen.

De omstandigheid dat [verzoekster] reeds door verschillende specialisten is onderzocht, die geen objectiveerbare ongevalgevolgen hebben vastgesteld, geeft daartoe geen aanleiding. De betreffende specialisten hebben op eenzijdig verzoek gerapporteerd. [verzoekster] heeft betoogd dat de bevindingen van voormelde (medisch) specialisten niet uitsluiten dat vanuit een ander medisch vakgebied wèl ongevalsgerelateerde klachten en beperkingen kunnen worden vastgesteld. Hieruit volgt dat uit oogpunt van inschatting van haar proceskansen in een eventuele bodemprocedure de behoefte aan nadere en onafhankelijke medische rapportage, zoals door verzoekster wordt voorgestaan, voorstelbaar is. [verzoekster] heeft voldoende gemotiveerd aangevoerd dat zij het door haar verzochte voorlopige deskundigenbericht wenst te gebruiken om de vraag naar de medische causaliteit tussen het ongeval en haar klachten beantwoord te krijgen, waarna zij een nadere inschatting kan maken van de juridische causaliteit. Het verweer van Amlin dat [verzoekster] geen belang heeft bij een hernieuwd deskundigenonderzoek slaagt derhalve niet.

Met de veronderstelling van Amlin dat het ten gevolge van het tijdsverloop moeilijk, zo niet onmogelijk, is voor een deskundige om eventueel gevonden afwijkingen in verband te brengen met het ongeval loopt zij vooruit op de inhoud van het deskundigenbericht. De rechtbank zal dus ook dit bezwaar passeren. Of Amlin met de reeds door haar betaalde voorschotten en (slot)uitkering heeft voldaan aan al haar verplichtingen voortvloeiend uit het ongeval is in geschil. Deze vraag zal ook in een eventuele bodemprocedure beantwoord dienen te worden.

4.3. Het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht zal derhalve worden toegewezen als na te noemen.

4.4. Ten aanzien van de te benoemen deskundige(n) overweegt de rechtbank als volgt.

Gelet op het feit dat de neuroloog geen objectiveerbare ongevalgevolgen heeft kunnen vaststellen en de aard van de door [verzoekster] gestelde klachten en beperkingen na het ongeval, ziet de rechtbank aanleiding tot het benoemen van een psychiater. Dat uit de stukken niet blijkt van psychische afwijkingen bij [verzoekster] betekent naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat daar geen sprake van kan zijn. Niet gesteld noch gebleken is immers dat [verzoekster] reeds eerder door een psychiater is onderzocht en evenmin dat zich eerder in haar leven een ongeval vergelijkbaar met het onderhavige heeft voorgedaan. De rechtbank ziet aanleiding in de vraagstelling aan de te benoemen psychiatrisch deskundige de vraag op te nemen of aanvullend neuropsychologisch onderzoek noodzakelijk wordt geacht. Voor het geval de psychiater dit noodzakelijk acht, bepaalt de rechtbank reeds nu dat partijen alsdan in de gelegenheid zullen worden gesteld om zich uit te laten over de persoon van de te benoemen neuropsycholoog en de te stellen vragen.

Amlin heeft op haar beurt rapportage voorgesteld door een reumatoloog mede gelet op de pre-existente reumatologische aandoeningen van [verzoekster]. [verzoekster] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven daartegen geen bezwaar te hebben. De rechtbank zal derhalve tevens een reumatoloog als deskundige benoemen.

4.5. Partijen hebben de gelegenheid gekregen zich, bij voorkeur eenparig, uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n). Blijkens het faxbericht van

24 november 2011 van [verzoekster] kan zij zich verenigen met de benoeming van de door Amlin in haar verweerschrift voorgestelde zenuwarts, dr. C.J.F. Kemperman.

4.6. Partijen zijn het klaarblijkelijk niet eens geworden over de persoon van de te benoemen reumatoloog. Gelet hierop zal de rechtbank zelf een reumatoloog benoemen, te weten drs. H. van der Tempel, reumatoloog in het Maaslandziekenhuis te Sittard (dichtbij de woonplaats van [verzoekster] dus).

4.7. Beide deskundigen hebben de rechtbank desgevraagd medegedeeld bereid te zijn om in deze zaak als deskundige op te treden. Derhalve zal tot hun benoeming worden overgegaan.

4.8. Ten aanzien van de aan de deskundigen te stellen vragen geldt dat partijen het erover eens zijn geworden dat de IWMD-vraagstelling, zoals in de beslissing vermeld, moet worden voorgelegd.

4.9. Gelet op de omstandigheid dat Amlin aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval heeft erkend, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het voorschot terzake van de kosten van de deskundigen door Amlin moet worden gedeponeerd.

