Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BV6899

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
24-02-2012
Zaaknummer
476918 - HA ZA 10-3849
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BX3781, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis in zaak gewezen verdachte Clickfonds-zaak. De verdachte is in appel vrijgesproken van het hem tenlastegelegde en spreekt de Staat aan uit hoofde van onrechtmatige daad, wegens het strafrechtelijk optreden jegens de verdachte. De Staat wordt niet aansprakelijk geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 476918 / HA ZA 10-3849

Vonnis van 12 oktober 2011

in de zaak van

[A],

wonende te --,

eiser,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE),

zetelend te ‘s-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat: mr. W. Heemskerk te ‘s-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [A] en de Staat worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 8 oktober 2010;

- de akte van 8 december 2010 aan de zijde van [A], met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- het tussenvonnis van 16 maart 2011, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

- het proces-verbaal van comparitie gehouden op 14 juni 2011, met de daarin vermelde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De Fiscale Inlichtingen- en Opsporings Dienst (hierna: de FIOD) is in 1996 begonnen met een project ter bestrijding van beurs- en beleggingsfraude (hierna: het Clickfondsonderzoek). De in het kader van dit onderzoek verrichte werkzaamheden hebben ten aanzien van een aantal (rechts)personen het vermoeden doen ontstaan dat sprake was van het instandhouden dan wel beheren van een systeem van coderekeningen dat erop was gericht om de identiteit van de gerechtigden tot het saldo op de respectieve bankrekeningen te verhullen. De coderekeningen bestonden uit bankrekeningen waarbij niet duidelijk was wie de gerechtigde tot het saldo op de bankrekening was, omdat gebruik werd gemaakt van een codenaam. Volgens de FIOD konden als gevolg hiervan strafbare feiten verhuld blijven en ontstond de mogelijkheid om inkomsten en vermogens voor de belastingdienst verborgen te houden. Bij de FIOD rees het vermoeden dat in dit verband sprake was van een criminele organisatie die door het plegen van valsheid in geschrift andere misdrijven verhulde.

2.2. Op 1 juli 1997 heeft de Officier van Justitie in het arrondissement Amsterdam ten laste van een aantal van de hiervoor onder 2.1 bedoelde (rechts)personen een gerechtelijk vooronderzoek gevorderd (hierna: het GVO). De Officier van Justitie heeft zijn vordering tot opening van het GVO op 25 augustus 1997 aangevuld. Het gevorderde GVO is door de rechter-commissaris geopend.

2.3. In het kader van het GVO is op 26 september 1997 huiszoeking verricht bij Kas-Associatie N.V. (hierna: Kas-Ass), een Nederlandse bankinstelling. Onder de bij Kas-Ass in beslag genomen stukken bevond zich een relatiedossier met betrekking tot de te Panama gevestigde vennootschap Mississippi Finance and Security Inc. en de te Liechtenstein gevestigde vennootschap Mississippi Trade and Investment Corporation Ltd. (hierna respectievelijk MFS en MTIC en gezamenlijk: de Mississippi-vennootschappen).

2.4. Uit het hiervoor onder 2.3 vermelde relatiedossier is naar voren gekomen dat de Mississippi-vennootschappen gebruik maakten van bankrekeningen bij Kas-Ass, die werden aangeduid met codenamen. Verder bleek uit het relatiedossier dat meerdere overeenkomsten bestonden waarbij Kas-Ass, de Mississippi-vennootschappen en [B] Effecten N.V. (hierna steeds: [B] Effecten) partij waren.

2.5. [B] Effecten was als commissionair actief op de Amsterdamse Effectenbeurs. [A] was sinds 1978 werkzaam bij [B] Effecten en tussen 2 februari 1994 en 20 november 1997 directeur van [B] Effecten (sinds 28 februari 1997 NIB Securities genaamd).

2.6. Op grond van de bij Kas-Ass aangetroffen stukken is bij de FIOD het vermoeden ontstaan dat de Mississippi-vennootschappen door middel van coderekeningen zwart c.q. niet-gefiscaliseerd geld van cliënten hadden ondergebracht bij [B] Effecten. Daarnaast rees het vermoeden dat het opgezette systeem van coderekeningen erop was gericht de identiteit van de gerechtigden tot vermogens te verhullen. Verder rees het vermoeden dat sprake was van een criminele organisatie die door middel van het plegen van (onder meer) valsheid in geschrift andere misdrijven kon doen verhullen.

2.7. Op 3 oktober 1997 is door de Officier van Justitie aan de Zwitserse gerechtelijke autoriteiten een rechtshulpverzoek gedaan tot het afnemen van verhoren en door de rechter-commissaris in strafzaken van deze rechtbank een rechtshulpverzoek tot het doen van huiszoekingen en inbeslagneming. Uit stukken die naar aanleiding hiervan door de Zwitserse autoriteiten in beslag zijn genomen is naar voren gekomen dat – onder meer – [A] gerechtigd was tot het saldo van een Mississippi-coderekening.

2.8. [A] is op 12 november 1997 door de FIOD gehoord. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal vermeldt, voor zover hier van belang:

“(…)

Vanaf mijn begintijd bij [B] Effecten B.V. werd er volgens mij al gewerkt met de Mississippi subaccounts. Volgens mij bemoeiden zowel [F] als [B] [rechtbank: oprichters van de rechtsvoorganger van [B] Effecten] zich met deze accounts.

Vraag: Weet U wie er schuil gaan achter deze subaccounts?

Antwoord [van [A], rechtbank]: Neen dat weet ik niet. Daar werd intern niet over gesproken. Ik herinner mij wel dat in die tijd Mississippi één van de grotere klanten was. Ik ben overigens nooit account manager geweest voor deze sub accounts.

Na de overname van [B] Effecten B.V. door de N.I.B. zijn de Mississippi sub accounts blijven bestaan. Ik weet dat er nog een vier a vijf zijn omdat dit laatst na de huiszoeking tijdens een bespreking naar voren werd gebracht.

