Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BV7518

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
02-03-2012
Zaaknummer
13/670159-11 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Partiële nietigheid dagvaarding in verband met innerlijke tegenstrijdigheid tussen voorbereidingshandelingen en doodstraf.

Vrijspraak voor voorbereiding van diefstal/afpersing met geweld. Onvoldoende bewijs van een voldoende concreet misdadig doel dat verdachten op de ten laste gelegde datum voor ogen stond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/670159-11 (Promis)

Datum uitspraak: 1 juni 2011

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1986],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] te [woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 mei 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.A. van de Vliet en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E.C.G. Groenendaal, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 15 februari 2011 te Diemen, in elk geval in Nederland, ter voorbereiding van het met anderen of een ander te plegen misdrijf diefstal met geweld (artikel 312 Wetboek van Strafrecht) en/of afpersing met geweld (artikel 317 Wetboek van Strafrecht) en/of moord of (gekwalificeerde) doodslag (artikel 289, 288 en/of 287 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk

een (geladen) vuurwapen en/of zeven, althans een of meer patro(o)n(en) en/of twee, althans een of meer masker(s) en/of een (telefoon)jammer en/of tientallen, in elk geval een aantal tie-wraps en/of een moker(tje) kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of

voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 15 februari 2011 te Diemen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen (kaliber 9 x 19mm), en/of munitie van categorie III, te weten zeven, althans een of meer patro(o)n(en), voorhanden heeft gehad;

3.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 juli 2008 tot en met 15 februari 2011 te Amsterdam en/of Diemen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een motor(fiets) (chassisnummer: [CHASSISNUMMER]) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

3. Voorvragen

3.1. Partiële nietigheid van de dagvaarding

De rechtbank heeft ter terechtzitting opgemerkt dat in het onder 1 ten laste gelegde tevens voorbereidingshandelingen van (gekwalificeerde) doodslag zijn opgenomen. De officier van justitie heeft daarop meegedeeld dat er bij het opstellen van de tenlastelegging rekening mee is gehouden dat de voorbereidingshandelingen zien op moord, terwijl in plaats van deze moord uiteindelijk een doodslag wordt gepleegd.

De rechtbank is van oordeel dat het treffen van voorbereidingshandelingen voor doodslag moeilijk voorstelbaar is (vgl. rechtbank 's-Gravenhage van 18 september 2006, LJN AY8446). Het treffen van voorbereidingshandelingen om iemand van het leven te beroven zou immers per definitie duiden op het hebben van 'voorbedachten rade'. Hierdoor bevat de tenlastelegging een innerlijke tegenstrijdigheid als gevolg waarvan de dagvaarding nietig moet worden verklaard voor zover daarin voorbereidingshandelingen voor (gekwalificeerde) doodslag zijn ten laste gelegd.

3.2. Overige voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding voor het overige geldig is, deze rechtbank bevoegd is tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Vrijspraak

4.1. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde kan worden bewezen, met dien verstande dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het in vereniging plegen van voorbereiding van diefstal met geweld, dan wel afpersing met geweld.

De raadsvrouw heeft bij pleidooi ten aanzien van de ten laste gelegde feiten verschillende verweren gevoerd. Het meest verstrekkende verweer is dat de ten laste gelegde feiten, zelfs in geval alle zich in het dossier bevindende stukken voor het bewijs kunnen worden gebruikt, niet kunnen worden bewezen. De rechtbank zal dit verweer van de raadsvrouw in het onderstaande per feit en telkens als eerste bespreken.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2007, LJN AZ0213, volgt dat bij de beantwoording van de vraag of goederen tot het begaan van een misdrijf in de zin van artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht zijn bestemd, niet kan worden geabstraheerd van het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had. Hieruit volgt dat aan de hand van verschillende criteria moet worden beoordeeld of sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen. Bij de bepaling of een voorwerp kennelijk is bestemd tot het begaan van een beoogd misdrijf zijn de uiterlijke verschijningsvormen van de voorbereidingshandelingen, het gebruik daarvan en het misdadige doel dat de gebruiker voor ogen had van belang.

In de in beslag genomen bus zijn onder meer een vuurwapen, patronen, twee maskers, een aantal tie-wraps en een mokertje aangetroffen. Door een tweetal getuigen zijn in deze bus drie mannen waargenomen. Aan de hand van de door de getuigen opgegeven signalementen en het aantreffen van verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de omgeving van de plaats waar de bus is aangetroffen, zijn zij aangemerkt als verdachten. Verdachte was bovendien in het bezit van de sleutel van de in beslag genomen bus en van de medeverdachten zijn sporen in de bus aangetroffen. Aangenomen mag worden dat verdachten de personen zijn die kort voor hun aanhouding van de bus gebruik maakten.