4.10. De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundigen. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

4.11. Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundigen doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. beveelt een onderzoek door de volgende deskundigen:

1) Dr. C.J.F. Kemperman, zenuwarts

adres: Ewesheim 3

9351 KW te Leek

telefoon: 0594-510427

2) Drs. H. van der Tempel, reumatoloog

Orbis Medisch en Zorgconcern, afdeling reumatologie

bezoekadres: D. H. van der Hoffplein 1

6162 BG te Sittard-Geleen

postadres: Postbus 5500

6130 MB te Sittard-Geleen

telefoon: 088-4597838

5.2. bepaalt dat aan de deskundigen de volgende vragen zullen worden voorgelegd:

VRAAGSTELLING CAUSAAL VERBAND BIJ ONGEVAL

Versie januari 2010

Algemene toelichting

Deze vraagstelling is bedoeld om niet-medici die zich bezighouden met de afwikkeling van letselschade inzicht te geven in de medische uitgangspunten die van belang zijn bij het bepalen van de omvang van de schade die de onderzochte heeft geleden (en in de toekomst mogelijk zal lijden) als gevolg van een ongeval. Deze schade wordt in het civiele aansprakelijkheidsrecht vastgesteld aan de hand van een vergelijking tussen de gezondheidstoestand van de onderzochte zoals die na het ongeval is ontstaan en zich waarschijnlijk in de toekomst zal voortzetten (de situatie met ongeval) en de hypothetische situatie waarin de onderzochte zich zou hebben bevonden als het ongeval nooit had plaatsgevonden (de situatie zonder ongeval).

Deze systematiek vormt de grondslag van deze vraagstelling. Onderdeel 1 heeft betrekking op de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de situatie met ongeval. In onderdeel 2 wordt aan de deskundige gevraagd zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven hoe de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de hypothetische situatie zonder ongeval zouden zijn geweest. De gezondheidssituatie van de onderzochte voorafgaand aan het ongeval is relevant voor de beoordeling van beide situaties.

Bij het opstellen van deze vraagstelling is aansluiting gezocht bij de Richtlijn Medisch Specialistische Rapportage (RMSR). In deze richtlijn is geformuleerd aan welke eisen een deskundige en diens rapportage moeten voldoen. De richtlijn is bedoeld als hulpmiddel voor deskundigen bij het uitvoeren van hun werkzaamheden. De deskundige wordt verzocht de aanbevelingen en bepalingen in de richtlijn – zo veel als mogelijk – in acht te nemen.

1. DE SITUATIE MET ONGEVAL

Anamnese

a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?

Aanbeveling 2.2.4. RMSR:

De beschrijving van de anamnese is deugdelijk en compleet, en beperkt zich tot de relevante gegevens. De beschrijving van de anamnese bevat uitsluitend het verhaal van de onderzochte in diens bewoordingen. Er worden daarbij geen termen gebezigd of feiten vermeld die uitsluitend kunnen zijn ontleend aan aangeleverde of verkregen medische gegevens of een interpretatie daarvan. Als hieraan wordt voldaan, dan verwoordt de anamnese per definitie het subjectieve verhaal van de onderzochte. Termen als “betrokkene zou (…)” worden vermeden. Ook voegt de expert bij de beschrijving van de anamnese geen voorlopige conclusies of eigen interpretaties toe. Auto-anamnese en hetero-anamnese worden gescheiden en als zodanig genoemd weergegeven.

Medische gegevens

b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van:

- de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;

- de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.

Aanbeveling 2.2.6 RMSR:

Uit het rapport blijkt van welke van de meegestuurde gegevens kennis werd genomen en op welke wijze de daaraan ontleende feiten zijn meegewogen in het eindoordeel. Bij voorkeur wordt in het rapport een samenvatting opgenomen van de aan de meegestuurde gegevens ontleende feiten.

Medisch onderzoek

c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?

Aanbeveling 2.2.5 RMSR:

Er wordt een adequaat lichamelijk en/of psychiatrisch onderzoek verricht, maar slechts voorzover dat relevant is voor de beantwoording van de vraagstelling. Niet relevant onderzoek blijft uitdrukkelijk achterwege. Indien mogelijk worden de resultaten in kwantitatieve vorm weergegeven. Bij de beschrijving van de onderzoeksresultaten kan medisch jargon uiteraard niet worden vermeden.

Aanbeveling 2.2.7 RMSR:

Indien de expert aanvullend hulponderzoek (radiologisch, neuropsychologisch of anderszins) laat verrichten en de uitkomsten daarvan in zijn conclusies betrekt, dan dienen de verslagleggingen van deze onderzoeken bij het expertiserapport gevoegd te worden.

Consistentie

d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?

e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt?

Aanbeveling 2.2.8 RMSR:

Als de anamnese niet overeenkomt met de feiten zoals die uit de stukken naar voren komen, dan dient uit het rapport te blijken dat de onderzochte, voor zover dat medisch verantwoord is, met deze discrepantie werd geconfronteerd. Vermeld wordt, wat zijn reactie daarop was en wat daaruit kan worden geconcludeerd.

Diagnose

f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?

Aanbeveling 2.2.15 RMSR:

Waar nodig wordt een differentiaaldiagnostische overweging gegeven.

Beperkingen

g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

Aanbeveling 2.2.17 RMSR :

Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen.

Aanbeveling 2.2.18 RMSR:

De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML-methodiek).

