Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BV7038

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2011
Datum publicatie
28-02-2012
Zaaknummer
11/971
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzet gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/971

uitspraak van 22 december 2011 van de meervoudige kamer op het verzet tegen een uitspraak van deze rechtbank van 15 juli 2011 in de zaak van:

[naam], te [plaatsnaam], (hierna te noemen: [naam])

(gemachtigde: M. van de Velde),

Procesverloop

Bij brief van 4 april 2011 heeft [naam] beroep ingesteld tegen het besluit van 1 maart 2011 van de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Bij uitspraak van 15 juli 2011 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat [naam] het griffierecht niet tijdig heeft betaald.

Tegen deze uitspraak heeft [naam] verzet gedaan bij brief van 25 juli 2011.

Het verzet is behandeld ter zitting van 11 november 2011, waar [naam] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of de rechtbank in haar uitspraak van 15 juli 2011 het beroep van [naam] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2. De uitspraak van de 15 juli 2011 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij brief van 16 mei 2011 – nader – gestelde termijn van 28 dagen is voldaan en dat niet is gebleken dat [naam] hiervoor een goede verontschuldiging heeft.

3. In verzet stelt [naam] dat hij een bewindvoerder heeft en dat hij van deze afhankelijk is wanneer het gaat om de betaling van rekeningen. [naam] stelt dat hij zijn bewindvoerder verschillende malen heeft verzocht het verschuldigde griffierecht over te maken maar dat deze het griffierecht niet (tijdig) heeft overgemaakt.

4. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat [naam] op 9 februari 2011 onder bewind is gesteld. Verder blijkt dat [naam] inmiddels niet meer onder bewind staat.

5. Ter zitting geeft [naam] aan dat hij met de bewindvoerder heeft afgesproken om alle financiële post door te sturen naar de bewindvoerder zodat deze de rekeningen betaalbaar kon stellen. [naam] stelt verder dat hij de griffierechtnota en de aanmaning naar zijn bewindvoerder heeft gestuurd ten einde te worden betaald. Voorts stelt hij dat hij gedurende het bewind voldoende geld op zijn rekening had staan om de nota te betalen en dat hij een terugmelding van de bewindvoerder heeft gehad dat het griffierecht betaalbaar zou worden gesteld. [naam] geeft aan dat hij er daarom van uit is gegaan dat het griffierecht was betaald.

6. De rechtbank acht de verklaringen van [naam] consistent en geloofwaardig. De rechtbank ziet hierin aanleiding om [naam] het voordeel van de twijfel te gunnen. Het feit dat het griffierecht niet (tijdig) is betaald wordt [naam] in dit geval niet aangerekend.

7. Uit het vorenstaande volgt dat het door [naam] gedane verzet gegrond dient te worden verklaard. Gelet hierop heeft de rechtbank in de uitspraak van 15 juli 2011 ten onrechte geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

8. Als gevolg van deze uitspraak is de uitspraak, waartegen het verzet is gericht, vervallen en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond. Aan [naam] zal opnieuw een griffierechtnota worden gestuurd.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet gegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, voorzitter, mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en

mr. W.A. Swildens, leden, in aanwezigheid van mr. S.C. Jacobs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2011.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.