Deze sub accounts vallen thans onder vermogensbeheer. Ik denk dat zich vanaf 1990 de volgende personen met deze sub accounts hebben bezig gehouden: [C], [D] en [E].

Vraag: Bent U zelf houder of houder geweest van een der Missisippi sub accounts danwel heeft U een bankrekening gehad in het buitenland?

Antwoord: Neen

(…)

Vraag: Heeft U wel eens extra salarisbetalingen ontvangen?

Antwoord: Dat zal ongetwijfeld. We kregen wel eens een paar duizend gulden extra als er een goede week gedraaid was. (…) In de tijd dat [F] weg was (…) en [B] de grote baas was ontving ik het geld van [B]. Dit werd contant ontvangen of zo in het handje dan wel in een enveloppe. Ik merk op dat ieder personeelslid wat kreeg. (…)

De bedragen die ik op voornoemde wijze, dat wil zeggen contant danwel in enveloppes, ontving heb ik niet vermeld op deze aangiftebiljetten. Kijk het mag officieel niet, je gaat ervan uit eten en dat soort dingen.

Ik merk op dat ik ook nog mijn bonus contant ontving. (…) Deze bonussen varieerden qua grootte. Het is een keer voorgekomen dat het honderdduizend gulden bruto bedroeg. (…)”

2.9. De FIOD heeft de door de Zwitserse autoriteiten in beslag genomen en vervolgens aan de FIOD ter beschikking gestelde stukken onderzocht. Een naar aanleiding hiervan opgesteld proces-verbaal van 27 november 1997 vermeldt, voor zover hier van belang:

“(…)

Bevindingen met betrekking tot [A] (10-02-1952)

Uit het door mij ingestelde onderzoek blijkt, zakelijk weergegeven, onder meer het navolgende:

- dat er kennelijk een subrekening van MISSISSIPPI Trade and Investment Corporation Ltd, onder de naam ‘ASCOT’ bestaat of heeft bestaan;

- dat er ten behoeve van deze rekening een rekening bij de Kas Associatie N. V. met het rekeningnummer 22.30.17.434 heeft bestaan en thans mogelijk nog bestaat;

- dat met betrekking tot deze rekening vermoedelijk een ‘Treuhand- und Mandatsvertrag’ is afgesloten tussen enerzijds [A], (…), en anderzijds MISSISSIPPI Trade and Investment Corporation Ltd.;

- dat het bedoelde ‘Vertrag’ vermoedelijk per 1 maart 1986 in werking is getreden;

- dat de vorenbedoelde gegevens zijn ontleend aan het eerdergenoemde ‘Vertrag’ (…);

(…)

- dat er kennelijk een subrekening van MISSISSIPPI Trade and Investment Corporation Ltd. onder de naam ‘ORELLO’ bestaat of heeft bestaan;

- dat er ten behoeve van deze rekening een rekening bij de Kas Associatie N.V. met het rekeningnummer 22.30.19.151 heeft bestaan en thans mogelijk nog bestaat;

- dat er met betrekking tot deze rekening vermoedelijk een ‘Mandatsvertrag’ is afgesloten tussen [B], (…) en [A], (…) enerzijds en MISSISSIPPI Trade and Investment Corporation Ltd., (…), anderzijds;

- dat een kopie van dit ‘Vertrag’ als bijlage ZW-8 bij dit proces-verbaal wordt gevoegd, waarbij wordt opgemerkt dat het bedoelde ‘Vertrag’ vermoedelijk is ondertekend door [A];

- dat het ‘Vertrag’ vermoedelijk per 13 april 1987 in werking is getreden;

(…)

- dat er met betrekking tot de subrekening ‘ORELLO’ voorts sprake is van een overeenkomst tussen MISSISSIPPI Trade and Investment Corporation. Ltd en Effectenkantoor [B] & Co, B.V., welke overeenkomst is ondertekend namens eerstgenoemde en voorts een stempel bevat van laatstgenoemde;

(…)

Recapitulatie

De heer [A] is vermoedelijk de rechthebbende of de rechthebbende geweest met betrekking tot de MISSISSIPPI-subrekening ‘ASCOT’. Voorts is [A] samen met [B] vermoedelijk rechthebbende of rechthebbende geweest tot de MISSISSIPPI-subrekening ORELLO (…).”

2.10. [A] is op 1 december 1997 aangehouden en in verzekering gesteld. Van zijn aanhouding is proces-verbaal opgemaakt. In het proces-verbaal is vermeld dat hij werd aangehouden ter zake van vermoedelijke overtreding van de artikelen 140, 225, 51 en 416/417 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

2.11. [A] is op 4 december 1997 voorgeleid voor de rechter-commissaris, op verdenking van het medeplegen van valsheid in geschrift (artikel 225 Sr), belastingfraude (artikel 68 Algemene Wet op de Rijksbelastingen), heling (artikel 416 Sr), niet-ambtelijke omkoping (artikel 328ter Sr) en het deelnemen aan een criminele organisatie (artikel 140 Sr). Op vordering van de Officier van Justitie is een GVO jegens [A] geopend. De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 4 december 1997, op vordering van de Officier van Justitie, tevens de bewaring van [A] bevolen voor de duur van tien dagen.

2.12. [A] heeft op 6 december 1997 tegenover de FIOD verklaard, voor zover hier van belang:

“(…)

Verdachte [rechtbank: [A]]: “Ik ga overstag. Ik ben inderdaad eigenaar van de Ascot-rekening. Ik heb tot nu toe niet de waarheid gesproken. U moet mijn positie zien. Ik ben ontslagen. Ik voorzag financiële prive-problemen. Vandaar dat ik u tot nu toe niet de waarheid heb gezegd.

(…) Ik zal volledig opening van zaken geven.”

Vraag: Wat kunt u zeggen over het Ascot-account.