Als vervolgens al kan worden geoordeeld dat verdachte en zijn mededaders ook de in de bus aangetroffen goederen voorhanden hebben gehad, zal uit het dossier ook een voldoende geconcretiseerd misdadig doel moeten blijken dat verdachten voor ogen hebben gehad. De rechtbank verwijst ter toelichting naar wat hierover is geschreven door De Hullu, 2006i: "Wanneer mensen zich bijvoorbeeld met vermommingen en wapens in een auto met draaiende motor bevinden, kan daaruit (...) meestal wel worden afgeleid dat zij slechte plannen hebben, maar nog niet zonder meer welke plannen dat zijn. En een enigszins geconcretiseerd plan - in het bijzonder de gerichtheid op een bepaald delict - moet wel worden vastgesteld voor het opzet op strafbare voorbereiding".

In de bus is echter niets aangetroffen waaruit kan worden afgeleid hoe de daarin aangetroffen goederen zouden worden gebruikt en wat het doel was dat de gebruikers voor ogen hadden.

Op de in de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] in beslag genomen laptop is door een gebruiker van het gebruikersprofiel "[voornaam medeverdachte 1]" gezocht op de zoektermen "overval abn amro", "overval abn amro ceintuurbaan" en "overval". Ook is op deze laptop een groot aantal afbeeldingen aangetroffen. Op de in het dossier gevoegde selectie is te zien dat een aantal daarvan betrekking heeft op banken, maskers en vuurwapens. De officier van justitie heeft betoogd dat daaruit kan worden afgeleid welk misdadig doel verdachte en zijn mededaders met de in de bus aangetroffen goederen hebben gehad. Zij waren van plan een diefstal of afpersing met geweld te plegen. De rechtbank is echter van oordeel dat deze conclusie niet kan worden getrokken.

Wat de in de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen laptop betreft, merkt de rechtbank op dat uit het onderzoek niet blijkt of het gebruikersprofiel "[voornaam medeverdachte 1]" is beveiligd met een wachtwoord. Niet kan worden vastgesteld of het daadwerkelijk [medeverdachte 1] is geweest die, terwijl hij gebruik maakte van het gebruikersprofiel "[voornaam medeverdachte 1]" de hiervoor genoemde zoektermen heeft ingevoerd op Google. Evenmin is duidelijk wanneer deze zoektermen zijn ingevoerd. Het valt op, dat waar de officier van justitie een belangrijk deel van zijn bewijsconstructie baseert op het onderzoek aan de laptop, de politie schrijft dat zij uit tijdgebrek niet heeft onderzocht wanneer de vermelde zoekopdrachten zijn uitgevoerd en dat slechts sprake is van een "voorlopig resultaat". Ten aanzien van de afbeeldingen, blijkt uit het onderzoek niet of deze geheel of gedeeltelijk automatisch en derhalve onbewust, dan wel bewust, zijn opgeslagen. Ook is niet vastgelegd welke (categorieën) afbeeldingen nog meer op de laptop zijn aangetroffen en op basis waarvan de door het onderzoeksteam gemaakte selectie van de afbeeldingen is gemaakt. De gegevens die op de laptop zijn aangetroffen kunnen, bij gebreke van voornoemde informatie, niet bijdragen tot het bewijs van een voldoende concreet misdadig doel dat verdachten op de ten laste gelegde datum voor ogen stond.

Ook overigens heeft de rechtbank in het dossier niets aangetroffen waaruit dat doel zou kunnen worden afgeleid. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde.

4.2. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte en zijn medeverdachten het in de bus aangetroffen vuurwapen en de munitie voorhanden hebben gehad. Alle verdachten hebben zich in het busje bevonden, zij hebben zich verdacht gedragen en zij hebben geen enkele verklaring willen geven.

Het standpunt van de verdediging

Het meest verstrekkende verweer van de raadsvrouw ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde is dat, zelfs in geval alle zich in het dossier bevindende stukken voor het bewijs kunnen worden gebruikt, het ten laste gelegde niet kan worden bewezen. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte in de bus heeft gezeten, laat staan dat hij in de laadruimte is geweest waar het vuurwapen is aangetroffen. Het vuurwapen lag weggestopt in een tas achterin de bus, tussen een hoop andere spullen. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist of kon weten van de aanwezigheid van het vuurwapen.