Medische eindsituatie

h. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?

i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

j. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?

Aanbeveling 2.2.14 RMSR:

Als de expert om een inschatting wordt gevraagd en hij zich competent acht deze inschatting te maken, dan zorgt hij ervoor dat duidelijk wordt op welke wijze deze inschatting tot stand is gekomen. Hij geeft aan wat daarbij heeft meegewogen en wat van doorslaggevende betekenis is geweest.

2. DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2c - 2e) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden.

Aanbeveling 2.2.14 RMSR:

Als de expert om een inschatting wordt gevraagd en hij zich competent acht deze inschatting te maken, dan zorgt hij ervoor dat duidelijk wordt op welke wijze deze inschatting tot stand is gekomen. Hij geeft aan wat daarbij heeft meegewogen en wat van doorslaggevende betekenis is geweest.

Aanbeveling 2.2.16 RMSR:

Een eventuele causaliteitsvraag wordt uitsluitend beantwoord vanuit de medische causaliteitsgedachte, dat wil zeggen op grond van datgene wat bekend en herkenbaar is met betrekking tot het ontstaan en het beloop van de onderhavige klachten en verschijnselen. Deze vraagstelling geschiedt in overeenstemming met de gangbare inzichten dan wel richtlijnen van de desbetreffende wetenschappelijke vereniging. De expert zal nimmer klachten aan een ongeval “toerekenen” of de causaliteit ervan louter baseren op het feit dat ze pas na het ongeval debuteerden.

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval

a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?

b. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen voor het ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?

Aanbeveling 2.2.17 RMSR :

Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen.

Aanbeveling 2.2.18 RMSR:

De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML-methodiek).

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval

c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?

d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

e. Kunt u aangeven welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet ongevalgerelateerde klachten en afwijkingen?

g. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

h. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

i. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)?

Aanbeveling 2.2.17 RMSR :

Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen.

Aanbeveling 2.2.18 RMSR:

De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML-methodiek).

3. EXTRA VRAAG; ALLEEN AAN DR. KEMPERMAN

a. Acht u aanvullend neuropsychologisch onderzoek noodzakelijk?

4. OVERIG

Aanbeveling 2.2.11 RMSR:

Indien de expert bevindingen doet waar niet naar wordt gevraagd maar die hij terzake relevant vindt, dan vermeldt hij deze in het rapport.

a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

het voorschot

5.3. bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundigen het volgende:

- de deskundigen dienen binnen drie weken na de datum van deze beslissing een begroting van de kosten op te geven aan de griffie van de rechtbank, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige kosten

- de griffie zal de opgave van de deskundigen vervolgens toezenden aan partijen

- partijen kunnen desgewenst binnen twee weken na dagtekening van de brief van de griffie schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de begroting

- indien niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundigen reeds nu voor alsdan vastgesteld op het door de deskundigen begrote bedrag

- indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke rechterlijke beslissing,

5.4. bepaalt dat Amlin het voorschot dient over te maken binnen twee weken na een daartoe strekkend betalingsverzoek van de griffie,

5.5. draagt de griffier op om de deskundigen onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,

het onderzoek

5.6. bepaalt dat Amlin haar procesdossier in afschrift aan de deskundigen dient te doen toekomen,

5.7. bepaalt dat de deskundigen het onderzoek zelfstandig zullen instellen op de door de deskundigen in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,

5.8. wijst de deskundigen er op dat:

- de deskundigen voor aanvang van het onderzoek dienen kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),

- de deskundigen het onderzoek onmiddellijk dienen te staken en contact dienen op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,

5.9. bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundigen dienen te verstrekken indien dezen daarom verzoeken, de deskundigen toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundigen ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,

het schriftelijk rapport

5.10. draagt de deskundigen op om uiterlijk zes maanden na het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,

5.11. wijst de deskundigen er op dat:

- uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundigen is gebaseerd,

- dat de deskundigen [verzoekster] in de gelegenheid moeten stellen om gebruik te maken van haar inzage- en blokkeringsrecht als bedoeld in art. 7:464 lid 2 onder b BW en, indien [verzoekster] als eerste kennis wenst te nemen van het deskundigenrapport, een concept van dat rapport aan [verzoekster] (eventueel onder gesloten couvert via zijn advocaat) moeten toesturen en [verzoekster] daarbij een termijn van twee weken moeten bieden om aan te geven of verzoekster gebruik wil maken van haar blokkeringsrecht (waarbij [verzoekster] zich van commentaar op het concept moet onthouden),

- dat, indien [verzoekster] binnen die termijn mededeelt gebruik te maken van haar blokkeringsrecht, de deskundigen de werkzaamheden onmiddellijk moeten staken en dit aan de rechtbank moeten mededelen,

- dat, indien [verzoekster] geen gebruik maakt van haar inzage- of blokkeringsrecht, de deskundigen het concept van het deskundigenrapport aan de advocaten van partijen moeten toezenden

5.12. bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundigen nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundigen geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. van Eekeren en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2011.?