Antwoord: Na het vertrek van [F] bij [B] Effecten bv kregen een aantal werknemers te weten [C], [G]en ikzelf een zogenoemde blijfpremie. Dit werd ons meegedeeld door de heer [B], de hoogste baas. Hij kwam met het initiatief. Dhr [B] kwam ook met het idee om dit via Mississippi coderekeningen te doen. Wat mij betreft ging het via de rekening Ascot. De naam Ascot is volgens mij door dhr [H] bedacht. Als reden om via een Mississippi coderekening te beleggen is het feit dat dit het een buitenlandse rekening betreft. Hierdoor behoefde er toen geen 7 % commissie en 1,2 promille beursbelasting in rekening gebracht te worden. Dat is de reden dat er gebruik is gemaakt van een Mississippi coderekening.

Vraag: Heeft u deze blijfpremie als inkomen aan de belastingdienst bekend gemaakt?

Antwoord: Nee, dat heb ik niet gedaan.

Vraag: Was dit ook niet een reden om gebruik te maken van een Mississippi-coderekening?

Antwoord: Misschien ook wel.

Vraag: Hoe kwam het Ascot-contract tot stand.

Antwoord: Zover ik mij thans kan herinneren ontving ik het ongetekende contract op kantoor en heb ik het daar ondertekend. Vermoedelijk heb ik het door mij ondertekende contract afgegeven aan dhr. [B]. Volgens mij stond de handtekening van [H] nog niet onder het contract.

Vraag: Hoe groot was de blijfpremie?

Antwoord: Ik dacht f 30.000,-. Op een gegeven moment stond dit bedrag op de rekening. Hier zal dhr [B] wel voor gezorgd hebben. Hierna ben ik gaan handelen in aandelen.

Vraag: Is er nog meer geld op de Ascot-rekening gestort.

Antwoord: Naar mijn weten niet meer dan de winsten die gemaakt zijn met de belegging van de f 30.000,-.

(…)

Vraag: Wat weet u van de Orello-account

Antwoord: Orello was een directierekening van [B], [G], [C] en ikzelf. Ook deze rekening is op initiatief van dhr [B] geopend. Het was de bedoeling via deze rekening goeie transacties te doen. Wie geld [heeft] gestort op deze rekening weet ik niet. Ikzelf in ieder geval niet.

(…)”

2.13. [A] is op 29 maart 1999 in een nadere vordering GVO verdacht van het medeplegen van valsheid in geschrift ten aanzien van tripartiete overeenkomsten met de Mississippi-vennootschappen en het deelnemen aan een criminele organisatie, met als oogmerk het plegen van valsheid in geschrift en oplichting.

2.14. [A] is gedagvaard voor de terechtzitting van de strafkamer van deze rechtbank van 7 februari 2001. [A] is daarbij ten laste gelegd het medeplegen van valsheid in geschrift en het deelnemen aan een criminele organisatie, met als oogmerk het plegen van valsheid in geschrift en oplichting. De rechtbank heeft [A] bij vonnis van 11 april 2001 vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

2.15. Het Openbaar Ministerie is tegen het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Amsterdam (hierna: het hof). Het hof heeft het Openbaar Ministerie bij arrest van 14 februari 2003 niet ontvankelijk verklaard in de vervolging van [A].

2.16. Na vernietiging van het hiervoor onder 2.15 vermelde arrest van het hof en terugverwijzing van de zaak naar het hof door de Hoge Raad der Nederlanden (hierna: de Hoge Raad) heeft het Openbaar Ministerie de tenlastelegging gewijzigd en [A] – samengevat – ten laste gelegd het medeplegen van valsheid in geschrift en het deelnemen aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van valsheid in geschrift, varianten van heling en overtreding van artikel 42 Wet toezicht kredietwezen (hierna: Wtk) 1978 en/of artikel 82 Wtk 1992.

2.17. Het hof heeft [A] bij arrest van 14 maart 2006 vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Voor zover hier van belang luidt het arrest:

“(…)

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging

(…)

c. Misleiding van de Zwitserse autoriteiten

1. In deze zaak is veel te doen geweest om de kwestie of de Zwitserse justitiële autoriteiten door misleiding zijn gebracht tot het inwilligen van verzoeken om internationale rechtshulp die afkomstig waren van de Amsterdamse officier van justitie en rechter-commissaris. De raadsman heeft uitgebreid stilgestaan bij deze kwestie en hij heeft betoogd dat de hierna te bespreken ‘Verhoek-passage’, het ongerechtvaardigde samenvoegen van drie feitencomplexen in één rechtshulpverzoek en ook overigens het leggen van ongegronde verbanden met in het bijzonder drugsgerelateerde criminaliteit de Zwitserse autoriteiten hebben gebracht tot het verlenen van rechtshulp. Het voorgaande dient te leiden tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, subsidiair bewijsuitsluiting.

(…)

13. Al met al kan hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ter adstructie van zijn verweer niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, aangezien de al dan niet opzettelijke vermelding van de te stellige Verhoekpassage en het samenbrengen van drie feitencomplexen in één rechtshulpverzoek de Zwitserse autoriteiten niet hebben gebracht tot verlening van rechtshulp die zij bij een correcte uiteenzetting van de aan het rechtshulpverzoek ten grondslag gelegde feiten niet of niet in die mate, dan wel onder méér of andere voorwaarden zouden hebben verleend.