Het oordeel van de rechtbank

Vooropgesteld moet worden dat voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen en munitie in de zin van art. 26 Wet Wapens en Munitie vereist is dat sprake is geweest van een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van het wapen en de munitie (HR 26 januari 1999, LJN ZD1169). Uit het dossier kan worden afgeleid dat de bus waarin het vuurwapen lag op 14 februari 2011, één dag voor de aanhouding van verdachte en zijn medeverdachten, is gehuurd. Het is aannemelijk dat de bus niet mét vuurwapen zal zijn gehuurd, hoewel zelfs dit niet kan worden uitgesloten nu nader onderzoek naar de verhuurder en de huurder klaarblijkelijk niet is uitgevoerd. Tussen het moment waarop de bus is gehuurd en het moment van aanhouding zal het vuurwapen waarschijnlijk in de bus terechtgekomen zijn. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld op welke wijze dat is gebeurd en de verdachten hebben geweigerd daaromtrent een verklaring af te leggen.

Op 15 februari 2011, de dag dat de verdachten zijn aangehouden, is een dactyloscopisch spoor op de patroonhouder van het vuurwapen aangetroffen dat later van medeverdachte [medeverdachte 1] blijkt te zijn. Hoewel naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk is dat verdachte en zijn medeverdachten op 15 februari 2011 in de bus hebben gezeten en bewezen kan worden dat medeverdachte [medeverdachte 1] het vuurwapen en de munitie op die dag voorhanden heeft gehad, kan niet worden bewezen dat [medeverdachte 1] het vuurwapen en de munitie tezamen en in vereniging met verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] voorhanden heeft gehad. Uit de bewijsmiddelen blijkt niets van een op het voorhanden hebben van het vuurwapen en de munitie gerichte bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten. Derhalve kan niet worden bewezen dat verdachte het vuurwapen en de munitie tezamen en in vereniging met een ander of anderen voorhanden heeft gehad. Verdachte zal van het hem onder 2 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

4.3. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte en zijn mededaders zich schuldig hebben gemaakt aan heling van de motorfiets. De motorfiets is gestolen, de kentekenplaat ontbrak en de spiegel hing er los aan, de motorfiets is schoongeveegd om bewijs weg te maken en de verdachten gedroegen zich vreemd bij het uit- en weer inladen van de motorfiets. Zij wisten dat er iets niet klopte en hebben nagelaten daar een verklaring over af te leggen, terwijl dat wel van ze mag worden verlangd.

De raadsvrouw heeft zich in haar meest verstrekkende verweer op het standpunt gesteld dat het feit niet kan worden bewezen. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte één van de drie mannen is geweest die door getuige [getuige] is gezien. Evenmin blijkt dat duidelijk was dat de scooter gestolen was, waardoor opzet op dan wel wetenschap van de criminele herkomst van de scooter niet kan worden bewezen.

De rechtbank is, met de raadsvrouw, van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de motorfiets van misdrijf afkomstig was. Dat de motorfiets in 2008 is gestolen staat vast. Maar op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat aan de motorfiets te zien was dat deze van enig misdrijf afkomstig was. Het enige dat op basis van het dossier opvalt aan de motorfiets, is dat de kentekenplaat ontbreekt en een spiegel kapot is. Anderzijds is het contactslot intact: daarin wordt een passende en werkende sleutel aangetroffen. Gelet hierop kan niet worden bewezen dat verdachte en zijn mededaders op het moment dat zij de motorfiets voorhanden kregen redelijkerwijs hadden moeten weten, laat staan dat zij wisten, dat deze van misdrijf afkomstig was. Verdachte zal van het hem onder 3 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde partieel nietig, voor zover dit betrekking heeft op voorbereidingshandelingen van doodslag.

Verklaart het onder 1 voor het overige, 2 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende van:

1 1.00 SET Sleutel

RENAULT Traffic

4005809

2 1.00 STK Bestelauto [kenteken]

RENAULT Traffic 2005 Kl:w

2877107

5 1.00 STK Tas Kl:w

STERK DELIC plastic

4006063

6 1.00 STK Navigator

TOM-TOM 4v00.710

4006446

Het bevel tot voorlopige hechtenis is opgeheven ter terechtzitting van 18 mei 2011.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.M. van der Nat, voorzitter,

mrs. C.A.E. Wijnker en C.W. Inden, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Veldman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juni 2011.

i J. de Hullu, Materieel Strafrecht. Over algemene leerstukken en strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht. Deventer: Kluwer 2006, p. 391.