14. Daarmee is niet gezegd dat het rechtshulpverzoek bij een juiste uiteenzetting van de daaraan ten grondslag gelegde feiten probleemloos zou zijn ingewilligd, aangezien het hof een andere onvolkomenheid is opgevallen. Het rechtshulpverzoek maakt zowel in de Nederlandstalige als in de Duitstalige versie melding van de volgende omstandigheden:

“VMJC wil de claim van ESC [rechtbank: beide verdachte in het Clickfondsonderzoek] pas bespreken indien de identiteit bekend wordt gemaakt van de cliënten van ESC, aangezien voor rekening en risico van deze cliënten is belegd. (…) [J] dient echter geen claim in omdat hij de herkomst van het geld, 2,8 miljoen gulden (…) niet bekend wil maken. Omdat VMJC niet ingaat op de door ESC ingediende claim dient ESC een klacht in bij de Klachtencommissie voor het Effectenbedrijf. De Klachtencommissie besluit de klacht niet in behandeling te nemen. Als reden hiervoor wordt opgegeven dat niet duidelijk is geworden dat ESC de klachten ingediend heeft als gemachtigde van de rekeninghouders. Hoewel de Commissie uitdrukkelijk om machtigingen van de rekeninghouders heeft gevraagd, heeft ESC geen machtigingen overgelegd. Kennelijk wensen de rekeninghouders hun identiteit niet prijs te geven. Gezien het feit dat cliënten hun identiteit en de herkomst van de belegde gelden niet bekend willen maken is hier vermoedelijk sprake van zwart geld”. (…)

15. Het is evident dat de hier geciteerde passage heeft geleid tot de rechtsoverwegingen waarin het Bundesgericht tot uitdrukking heeft gebracht dat “de weigering om de identiteit van de klanten en de herkomst van de gelden bekend te maken, zelfs onder het op de koop toenemen van zwaarwegende economische nadelen” van beslissende betekenis was voor het positieve oordeel van het Bundesgericht over de toelaatbaarheid van de verlening van rechtshulp naar aanleiding van het feitencomplex onder A.

(…)

16. (…) De conclusie van de opsteller van ambtshandeling 10 dat “de rekeninghouders (kennelijk), ondanks het financiële belang, hun anonimiteit belangrijker (vinden)” acht het hof (…) ongegrond, en in elk geval niet geschraagd door de documenten waarover justitie indertijd de beschikking had. Niettemin zijn deze conclusie en de motivering ervan overgenomen in het rechtshulpverzoek, zijn deze door het Bundesgericht voor juist gehouden en bovendien ten grondslag gelegd aan zijn rechtsoverweging dat onder die omstandigheden – naar Zwitsers recht — een verdenking van witwassen gerechtvaardigd is.

17. Op deze wankele basis heeft het Bundesgericht geoordeeld dat rechtshulp mede naar aanleiding van het feitencomplex onder A kan worden verleend. Ware het Bundesgericht bekend geweest met de omstandigheden dat [H] als Treuhänder is opgetreden in een ten behoeve van zijn cliënten ingestelde klachtprocedure en dat niet is gebleken van een uitdrukkelijke weigering zijnerzijds de namen van zijn cliënten te noemen, en zeker niet “onder het op de koop toe nemen van zwaarwegende economische nadelen”, zou het Bundesgericht niet, althans niet zonder meer, zijn gekomen tot een uitspraak waarin een bevestigend oordeel ligt besloten over de toelaatbaarheid van rechtshulpverlening ten aanzien van het feitencomplex onder A.

(…)

18. Vanwege het voorgaande zal het hof afzien van het bezigen van de door rechtshulp verkregen bewijsmiddelen voor zover door Zwitserland rechtshulp is verleend naar aanleiding van het feitencomplex onder A, betreffende – kort gezegd – het Clickfondssysteem. De feiten die in de zaak tegen de verdachte in de tenlastelegging zijn neergeslagen zijn allen slechts te herleiden tot dit ene feitencomplex. Om die reden moet het uit Zwitserland afkomstige rechtshulpmateriaal geheel worden uitgesloten van het bewijs.

(…)

21. Voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie ziet het hof in het voorgaande echter geen aanleiding. (…) Een zwaardere sanctie acht het hof niet passend alleen al omdat niet aannemelijk is geworden dat de opstellers van het rechtshulpverzoek Zwitserland op dit punt welbewust op een dwaalspoor hebben gebracht.

(…)

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Motivering van de vrijspraak

1. Onder 2 wordt de verdachte verweten te hebben deelgenomen aan een zogeheten ‘criminele organisatie’. De misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie zou zijn gericht kunnen als volgt worden gecategoriseerd:

a. het plegen van valsheid in geschrift en het gebruik maken van een valselijk opgemaakt geschrift, waarbij wordt gedoeld op geschriften inhoudende reeds aangegane dan wel nog te sluiten tripartiete overeenkomsten en het gebruik daarvan;

b. varianten van heling met betrekking tot niet-gefiscaliseerde gelden, daaronder in de eerste plaats begrepen de niet-gefiscaliseerde gelden op subrekeningen ten behoeve van de cliënten, en ten tweede de als loon aan te merken uitkeringen (blijfpremies) aan onder meer hem, de verdachte, waarop geen loonbelasting was ingehouden en die ook op subrekeningen zijn overgemaakt, alsmede de opbrengsten van de niet-gefiscaliseerde gelden;

c. overtreding van de Wtk 1978 en de Wtk 1992 door — kort gezegd — bedrijfsmatig gelden van het publiek aan te trekken en ter beschikking te krijgen of te houden.

Het vermelde onder a is een categorie misdrijven waarvan een aantal afzonder1ijk zijn tenlastegelegd onder 1.

(…)

a. Valsheid in geschrift — de tripartiete overeenkomst

2. Bedoeld wordt het geschrift waarin een overeenkomst tussen drie partijen is vastgelegd en waarbij de valsheid bestaat in de – onjuiste – vermelding van de naam van één der partijen, een Mississippi-vennootschap, gevolgd door de vermelding van de codenaam van de desbetreffende subaccount, terwijl – aldus de steller der tenlastelegging – de naam had moeten worden vermeld van de bij het saldo van die subaccount belanghebbende cliënt. Dit geschrift is daarmee, aldus begrijpt het hof de tenlastelegging, een onjuiste weergave van de “juridische werkelijkheid”. De advocaten-generaal hebben de tripartiete overeenkomst aangemerkt als (relatieve) schijnhandeling dan wel als een nietige overeenkomst.

3. Hierover overweegt het hof als volgt. De tripartiete overeenkomst is een overeenkomst tussen (1) een commissionair die onbevoegd is bedrijfsmatig gelden of vermogen van anderen ter beschikking te houden, (2) een effectenkredietinstelling, die daartoe wel bevoegd is, en (3) degene die bij de effectenkredietinstelling effecten- of geldrekeningen aanhoudt en voor wie de commissionair werkzaam is bij de totstandkoming van transacties in effecten. In de Clickfondszaak is in elk geval duidelijk geworden dat [B] Effecten als commissionair is opgetreden, dat Kas Ass de effectenkredietinstelling betrof waarbij de subrekeningen werden aangehouden, en dat de rekeninghoudster een (…) Mississippi-vennootschap betrof, die hierbij als Treuhänder is opgetreden op eigen naam, maar voor rekening en risico van een ander, de cliënt van de Mississippi-vennootschap. Uit de Treuhandovereenkomst vloeide voort dat de cliënt – zoals dat pleegt te heten – economisch eigenaar was van hetgeen werd geadministreerd op de te zijner behoeve bij de Kas Ass aangehouden subrekening.

(…)

5. Het sluiten van een tripartiete overeenkomst kan onder de in deze strafzaak vastgestelde omstandigheden (…) niet als schijnhandeling worden aangemerkt. Immers, er zijn geen aanwijzingen dat Kas Ass aangaande een bepaalde subrekening van anderen dan de in de desbetreffende ‘tripartiete overeenkomst’ vermelde rekeninghoudster of commissionair opdrachten aanvaardde en er zijn evenmin andere feiten of omstandigheden aan het dossier te ontlenen die zich slechts laten verklaren door het bestaan van een andere –“gedissimuleerde” – rechtsverhouding dan die welke voortvloeit uit de tripartiete overeenkomst in combinatie met de Treuhandovereenkomst. De geschriften waarin deze tripartiete overeenkomsten zijn vastgelegd behelzen naar ‘s hofs oordeel dus een correcte weergave van de bestaande rechtsverhoudingen.

(…)

10. Tripartiete overeenkomsten zijn niet valselijk opgemaakt Het oogmerk van de organisatie zoals dat in de tenlastelegging onder 2 is omschreven, ziet dus wat dit aangaat niet op het plegen van misdrijven. De verdachte moet worden vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

b. Heling

11. Het hof begrijpt de tenlastelegging aldus dat daarin aan de verdachte in de eerste plaats wordt verweten te hebben deelgenomen aan een organisatie waarvan de doelstelling heeft bestaan in het in ontvangst nemen van niet-gefiscaliseerde gelden, het storten ervan op subrekeningen, en het (vervolgens) beleggen van deze gelden in effecten of anderszins.

12. Aldus beschouwd kan het tenlastegelegde niet leiden tot een bewezenverklaring. Handelingen als het verwerven, voorhanden hebben en overdragen van voorwerpen of goederen zijn onder zowel het destijds geldende als het vigerende regime slechts dan als heling strafbaar gesteld indien de betreffende voorwerpen of goederen geheel of ten dele door een voorafgaand misdrijf zijn verkregen. Het voor de fiscus verzwijgen van bezit van vermogen en van genoten inkomsten brengt echter geen wijziging teweeg in de – verondersteld legale – herkomst van de verzwegen gelden. Niet-gefiscaliseerde vermogens en inkomsten zijn dan ook niet – zonder meer – door misdrijf verkregen.

13. Dit oordeel treft ook het bedrag aan te weinig geheven belasting dat op enig moment aan de fiscus moet worden afgedragen, alleen al doordat de belastingplichtige niet slechts (een deel van) het verzwegen vermogen, doch ieder hem toebehorend actief vermogensbestanddeel kan aanwenden ter delging van de belastingschuld, en hij daartoe ook een geldlening kan afsluiten. Het bedoelde bedrag, ook als de hoogte ervan zou vaststaan, is dus te onbepaald om te kunnen worden aangemerkt als een van misdrijf afkomstig voorwerp of goed. (…)

14. Het oogmerk van de organisatie zoals dat in de tenlastelegging onder 1 is omschreven, ziet dus wat betreft de ‘heling’ van niet-gefiscaliseerde inkomsten en vermogens die zijn overgemaakt op subrekeningen niet op het plegen van misdrijven.

15. Voorts bestond het gestelde oogmerk van de organisatie in de heling van als loon te kwalificeren uitkeringen aan werknemers van [B] Effecten (o.a. de verdachte), welke eveneens ten onrechte voor de fiscus zouden zijn verzwegen en waarop geen loonbelasting was ingehouden. Het bewijs van dit oogmerk is evenwel alleen te ontlenen aan directe of indirecte resultaten van door Zwitserland verleende rechtshulp. De verdachte moet alleen al om die reden worden vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

(…)

c. De Wet toezicht kredietwezen

(…)

18. Met ingang van 1 januari 1993 verbiedt het eerste lid van artikel 82 van de Wtk 1992 in beginsel een ieder bedrijfsmatig al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek aan te trekken, ter beschikking te verkrijgen of ter beschikking te hebben dan wel in enigerlei vorm ter zake daarvan te bemiddelen. Tot de inwerkingtreding van de Wtk 1992 verbood het eerste lid van artikel 42 van de Wtk 1978 in beginsel een ieder zich tot het publiek te wenden of in enigerlei vorm te bemiddelen ter zake van het bedrijfsmatig aantrekken van gelden beneden een bedrag van f 100.000,=.

19. Het hof oordeelt aangaande deze bepalingen het volgende.

1. De bedoelde wetten beogen onder meer met een geclausuleerd verbod op het voeren van een zogeheten passief bankbedrijf (het inlenen van geld) rechtsbescherming te bieden aan de crediteur als verschaffer van vreemd vermogen;

2. Beide verbodsbepalingen hebben (dan ook) slechts betrekking op het aantrekken of ter beschikking krijgen van gelden waartegenover degene die de gelden verschaft een nominale vordering op de ontvanger van de gelden krijgt.

(…)

21. De cliënten van de Mississippi-vennootschappen hebben geen vreemd vermogen verschaft. Het op basis van de Treuhandovereenkomst doen toekomen van gelden aan deze Vennootschappen – met het doel die gelden conform de instructies van de geldverschaffers te beleggen – heeft niet geleid tot het ontstaan van een nominale vordering van de cliënt op de Mississippi-vennootschap. Naar ‘s hofs oordeel kreeg de cliënt (hooguit) een vordering op de Vennootschap waarvan de grootte afhankelijk was van het met het vermogensbeheer behaalde resultaat.

(…)

24. Uit het een en ander volgt dat de gedragingen van [H] [rechtbank: verdachte in het Clickfondsonderzoek] voor zover verricht binnen het geschetste kader van het Clickfondssysteem niet vallen binnen het bereik van de verbodsbepalingen van artikel 42 Wtk 1978 en artikel 82 Wtk 1992. Uit het voorgaande leidt het hof voorts af dat het oogmerk van de organisatie waaraan de verdachte volgens de tenlastelegging zou hebben deelgenomen niet bestond uit het opzettelijk overtreden van deze bepalingen. In zoverre kan de tenlastelegging dus niet leiden tot een bewezenverklaring.

Slotsom

25. Het een en ander leidt ertoe dat geen van de werkzaamheden waartoe het gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband volgens de tenlastelegging in deze zaak strekte een strafbaar feit oplevert. De verdachte moet dan ook worden vrijgesproken van het hem onder 2 tenlastegelegde.

26. Het oordeel over het onder 1 tenlastegelegde is gelijkluidend. Het daarin neergelegde verwijt dat verdachte meermalen tripartiete overeenkomsten valselijk zou hebben opgemaakt c.q. vervalst kan immers geen doel treffen.

(…)”

2.18. [A] heeft bij verzoekschrift van 9 mei 2006 op de voet van artikel 591a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) verzocht om vergoeding van zijn kosten van rechtsbijstand van EUR 261.028,82. Bij verzoekschrift van 16 mei 2006 heeft hij op de voet van artikel 89 Sv vergoeding verzocht van door hem als gevolg van zijn inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis geleden schade (EUR 150,-- per etmaal).

2.19. De Staat heeft [A] naar aanleiding van de onder 2.18 vermelde verzoekschriften als vergoeding van de door hem geleden schade in totaal EUR 221.500,-- voldaan. [A] heeft hierna zijn verzoekschriften ingetrokken.

2.20. Na bemiddeling door de Nationale Ombudsman heeft de Staat aan [A] EUR 50.000,-- voldaan ter zake van onzorgvuldig handelen van het Openbaar Ministerie en EUR 13.004,38 ter zake van [A]s advocaatkosten.

3. Het geschil

3.1. [A] vordert – enigszins verkort weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad;

1. voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld;

2. de Staat veroordeelt tot vergoeding van de door [A] geleden en nog te lijden schade, vooralsnog begroot op EUR 7.733.161,--, vermeerderd met de wettelijke rente over EUR 6.707.323,-- vanaf eind 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

3. de Staat veroordeelt in de kosten van de procedure.

3.2. [A] legt – onder verwijzing naar de door hem gestelde feiten en in het geding gebrachte stukken en sterk verkort weergegeven – aan zijn vordering ten grondslag dat de Staat jegens hem in het kader van de strafvordering onrechtmatig heeft opgetreden. [A] heeft dientengevolge schade geleden, die hij tot op heden begroot op in totaal EUR 7.733.161,--. De Staat is op grond van de door hem gepleegde onrechtmatige daad gehouden deze schade aan [A] te vergoeden.

3.3. De Staat voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In de onderhavige zaak is aan de orde of de Staat met het strafrechtelijk optreden jegens [A] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en of de Staat dientengevolge schadeplichtig is geworden.

4.2. Uit bestendige rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat voor een gewezen verdachte zoals [A] twee mogelijke grondslagen bestaan op grond waarvan een vordering tot schadevergoeding in verband met strafrechtelijk optreden van politie en justitie op de voet van onrechtmatige overheidsdaad kan worden ingesteld:

1) in het geval dat van de aanvang af een rechtvaardiging voor dat optreden heeft ontbroken doordat dit optreden in strijd was met een publiekrechtelijke rechtsnorm, neergelegd in de wet of in het ongeschreven recht, waaronder het geval dat van de aanvang af een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 Sv heeft ontbroken. De vraag of een rechtvaardiging voor het strafrechtelijk optreden heeft ontbroken zal daarbij moeten worden beoordeeld naar het tijdstip waarop dit optreden heeft plaatsgevonden;

2) in het geval dat, ongeacht of in strijd met een publiekrechtelijke rechtsnorm is gehandeld, uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak blijkt van de onschuld van de verdachte en derhalve van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte (hierna: het gebleken onschuld-criterium).

Het is tegen de achtergrond van deze maatstaf dat de vorderingen van [A] en de verweren van de Staat zullen worden beoordeeld.

1) Strijd met een publiekrechtelijke rechtsnorm

4.3. Op grond van artikel 27 Sv wordt – voor zover hier van belang – als verdachte aangemerkt degene ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit. De feiten en omstandigheden waarop de verdenking is gebaseerd moeten objectief bezien voldoende aanleiding geven voor een verdenking van het plegen van een strafbaar feit.

4.3.1. [A] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij nimmer als verdachte had kunnen worden aangemerkt en dat in die zin van aanvang af een rechtvaardiging voor het optreden van politie en justitie heeft ontbroken. Hij wijst hiertoe op het oordeel van het hof dat – kort gezegd – het uit Zwitserland afkomstige rechtshulpmateriaal niet kon dienen als bewijs in de strafzaak tegen [A]. Enig vermoeden van schuld bestond volgens [A] alleen vanwege het uit Zwitserland afkomstige rechtshulpmateriaal.

Dit betoog faalt. [A] gaat ten onrechte eraan voorbij dat de vraag, of van aanvang af een rechtvaardiging voor het optreden van politie en justitie heeft ontbroken, moet worden beoordeeld naar het tijdstip waarop dit optreden plaatsvond. De Staat heeft in dit verband onbetwist naar voren gebracht dat uit het uit Zwitserland afkomstige rechtshulpmateriaal bleek dat [A] gerechtigd was tot het vermogen van een Mississippi-coderekening en dat hij tripartiete overeenkomsten had ondertekend. Gelet op deze uit het rechtshulpverzoek voortvloeiende informatie, in combinatie met het feit dat uit bij Kas-Ass in beslag genomen stukken bleek dat [B] Effecten, waarvan [A] bestuurder was, betrokken was bij het gebruik van coderekeningen, en het feit dat [A] op 12 november 1997 had verklaard nimmer gerechtigd te zijn geweest met betrekking tot een coderekening, bestond op het tijdstip waarop het strafrechtelijk optreden plaatsvond naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanleiding voor een verdenking van het plegen van een strafbaar feit. Dat het hof achteraf heeft geoordeeld dat sprake is geweest van een onvolkomenheid in het rechtshulpverzoek aan Zwitserland en dat om die reden het daaruit voortvloeiende materiaal niet tot bewijs kon dienen, doet niet af aan de conclusie dat ten tijde van het strafrechtelijk optreden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit kon bestaan.

4.3.2. Het hiervoor onder 4.2 sub 1 weergegeven criterium van strijd met een publiekrechtelijke rechtsnorm omvat ook de situatie dat reeds bij voorbaat vaststaat dat geen veroordeling zal kunnen volgen of in redelijkheid niet kan worden betwijfeld dat het betrokken feitencomplex buiten het bereik van de strafbepaling valt waarop de tenlastelegging is toegesneden. In dat geval is het instellen van een strafvervolging niet gerechtvaardigd en dus onrechtmatig. Indien evenwel in het verdere verloop van de strafrechtelijke procedure blijkt dat het Openbaar Ministerie bij zijn beslissing tot vervolging is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent één of meer van de in de delictsomschrijving opgenomen bestanddelen, komt dit niet zonder meer voor risico van de Staat.

4.3.3. Kennelijk stelt [A] zich op het standpunt dat de onder 4.3.2 weergegeven situatie aan de orde is. [A] stelt in dit verband dat het oordeel van het hof, blijkend uit de motivering van de vrijspraak, zo overduidelijk was, dat het Openbaar Ministerie dit oordeel van aanvang af aan kon en moest hebben voorzien.

[A] heeft echter niet inzichtelijk gemaakt waarom het oordeel van het hof zó evident was dat hieruit de conclusie moet volgen dat voor het Openbaar Ministerie reeds bij voorbaat vaststond of had vast moeten staan dat geen veroordeling zou kunnen volgen of in redelijkheid niet kon worden betwijfeld dat het betrokken feitencomplex buiten het bereik van de strafbepaling viel waarop de tenlastelegging is toegesneden. [A] heeft in zoverre zijn stelling onvoldoende onderbouwd. Dat zijn toenmalige advocaat het Openbaar Ministerie erop heeft gewezen dat er geen sprake was van valsheid in geschrift of deelneming aan een criminele organisatie, is in dit verband onvoldoende.

4.3.4. [A] heeft verder gesteld dat de uitspraak van de rechtbank in de strafzaak tegen hem het Openbaar Ministerie ervan had moeten weerhouden hiervan in hoger beroep te gaan.

Hierin wordt [A] niet gevolgd. Het staat het Openbaar Ministerie – evenals [A] bij een veroordelend vonnis – immers vrij gebruik te maken van de haar gegeven wettelijke mogelijkheid om een uitspraak ter beoordeling aan een hoger rechtscollege voor te leggen, indien zij zich niet in de uitspraak kan vinden. Dit kan anders zijn indien de omstandigheden van het geval zodanig waren, dat geen redelijk handelend officier van justitie tot het instellen van het hoger beroep kon komen. Dat van dergelijke omstandigheden sprake is geweest heeft [A] echter onvoldoende gesteld. Weliswaar suggereert [A] dat het Openbaar Ministerie slechts hoger beroep tegen het vonnis in eerste aanleg heeft ingesteld met het oog op andere, aan [A]s strafzaak verwante, strafzaken jegens derden, maar hij heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die deze suggestie onderbouwen. Daarnaast geldt dat ook indien [A]s suggestie juist zou zijn, dit niet zonder meer tot de conclusie leidt dat geen redelijk handelend Officier van Justitie het hoger beroep kon instellen. Het Openbaar Ministerie kan er immers belang bij hebben om oordelen in [A]s strafzaak met het oog op andere door haar te voeren soortgelijke procedures in hoger beroep te laten toetsen.

4.4. Nu niet kan worden geconcludeerd dat voldaan is aan het hiervoor onder 4.2 sub 1 vermelde eerste criterium moet worden beoordeeld of wordt voldaan aan het daar vermelde tweede criterium.

2) Gebleken onschuld

4.5. Ter onderbouwing van zijn stelling dat van zijn onschuld is gebleken verwijst [A] naar hetgeen het hof in het onder 2.17 vermelde arrest ter motivering van de vrijspraak heeft overwogen. Volgens [A] is ten aanzien van alle feiten sprake van een inhoudelijke vrijspraak.

Met dit betoog miskent [A] allereerst dat de vraag die aan de hand van het tweede criterium moet worden beantwoord is of de verdenking waarop het optreden van politie en justitie berustte ongefundeerd was. Tussen partijen staat vast dat het strafvorderlijk optreden van politie en justitie was gebaseerd op een verdenking van het plegen van meerdere strafbare feiten. Dit brengt, anders dan [A] veronderstelt, met zich dat ten aanzien van elk van deze verdenkingen zal moeten blijken dat zij ongefundeerd was, omdat [A] onschuldig was aan het feit waarvan hij werd verdacht. Dat een deel van de strafbare feiten waarvan [A] werd verdacht uiteindelijk niet aan de strafrechter is voorgelegd doet hieraan niet af. De rechtbank volgt [A] niet in zijn opvatting dat onduidelijk is van welke strafbare feiten hij werd verdacht. In diverse door partijen in het geding gebrachte stukken, waaronder de vorderingen GVO en de vordering tot inbewaringstelling van [A], is vermeld waarvan [A] werd verdacht.

4.6. Uit het door partijen in het geding gebrachte strafdossier blijkt niet van [A]s onschuld met betrekking tot alle verdenkingen op grond waarvan de strafvervolging is ingesteld en dwangmiddelen zijn toegepast. Zo is het GVO van 4 december 1997 ook geopend in verband met belastingfraude en is ook voor dit feit de bewaring van [A] bevolen. Dat ter zake van deze verdenking van de onschuld van [A] is gebleken kan, mede gelet op de door hemzelf afgelegde verklaringen (zie onder 2.8), niet worden vastgesteld. Daarmee kan niet worden geconcludeerd dat de verdenking waarop het optreden van politie en justitie berustte ongefundeerd was. Reeds om deze reden wordt niet aan het tweede criterium voldaan.

4.7. Ten aanzien van de overwegingen van het hof, die volgens [A] inhoudelijk van aard zijn, en waarin wordt overwogen waarom [A] wordt vrijgesproken van het hem tenlaste gelegde, wordt nog het volgende overwogen.

Voorop staat dat de enkele omstandigheid dat [A] is vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten niet met zich brengt dat van zijn onschuld is gebleken. Zoals blijkt uit het door [A] in het geding gebrachte arrest heeft het hof [A] vrijgesproken, omdat hetgeen aan hem ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen werd geacht. Uit de motivering van de vrijspraak volgt, anders dan [A] betoogt, niet dat van zijn onschuld ten aanzien van alle hem ten laste gelegde feiten blijkt.

Met betrekking tot de aan [A] verweten deelname aan een organisatie waarvan de doelstelling bestond uit het in ontvangst nemen van de niet-gefiscaliseerde gelden, het storten daarvan op subrekeningen en het (vervolgens) beleggen van deze gelden in effecten of op andere wijze, blijkt [A]s onschuld niet uit de motivering van de vrijspraak. De motivering op dit punt komt er in de kern op neer, dat het voor de belastingdienst verzwijgen van bezit van vermogen en van genoten inkomsten geen wijziging teweeg brengt in de veronderstelde legale herkomst van de verzwegen gelden. Volgens het hof kon niet - zonder meer - worden geconcludeerd dat niet-gefiscaliseerde vermogens en inkomsten door misdrijf zijn verkregen. Dit is wel een noodzakelijk element voor hetgeen aan [A] werd verweten, aldus het hof. Het oogmerk van de organisatie zag wat betreft de heling van niet-gefiscaliseerde inkomsten en vermogens, overgemaakt op subrekeningen, dan ook niet op het plegen van misdrijven. Dat de feitelijke gedragingen niet voldoen aan hetgeen is tenlastegelegd, maakt nog niet dat van de onschuld van [A] is gebleken.

Het hof heeft verder geoordeeld, met betrekking tot het gestelde oogmerk van de organisatie van heling van als loon te kwalificeren uitkeringen aan werknemers van [B] Effecten, dat het bewijs van dit oogmerk alleen te ontlenen was aan directe of indirecte resultaten van de door Zwitserland verleende rechtshulp. Dit bewijsmateriaal werd echter door het hof in zijn geheel buiten beschouwing gelaten. Ook ten aanzien van dit feit heeft het hof zich niet inhoudelijk uitgelaten over hetgeen [A] werd verweten, zodat geen sprake is van gebleken onschuld.

Onoorbaar strafvorderlijk handelen en overig onzorgvuldig handelen

4.8. [A] heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat de Staat door het rechtshulpverzoek aan Zwitserland strafvorderlijk op ongeoorloofde wijze jegens hem heeft gehandeld. Daarnaast is [A] van mening dat de Staat bij de vervolging en de afwikkeling van zijn strafzaak onzorgvuldig jegens hem heeft gehandeld. Zo heeft het Openbaar Ministerie ten onrechte brieven van [A]s advocaat onbeantwoord gelaten, is zij toezeggingen niet nagekomen en is het Openbaar Ministerie haar in het kader van een bemiddelingstraject gedane toezegging tot het maken van excuses niet nagekomen. Beide standpunten missen doel.

4.8.1. Met betrekking tot het rechtshulpverzoek heeft te gelden dat het hof heeft geoordeeld dat de onvolkomenheid in het rechtshulpverzoek ertoe heeft geleid dat het Bundesgericht op een wankele basis heeft geoordeeld dat rechtshulp kon worden verleend. Volgens het hof is echter niet aannemelijk geworden dat de opstellers van het rechtshulpverzoek Zwitserland op dit punt welbewust op een dwaalspoor hebben gebracht. Gelet op dit oordeel kan niet worden geconcludeerd dat de Staat met het rechtshulpverzoek onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld.

4.8.2. Met betrekking tot de overige door [A] gestelde onrechtmatige handelingen geldt dat, ook indien zou worden aangenomen dat de Staat hiermee in het kader van de strafvordering onzorgvuldig heeft gehandeld, daarmee niet is gegeven dat sprake is van civielrechtelijk onrechtmatig handelen. Daarbij geldt dat [A] ten aanzien van deze handelingen niet heeft gesteld welke rechtsnorm is geschonden en hoe dit voor hem tot schade heeft geleid.

Conclusies

4.9. Nu de door [A] naar voren gebrachte gronden, noch afzonderlijk, noch in samenhang bezien, de conclusie rechtvaardigen dat de Staat onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld, zullen zijn vorderingen worden afgewezen.

4.10. [A] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van de Staat, tot op heden begroot op EUR 3.490,-- aan verschotten en EUR 6.422,-- (2 punten x tarief EUR 3.211,--) aan salaris advocaat.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt [A] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op EUR 9.912,--;

5.3. verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.P. Pompe, mr. R.H.C. van Harmelen en mr. L. Voetelink en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2011.?